_Belmont. Een Kamer in_ PORTIA'S _Huis._
NERISSA _komt op met een_ DIENAAR.
NERISSA:
Vlug, bid ik u, schuif daad'lijk weg 't gordijn;
De Prins van Arragon zwoer reeds den eed,
En nadert aanstonds om zijn keus te doen.
_Hoorngeschal. De_ PRINS VAN ARRAGON _en_ PORTIA _komen op met hun_
STOET.
PORTIA:
Aanschouw, daar staan de kistjes, eed'le Prins,
En kiest gij dat waarin 'k besloten ben,
Dan wordt terstond ons huw'lijksfeest gevierd;
Maar als gij faalt, dan moet gij zonder meer
Onmiddellijk van hier vertrekken, Prins.
ARRAGON:
'k Ben tot drie dingen door mijn eed verplicht:
Ten eerste maak ik niemand ooit bekend
Welk kistje ik koos: dan, als ik falen mocht
In 't juiste kistje, zal 'k zoolang ik leef,
Geen maagd ten huw'lijk vragen: eindelijk,
Als ik mocht falen in 't geluk der keus,
Ga ik, onmidd'lijk u verlatend, heen.
PORTIA:
Op die verplichtingen zweert ieder, die
Een kans waagt voor mijn waardelooze zelf.
ARRAGON:
'k Ben ook daartoe bereid. Bekroon, fortuin,
Mijns harten hoop!--Goud, zilver, waard'loos lood.
"Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
Gij moet meer glanzen, eer ik geef of waag.
Wat zegt het gouden kistje? Ha! laat zien:
"Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
Wat menigeen begeert. Die _menigeen_ kan zijn
De dwaze menigte, die kiest op 't oog,
Die niet meer weet dan wat haar zotheid ziet,
Niet naar 't inwend'ge speurt, maar als de zwaluw
In de open lucht bouwt aan den buitenmuur,[37]
Juist in 't bereik en op den weg van 't lot.
Wat menigeen begeert, dat kies ik niet,
Wijl 'k niet gelijk wil staan met het gemeen,
Mij niet wil scharen bij de ruwe hoop.
Welnu, naar u dan, zilv'ren schatfoedraal;
Zeg mij nu ook het opschrift dat ge voert:
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
't Is goed gezegd. Want wie streeft naar het doel
't Geluk te paaien, en geëerd te zijn
Zonder verdienste's merk! Dat niemand waag'
Een onverdiende waardigheid te voeren.
Dat rangen, graden, ambten niet zoo vuig
Verworven werden! en dat zuivere eer
Gekocht werd door verdienste van den drager!
Wie dekte er 't ongedekte hoofd dan niet?
Wie werd dan niet bevolen, die beveelt?
Hoe meen'ge lage boer werd dan geoogst
Van 't echte zaad der eer! en hoeveel eer
Gelezen uit het kaf en puin des tijds
Om nieuwen glans te krijgen! Kom, mijn keus:
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
Ik neem verdienste:--Geef den sleutel dus,
En thans ontsluite zich 't geluk voor mij.
PORTIA:
Gij hebt te lang getalmd voor 't geen gij vindt.
ARRAGON:
Wat zie 'k? een gek die met zijn oogen knipt,
En mij een briefje biedt? 'k Zal 't lezen.--O,
Hoe ongelijk zijt gij aan Portia,
Aan wat ik hoopte en wat ik waardig was!
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
Verdiende ik niets meer dan een zottenhoofd?
Is dat mijn loon? Heb ik niets meer verdiend?
PORTIA:
Rechter te zijn en tevens delinquent
Is tegenstrijdig, niet vergund.
ARRAGON:
Wat zie ik?
"Zevenmalen in den haard
Ben 'k gelouterd; 'k evenaar
't Oordeel dat geen keus vervaart:
Hem die met een schim zich paart,
Heeft 't slechts schim van lust gebaard.
Gekken zijn er, naar mijn aard,
Overzilverd en niets waard.
Neem wie gij maar wilt tot bruid,
Mijn hoofd heeft u dat verbruid,
Ga dus heen, met u is 't uit."
En hoe langer 'k hier verkeer,
Dwazer word ik, meer en meer.
Met één zotshoofd kwam ik aan
Maar met twee ga 'k hier vandaan.--
Lief, vaarwel. Ik houd mijn eed,
En verdraag gedwee mijn leed.
(ARRAGON _af met zijn_ STOET.)
PORTIA:
Zoo was de kaars voor 't motje wreed.
O, die voorzicht'ge zotten! bij hun keus
Blijkt al hun wijsheid niets meer dan een leus.
NERISSA:
't Is waarheid wat ons de oude spreuk verhaalt:
Hangen en trouwen wordt door 't lot bepaald.
PORTIA:
Kom, schuif 't gordijn nu dicht, Nerissa.
_Een_ BODE _komt op._
BODE:
Waar is Milady?
PORTIA:
Hier, wat wil Milord?[38]
BODE:
Mevrouw, aan uwe poort is afgestapt
Een jong Venetiaan, die u vooruit
De naad'ring van zijn meester melden komt,
Van wien hij tastbare eerbewijzen brengt:
Rijke geschenken, waar vol hoflijkheid
Hij zich mede aanbeveelt; en 'k zag nog nooit
Zulk een aantrekk'lijk liefdesafgezant;
Zoo zoet een dag kwam nimmer in April,
Als voorboô van het kost'lijk zomertij,
Als deze bode vóór zijn meester komt.
PORTIA:
Ik bid u, nu niet meer, 'k ben half bevreesd
Dat ge aanstonds hem tot bloedverwant benoemt,
Gij slaat zoo'n Zondagstoon aan bij zijn lof.
Kom, kom, Nerissa, want het maakt mij blij
Dien vluggen liefdeboô te zien bij mij.
NERISSA:
Cupido, geef, dat het Bassanio zij! (_Allen af._)