"De _Duncan_! de _Duncan_!" riep hij wanhopend uit.
Daarop tuimelde hij den trap van de kampanje af en stormde zijn hut
binnen.
Zoodra de arme geleerde verdwenen was, kon niemand aan boord, uitgenomen
de majoor, zich langer goed houden, en zelfs de matrozen schaterden van
lagchen. Zich in den spoorweg vergissen! Dat kan! Den trein van Edinburg
voor dien van Dumbarton aanzien! Dat kan er ook nog door! Maar zich te
vergissen in het schip en naar Chili te zeilen, wanneer men naar Indië
gaan wil, dat is wel een bewijs van verregaande verstrooidheid.
"Zoo iets verwondert mij echter volstrekt niet in Jacques Paganel,"
zeide Glenarvan, "hij is bekend voor zulke ongelukken. Eens heeft hij
een beroemde kaart van Amerika uitgegeven, waar hij Japan op geplaatst
heeft. Dat neemt echter niet weg, dat hij een groot geleerde en een der
beste aardrijkskundigen van Frankrijk is."
"Maar wat moeten wij met dien armen man aanvangen?" vroeg lady Helena.
"Wij kunnen hem toch niet medenemen naar Patagonië."
"Waarom niet?" antwoordde Mac Nabbs heel deftig, "wij zijn niet
verantwoordelijk voor zijn verstrooidheid. Vooronderstel dat hij op een
spoortrein zat, zou hij dien laten stilstaan?"
"Neen! maar hij zou aan het eerste station afstappen," hernam lady
Helena.
"Welnu," zeide Glenarvan, "dat kan hij des verkiezende doen in de eerste
haven, die wij aandoen."
Juist kwam Paganel verdrietig en beschaamd op de kampanje terug, na zich
verzekerd te hebben, dat zijn goed aan boord was. Onophoudelijk
herhaalde hij die ongelukkige woorden: de _Duncan_! de _Duncan_! Het
scheen, dat hij geen andere meer kon vinden. Hij liep heen en weer,
onderzocht de tuigaadje van het jagt, en ondervroeg den zwijgenden
gezigteinder der volle zee. Eindelijk kwam hij bij lord Glenarvan terug
en zeide: "En die _Duncan_ gaat?..."
"Naar Amerika, mijnheer Paganel!"
"En meer bepaald?..."
"Naar Concepcion."
"Naar Chili! Naar Chili!" riep de ongelukkige aardrijkskundige. "En mijn
zending naar Oost-Indië! Maar wat zal de heer de Quatrefages, de
president der hoofd-commissie, wel zeggen! En de heer d'Avezac! En de
heer Cortambert! En de heer Vivien de Saint-Martin! Zal ik ooit weder de
vergaderingen van het genootschap durven bijwonen!"
"Komaan, mijnheer Paganel!" antwoordde Glenarvan, "wanhoop maar niet.
Alles kan nog te regt komen, en gij zult een betrekkelijk onbeteekenend
oponthoud ondervonden hebben. De Yarou-Dzangbo-Tchou zal in het gebergte
van Thibet wel op u blijven wachten. Wij loopen weldra te Madera binnen,
en daar zult gij wel een schip vinden, dat u naar Europa terugbrengt."
"Ik dank u, mylord! ik zal mij wel moeten onderwerpen. Maar men mag
zeggen, dat het een vreemd geval is, en ik ben de eenige, wien ooit zoo
iets overkomt. En mijn hut, die aan boord der _Scotia_ besteld is."
"O, ik raad u om voorloopig niet meer aan de _Scotia_ te denken."
"Maar," zeide Paganel, nadat hij het vaartuig op nieuw bezien had, "is
de _Duncan_ geen pleizierjagt?"
"Ja, mijnheer!" antwoordde John Mangles, "en zij is het eigendom van
Zijn Edelheid lord Glenarvan."
"Die u verzoekt om een ruim gebruik van zijn gastvrijheid te maken,"
zeide Glenarvan.
"Duizendmaal dank, mylord!" antwoordde Paganel; "ik ben waarlijk
getroffen door uw heuschheid; maar veroorloof mij een kleine opmerking:
Indië is een schoon land; het levert voor de reizigers vreemde
bijzonderheden op; deze dames zijn er zeker onbekend mede.... Welnu! de
stuurman behoeft maar even het rad om te draaijen, en het jagt de
_Duncan_ zou even gemakkelijk naar Calcutta als naar Concepcion
stevenen; en daar het toch maar een pleizierreisje is...."
Het hoofdschudden, waarmede het voorstel van Paganel ontvangen werd,
liet hem niet toe om voort te gaan. Hij bleef eensklaps steken.
"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ware het slechts een
pleizierreisje, dan zou ik u antwoorden: Wij gaan gezamenlijk naar de
Oost, en lord Glenarvan zou het stellig goed vinden. Maar de _Duncan_
gaat schipbreukelingen opzoeken, die op de kusten van Patagonië geworpen
zijn, en kan zulk een menschlievende bestemming niet veranderen...."
Weldra was de fransche reiziger met de geheele zaak bekend; hij vernam,
niet zonder aandoening, de zonderlinge wijze, waarop de documenten
gevonden waren, de geschiedenis van kapitein Grant en het edelmoedige
voorstel van lady Helena.
"Sta mij toe, mevrouw!" zeide hij, "om uw gedrag bij deze gelegenheid te
bewonderen, en wel zonder eenig voorbehoud. Laat uw jagt zijn weg
vervolgen; het zou mij spijten, als het om mijnentwil een dag verloor."
"Wilt gij ons dan helpen bij onze nasporingen?" vroeg lady Helena.
"Dat is onmogelijk, mevrouw! ik moet mijn zending volbrengen. Ik zal in
de eerste haven de beste aan land gaan...."
"Te Madera dus," zeide John Mangles.
"Te Madera, het zij zoo. Daar ben ik maar honderd tachtig mijlen van
Lissabon af, en zal er scheepsgelegenheid afwachten."
"Welnu, mijnheer Paganel!" zeide Glenarvan, "uw wensch zal vervuld
worden, en ik voor mij ben verheugd, dat ik u voor eenige dagen een
verblijf hier aan boord mag aanbieden. Als gij u maar niet te sterk in
ons gezelschap verveelt!"
"O, mylord!" riep de geleerde, "ik mag nog blijde zijn, dat ik mij op
zulk een aangename wijze vergist heb! Niettemin is het een zeer
belagchelijke toestand, als men op reis gaat naar Indië en men naar
Amerika onder zeil is!"
In weerwil van die droevige opmerking schikte Paganel zich in een
oponthoud, dat hij toch niet kon voorkomen. Hij toonde zich beminnelijk,
vrolijk en zelfs verstrooid; hij betooverde de dames door zijn
opgeruimdheid, en de dag was nog niet ten einde of hij was met allen
bevriend; op zijn verzoek werd het bekende document aan hem medegedeeld.
Hij overwoog het lang en zorgvuldig, en tot in de geringste
bijzonderheden. Het kwam hem ook voor, dat er geen andere verklaring
mogelijk was. Mary Grant en haar broeder boezemden hem de levendigste
belangstelling in. Hij sprak hun goeden moed in. De eigenaardige wijze,
waarop hij de gebeurtenissen beschouwde, en de ontwijfelbare goede
uitslag, dien hij de _Duncan_ voorspelde, deden het meisje onwillekeurig
glimlagchen. En had zijn zending het niet belet, dan zou hij deel
genomen hebben aan het opsporen van kapitein Grant!
Maar toen hij hoorde, dat lady Helena een dochter was van William
Tuffnel, kwam er geen einde aan zijn uitroepen van bewondering. Hij had
haar vader gekend. Wat was hij een stout geleerde! Wat al brieven hadden
zij gewisseld, toen William Tuffnel correspondeerend lid van het
genootschap was! Hij en niemand anders had hem aan den heer Malte-Brun
voorgesteld! Hoe toevallig en hoe genoegelijk, dat hij met de dochter
van William Tuffnel mogt reizen!
Ten slotte vroeg hij aan Helena verlof om haar te omhelzen.
Lady Glenarvan stond het toe, hoewel het misschien een beetje
"onbetamelijk" was.
[1] De leden eener indische secte, die ter eere der Godheid de menschen
wurgen en tot hun eigen voordeel ze plunderen.