JESSICA _verschijnt boven, in manskleeren._

JESSICA:

Wie zijt ge? Zeg 't me voor meer zekerheid,

Al zweer 'k ook dat uw stem mij is bekend.

LORENZO:

Lorenzo, uw geliefde.

JESSICA:

Lorenzo, zeker; mijn geliefde, ja,

Want wien heb ik zóó lief? En wie dan gij,

Lorenzo, weet of ik wel de uwe ben?

LORENZO:

God en uw hart getuigen dat ge 't zijt.

JESSICA:

Hier, vang dit kistje: 't is de moeite waard.

't Is nacht gelukkig, gij kunt mij niet zien,

Want 'k schaam mij over mijn vermomming zeer;

Maar liefde is blind, en minnenden zien niet

De dwaze grappen die zij zelf begaan;

Want konden zij 't, Cupido bloosde zelf,

Zag hij mij zoo veranderd in een knaap.

LORENZO:

Daal af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.

JESSICA:

Wat nu? Mijn schande nog verlichten ook?

Zij is van zelf, gerust, al veel te licht.

Dat kan slechts tot ontdekking dienen, lief,

En 'k moet in 't donker zijn.

LORENZO:

Dat zijt ge, schat,

Juist door de lief'lijke kleedij van knaap.

Maar kom terstond;

De duist're nacht gaat heim'lijk op den loop,

En op Bassanio's feestmaal wacht men ons.

JESSICA:

Ik sluit de deuren, en verguld mij zelf

Met meer dukaten; dan zal 'k bij u zijn.

(_Zij verdwijnt boven._)

GRATIANO:

Ze is een Godin, in trouwe, geen Jodin.

LORENZO:

'k Mag sterven als ik haar niet hart'lijk min:

Ze is schrander, als ik haar naar waarheid schat,

Ze is schoon, indien mijn oog mij niet bedriegt,

Ze is trouw, zooals zij 't ook bewezen heeft;

Dus schrander, schoon en trouw, zich zelf gelijk,

Vindt zij in mijn standvast'ge ziel een plaats.

(JESSICA _verschijnt beneden._)

Hoe? zijt ge er al?--Komt, Heeren, het is tijd;

Wij worden door den optocht thans verbeid.

(_Af met_ JESSICA _en_ SALARINO.)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 44 / 79 题