V.

Het vertrek van de Duncan.

Lady Helena bezat, zooals wij reeds gezegd hebben, een sterke en

edelmoedige ziel. Wat zij daar deed, was er een onwederlegbaar bewijs

van. Lord Glenarvan was te regt trotsch op die edele vrouw, die in staat

was om hem te begrijpen en te volgen. De gedachte om kapitein Grant te

hulp te snellen was reeds bij hem opgekomen, toen te Londen zijn

aanvraag van de hand gewezen werd; dat hij lady Helena niet voorgekomen

was, kwam daar vandaan, dat hij zich niet kon gewennen aan de gedachte

om van haar te scheiden. Maar nu lady Helena zelve vroeg om te

vertrekken, hield alle aarzeling op; de bedienden van het kasteel hadden

dat voorstel met hun gejuich begroet; het kwam er op aan om broeders,

Schotten evenals zij, te redden, en lord Glenarvan stemde van harte in

met het hoera, dat ter eere der vrouwe van Luss werd aangeheven.

Nu eenmaal tot het vertrek besloten was, was er geen uur meer te

verliezen. Dienzelfden dag zond lord Glenarvan aan John Mangles bevel om

met de _Duncan_ naar Glasgow te gaan en alles in gereedheid te brengen

voor een reis door de zuidelijke zeeën, die wel een reis om de aarde

worden kon. Bij het doen van haar voorstel had lady Helena niet te veel

gezegd van de hoedanigheden der _Duncan_; zeer sterk gebouwd en zeer

snelvarend kon zij gerust een langen zeetogt ondernemen.

Het was een stoomjagt van het schoonste model; het mat twee honderd en

tien ton, en de eerste schepen, die in de Nieuwe Wereld aankwamen, die

van Columbus, Vespucius, Pinson en Magellaan waren veel kleiner[1].

De _Duncan_ had twee masten, een fokkemast met fok, schoonerfok,

voormarszeil en klein bramzeil; een grooten mast met groote bezaan en

vlieger; daarenboven een stormfok, een buitenkluiver, een voorstagzeil

en stagzeilen. Zij voerde genoeg zeil, en kon als een gewone clipper van

den wind gebruik maken; maar boven alles rekende zij op de mechanische

kracht in haar binnenste. Haar machine van honderd zestig

paardenkrachten en naar een nieuw stelsel vervaardigd, bezat

verhittingstoestellen, die meer spankracht aan den stoom gaven; zij was

van hooge drukking en bragt een dubbele schroef in beweging. Als de

_Duncan_ onder vollen stoom was, overtrof haar snelheid alle tot nu toe

bekende snelheden. Op haar proeftogtjes in de golf van de Clyde had zij

volgens de patent-log[2] zeventien mijlen in het uur afgelegd[3]. Haar

inrigting veroorloofde haar dus om te vertrekken en een reis om de aarde

te doen. John Mangles behoefde dus alleen voor de inwendige inrigting te

zorgen.

Zijn eerste werk was om de bergplaatsen te vergrooten, ten einde zooveel

kolen mede te nemen als maar mogelijk was; want het is moeijelijk om

onderweg nieuwen voorraad van brandstof in te nemen. Dezelfde voorzorg

werd voor de bottelarij genomen, en John Mangles nam voor twee jaar

levensmiddelen aan boord; hij had geen gebrek aan geld, ja zelfs genoeg

om een draaibas te koopen, die op de voorplecht van het jagt geplaatst

werd; men wist niet wat er gebeuren kon, en het is altijd goed op een

afstand van vier mijlen een achtponder te kunnen toezenden.

En John Mangles had er verstand van; al kommandeerde hij maar een

pleizierjagt, hij werd toch onder de beste schippers van Glasgow

gerekend; hij was dertig jaar en had eenigzins harde trekken, maar die

toch moed en goedheid uitdrukten. Hij was op het kasteel geboren, door

de familie Glenarvan groot gebragt en tot een uitmuntend zeeman

opgegroeid; menigmaal gaf John Mangles op zijn lange zeereizen blijken

van bekwaamheid, geestkracht en koelbloedigheid. Toen lord Glenarvan hem

het bevel over de _Duncan_ aanbood, nam hij dit gaarne aan; want hij

beminde den heer van Malcolm-Castle als een vriend, en had tot nu toe te

vergeefs naar een gelegenheid gezocht om hem van dienst te zijn.

De eerste stuurman, Tom Austin, was een oud zeeman, die alle vertrouwen

verdiende; de bemanning der _Duncan_ bestond uit vijf en twintig koppen

met inbegrip van den kapitein en den eersten stuurman; allen behoorden

in het graafschap Dumbarton te huis; allen, beproefde matrozen, waren

zonen van pachters der familie, en vormden aan boord een ware clan van

dappere mannen, bij wie zelfs de vaderlandsche "piperbag"[4] niet gemist

werd. Lord Glenarvan had in hen een troep flinke gasten, die smaak

vonden in hun beroep, verknocht, moedig en bekwaam waren in het

hanteeren der wapens zoowel als in het bestuur van een schip, en die

genegen waren om hem op de gevaarlijkste togten te volgen. Toen de

bemanning der _Duncan_ het deel der reis vernam, konden pij hun blijde

ontroering niet bedwingen, en de echo's der rotsen, van Dumbarton

weerkaatsten hun opgewonden hoera.

Te midden van de werkzaamheden van het laden en proviandeeren van het

schip vergat John Mangles niet om de vertrekken van lord en lady

Glenarvan voor een lange zeereis in te rigten. Hij moest ook de hutten

der kinderen van kapitein Grant in orde brengen; want lady Helena had

aan Mary het verlof niet kunnen weigeren om haar aan boord der _Duncan_

te volgen.

Wat haar broeder aangaat, deze zou zich veeleer in het ruim van het jagt

verborgen hebben dan niet mede te gaan; al had hij als scheepsjongen

dienst moeten doen, zooals Nelson en Franklin, dan zou hij zich nog op

de _Duncan_ ingescheept hebben. Hoe zou men zulk een knaap iets hebben

kunnen weigeren? Men beproefde het dan ook niet eens. Zelfs moest men er

in bewilligen om hem "niet mede te nemen" als passagier; want hij wilde

dienen als scheepsjongen, ligt matroos of matroos. John Mangles kreeg

last om hem het zeemansberoep te leeren.

"Goed!" zeide Robert, "en spaar de zweep niet, als ik niet goed oppas!"

"Wees maar gerust, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan met een ernstig

gelaat, zonder er echter bij te voegen, dat het gebruik der kat met

negen staarten[5] aan boord der _Duncan_ verboden en ook geheel

noodeloos was.

Om de rol der passagiers vol te maken, moet alleen nog de majoor Mac

Nabbs genoemd worden. De majoor was vijftig jaar oud, had een kalm en

regelmatig gelaat, ging waarheen een bevel hem riep, en had een

uitmuntend en volmaakt karakter, altijd bescheiden, stilzwijgend,

vredelievend en zachtzinnig; hij was het altijd met een ieder en over

alles eens, hij sprak niets tegen, twistte niet, werd niet boos; hij

beklom even bedaard de helling van een tusschenwal, waarin bres was

geschoten, als de trap naar zijn slaapkamer; niets ter wereld deed hem

ontroeren, hij ging nooit uit den weg, zelfs niet voor een kanonskogel,

en zonder twijfel zal hij sterven zonder ooit gelegenheid te hebben

gehad om boos te worden. Die man bezat in den hoogsten graad niet maar

alleen den gewonen moed der slagvelden, die physieke dapperheid, welke

alleen het gevolg der spierkracht is, maar iets beters, zedelijken moed,

dat wil zeggen zielskracht. Het eenige gebrek, dat hij had, indien het

een gebrek is, was dat hij door merg en been een Schot was, een volbloed

Caledoniër, die stijfhoofdig vast bleef houden aan de oude gewoonten van

zijn land. Daarom had hij ook nooit Engeland willen dienen, en zijn

majoorsrang had hij verworven in het 42ste regiment der

Highland-Black-Watch, de zwarte garde, welker compagniën alleen uit

schotsche edellieden bestonden. In hoedanigheid van neef der Glenarvans

bewoonde Mac Nabbs het kasteel Malcolm, en in hoedanigheid van majoor

vond hij het heel natuurlijk om als passagier met de _Duncan_ mede te

gaan.

Deze waren de personen aan boord van dat jagt, dat door onvoorziene

omstandigheden geroepen werd om een der verbazendste reizen der nieuwere

tijden te ondernemen. Sedert het te Glasgow aan de aanlegplaats der

stoombooten lag, had het de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt;

dagelijks werd het door een talrijke menigte bezocht; men stelde in

niets anders belang, men sprak van niets anders, tot groote spijt der

andere kapiteins in de haven, onder anderen van kapitein Burton der

_Scotia_, een prachtige boot, die digt bij de _Duncan_ lag en naar

Calcutta bestemd was. Om haar grootte had de _Scotia_ regt om de

_Duncan_ als een eenvoudig adviesjagt te beschouwen! En toch werd alleen

het jagt van lord Glenarvan met een belangstelling beschouwd, die nog

bij den dag toenam.

Inmiddels naderde het oogenblik van vertrek met rassche schreden; John

Mangles had zijn bekwaamheid en vlugheid getoond; een maand na haar

proeftogten op de golf van de Clyde kon de _Duncan_ geladen,

geproviandeerd en opgetuigd zee kiezen. Het vertrek werd op den 25sten

Augustus bepaald, waardoor het jagt tegen het begin der lente in de

zuidelijke breedten aldaar kon aankomen.

Zoodra het plan van lord Glenarvan bekend werd, had het niet ontbroken

aan bedenkingen over de vermoeijenissen en gevaren der reis; maar hij

stoorde zich er niet aan, en maakte zich gereed om Malcolm-Castle te

verlaten. Bovendien waren er onder de bedillers velen, die hem

opregtelijk bewonderden. Ook verklaarde de openbare meening zich ronduit

voor den schotschen lord, en alle dagbladen, met uitzondering der

"regerings-organen", gispten eenparig het gedrag van de commissarissen

der Admiraliteit in deze zaak. Maar lord Glenarvan was even ongevoelig

voor blaam als voor lof: hij deed zijn pligt, en bekommerde zich weinig

om het overige.

Den 24sten Augustus verlieten Glenarvan, lady Helena, de majoor Mac

Nabbs, Mary en Robert Grant, Olbinett, de hofmeester van het jagt en

zijn vrouw, jufvrouw Olbinett, die in dienst was van lady Glenarvan,

Malcolm-Castle, na een roerend afscheid van de huisbedienden te hebben

genomen. Eenige uren later waren zij aan boord. De inwoners van Glasgow

begroetten met ingenomenheid en bewondering lady Helena, de jonge en

moedige vrouw, die vrijwillig afstand deed van de rustige genoegens van

een weelderig leven en de schipbreukelingen te hulp snelde.

De vertrekken van lord Glenarvan en zijn vrouw besloegen het geheele

achterschip der _Duncan_; zij bestonden uit twee slaapkamers, een salon

en twee kleedkamers; eindelijk was er een algemeene kamer, omringd door

zes hutten, waarvan vijf bewoond werden door Mary en Robert Grant,

Olbinett en zijn vrouw, en den majoor Mac Nabbs. De hutten van John

Mangles en Tom Austin kwamen op het dek uit. De bemanning was

tusschendeks gehuisvest, en zeer op haar gemak; want het jagt had geen

andere lading dan de kolen, de levensmiddelen en de wapenen. Het had dus

John Mangles niet aan plaats ontbroken voor de inwendige inrigting, en

hij had er een goed gebruik van gemaakt.

De _Duncan_ zou in den nacht van den 24sten op den 25sten Augustus

vertrekken; want des morgens ten drie ure begon de eb. Maar vooraf waren

de inwoners van Glasgow getuigen van een aandoenlijke plegtigheid. Des

avonds ten acht ure verlieten lord Glenarvan en zijn gasten, de geheele

bemanning van de stokers af tot den kapitein toe, allen die deel zouden

nemen aan de menschlievende onderneming, het jagt en gingen naar

Sint-Mungo, de oude hoofdkerk van Glasgow. Die oude kerk, welke

ongeschonden was gebleven bij de verwoestingen door de hervorming

aangerigt, en die zoo heerlijk door Walter Scott is beschreven, ontving

onder haar zware gewelven de passagiers en de matrozen der _Duncan_. Een

ontelbare menigte volgde hen. In het groote middelschip, dat door zijn

menigte graftomben wel een kerkhof gelijkt, smeekte de eerwaarde Morton

den zegen des Hemels af en beval hij den togt in de hoede der

Voorzienigheid aan. Een oogenblik hoorde men de stem van Mary Grant in

het oude kerkgebouw. Het meisje bad voor hare weldoeners en stortte voor

Gods aangezigt de zachte tranen der dankbaarheid. Vervolgens ging de

menigte diep bewogen uiteen.

Ten elf ure was ieder aan boord. John Mangles en de bemanning hielden

zich met de laatste toebereidselen bezig.

Te middernacht werden de vuren ontstoken; de kapitein gaf last om sterk

te stoken, en weldra vermengden de zwarte rookwolken zich met den

nachtelijken nevel. De zeilen der _Duncan_ waren zorgvuldig onder het

doek geborgen, dat ze tegen het vuil der kolen moest beschermen; want de

wind woei uit het zuid-westen en kon de vaart van het schip niet

begunstigen.

Ten twee ure begon de _Duncan_ te beven onder de schudding der

stoomketels; de luchtdigtheidsmeter wees een drukking van vier

dampkringen aan; de oververhitte stoom ontsnapte fluitend door de

veiligheidskleppen; de zee was stil; het was reeds genoeg dag om het

naauwe vaarwater der Clyde te onderscheiden tusschen de staken en

"biggings"[6]; de kustlichten verbleekten allengs voor de rijzende zon.

Niets verhinderde meer het vertrek.

John Mangles liet lord Glenarvan waarschuwen, die terstond op het dek

kwam.

Weldra kwam de eb opzetten; de _Duncan_ liet een schel gefluit hooren,

gooide de meertouwen los, en maakte zich vrij van de omliggende

vaartuigen; de schroef kwam in beweging en stuurde het jagt in het

vaarwater der rivier. John had geen loods aan boord genomen; hij kende

al de gevaarlijke punten der Clyde, en geen loods zou zijn schip beter

bestuurd hebben. Het jagt luisterde naar zijn wenken; met de regterhand

gaf hij bevelen aan de machine, met de linker, aan het roer, alles stil

en bedaard. Weldra werden de laatste fabrieken aan den oever door

villa's vervangen, die hier en daar op de heuvels langs de rivier

verrezen, en het gedruisch der stad stierf in de verte weg.

Een uur later stoomde de _Duncan_ tusschen de rotsen van Dumbarton door;

twee uren later was zij in de ruime golf der Clyde; des morgens ten zes

ure voer zij langs de zoutputten van Cantyre, verliet het Noorderkanaal

en kwam in volle zee.

[1] De vierde reis van Christophorus Columbus werd met vier schepen

volbragt. Het grootste, het admiraalschip, waarop Columbus zich bevond,

mat 70 ton; het kleinste maar 60. Het waren echte kustvaarders.

[2] De patent-log is een werktuig, dat door middel van wijzers, die op

een in graden verdeelden cirkel draaijen, de snelheid van het vaartuig

aanwijst.

[3] Zeventien mijlen of knoopen. Daar de zeemijl 1852 nederlandsche

ellen lang is, zijn 17 mijlen gelijk aan 7 7/10 mijlen of bijna 8 mijlen

van 4000 ned. ellen.

[4] De doedelzakspeler, die nog bij de regimenten Hooglanders bestaat.

[5] Een zweep, bestaande uit negen lederen riemen, die zeer in zwang was

op de engelsche vloot.

[6] Kleine steenhoopen, die het vaarwater der Clyde aanwijzen.

De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika · 第 11 / 37 题