SOLANIO:
Wel, wat voor nieuws op den Rialto?
SALARINO:
Daar kwam het bericht--en het wordt niet tegengesproken--dat een
rijk geladen schip van Antonio in de zeeëngte is vergaan; ze noemen
't daar de Goodwinsbank,[39] geloof ik; een zeer gevaarlijke en
noodlottige ondiepte, waar de karkassen van menig kloek schip
begraven liggen, naar men zegt, als ten minste mijn babbelende
tante Gerucht een vrouw van haar woord is die niet liegt.
SOLANIO:
Ik wou wel dat ze hierin een even leugenachtige babbelkous was als
er maar ooit een gember knabbelde[40] en haar buren wilde laten
gelooven dat zij huilde om den dood van haar derden man. Maar het
is waar,--zonder omhaal en rompslomp, en zonder den koninklijken
weg van de taal te verlaten--dat de goede Antonio, de brave
Antonio,--O, had ik maar een titel die goed genoeg is om zijn naam
gezelschap te houden!
SALARINO:
Kom, maak er een eind aan.
SOLANIO:
Ha!--wat zegt ge daar?--Welnu het slot van de historie is dat hij
een schip heeft verloren.
SALARINO:
Moge dit ook 't slot van zijn verliezen blijken!
SOLANIO:
Laat ik bijtijds amen zeggen, opdat de duivel mijn gebed niet moge
dwarsboomen, want daar komt hij aan in de gedaante van een Jood.