Stukjes wit marmer.
,, bergkristal.
,, diamant.
,, bladgoud.
,, stofgoud.
,, zilvererts.
Salpeter-kristallen enz.
Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door
zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied
met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:
Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester
van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den
Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde
sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene
aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde
daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem
zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met
korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes
fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in,
waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een touwtje was gestoken
waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene
kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje
ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw
zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het
glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs
gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet
boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te
samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond,
vele malen met de vingers, even als een koord, om.
Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze
ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in
eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de
glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de
waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken.
Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de
kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl
de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel
gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol
plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte
van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het
kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel
nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat,
gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel
werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de
dagelijksche omwenteling of draaiing van den aardbol in de lucht werden
opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de
lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich
voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het
heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de
waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht
zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder
toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den
bol hing, uit den hals op te trekken, doch zoo, dat hij het touwtje met
den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen
bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw,
waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de
lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging
van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens
de vochtige dampen werden weggestooten.
Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der
aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij
beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te
vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan
Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de
bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.
Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden
een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging,
wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden
opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der
physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.
Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen
opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om
hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het
gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook
niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral
zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen
deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te
leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen
te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht
had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en
volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der
beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de
grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston,
Christopher Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas
Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling,
afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne
ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen,
die daarmede in verband stonden, werden behandeld.
Beroemde landgenooten, zoo als Constantijn en Christiaan Huygens,
Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave, Ruysch, enz.
bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die
hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen
niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen
aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met
Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen,
de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam
van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen,
behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in
zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan
ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en
waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te
vinden zijn.
Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken
van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den
beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem
te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von
Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven
„Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er
Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek
bracht „bij den beroemden „Observatore microscopico Leeuwenhoek”,” doch
dat hij daartoe eene bijzondere aanbeveling noodig had [194], daar
Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem
niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande
nieuwsgierige bezoekers bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt
uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de
reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen
dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen
wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch
seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir
bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles
Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen,
ganz mühe.”
Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van
Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten,
waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe
zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven
niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in
geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige
onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne
verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”
De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen.
Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de
omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder
vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook
sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene
groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij
leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot
vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte
hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.
Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst
kleine jonge oesters in spiritus vini bewaard, welke zeer duidelijk te
onderkennen waren.
Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had
gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en
met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk
hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een
droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor
het vocht dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en
daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.
Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een
zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien
was.
Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de
verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander
lagen.
Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende,
ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm,
van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog
vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige
halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und
also die Vliegen zu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel
eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien;
alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop
wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hij hen zijn cabinet
zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de
genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.
Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek
hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene
uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere
bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik
reeds het noodige op blz. 25 vermeld.
De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en
uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten,
dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde
over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo
verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren,
„durch allerhande Frage eines und des andere aus.”
Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel
merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.
Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph
gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek
aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George
I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus
koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den
Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel
III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den
Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin
van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.
Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen
vond ik de volgende bijzonderheden:
Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land
bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te
zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond
hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne
terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk
eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich
over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne
erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem
toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en
droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde
vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan
haar op.
Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een
bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.
Mr. Gerard van Loon [195] beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de
volgende wijze:
„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een
binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van
Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het
kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door
twee Heeren zijns gevolgs den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed
verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn
weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij
het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om
den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had
achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder
andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een
aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo
groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in
andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór
zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo
overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge
dankbaarheid verzekerde.”
Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo
veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden,
het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van
Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel
van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij
hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.
„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen
hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en
zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden
brief ontvangen had, „met een levendig genoegen gezien, dat mijne
microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch
aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord
om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal
Society” een brief ontving [196] waarin de Secretaris Richard Waller
hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.... ontvangen en in eene
vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot
genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men
U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle
voorspoet die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook
aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve
natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of
beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als
U.E. zelfs.”
Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken
die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele
andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote
hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke
wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste
landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde
vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede,
Heer van Renswoude enz. enz.
Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde
Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds
86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van
„Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in
te leiden.
In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras
en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar
en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een
wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en
vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van
zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!
’t Is geen winter in ’t vernuft,
Dat, na vijf en tachtig Jaaren,
Altydt arbeydt onversuft.
Hoe zou ’t winter weezen konnen,
In het brein des grooten mans,
Dat, door zoo veel glaaze zonnen,
Staag met warmte, licht en glans,
Wordt gekoestert en beschenen?” enz.
Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende
waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn
microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste
schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij,
zal men:
Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,
Dit’s gedaan door de eige handt,
Die den bliksem maakte en donder,
Die de hemelkringen sloot
Want het onbegrijplijk wonder
Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot.
Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten
waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land
betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men
daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van
Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte
brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in
het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de
volgende aanteekening:
„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van
36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven,
geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””
Voor het 5de en 6de vervolg dier Brieven, ontving de groote
natuurvorscher, respectievelijk 30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of
douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk.
O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der
Latijnsche scholen, voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,”
hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van
63 gld.
Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die
geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele
uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit
punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd;
althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz d.d. 13 Maart 1716
[197]. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en
wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren,
Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn
konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De
groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt,
dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft
bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve
misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen,
als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t
kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”
Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen
natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de
waardeering zijner werkzaamheden.
Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door
Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke
zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee
gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.
Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief
betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde
schrijven aan Leibnitz vermeldt [198]. „Uwe gift is grooter als de
mijne.”
Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van
wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met
Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde
aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door
tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der
Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.
Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te
Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk
hunner achting en warme belangstelling aan te bieden. Op hun last
namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de
voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift:
„Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”
Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den
voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende bijen,
benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op
voorkomt (Georgia IV. v. 6.)
In tenui labor, at tenuis non gloria [199].
Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een
begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen.
Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten
dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er
aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van
vloeijende aardigheden”.
Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem
aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de
loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt,
soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen;
te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe,
niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar
meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik
merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan
Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J.
G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”)
In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in
bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de
waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „....
ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van
myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die
UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers
komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het
honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn
geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een
neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te
ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”
De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:
De Rotte duik’ daer de oven,
Erasmus in metael verkeert,
Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)
Dat d’ eer van Delf met zilver eert.
’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,
Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,
Wat kon men grooter geven?
Dees helt verdient een zinnebeelt.
Doch wort de magt niet kranker,
Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;
Maar ’t zilver is vry blanker,
En dat gelykt zyn inborst best.
Dus pryst de School ’s mans grysheit,
De wysheit kroont de wijsheit!
De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs
stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was
zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze
onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn
leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van
omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en
vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik
gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History
of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het
verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke
aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.
Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd
genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was
getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen,
voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed
had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de
physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking
deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat
zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society”
hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de
vergadering van 29 Januari 1680 plaats [200]. Birch teekende van dit
besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin, Mr.
Houghton worden gekozen; evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van
Dr. Croune.”
In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie,
opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden
geleerde werd in de vergadering van 12 Februari [201], gevraagd of het
diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan
gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra
onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der
benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk:
„er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt
worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de
„wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd [202].”
In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan
aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen
alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit,
door den Engelschen gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek
overhandigd [203].
Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt
en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden
onder de illustere leden van het hoogste wetenschappelijk collegie van
Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek
nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en de
beroemdste geleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn
gelederen telde [204].
Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de
ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering
baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde
Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had,
waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den
President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De
tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en
vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn
voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat
hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder
eenige waarnemingen van hem behelsde.
En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik
boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling
met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen
voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de
„Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op
het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest
zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat
tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een
weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.
In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een
achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt,
dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society”
briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan
zijn vriend Johannes Hoogvliet [205] opdroeg, twee brieven, die hij in
den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn
naam aan de Sociëteit toe te zenden.
De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet
achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der
„Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een
brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan
den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee
brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden
toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud
en in ’t Latijn geschreven:
„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met
den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht,
tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende
en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde
overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek
van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was,
niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst
geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste
werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”
De inhoud dezer twee brieven was:
1º. Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn.
2º. Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het
middenrif.
Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste
onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk
te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs
op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns
levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.
Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke
dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor
oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen,
wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een
innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij
verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor
onder anderen wat hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen [206],
„Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer
verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse
bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen,
zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien
uitsteken.”
Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan [207] over het
ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe
ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden
werden, die seggen datter geen God is?”
Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen,
doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen
geest te kenschetsen.
Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen
gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne
geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van
hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.
Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom
van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60
onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.
Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar
een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat
zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter
zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken
bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas
gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit
marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:
„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg.
(iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae
penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso inventis et
mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo
et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime
meruit.”
Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.
Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.
Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen
rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings
gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:
„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”
A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).
Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek,
terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene
zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:
„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke
Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten
October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90
jaren 10 maanden en 2 dagen.
„Heeft elk, o wandelaar, alom
Ontzagh voor hoogen ouderdom
En wonderbare gaven,
Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:
Hier legt de grijse wetenschap
In Leeuwenhoek begraven” [208].
En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog
uitgehouwen:
„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den
22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”
Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon bewerkte
vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de
klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen [209] zal
gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen,
zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten,
waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild
van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en
geklauwd van keel. Het schild gedekt door een schuin staanden helm,
waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met
helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde
figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste
deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is,
volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der
Wilt:
„Scherpzinnigheid, waarmede
’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”...
De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige
gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen
dus luiden:
„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,
Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,
Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,
Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.
Wy zullen, als de lente weligh bloeit,
En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,
Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,
Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,
Terwyl zult ge u vermaken in den rei
Der zaligen, daer andre starren lichten.
Vergeef my nu, dat ik weemoedigh schrei
’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—
En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,
Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!
Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,
Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”
Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent
de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan
de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan
dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen
op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te
samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering,
die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief
afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij
onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en
uitgegeven.
Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de
Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4º deelen, waarvan het
vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.
De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van
1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels
onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder
dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van
„Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.
Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende
de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste
Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat
zelfde jaar gevonden worden.
Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83,
loopende van 1688 tot 1694.
Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107,
loopende van 1694 tot 1696.
Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van
1697 tot 1702.
Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende
van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in
deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.
De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt
niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in
het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin van het „Register” op den
28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur
geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met
den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die
gedrukt is.”
Van Haastert [210] oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26
brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd
hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek,
handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:
„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de
bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.” En
in een anderen brief aan Petrus Rabus [211], „Myne stellingen omtrent
de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz.,
hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een
zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my
hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal
wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat
wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.... en ten anderen, uit vreze
dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar
verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”
Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik
in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical
Transactions” aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden
heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over
de spermatozoïden handelt.
Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij
zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin
de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze
verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak,
waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de bewondering en verbazing van de
leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de
aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd
waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden
aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als
wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het
IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene
brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van
„bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de
gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-,
wel-, zee-, en sneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had
laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”
Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven
zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit
enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom
buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner
brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft,
gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit
eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit
een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1
Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst,
waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van
de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke
verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in
andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede
een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden
Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen
der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min
loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE.
beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de
vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin,
afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse
eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die
wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen taal en
sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had
bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so
wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar
voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede
Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in
Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te
schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in
haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers,
mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te
Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op
alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare
wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge
wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over
’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese
uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een
Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en
luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland
komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene
vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor
nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere
ondervindingen, maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben)
omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in
Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders
meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer
te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder
en altoos sal zeegenen”.
Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die
Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.
Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de
Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.
De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (Deel IV) eindigt
met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der
46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8 November 1712. Er is dus
weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in
onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het
deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der
verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van
wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten
manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van
Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene
nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne
voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden; alle de Platen
daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo
als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen
zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de
Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is
ben ik niet te weten kunnen komen.
Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde,
niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan
von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie
erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues
durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben
nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger
Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine
sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch
aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine
Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.” [212] Dit bezoek nu had
juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe
waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702
ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven
in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel
XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld:
„Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin
gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten; den
kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de
circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten;
spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de
voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van
diamanten.”
Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov.
1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal
Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal
brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin
hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de
spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over
spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels
omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de
bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij
eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek
op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het
Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke
brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.
De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4º. onder
de volgende titels:
Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae
invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis”
etc. Lugd. Bat. 1685.
Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros
illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.
Deel III: „Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum
inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum
detectis.” Lugd. Bat. 1689.
Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.” Delphi 1695–1697.
Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis,
hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.
Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera
omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;”
doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen
1715–1722.
A. J. van der Aa [213] vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche
en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van
Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der
afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer
brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn
uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52
eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte,
terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de
geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der
Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal
van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van
„Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.
In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men
er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend
van Leeuwenhoek moet geweest zijn.
Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze
is de volgende:
1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een
overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter
oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal
over de vorenstaande historie.
2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der
Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den
schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch
genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In
de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).
3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van
Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde
luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’
oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t
gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige
opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom
het vliegend dier met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-,
kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten,
Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer
voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P.
Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.
4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de
Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de
historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden
verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug,
1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.
5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld
word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene
volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op
lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een
olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt
uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare
bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde.
Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij
en Aug. 1696, blz. 144.
6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek,
den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te
Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus,
Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.
7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den
Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.
8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek,
geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in
Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.
9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek
afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere
bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”;
in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van
Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.
Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner
brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in
het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het
IIIde deel, 6de vervolg; 104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de
vervolg 109de brief; van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste
brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief,
blz. 561.
Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in
de „Giornale Litterati te Modena” zijn opgenomen.
Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos.
Transact.” No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No.
102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet
en uitgegeven, 2 deelen in één band.
Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae,
Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi
Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae
Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”
Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de
Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui
ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek,
par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4º.” ’t welk aanwezig is op de
Academische Bibliotheek te Leiden.
Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden
bij L. Theod. Gronovius, Bibliotheca Regni animali atque lapidi. L. B.
1760, pag. 159.
Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca
entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van
entomologischen inhoud.
Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van
Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographia zoologiae et geologiae,”
London 1852.
J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun
„Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal
zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben
vermeld.
Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van
Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de
Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en
30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na
diens overlijden verkocht zijn [214], als: I. vijf aan Constantijn
Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg,
Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één
eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij
bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en
uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel
levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen
op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een
„postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew,
Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).
Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een
lange i zonder „van” en met „ck.”
De inhoud dezer manuscripten is de volgende:
I. 1º. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de
nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.
2º. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan
de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven;
de bolletjes in de kuit van cabeljauw.
3º. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in
regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes
beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan
het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne
observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal
wereldkundig te maken.
4º. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens
waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende wateren; over het
zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer
schoone schubjes.
5º. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in
de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte
dezer diertjes.
II. 1º. d.d. 15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het
Fransch zijner observatiën.
2º d.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of
du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine
diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór
hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures
and collections” te lezen.
III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der
„Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om
voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het
bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld;
observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over
de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en
beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking
die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven
beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de
structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het
ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin;
speeksel; de menschelijke opperhuid.
IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan
Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten,
ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66
en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).
Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den
Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van
Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van
een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en
andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd
wordt; over de witte vloed.
Later is mij nog door Dr. du Rieu bericht, dat door hem in een bundel
nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven
van Leeuwenhoek:
1º. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan
het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal
van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”;
de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8 á
10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal
24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan
begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij
over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij
het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept
zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt,
waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en
dieren gevonden wordt.
2º. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld
als No. VIII der „Philos. Transact.”
3º. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69
vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos.
Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.
Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan, dat deze
geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het
Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje
en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes
zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige,
namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze
op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear” of Indische
vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien,
voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen
gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden
enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de
„Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691,
waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.
4º. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn
afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede gedicht te
vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van
10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,” en
voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de
tweede handelt: „over de maagdepalm,” waarvan men beweerde, dat de
bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij
door zijne onderzoekingen logenstrafte.
Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin
het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals
blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven
bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.
Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld,
dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is
gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik
Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.
Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du
Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.
De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb
geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de
volgende:
D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen,
1729.
H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door
M. Houttuyn 1755.
H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch
door M. Houttuyn 1778.
G. Stoll, Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit. 1731.
Z. C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland,
und Engelland, 1754.
A. v. Haller, Bibliotheca anatomica, Tom. I. 1774.
G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.
Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7.
1844.
G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.
Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz.
1823.
Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven
door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel,
bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van
Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.
N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen
2e deel.
H. Halbertsma I. fil., Dissertatio historico-medica inauguralis de
Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae
1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et
circulatione; de ossibus; de dentibus.
F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De
musculis; de lente crystallina.
N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De
nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.
A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde
van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.
G. Cuvier, Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.
P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en
tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.
Émile Blanchard, Les premières observations au microscope, in „Revue
des deux mondes 15 Juill. 1868.”
Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.
Birch, the History of the Royal Society of London 1757.
Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.
Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen,
Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling
voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.