ANTONIO:
'k Weet waarlijk niet waarom 'k zoo somber ben,
Ik vind het lastig, en dat vindt gij óók;
Maar hoe ik 't opdeed, er aan kwam, of 't kreeg,
Waarvan 't gemaakt is, waaruit het ontstond,
Dat weet ik niet;
En tot zóó'n domoor maakt dat somb're mij,
Dat met den besten wil 'k mijzelf niet ken.
SALARINO:
Uw zinnen zwalken op den oceaan,
Waar uw galjoenen met hun statig zeil,
Signors en rijke burgers van den vloed,
Of, als het ware, pronksieraân der zee,
Zien boven 't hoofd der kleine schepen uit,
Die voor hen buigen, en hun hulde doen,
Voorbij hen vliegend op geweven wiek.
SOLANIO:
Had ik zoo'n risico op zee, Mijnheer,
Voorwaar het grootste deel van mijn gemoed
Zou bij mijn verre hoop zijn. 'k Plukte steeds
Grasjes om 't waaien van den wind te zien,
Op kaarten tuurde ik om te weten waar
Er havens, kaden, reeden konden zijn,
En ieder voorwerp dat mij vreezen deed
Voor wat op zee ik waagde, 't zou gewis
Mij somber maken.
SALARINO:
Als 'k mijn soep koud blies,
Dan gaf mijn adem mij de koorts, wen 'k dacht
Welk kwaad te harde wind op zee kon doen.
Ik zag het zand niet door het uurglas gaan,
Of 'k dacht aan banken en aan ondiepten,
En 'k zag mijn rijke "Andries," met dek in 't zand,
De mastpunt lager buigend dan het boord,
Haar grafplaats kussen. Ging ik naar de kerk,
En zag ik 't heilige gebouw van steen,
Dacht 'k aanstonds niet aan rotsen vol gevaar,
Die slechts de zijde rakend van het schip,
Zijn specerij zou strooien op den stroom,
Het brullend nat bekleeden met mijn zij,
En, in één woord, zooeven zóó veel waard,
Nu niets meer waard? Komt de gedachte in me op
Hieraan te denken, denk ik dan ook niet
Dat zulk een ramp mij somber maken zou?
Zeg mij maar niets; 'k weet het, Antonio
Is somber, denkend aan zijn handelswaar.
ANTONIO:
Neen, zeker niet. 'k Dank mijn geluk er voor
Dat mijn fortuin niet op één bodem rust,
Noch op één plaats; noch hangt mijn gansch bezit
Van 't slagen af in 't tegenwoordig jaar;
Mijn handelswaar maakt mij dus niet bedrukt.
SALARINO:
Welnu, dan zijt ge vast verliefd.
ANTONIO:
Foei, foei!
SALARINO:
Oók niet? Komaan, dàn zult ge somber zijn,
Wijl gij niet vroolijk zijt; 't ging even goed
Te lachen en te dansen en te zeggen
"'k Ben vroolijk," omdat gij niet somber zijt.
Bij den tweehoofd'gen Janus,[1] de natuur
Heeft vreemde kwanten nu en dan gevormd:
De een tuurt voortdurend door zijn wimpers heen,
Lacht, als een papegaai, bij 'n doedelzak,
En de ander heeft zoo'n zuur azijngezicht,
Dat hij zijn tanden nooit ten glimlach toont,
Schoon Nestor[2] zwoere op de aardigheid der grap.