SALARINO _en_ SOLANIO _komen op._

SALARINO:

Wel, man, ik zag Bassanio onder zeil:

Met hem is Gratiano meegegaan;

In hun schip is Lorenzo zeker niet.

SOLANIO:

De hondsjood riep den Doge op door geschreeuw,

Die met hem meetoog naar Bassanio's schip.

SALARINO:

Hij kwam te laat, het schip was onder zeil;

Maar daar ontving de Doge op eens 't bericht:

Lorenzo en zijn lieve Jessica

Zijn in een gondel met elkaar gezien;

En ook verklaarde Antonio den Doge

Dat zij niet waren in Bassanio's schip.

SOLANIO:

Ik hoorde nooit een hartstocht, zoo verward,

Zoo vreemd, uitbundig en afwisselend,

Als 't Joodsch stuk vee deed galmen door de straat:

"Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter!

Weg met een Christen!--Christ'lijke dukaten!

Wet! Recht! O mijn dukaten en mijn dochter!

Eén zak, twee zakken goed verzegeld, vol

Dukaten, door mijn dochter mij ontstolen!

Juweelen ook, twee rijke, kost'bre steenen,

Gestolen door mijn dochter! Spoort haar op!

Zij heeft de steenen en dukaten meê!"

SALARINO:

De jongens in Venetië volgen hem

En roepen: "Steenen, dochter en dukaten!"

SOLANIO:

Antonio houde zich aan zijn termijn,

Hij boet er anders voor.

SALARINO:

Ja, zeg dat wèl.

'k Had gist'ren met een Franschman een gesprek,

Die mij vertelde dat in 't nauw stuk zee

Dat Engeland van Frankrijk scheidt, een schip,

Met rijke vracht, uit ons land, was vergaan.

'k Dacht aan Antonio, toen ik dat vernam,

En wenschte in stilte dat het hem niet trof.

SOLANIO:

't Is raadzaam dat gij 't aan Antonio zegt;

Maar niet te plots'ling, 't griefde hem zoo licht.

SALARINO:

Er loopt geen vriendelijker man op aard'.

'k Zag 't afscheid van Bassanio en hem.

Bassanio zei dat hij zich haasten zou

Terug te komen, maar hij zei: "Doe 't niet;

Verknoei uw zaak nu niet om mijnentwil.

Maar wacht totdat de tijd haar heeft gerijpt:

En wat mijn afspraak met den Jood betreft,

Zij store uw geest, die liefde koestert, niet.

Wees vroolijk: maak het hof met hart en ziel,

En toon uw liefde op zulk een schoone wijs

Als bij de rol past die ge ginds vervult."

Toen wendde hij, zijn oog van tranen zwaar,

't Gelaat om, gaf hem afgewend de hand,

En diep getroffen, vol genegenheid,

Greep hij Bassanio's hand; zoo scheidden zij.

SOLANIO:

Mij dunkt, hij heeft slechts de aarde lief om hem.

Ik bid u, gaan we en zoeken we hem op

En fleuren wij met een of ander spel

Den weemoed die hem knelt wat op.

SALARINO:

Zeer goed. (_Beiden af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 48 / 79 题