geleerden--waaronder ook Darwin--van meening, dat de mensch geen
tijdgenoot kon geweest zijn van de in het Diluvium uitgestorven
zoogdieren. Wel was met voldoende zekerheid aangetoond, dat onze
voorouders bij het begin der beschavingsgeschiedenis--minstens 12,000
jaren geleden--op een vrij hoogen trap van cultuur stonden, wat
landbouw, veeteelt, metaalbewerking en pottenbakkerskunst betrof. In
de laatste jaren zijn echter een aantal skeletten en skeletdeelen
van menschen gevonden, die, gevoegd bij eene menigte in holen en
rotsnissen verzamelde steenen werktuigen van grover en fijner maaksel,
de geleerden in staat hebben gesteld het bestaan van den mensch veel
verder in het verleden te vervolgen, en wel door het geheele diluviale
tijdvak heen (met inbegrip van den ijstijd), tot ongeveer aan het
begin. De duur van het Diluvium wordt geschat op minstens 150,000
(door Penck zelfs op ± 700,000) jaren. Vooral de karakteristieke ruwe
vuursteenen bijl--de zoogenaamde Chelléen-bijl, heeft als wegwijzer
gediend. Deze bijl komt algemeen voor in Frankrijk en België, verder
ook in Engeland, Duitschland, Italië, Spanje, Noord-Afrika, en in
Noord- en Zuid-Amerika. Daaruit blijkt, dat de mensch reeds in het
oud-diluvium een groot deel der Oude en Nieuwe Wereld bewoonde, en dus
een tijdgenoot was van de meeste groote zoogdieren, als: mammoethen (en
nog oudere soorten van olifanten), holenberen, holentijgers (waaronder
van 3 met. lengte), reuzenherten, voorwereldlijke paarden en vele
andere dieren, waarop hij jacht maakte en die sedert uitgestorven zijn.
De wetenschap heeft echter haar onderzoek voortgezet en vrij
overtuigende bewijzen gevonden, dat de mensch reeds in de
oud-plioceen periode (nl. de jongste afdeeling van het Tertiaire
Tijdvak) steenen werktuigen heeft vervaardigd, die intusschen
zeer primitief zijn. Skeletdeelen van menschen uit die overoude
periode zijn echter tot heden niet gevonden. Den tijd, die sedert
het oud-plioceen verloopen is, schat Penck op 2-4 millioenen jaren;
maar ook al schat men dien (om met Prof. Steinmann te spreken) op
het minimum van slechts 400,000 jaren, dan wijst dit cijfer toch
op dien buitengewoon hoogen ouderdom van het menschengeslacht. De
meening van verscheidene geleerden (Haeckel, Credner e. a.), als zou
de ontwikkeling van den mensch uit placenta-zoogdieren (nl. uit de
meest volkomen menschapen) in het midden- of laatste gedeelte van
het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad, heeft dus door de jongste
onderzoekingen nieuw voedsel gekregen.
(Noot van den Vert.)
[307] Wanneer vulkanische asch--hetzij onmiddellijk door nedervallen
uit de lucht of door stroomend water--in neptunische afzettingen
geraakt, ontstaat een middenproduct tusschen eene vulkanische en eene
neptunische stof. Dit is de vulkanische tuf. Zij kan ontstaan zoowel
op het vasteland in vlakten en meren, als in zee.
(Vert.)
[308] Op de kaart ook Chatam gespeld.
[309] Waartoe o.a. de Wolfsmelk behoort.
[310] De geheele archipel, met eene landoppervlakte van 7643 vierkante
kilom., telde in 1903 niet meer dan 400 inwoners (Almanach de Gotha,
1904). Hij behoort tot de republiek Ecuador, en ontleent zijn naam
aan de schildpadden (galápago wil zeggen "schildpad"), die er vroeger
zeer talrijk waren.
[311] Meelachtige wortelknollen van Convolvulus batatus, welke veel
als voedsel worden gebruikt.
(Vert.)
[312] Dat de rat, die in de Nieuwe Wereld niet inheemsch was,
op schepen uit Europa is overgebracht, is een feit. Evenzoo is de
Noorsche rat (Mus decumanus) in Engeland ingevoerd, waar zij in huizen
en schepen zulke verwoestingen aanricht. Op gelijke wijze zijn vele
andere dieren overgebracht: bijv. de groote adder (Fer de lance),
even vergiftig als de ratelslang, kwam door den mensch op Martinique
en Santa Lucia. De Europeesche huisvlieg is door schepen naar alle
Zuidzee-Eilanden overbracht. Ondanks de koude in Noordwestelijk
Europa heeft de kakkerlak (Blatta orientalis) zich hier gevestigd,
en maakt zich de warmte in bakkersovens en troggen ten nutte. De Aphis
(bladluis) kwam uit Indië; en onze beruchte paalworm (Teredo navalis)
was oorspronkelijk een bewoner der equatoriale zeeën.
(Vert.)
[313] Dat Darwin er toen niet geheel zeker van was, als zouden van
de 26 soorten landvogels 25 aan deze eilanden eigen zijn, blijkt
uit den verderen tekst, en uit zijn werk "The Origin of Species",
dat, zooals men weet, eerst in Nov. 1859--dus lang na de uitgave van
"Voyage round the World"--verscheen. Op blz. 543 (uitg. 1906) zegt
hij: "In the Galapagos Islands there are 26 land-birds; of these 21
(or perhaps 23) are peculiar..."
(Vert.)
[314] of kersenvink (Coccothraustes vulg.)
[315] Fringilla coelebs.
[316] Verder onderzoek heeft geleerd, dat sommige dezer vogels,
die men toen tot de eilanden beperkt achtte, op het vasteland van
Amerika voorkomen. De uitstekende ornitholoog Sclater deelt mij mede,
dat zulks het geval is met Strix punctatissima en Pyrocephalus nanus,
en waarschijnlijk ook met Otis (Trapgans) Galapagoensis; zoodat
het getal inlandsche vogels tot 23 of waarschijnlijk tot 22 wordt
teruggebracht. Volgens denzelfden geleerde zouden één of twee dezer
inlandsche vormen veeleer als variëteiten dan als soorten moeten
worden opgevat, hetgeen mij steeds als waarschijnlijk voorkwam.
[317] Dr. Günther verklaart (Zoolog. Soc. 24 Jan. 1859), dat deze
slang eene bijzondere soort is, die, voor zoover men weet, geen ander
land bewoont.
[318] "Voyage aux Quatre Iles d'Afrique." Zie, wat de Sandwich-Eilanden
betreft: "Tyerman and Bennet's Journal," deel I, blz. 434; voor
Mauritius: "Voyage par un Officier," enz. deel I, blz. 170. Volgens
Webb en Berthelot: "Histoire Naturelle des Iles Canaries," zijn er
geen kikvorschen op de Kanarische Eilanden. Ik zag er geen op Sint
Jago van de Kaap-Verdische Eilanden, en op Sint Helena ontbreken zij.
[319] of Lacertilia volgens Haeckel.
(Vert.)
[320] of perikardion = hartzakje.
[321] ongeveer 329 meter.
[322] Iguana is de Spaansche naam; op Haïti heet zij Leguaan.
(Vert.)
[323] De Ulvae (zeelatuwe of watersalade) behooren tot de zoogenaamde
Groene Algen (Chlorophyceae of Coniervea); het donkerroode gewas,
waarvan Darwin spreekt, tot de Bruine Algen (Phaeophyceae of
Fucoideae).
(Vert.)
[324] Amblyrhynchus wil zeggen "Stompsnuit," van ambl'uc (stomp) en
(snuit).
(Vert.)
[325] Diptera of Tweevleugelige insecten (zooals vliegen,
enz.) Hymenoptera of Vliesvleugelige insecten (zooals bijen, wespen)
met vier vleugels.
[326] Ann. and Mag. of Nat. Hist., deel XVI, blz. 19.
[327] "Voyage in the U. S. ship Essex," deel I, blz. 215.
[328] Linnean Trans., deel XII, blz. 496. Het meest abnormale feit in
dit verschijnsel dat ik ontmoet heb, is de wildheid der kleine vogels
in de arctische of poolstreken van Noord-Amerika (beschreven door
Richardson in zijne Fauna Borealis, deel II, blz. 332), waar zij nooit
vervolgd worden, naar men zegt. Dit geval is des te vreemder, wijl men
beweert, dat sommigen van dezelfde species in hunne winterkwartieren
in de Vereenigde Staten tam zijn. Terecht merkt Richardson op, dat
er in de verschillende graden van schuwheid en zorg, waarmede vogels
hunne nesten bouwen, veel voorkomt, dat in hooge mate onverklaarbaar
is. Hoe zonderling is het niet, dat de Engelsche woudduif, een in
't algemeen zoo wilde vogel, zeer dikwijls zijn jongen opkweekt in
heesterboschjes, in de nabijheid van menschelijke woningen!
[329] Deze oostelijk van Tahiti gelegen archipel is een Fransche
kolonie en voert den officiëelen naam van Tuamotu-Eilanden. Het woord
Tuamotu wil zeggen "Afgelegen." Zijne verdere namen zijn Paumotu- of
Overwonnen-Eilanden; Lage Eilanden (volgens Krusenstern); Gevaarlijke
Archipel (volgens Bougainville); en eindelijk de Paarlen-Eilanden
(volgens de handelaren). Dien laatsten naam ontleenen zij aan
hun kostbaarst product: de paarlen. De schoonste parel, die hier
gevonden werd en later aan de Koningin van Engeland toebehoorde,
werd met f 72000 betaald. Zeer groote en kostbare exemplaren zijn
echter zeldzaam. Van de 78 eilanden der groep, die 700 vierkante
kilom. groot is en in 1897 5373 inwoners telde, hebben 35 parelbanken
in hunne lagunen.
(Vert.)
[330] Pomaré is de naam van eene voormalige dynastie op Tahiti. Zij
ving aan in 1793, en de laatste koning van dien naam, Pomaré V,
deed afstand van den troon in 1880.
(Vert.)
[331] Caprifolium.
[332] Jasminum.
[333] Rosa canina.
[334] James Cook ontdekte Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië
in de jaren 1768-1771.
(Vert.)
[335] Tot de Maleiers--de vijfde der twaalf species.
[336] Moritz Retzsch (1779-1857) bekend door zijn prachtige
illustratiën bij de werken van Goethe en Schiller.
(Vert.)
[337] Daarbij heeft het eiland eene zeer geringe bevolkingsdichtheid,
want op eene oppervlakte van 268.461 vierkante kilom. (achtmaal
Nederland) wonen, volgens de telling in 1908, slechts ongeveer
1,008,000 zielen, waaronder 47,731 Maoris.
(Vert.)
[338] Ook Dámmara australis genoemd. Hij behoort tot de Coniferae en
groeit ook op de Philippijnen, waar hij onder den naam van Dámmara-den
of Fakkelboom bekend is. Hij levert de bekende dámmara-hars (resina
dammarae), evenals de planten dámmara en xylopia op de Molukken. Deze
boom, die in vele gevallen 40-50 meter hoog wordt, heeft voor zijne
ontwikkeling eene vochtige zeelucht en een drogen kleibodem noodig,
en groeit alleen op het noordwestelijk deel van het noordelijkste
der twee groote eilanden, waaruit N.-Zeeland bestaat. Zijn hout
komt nog het meest overeen met dat van den witten of zilverden
in West-Europa, en is zoo duurzaam, dat stammen (veel gebruikt
voor masten, mijnstutten, spoorliggers, enz.) die 50 jaren in de
aarde hadden gestaan, niets geleden hadden. De kauri-pijnboom is
voor het oerwoud in de noordelijke warmere streken van N.-Zeeland,
wat de mammoeth-boom is in Californië, en de ceder van den Libanon
in Voor-Azië. Dámmara komt van het Hindostansche woord dâmar, dat
"hars" beteekent.
(Vert.)
[339] Men kent op N.-Zeeland 115 soorten van varens (varenkruiden en
varenboomen). In de wouden vindt men varenboomen (Dicksonia en Cyathea)
van 10-13 meter hoogte.
(Vert.)
[340] Tegenwoordig is wol het belangrijkste uitvoerartikel van
Nieuw-Zeeland. In 1901, bijv., werd uitgevoerd aan wol voor £
3.699.000; aan vleesch voor £ 2.369.000; aan goud voor £ 1.754.000;
aan boter voor £ 882.000; aan Kaurihars voor £ 746.000; aan huiden
voor £ 405.000; aan hout voor £ 295.000; aan kaas voor £ 239.000;
en aan steenkool voor £ 142.000.
(Vert.)
[341] In vierkante Engelsche mijlen is de oppervlakte 103,700.
(Vert.)
[342] Deze Amerikaan leefde van 1755-1836.
[343] Het is opmerkelijk, hoezeer dezelfde ziekte in verschillende
klimaten gewijzigd wordt. Op het eiland St.-Helena wordt de invoering
van scharlakenkoorts als eene plaag gevreesd. In sommige landen worden
vreemdelingen en inboorlingen door sommige besmettelijke ziekten
even verschillend aangetast, als waren zij verschillende dieren. Van
dit feit heeft Chili eenige voorbeelden gegeven, en, volgens A. von
Humboldt, ook Mexico. (Essai politique sur la Nouvelle Espagne).
[344] De Maoris op N.-Zeeland zeggen: "Wij zullen ondergaan, evenals
onze reuzenvogel, de Dinornis. Evenals de klaver het varenkruid
doodde en de Europeesche hond den hond der Maoris; evenals onze rat
vernietigd werd door de Pakeha-rat, zoo zal ook ons volk door de
Europeanen verdrongen en vernietigd worden."
(Vert.)
[345] "Narrative of Missionary Enterprise," blz. 282.
[346] Kapitein Beechy zegt (Deel I, hoofdstuk 4), dat de bewoners
van het eiland Pitcairn (in de Zuidzee met eene oppervlakte van 5
vierkante km. en 126 zielen) vast overtuigd zijn, dat zij na aankomst
van elk schip aan huid- en andere aandoeningen lijden. Hij schrijft
dit toe aan de diëetverandering tijdens het bezoek. Dr. Macculloch
("Western Isles", deel II, blz. 32) zegt: "Men verzekert, dat bij
aankomst van een vreemdeling op St.-Kilda, alle bewoners volgens
de gewone zegswijze eene verkoudheid opdoen."--Hijzelf beschouwt de
geheele zaak als belachelijk, hoewel zij vroeger dikwijls bevestigd
is, doch voegt er bij: "Toen wij den inwoners de vraag voorlegden,
verklaarden zij eenstemmig, dat het verhaal juist was." In de
Reis van Vancouver vindt men eene ongeveer gelijke mededeeling over
Otaheite. Dr. Dieffenbach zegt in eene noot bij zijne vertaling van dit
"Dagboek", dat hetzelfde feit algemeen geloofd wordt door de bewoners
van de Chatham-Eilanden (ten oosten van N.-Zeeland, 971 vierkante
Km.) en in sommige gedeelten van Nieuw-Zeeland. Onmogelijk kon zulk
een geloof algemeen ingang hebben gevonden in het noordelijk halfrond,
bij de Tegenvoeters en in den Stillen Oceaan, zonder dat er een goede
grond voor bestond. Humboldt zegt in zijn Essai politique sur la
Nouvelle Espagne, dat de groote besmettelijke ziekten in Panama en
Callao "gekenmerkt" zijn door de komst van schepen uit Chili, omdat
de menschen uit die gematigde luchtstreek het eerst de noodlottige
werking der heete landen ondervinden. Ik wil hier bijvoegen, dat ik
in Shropshire heb hooren verzekeren, dat schapen, welke op schepen
ingevoerd en bij anderen in hetzelfde hok worden gebracht, dikwijls
ziekten onder de kudde voortbrengen, ofschoon zijzelven in gezonden
staat verkeeren.
[347] "Travels in Australia", deel I, blz. 154. Voor verscheidene
belangwekkende persoonlijke mededeelingen, betreffende deze groote
valleien in Nieuw-Zuid-Wallis, moet ik den heer Mitchell mijn dank
betuigen.
[348] Macropus en Hypsiprimnus behooren beide tot de Macropodidae,
eene familie van de Kangoeroes (Poëphaga), welke eene Orde zijn van
de Marsupialia of Buideldieren.
(Vert.)
[349] Ook wel Casuarius emeu genoemd.
[350] Dit dier behoort tot de Monotremata--eene onderklasse der
zoogdieren, welke zich hierdoor onderscheidt, dat de individuën
slechts ééne opening (tr=hma = gat) bezitten voor het verwijderen
der uitwerpselen.
(Vert.)
[351] Met belangstelling vond ik hier den hollen kegel- of
trechtervormigen val van de leeuwenmier (Myrmeleon formicarius), of
een ander insect. Eerst viel eene vlieg de verraderlijke helling af
en verdween onmiddellijk; toen kwam eene groote maar onvoorzichtige
mier. Bij de hevige pogingen, welke deze deed om los te komen, wierp de
leeuwenmier snel hoopjes zand naar het verwachte slachtoffer (Volgens
Kirby en Spence zou de leeuwenmier dit met haren staart doen). Maar
de mier had een beter lot dan de vlieg en ontkwam aan de noodlottige
kaken, die op den bodem van den hollen trechter verborgen waren. De
val van de Australische leeuwenmier was ongeveer slechts half zoo
groot als die van de Europeesche.
[352] Traan is sedert lang niet meer een hoofdartikel. In 1901 waren
de voornaamste uitvoer-artikelen naar volgorde in millioenen ponden
sterl.: goud (17.9); wol (17.8); zilver (4.2); kaas (3.1); dieren
(2.9); vleesch (2.7); koper (2.3); huiden (1.9); steenkool (1.9);
boter (1.8); suiker (1.3); leder (0.8); talk (0.7).
[353] Hobart Town heet sedert 1 Juni 1881 eenvoudig Hobart. Volgens de
telling van 3 Maart 1881 waren er 21.118 zielen en in geheel Tasmanië
115.705. In 1908 bedroegen die cijfers respect.: 40,330 en 185,800.
[354] De Tasmaniërs (tot de Papoea's behoorende), die men in 1815 nog
op 5000 zielen schatte, zijn nu geheel uitgestorven. In 1867 stierf
Truganini, ook wel Lalla Rookh genaamd, als laatstovergeblevene.
(Vert.)
[355] Tasmanië = 67894 vierkante Kilometer; Ierland = 84,253.
[356] Een stam ging naar het Zwanen-Eiland, drie andere naar het eiland
Gun-Carriage; doch later bracht men allen naar het Flinders-Eiland.
(Vert.)
[357] De stammen van Eucalyptus globulus (Blauwe Gomboom) bereiken
hier eene hoogte van 100 meter en daarboven. Sommige boomen hebben 1
meter boven den grond een omtrek van 20 meter, en op 40 meter hoogte
bedraagt die omtrek nog 13 meter.
(Vert.)
[358] Men onderscheidt Casuarina stricta, C. torulosa en
C. tuberosa. De twee eersten noemen de kolonisten Shea-oak, den
laatsten Beefwood, naar de hardheid van hun hout, dat zeer gezocht
is. Van de Eucalypti komt hier het meest in wouden voor: E. marginatus
(Jarrah- of Westaustralische Mahagoniboom), waarvan het hout noch
door de termieten, noch door den paalworm wordt aangetast.
(Vert.)
[359] Hun geslachtsnaam is Xanthorrhoea of Kingia.
(Vert.)
[360] Deze planten zijn beschreven in de Annals of Nat. History,
1838, deel I, blz. 337.
[361] Holman's Travels, deel IV, blz. 378.
[362] Kotzebue "First Voyage", deel III, blz. 155.
(De Radack- of Ratack-Archipel maakt deel uit van de Marshall-Eilanden,
waarvan hij de oostelijke groep vormt; de westelijke groep heet de
Ralick-Archipel.
(Vert.)
[363] Waarschijnlijk is deze vogel eene soort van vijverhoen
(Gallinula). Zie Marshall "Zoölogie".
(Vert.)
[364] De dertien species behooren tot de volgende Orden: Coleoptera
met één kleinen springkever (Elater); Orthoptera met een Gryllus en
een Blatta; Hemiptera met ééne species; Homoptera met twee; Neuroptera
met een Chrysopa; Hymenoptera met twee mieren; Lepidoptera nocturna
met een Diopaea en een Pterophorus (?); en eindelijk van de Diptera
twee species.
[365] Tridacnidae geheeten. Zij behooren tot de Orde der Chamacea.
[366] Eenige inboorlingen, die door Kotzebue naar Kamtsjatka werden
gebracht, verzamelden steenen om mede naar hun land te nemen.
[367] Deze species, ook Birgus geheeten, behoort tot de Decapoda,
eene Onderorde van de Pantserkreeften (Thoracostraca)--eene Orde van
de Hoogere Kreeften (Malacostraca).
(Vert.)
[368] Door de zoölogen ook Thuroidea en Holothuriae genoemd.
(Vert.)
[369] Daaronder reken ik natuurlijk niet eenigen grond, die uit
Malakka en Java op schepen hierheen is gevoerd, evenmin als eenige
kleine, door de golven aangespoelde stukken puimsteen. Ook moet het
eene blok groensteen op het noordelijke eiland worden uitgezonderd.
[370] Deze werden het eerst voorgedragen in de "Geological Society"
in Mei 1837, en zijn later breedvoerig beschreven in een afzonderlijk
deel, getiteld: The Structure and Distribution of Coral Reefs, 1842.
[371] Behoort tot de Maldivische Eilanden.
[372] Of Heyou genaamd. Zij ligt in den Lagen of Tuamotu-Archipel.
(Vert.)
[373] Het verdient opmerking, dat Lyell reeds in de eerste uitgaaf
van zijne "Principles of Geology" tot de slotsom kwam, dat de maat
van inzinking in den Stillen Oceaan, die der rijzing moet hebben
overtroffen, omreden de landoppervlakte zeer klein is in verhouding
tot de organische en physische krachten, die daar land helpen vormen,
n.l., de groei der koralen en de vulkanische werking.
[374] Ook Borabora geheeten en met 24 vierkante kilom. oppervlakte,
behoort tot de voorheen "onafhankelijke" eilanden onder den wind. Deze
vormen de westelijke groep der Gezelschaps-Eilanden en zijn door een
breed kanaal gescheiden van de oostelijke groep, waartoe o.a. Tahiti
behoort.
(Vert.)
[375] Hogoleu (een der Karolinen Eilanden) met eene oppervlakte van
132 vierkante kilom., draagt ook den naam van Roug.
(Vert.)
[376] Tot mijne groote tevredenheid vind ik in een vlugschrift
van den heer Couthouy, een der natuuronderzoekers bij de groote
zuidpool-expeditie der Vereenigde Staten, de volgende zinsnede:
"Na persoonlijk onderzoek van een groot aantal koraaleilanden, en
een verblijf van acht maanden op de vulkanische eilanden met strand-
en gedeeltelijk met walriffen, veroorloof ik mij de verklaring, dat
mijne eigen waarnemingen mij hebben overtuigd van de juistheid van
Darwin's theorie."
De natuuronderzoekers van deze expeditie verschillen echter met mij
in enkele punten, de koraalvormingen betreffende.
[377] Op blz. 175 van zijn werk The structure and Distribution of
Coral Reefs, 3e uitgaaf 1889, noemt Darwin de eilanden welke Quoy en
Gaimard bezocht en in de Annales des Sciences Naturelles, deel VI,
blz. 279 beschreven hadden. Zij waren Mauritius, Timor, Nieuw-Guinea,
de Mariannen of Dieven-Eilanden, en de Sandwich-Eilanden.
(Vert.)
[378] Het kanaal tusschen de atollen Ross en Ari (ook in dezen
archipel) is 150 vademen diep, en dat tusschen de noordelijke en
zuidelijke atollen Nillandoo 200 vademen.
(Vert.)
[379] Op deze fraaie kaart ziet men, dat dit vooral het geval is met
de Karolinen-, de Marshall- en Gilbert-Eilanden; met de Gezelschaps-
en Tuamotu-Eilanden, het groote walrif op Australië's oostkust en de
naburige atollen. De dicht bij elkander liggende Laccadiven, Malediven,
Chagos- en Saya de Malha-Eilanden zijn allen donkerblauw gekleurd.
(Vert.)
[380] Van de vulkanen dezer eilanden is de Tofua de belangrijkste. Deze
wierp in 1792 groote lavastroomen uit. Een andere vulkaan, de Amargura,
had eene uitbarsting op 9 Juli 1847.
(Vert.)
[381] De dieptegrenzen van ongeveer 37-55 Met., door Darwin als
levensvoorwaarde van de rif- of kolonievormende koralen genoemd, zijn
door later onderzoek eenigszins gewijzigd. De meeste koraalgeslachten
gedijen tusschen 30 en 40 Met. diepte, maar men heeft een rif
gevonden, waarop zeer enkele geslachten leefden op eene diepte van
50-90 Met. Ook hunne geographische verspreiding volgt een bepaalden
regel, en de uitzonderingen daarop bevestigen dien slechts. Men
vindt koraalriffen alleen in warme zeeën, ongeveer tusschen 25°
N. en Z.Br.--daar waar de gemiddelde jaartemperatuur van het water
minstens 20° C. is. In de Roode Zee en in den Stillen Oceaan liggen
de noordelijke riffen respect. op 30° en 28°30' breedte, terwijl
de koraalriffen der Bermuda-Eilanden in den Atlant. Oceaan, onder
invloed van den warmen Golfstroom nog op 32° 15' N.B. gedijen.
Verder heeft de wetenschap geleerd, dat het verschijnsel, of liever,
het proces der rifvorming veel ingewikkelder is, dan Darwin en
na hem de Amerikaansche geoloog Dana (in 1849) onderstelden. Men
heeft nl. in den Westindischen Archipel, op de Philippijnsche,
de Salomons-, Palau- en Andamans-Eilanden koraalvormingen ontdekt,
welke onder andere omstandigheden moeten ontstaan zijn, dan die in het
midden van den Stillen Oceaan. Darwin's theorie, ofschoon langen tijd
een onbeperkt gezag uitoefenende, en nog in de jaren 1880-1890 der
geologen als Suesz, Neumaijr en Bonney verdedigd, wordt dan ook door
verscheidene geologen en zoölogen (Geikie, Murray, Guppy, Semper,
Rein, Poutalès, Studer, Agassiz e.a.) niet aangenomen. Toch geeft
zij nog de natuurlijkste verklaring van alle koraaleilanden in de
Stille en Indische Oceanen, die onder een helling van 60°, of zelfs
loodrecht honderden meters hoog boven den zeebodem verrijzen. Zij vond
een wezenlijken steun in het geologisch onderzoek van de riffen uit
vroegere perioden der aardgeschiedenis. Men heeft nl. zulke riffen
ontdekt in alle formaties--van af de Cambrische periode--behalve tot
nu toe in die van het Tertiaire Tijdvak. De dikte dier voorwereldlijke
riffen is menigmaal ontzaglijk; in het Devoon bedraagt die soms 700, in
het Trias zelfs 1500 Met. Doch eerst in 1897/98 werd Darwin's theorie
proefondervindelijk ook voor de tegenwoordige riffen bevestigd. Bij
boringen op het eiland Funafuti (een der Ellice-Eilanden in den Stillen
Oceaan) stiet men tot op eene diepte van 390 Met. door koraalkalk.
De verschillende theorieën over het ontstaan der koraaleilanden
en koraalriffen vindt men zeer goed omschreven in R. Langenbeck
"Koralleninseln", Leipzig 1890; en in W. May "Korallen und andere
gesteinsbildende Tiere", Leipzig 1909.
(Noot v. d. Vert.)
[382] Volgens eene telling in 1901 had Port-Louis 53,897 inwoners
met hare voorsteden. Het geheele eiland, dat eene oppervlakte bezit
van 1826 vierkante kilom., telde er toen 371,023.
(Vert.)
[383] Volgens de vermaarde theorie der Erhebungskratere van Leopold
von Buch, E. de Beaumont, Dufrénoy e.a., ontstond de conische gedaante
van een vulkaankegel voornamelijk door eene opheffing of zwelling van
den grond rondom de spleet, waaruit de eruptie-stoffen naar buiten
werden gedreven. Dit zou o.a. het geval zijn geweest met den Vesuvius
(wegens de groote helling der lavalagen) en de Etna. Scrope, Prévost
en Lyell hebben de onhoudbaarheid dezer theorie bewezen.
(Vert.)