VII.

Waar Jacques Paganel van daan komt en waar hij heen gaat.

De secretaris van het aardrijkskundig genootschap was zeker een

beminnelijk man, want hij zeide dat alles met veel zwier. Lord Glenarvan

wist nu ook zeer goed, met wien hij sprak; de naam en de verdienste van

Jacques Paganel waren hem volkomen bekend; zijn aardrijkskundige werken,

zijn verslagen over de jongste ontdekkingen, zijn briefwisseling met de

geheele wereld, maakten hem tot een van de beroemdste geleerden van

Frankrijk. Glenarvan stak dan ook zeer hartelijk zijn hand toe aan zijn

onverwachten gast.

"Nu de voorstelling afgeloopen is," voegde hij er bij, "wilt gij mij

zeker wel veroorlooven u een vraag te doen, mijnheer Paganel?"

"Wel twintig, mylord!" antwoordde Jacques Paganel; "het zal mij altijd

een groot genoegen zijn om met u te spreken."

"Eergisteren avond zijt gij aan boord van dit schip gekomen?"

"Ja, mylord! eergisteren avond ten acht ure. Bij het verlaten van den

caledonischen spoorweg ben ik in een huurrijtuig gestapt, en uit het

rijtuig op de _Scotia_, waarop ik uit Parijs de hut numero 6 voor mij

besproken had. Het was donker. Ik zag niemand aan boord. Vermoeid van

een reis van dertig uren, en wetende, dat het beste middel om niet

zeeziek te worden is om terstond naar bed te gaan en zijn kooi gedurende

de eerste dagen der reis niet te verlaten, ben ik onmiddellijk gaan

liggen en heb, gij moogt het vrij gelooven, zes en dertig uren achtereen

heerlijk geslapen."

De toehoorders van Jacques Paganel wisten nu, wat zij van zijn

tegenwoordigheid aan boord denken moesten; de fransche reiziger was bij

vergissing op het schip gekomen, terwijl de bemanning de plegtigheid in

de Sint-Mungo kerk bijwoonde. Alles was nu opgehelderd; maar wat zou de

geleerde aardrijkskundige wel zeggen, wanneer hij den naam en de

bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevond, vernam?

"Dan hebt gij Calcutta tot het uitgangspunt uwer reizen gekozen,

mijnheer Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord! Indië te zien is levenslang mijn vurigste wensch geweest.

Eindelijk zal mijn schoonste droom verwezenlijkt worden in het vaderland

der olifanten en der Thuggs[1]."

"Dan zal het u zeker niet onverschillig zijn, mijnheer Paganel! of gij

een ander land bezoekt?"

"In het geheel niet, mylord! het zou mij zelfs hoogst onaangenaam zijn;

want ik heb brieven van aanbeveling voor lord Sommerset, den

gouverneur-generaal van engelsch Indië, en een zending van het

aardrijkskundig genootschap, die ik gaarne zou vervullen."

"Zoo! hebt gij een zending?"

"Ja! Ik moet een nuttige en belangrijke reis ondernemen, waarvan mijn

geleerde vriend en ambtgenoot, de heer Vivien de Saint-Martin, het plan

heeft ontworpen. Ik moet namelijk het spoor volgen der gebroeders

Schlagintweit, van kolonel Waugh, van Webb, van Hodgson, van de

zendelingen Huc en Gabet, van Moorcroft, van Jules Remy, en van zooveel

andere vermaarde reizigers. Ik hoop te slagen in hetgeen den zendeling

Krick in 1846 helaas mislukt is, met een woord, den loop van den

Yarou-Dzangbo-Tchou op te sporen, die Thibet over een lengte van 270

uren gaans, langs den noordelijken voet van het Himmelaya-gebergte,

bespoelt, en te onderzoeken of deze rivier zich niet in het noordoosten

van Assam met de Bramapoetra vereenigt. De gouden medaille, mylord! is

uitgeloofd voor den reiziger, wien het mag gelukken om een der

gewigtigste vraagstukken van de aardrijkskunde van Oost-Indië op te

lossen."

Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift. Hij liet

zich mededragen op de snelle wieken der verbeelding. Het zou even

onmogelijk geweest zijn om hem te stuiten als men dit den Rijn te

Schaffhausen doen kan.

"Mijnheer Jacques Paganel!" zeide lord Glenarvan na een oogenblik

stilte, "dat is zeker een schoone reis en waarvoor de wetenschap u zeer

dankbaar zal zijn; maar ik wil u niet langer in de dwaling laten, en

voorloopig althans moet gij afzien van het genoegen om Indië te

bezoeken."

"Er van afzien! En waarom?"

"Omdat gij den rug toekeert aan dat schiereiland."

"Hoe! kapitein Burton...."

"Ik ben kapitein Burton niet," antwoordde John Mangles.

"Maar de _Scotia_?"

"Dit schip is de _Scotia_ niet!"

Het is onmogelijk om de verbazing van Paganel te beschrijven. Hij zag

beurtelings lord Glenarvan, die even ernstig bleef, lady Helena en miss

Grant, wier trekken medelijden en leedwezen uitdrukten, John Mangles,

die glimlachte, en den majoor, die zich niet verroerde, aan; daarna riep

hij, de schouders ophalende en zijn bril van het voorhoofd voor zijn

oogen plaatsende: "Welk een scherts!"

Maar nu viel zijn oog op het stuurrad, waarop dit opschrift stond:

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 13 / 37 题