[1] „Revue des deux mondes” 15 juillet, 1868 pag. 379.
[2] N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en
Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.
[3] 20ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.
[4] De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een
achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en
Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society”
te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de
Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr.
du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek,
nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen
brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar
1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van
Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen,
teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere
brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der
stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de
steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het
Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam,
Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend
werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek
(zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven de c vóór de k aan het
einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog
opgemerkt worden, dat hij steeds een lange i bezigde bij het
„schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn
gedrukte brieven met een y wordt gespeld. Overigens was het schrijven
van de c vóór de k, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck,
dick, volmaeckt enz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het
schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en
gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het
voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim
in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij
dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner
eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die
zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van
Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam
ook aldus te schrijven.
[5] Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.
Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze
laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in
1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag
gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en,
Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.
[6] In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend,
dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn,
vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha,
Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl
Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van
den Heuvel en Antony met .... Poelgeest huwde, welke laatste zich aan
de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich
tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek
gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig
in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in
mijn bezit is.
[7] Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.”
Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823,
pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en
Wetenschappen 1729, blz. 138.”
[8] 22ste Sendbrief, blz. 206.
[9] Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers
gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld
wordt.
„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere
koopluiden verheven wierden; mannen die doorgaans op het kussen der
stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het
volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:
„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?
Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”
[10] 35ste Brief, blz. 24.
[11] 28ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte
berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling
manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII.
Huygens no. 30).
[12] 4de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans,
Burgemeester van Delft.
[13] Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335,
waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer
het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het
hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese
myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de
begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen
hebben.”
Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei,
1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den
scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die
een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus,
wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog
verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt
van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de
lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.
[14] Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16
jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel
hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om
dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid
gedurig noch zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij
binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in
der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft
afgezondert, te zetten.”
[15] Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859
deel V Letter L”.
[16] T. a. p., blz. 365.
[17] Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de
10de Sendbrief, blz. 96 en Philos. Transact. Vol. XXXV, pag. 433.
[18] Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er
op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien,
blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg,
Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik
zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel
kleynder dierkens waren, die voor syn oogen verborgen waren, en die ik
door andere glasen en methoden, die ik alleen voor myn zelve houde,
kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het
physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek,
waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het
in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene
groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en
vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens
van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt,
en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te
zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik,
geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz.
44.
[19] Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol.
IV, pag. 365.
[20] Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te
vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no. 455,
doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan
den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid
behouden heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog
als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte
afsluit, een astrolabium aangebracht.
[21] Familie-register.
[22] Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.
[23] De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig
geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van
Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het
jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz.
390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat
voor den Hove van Holland.
[24] Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd”
portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij
stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van
dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming
verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor
de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij
zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter
medegedeeld: Aan de rechter zijde (links van den toeschouwer) ziet men
vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in
rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit
te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke
figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer
houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en
men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder
andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede
waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den
schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit
geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding,
geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte
kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch
hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet
men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de
hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de
plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop
van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het
diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl
hij ook, evenals op de schilderij, vóór zich een blad papier heeft,
waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij
zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond
niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in
„zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.
Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje
geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een
andere hand in sommige attributen enz. is veranderd? of dat er een
ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als
onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?
(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert 1672 te Delft
woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed
te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen
Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in
andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van
Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de
prent in zwarte kunst gewag gemaakt.
Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog
een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die
onderling eenigermate verschillen, als:
„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4º.
„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4º.
„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”
„J. Verkolje pinx., Zw. k.” fol.
„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8º.
„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.
„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.
Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk
vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien
is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan
op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna
niet te herkennen.
Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of
porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in
gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links
van den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts
eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de
Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud
veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren
en goud versierden rand omgeven.
Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude
Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M:
Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden
rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters:
„Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te
Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus
1723.”
Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken,
voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven
dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun
Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en
kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door
een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter
„Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van
Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest,
terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de
ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten
September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen
van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem
betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.
[25] 34ste Brief bl. 11.
[26] Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch
Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3 Th. S. 349.
[27] 23ste Sendbrief, blz. 31.
[28] 2de vervolg, 66ste brief, blz. 323.
[29] Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.
[30] 5de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.
[31] „Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.
[32] Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde
zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar
naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij
schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de
voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen,
waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd
werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek
van Swammerdam, dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook
Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van.
In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de
vervolg 81ste Brief bl. 670) zegt hij: „Wat nu Swammerdam en Reinier de
Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en
zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak
beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog
leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde
verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben
van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de
hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de
laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo
mij doen ter tijd berigt wierd.”
[33] Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht
verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie,
Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche
Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt.
Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”
[34] De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld
„het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en
Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in
het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum
brevi omnium conspiculiorum historia.... accessit etiam centuria
observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief
voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van
geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief
blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden
brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en
dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610
microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven
hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van
Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het
zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder
hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het
bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal
hebben nagemaakt.
[35] „Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.
[36] 18de Sendbrief, blz. 169.
[37] „Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.
[38] „Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.
[39] Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige,
was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702.
Hij studeerde te Oxford in de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in
de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als
werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen
der „Royal Society.”
[40] Birch, t. a. p., pag. 393.
[41] Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en
werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant
te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde
zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige
Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat
hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van
zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook
optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem
tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van
een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige
gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij
Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die
hij beweerde die van Leeuwenhoek te evenaren. Deze was geen vriend van
hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem
gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief
d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen,
Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker
is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker
voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren
geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker
van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een
soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal
wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde,
soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig
geweest”....„Dat de Heer Hartsoeker de woorden voert, dat hy na syne
kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de
vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz.
(Hierover later).
Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna
naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van
teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar
Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te
Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en
ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als
Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij
echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan,
keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.
[42] „Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.
[43] „Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.
[44] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.
[45] „Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van
Haastert enz., 1823.
[46] Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het
Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;”
beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het
eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in
een klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal
Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd
aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no.
380.
Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner
betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den
tegenwoordigen secretaris der Royal Society Dr. Walter White, die
bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek
gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek
verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven,
doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of
er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden
zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het
afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.
[47] 7de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.
[48] „Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.
[49] 2de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.
[50] Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III
blz. 380.
[51] Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering
te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich
übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen
Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch
Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu
machen.”
[52] 2de Sendbrief, blz. 22.
[53] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.
[54] Birch t. a. p., Vol. III, pag. 338 en 346.
[55] Birch t. a. p., pag. 346.
[56] Birch t. a. p., blz. 349.
[57] De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aan Constantijn Huygens,
waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift
in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche
Hoogeschool.
[58] „Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.
[59] Birch t. a. p., blz. 358.
[60] Birch t. a. p., Deel IV pag. 104.
[61] Birch t. a. p., blz. 386.
[62] „Zuletz” zegt hij „wiese uns Herr Leeuwenhoek sein cabinet, in
welchen er wohl ein Duzent lackirter kästgen, und in diesen wohl
anderthalf hundert ob vermeldeter kleinen Futerälgen hatte, in deren
jedem zwey kleinen sorte lagen. Als wir uns über diesen Vorrath
wunderten, und fragten, ob er denn keine verkauffte, indem wir gerne
etliche haben möchten, sagte er; nein, bey meinen Leben nicht. Er war
auch sehr geheim mit seiner Arbeit, wie er sie machte.” En iets later
zegt Uffenbach: „Wir hatte gerne gefragt, warum er so viele Microscopia
machte und doch keine verkauffen wolte, wir fürchteten aber, wie
möchten eine Holländischen, oder kein Antworth bekommen.” Uffenbach,
waarschijnlijk uit spijt over dit weigerend antwoord, laat zich
daarover echter in onheusche gevolgtrekkingen uit, zeggende:
„Vermuttlich steckt vornemlich der Neid dahinter, dasz er bey seinen
Lebzeiten niemand seine Art von Microscopiis zu Handen kommen lassen
will.”
[63] Dr. Halbertsma, „Dissertatio historico-medica inauguralis de
Antonii Leeuwenhoekii meritis, in quasdam partes anatomiae
microscopiae”, 1843, pag. 12.
[64] 18de Sendbrief, blz. 169.
[65] 20ste Sendbrief, blz. 189.
[66] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 312.
[67] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 100.
[68] „Employement for the Microscope. Londen, 1753. (Hollandsche
vertaling) Nuttig gebruik van het Mikroskoop. Amsterdam, 1756, blz.
456.”
[69] Het Mikroskoop, enz. t. a. p. dl. 3, blz. 44.
[70] 33ste Brief, blz. 17.
[71] 35ste Brief, blz. 17.
[72] 41ste Sendbrief, blz. 37.
[73] 41ste Sendbrief, blz. 404.
[74] Manuscript in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan
afschrift in mijn bezit is.
[75] „Het Mikroskoop t. a. p. 3de deel, blz. 404.”
[76] Brief aan de „Royal Society van 25 Juli 1684, No. 42, blz. 32.”
[77] Zie 36ste Brief, blz. 33.
[78] Robert Smith, volkomen samenstel der optica of gesichtkunde 1753
pag. 338 (uit het Engelsch „Dissertations upon Physico-Mathematical
Subjects 1732” p. 45).
[79] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 243.
[80] 6de Vervolg, 98ste Brief, blz. 198.
[81] T. a. p. blz. 18.
[82] 4de Vervolg, 83ste Brief, blz. 723 en 7de Vervolg, 111de Brief,
blz. 48.
[83] 32ste Sendbrief, blz. 317.
[84] 47ste Brief, blz. 48.
[85] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 374.
[86] 30ste Sendbrief, bladz. 304.
[87] „Philosophical Transactions, Vol. IX, pag. 23. More microsc.
observ. made bij Mr. L. Upon the globuls of the Blood” etc. Deze brief
werd eerst, na in het Engelsch vertaald te zijn, in de Vergadering van
27 April 1674 voorgelezen, en werd dit onderwerp nader vervolgd in een
brief, d.d. 4 September 1674.
[88] 1ste Vervolg, 65ste Brief, blz. 294.
[89] 7de Vervolg, 128ste Brief, blz. 232.
[90] 42ste Brief, blz. 32.
[91] Ibidem, blz. 37.
[92] Halbertsma, t. a. p. pag. 32.
[93] Ibidem, t. a. p. pag. 33.
[94] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 284.
[95] 3de Vervolg, 67ste Brief, blz. 341.
[96] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 353.
[97] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 289, 300, 306.
[98] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 333.
[99] Van der Boon, t. a. p., blz. 29.
[100] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 332.
[101] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 382.
[102] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 334.
[103] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 355, en „Biographie Universelle
etc. Paris 1819.” T. XXIV, pag. 363.
[104] „Biographie Universelle, t. a. p.”
[105] A. van der Boon, t. a. p., blz. 29.
[106] „Philosophical Transactions.” Vol. IX, p. 125; Halbertsma, Diss.,
t. a. p. blz. 51.
[107] „Philosophical Transactions.” Vol. XII, p. 1002; 49ste Brief,
blz. 31. Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51.
[108] Van der Boon etc., t. a. p.
[109] Van der Boon, t. a. p., blz., 81.
[110] 53ste Brief, blz. 1.
[111] Men leze verder wat van der Boon daaromtrent mededeelt, ten
betooge, dat Leeuwenhoek anderhalve eeuw vroeger reeds bekend maakte,
wat Purkinje en anderen daaromtrent als nieuw vermelden, t. a. p., blz.
81.
[112] 41ste Sendbrief, blz. 405.
[113] 7de Vervolg, 109de Brief, blz. 27.
[114] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 65.
[115] Deze bijzonderheden komen niet voor in de eerste uitgave mijner
biographie van Leeuwenhoek; zij zijn ontleend aan de „Verslagen en
mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling
Natuurkunde, deel 13, 3e stuk,” alwaar deze mededeeling van Prof.
Halbertsma, op blz. 342 voorkomt.
[116] A. Haller, „Elem. Physiologiae, Lugd. Bat. 1765. Tom. VII, p.
523.”
[117] „Versuch einer pragmat. Geschichte der Arzneykunde Halle 1801.
Th. IV, S. 293.”
[118] In deze Encyclopaedie wordt eene korte levensbeschrijving van
Ludwig von Hammen gevonden, waaruit blijkt dat hij in het jaar 1652,
waarschijnlijk te Dantzig, geboren werd, zich aan de geneeskunde gewijd
en te Montpellier gestudeerd heeft, alwaar hij tot Doctor gepromoveerd
werd. Hij vestigde zich te Dantzig, werd te gelijkertijd lijfarts van
Johan Sobieski, koning van Polen, maar stierf zeer jong n. m. den 15
Maart 1680. Er zijn van hem geen geschriften bekend als zijn doctorale
dissertatiën „Curriculum medicum Monspeliense” 1674, 4º en „de herniis
diss.” en „de crocodilo et vesicae mendaci calculo epistolae. Gedani
1677, 4º Lugd. Bat. 1682, 12º.” Verder staat er te lezen, dat het
tamelijk zeker schijnt, dat hij, tegen Hartsoeker’s beweeringen, de
ontdekker der zaaddiertjes is, welke ontdekking hij in Augustus 1677
mededeelde aan „dem Professor” (!) Ant. v. Leeuwenhoek te Delft.
[119] „Mikroskopische Anatomie II. 2. S. 398.”
[120] „Lehrbuch der Anatomie des menschen. Giessen 1862. S. 228.”
[121] „De carnis musculosae fibrarumque carnearum structuram L. B.
1741.”
[122] „Philosophic. Transactions, no. 247, fol. 337.”
[123] 7de Vervolg, 117de Brief, blz. 102.
[124] 38ste Brief, blz. 4.
[125] 18de Sendbrief, pag. 168.
[126] 45ste Brief, blz. 43.
[127] Cornelis Bontekoe was geboren te Alkmaar in het jaar 1647,
studeerde en promoveerde te Leiden, en werd beroepen als Hoogleeraar te
Frankfort a/Oder. Hij overleed in 1685.
[128] 45ste Brief, blz. 74.
[129] „Anleitung zur historie der medicinischen Gelährheit von Gottlieb
Stolle”. Jena, 1731, 4º., 3de Th. S. 535.
Deze en vele andere bronnen werden mij met groote welwillendheid
verstrekt door den Hoogleeraar Dr. Groshans, wiens rijke verzameling
boeken ten allen tijde mij ten dienste stond.
[130] Sendbrieven no. 20, blz. 166.
[131] „Rede zur Feier des Leibnitz’schen Jahrestages über Leibnitz’ens
Methode Verhältniss zur Natur-Forschung und Briefwechsel mit
Leeuwenhoek, in der öffentlichen Sitzung der Königlich-Preuss. Akademie
der Wissenschaften am 3 Juli 1845 gehalten von Christian Gottfried
Ehrenberg.” Deze redevoering is te vinden in de Bibliotheek der
Leidsche Hoogeschool.
[132] De „Theodicae” van Leibnitz verscheen in 1710.
[133] Ook zou ik wenschen, dat bij het onderzoek de microscopen werden
aangewend, waarmede de schrandere en ijverige Leeuwenhoek zoo veel
heeft gepraesteerd, dat ik mij dikwijls verontwaardig over der menschen
traagheid, die de oogen niet willen openen en zich niet verwaardigen te
geraken in het voor de hand liggend bezit van wetenschap. Want indien
wij wijs waren zoude hij reeds overal navolgers hebben.
[134] 28ste Brief, blz. 13.
[135] 4de Vervolg, 81ste Brief, blz. 671.
[136] 3de Vervolg, 74ste Brief, blz. 507.
[137] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 138.
[138] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 130.
[139] 3de Vervolg, 72ste Brief, blz. 449.
[140] „Philosophical Transactions. Vol. XXVI, pag. 416.”
[141] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 133.
[142] Dit doelt op hetgeen hij omtrent zoodanige purgeermiddelen op
blz. 86 gezegd heeft.
[143] 38ste Brief, blz. 21.
[144] No. 43, blz. 66.
[145] 32ste Sendbrief, blz. 317.
[146] 49ste Brief, blz. 30.
[147] 51ste Brief, blz. 67, terwijl de bijgevoegde afbeeldingen der met
den kapokvezel en zaden gevulde vrucht, volkomen juist zijn, zijnde een
exemplaar van deze vrucht aanwezig in het pharmacognostisch kabinet van
het Rotterd. Depart. der Ned. Maatsch. t. b. der Pharmacie.
[148] De plant waarvan de kapok afkomstig is, heet „Eriophorus Javana”
Rumph., „Bombax pentandrum” L. „Ceiba pentandra” Gärtner, „Eriodendron
anfractuosum” Dec.
[149] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 245.
[150] Christiaan Huygens, Heer van Zeelhem, enz.
[151] 3de Vervolg, 71ste Brief, blz. 397, 405.
[152] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 42, 6de Vervolg, 99ste Brief.
[153] 6de Vervolg, 100ste Brief, blz. 251–255.
[154] 49ste Brief, blz. 26.
[155] 55ste Brief, blz. 28–52. 26ste Sendbrief, blz. 235–253.
[156] 3de Vervolg, blz. 395.
[157] 50ste Brief, blz. 45.
[158] 59ste Brief, blz. 130.
[159] 58ste Brief, blz. 105.
[160] 40ste Sendbrief, blz. 391.
[161] „A letter concerning green weeds growing in water and some
animalcula found about them.” Philosophical Transactions, vol. 23.
[162] 7de Sendbrief, blz. 64.
[163] Vangarmen.
[164] „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten
voor de plantkunde; in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis,
uitgegeven door Prof. J. van der Hoeven en W. H. de Vriese, 1834, 1ste
deel.
[165] 29ste Brief, blz. 17.
[166] 29ste Brief, blz. 19.
[167] Van Hall, t. a. p., blz. 6.
[168] 29ste Brief, blz. 26.
[169] 29ste Brief, blz. 19.
[170] 29ste Brief, blz. 26.
[171] 29ste Brief, blz. 12.
[172] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50.
[173] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52.
[174] 74ste Brief, blz. 482.
[175] 28ste Sendbrief, blz. 261.
[176] 28ste Sendbrief, blz. 264.
[177] 28ste Sendbrief, blz. 266.
[178] 28ste Sendbrief, blz. 269.
[179] 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496,
497.
[180] 29ste Brief van 12 Januari 1680.
[181] 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75.
[182] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692.
[183] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488.
[184] Van Hall t. a. p., blz. 18.
[185] 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37.
[186] 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27.
[187] „Vermischte Schriften”, I. S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21.
[188] „Elemente der Phytotomie”. Jena, 1815, I. S. 36.
[189] R. Brown, „Prodromus Florae Novae Hollandiae,” pag. 573. Van Hall
t. a. p., blz. 25.
[190] De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag
eenige dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid
aanmaande, vervolgde echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze
te naarstig was om stil te zijn, in deze woorden:
„Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven,
Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven.
Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas
Noch loopt,” enz.—
[191] „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”.
[192] „Philosophical Transactions Th. XXXII, pag. 446”.
[193] 30ste Sendbrief, blz. 295.
[194] Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te
Delft, later te Rotterdam, met wien Leeuwenhoek bevriend was,
verstrekt.
[195] Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche
Historiepenningen.” Bd. III, blz. 223.
[196] 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436.
[197] 20ste Sendbrief, blz. 189.
[198] 20ste Sendbrief, blz. 189.
[199] Van Loon voegt er deze vertaling bij:
„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd.
III, pag. 223.
[200] Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij
Birch, dat de benoeming van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in
1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek zelf in den 46sten
Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679 is op
zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd
in mijn vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan,
dunkt mij, worden opgelost, door de vermelding, dat men in dien tijd
gewoon was, het jaartal, van den aanvang des jaars, tot ongeveer in het
midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig jaartal er bij
vermeld werd, zoodat men dan schreef 1679⁄80 enz. Ook de dateering
geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met
elkander schijnt te hebben verschild.
[201] Birch, t. a. p., pag. 11.
[202] Birch, t. a. p., pag. 13.
[203] Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p., blz. 18.
[204] De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste
dagen waarin Engeland verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645,
hetzelfde jaar van den slag van Naseby, die de macht van Karel I
vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze
politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in
iedere week zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke
onderwerpen te onderhouden en op deze wijze, de twisten te vergeten,
die hun vaderland te gronde dreigden te richten.
De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten
iedereen, die maar eenigszins de partij des konings scheen toegedaan te
zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar
Oxford.
Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en
liet het collegie niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel
II, toen zij in 1659 weder naar Londen terugkeerden en hunne
vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College hervatteden.
Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij
vergaderden, tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie
door patent-brieven voor goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit
spoedig eene groote uitbreiding en werd van zeer groot gewicht in de
wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor een groot deel
verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg, een
Duitscher.
De „Philosophical Transactions” werden het eerst in 1665 uitgegeven en
werden, bijna zonder eenige afbreking tot op onzen tijd toe geregeld
voortgezet.
Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek
heeft zeker veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om
zijne waarnemingen en ontdekkingen met onverflauwden ijver
voorttezetten.
(George Cuvier. „Histoire des sciences naturelles” 1841. Émile
Blanchard „Les observations au microscope” in de Revue des deux mondes
1868 p. 389.)
[205] Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft.
[206] 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231.
[207] 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62.
[208] Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt.
[209] Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot.
[210] T. a. p., blz. 26.
[211] Derde deel, 85ste Brief, blz. 13.
[212] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.
[213] „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)”
[214] Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl
dit laatste blad ter perse was.