Een voorstel van lady Glenarvan.
In den loop van dit gesprek had lady Helena geen woord gesproken van de
vrees, die in de brieven van lord Glenarvan doorschemerde, voor het
onthaal, dat zijn aanzoek gevonden had bij de commissarissen der
Admiraliteit. Evenmin maakte zij melding van de vermoedelijke
gevangenschap van kapitein Grant bij de Indianen van Zuid-Amerika.
Waartoe zou het ook dienen om die arme kinderen bedroefd te maken over
den toestand huns vaders en om de hoop te verminderen, die zij pas
hadden opgevat? Dat bragt toch geen verandering in den stand van zaken
te weeg. Lady Helena had er dus over gezwegen, en na al de vragen van
miss Grant beantwoord te hebben, ondervroeg zij deze op hare beurt over
haar leven en over haar toestand, nu zij de eenige beschermster haars
broeders op deze wereld scheen te zijn.
Het was een treffende en eenvoudige geschiedenis, waardoor de
belangstelling van lady Glenarvan in het meisje nog toenam.
Miss Mary en Robert Grant waren de eenige kinderen van den kapitein. De
geboorte van Robert had der echtgenoote van Harry Grant het leven
gekost, en gedurende zijn lange zeereizen liet hij zijn kinderen onder
de hoede eener goede oude nicht. Kapitein Grant was een stout zeeman,
grondig ervaren in zijn beroep, tegelijk een goed zeevaarder en een goed
handelaar, zoodat hij een dubbele geschiktheid bezat, die van zooveel
belang is voor de schippers der koopvaardijvloot. Hij bewoonde met zijn
gezin de stad Dundee, in het graafschap Perth, in Schotland. Kapitein
Grant was dus een landgenoot; zijn vader, een geestelijke bij de St.
Catharina-Kerk, had hem een goede opvoeding laten geven, denkende dat
dit niemand benadeelen kan, zelfs geen zeekapitein.
Op zijne eerste reizen over zee, aanvankelijk als eerste stuurman, later
als schipper, was hij zeer gelukkig in zijne zaken, en eenige jaren na
de geboorte van Robert Harry was hij in het bezit van een klein
vermogen.
Toen vatte hij een groot plan op, dat zijn naam in geheel Schotland
bekend maakte. Even als de Glenarvans en eenige aanzienlijke geslachten
uit de Laaglanden, had hij zich, zoo al niet feitelijk dan toch in de
gedachte, van het overheerschende Engeland gescheiden. De belangen van
zijn land konden in zijn oog niet die der Angelsaksers zijn, en om ze
zelfstandig te doen ontwikkelen besloot hij in Australië een groote
schotsche kolonie te stichten. Droomde hij van een toekomstige
onafhankelijkheid, waarvan de Vereenigde Staten het voorbeeld hadden
gegeven, een onafhankelijkheid, die Indië en de andere koloniën in
Australië niet missen kunnen ook eenmaal te verwerven? Misschien.
Welligt liet hij ook die stille hoop doorschemeren. Het is dus ligt te
begrijpen, dat het gouvernement weigerde de hand te leenen aan zijn
kolonisatie-plan; het legde kapitein Grant zelfs moeijelijkheden in den
weg, die in ieder ander land den ontwerper van verdriet zouden hebben
doen omkomen. Maar Harry liet zich niet ontmoedigen; hij deed een beroep
op de vaderlandsliefde zijner landgenoten, waagde zijn vermogen aan de
uitvoering van zijn plan, bouwde een schip, en door een uitgelezene
bemanning ondersteund, vertrok hij, na zijn kinderen aan de zorgen
zijner oude nicht te hebben toevertrouwd, om de groote eilanden der
Stille Zuidzee te onderzoeken. Dat geschiedde in 1861. Een jaar lang,
tot in Mei 1862, kreeg men berigten van hem; maar sedert zijn vertrek
van Callao, in de maand Junij, hoorde niemand meer spreken van de
_Britannia_, en de zeetijdingen zwegen over het lot van den kapitein.
In die omstandigheden stierf de oude nicht van Harry Grant en de beide
kinderen bleven alleen op deze wereld.
Mary Grant was toen veertien jaar; haar moedige ziel deinsde niet terug
voor het lot, dat haar te beurt viel, en zij wijdde zich geheel aan haar
nog jeugdigen broeder. Hij had opvoeding en onderwijs noodig. Door
zuinigheid, voorzigtigheid en schranderheid, door dag en nacht te
arbeiden, door hem alles te geven en zich zelve alles te onthouden,
voorzag de zuster in haars broeders opvoeding en vervulde zij moedig
haar moederlijke pligten.
Zoo leefden de beide kinderen te Dundee in dien treffenden toestand
eener met waardigheid aangenomen, maar dapper bestreden armoede. Mary
dacht alleen aan haar broeder, en droomde voor hem van de eene of andere
gelukkige toekomst. Voor haar was de _Britannia_ helaas voor altijd weg,
en haar vader dood, ja dood. Wij wagen het daarom niet haar aandoening
te schilderen, toen het berigt in de _Times_, dat haar toevallig in het
oog viel, haar plotseling uit haar wanhoop opwekte.
Zij aarzelde niet; haar besluit was onmiddellijk genomen. Al moest zij
ook vernemen, dat het lijk van kapitein Grant op een woeste kust of op
een ontredderd schip terug gevonden was, dan was dat toch nog beter dan
die onophoudelijke twijfel, die eeuwige kwelling der onzekerheid.
Zij zeide alles aan haar broeder; dienzelfden dag gingen de beide
kinderen op den trein van Perth, en des avonds kwamen zij te
Malcolm-Castle aan, waar voor Mary, na zooveel angst, eindelijk weer een
straal van hoop opging.
Mary Grant vertelde die droevige geschiedenis aan lady Glenarvan op een
eenvoudige wijze, en zonder te bedenken, dat zij in die lange jaren van
beproeving als een heldhaftig meisje zich had gedragen; maar lady Helena
dacht er in hare plaats aan, en bij herhaling drukte zij de beide
kinderen van kapitein Grant weenend in hare armen.
Het scheen, alsof Robert die geschiedenis voor de eerste maal vernam;
hij zette groote oogen op, toen hij zijn zuster zoo hoorde spreken; hij
begreep alles, wat zij gedaan, alles wat zij geleden had, en haar
omhelzende, riep hij eindelijk uit:
"Ach! moeder! lieve moeder!" zonder dat hij dien kreet, die uit den
grond van zijn hart kwam, kon bedwingen.
Gedurende dit gesprek was het geheel en al donker geworden. Lady Helena,
die wel kon begrijpen, dat de beide kinderen vermoeid zonden zijn, wilde
het onderhoud niet langer voortzetten. Mary Grant en Robert werden naar
hun kamers gebragt en sliepen in, droomende van een betere toekomst.
Na hun vertrek liet lady Helena den majoor roepen en deelde hem al het
gebeurde van dien avond mede.
"Een braaf meisje, die Mary Grant," zeide Mac Nabbs, toen hij het
verhaal zijner nicht had aangehoord.
"De Hemel geve, dat mijn man in zijn onderneming slage!" antwoordde lady
Helena, "anders zou de toestand dezer beide kinderen
allerverschrikkelijkst worden."
"Hij zal slagen," hervatte Mac Nabbs, "of de lords der Admiraliteit
zouden een hart moeten hebben harder dan portlandsche steen."
In weerwil van deze verzekering van den majoor bragt lady Helena den
nacht in de hevigste onrust door en kon geen oogenblik slapen.
Den volgenden morgen wandelden Mary Grant en haar broeder, die met het
krieken van den dag opgestaan waren, op het plein vóór het kasteel, toen
het geraas van een naderend rijtuig zich liet hooren. Het was lord
Glenarvan, die zoo snel als zijn paarden maar loopen konden, op
Malcolm-Castle terugkwam. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen lady
Helena, door den majoor vergezeld, op het plein, en snelde haar man te
gemoet.
Deze scheen treurig, teleurgesteld, verstoord. Hij drukte zijn vrouw aan
zijn borst en zweeg.
"Welnu, Edward! Edward!" riep lady Helena.
"Welnu, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "die menschen hebben
geen hart!"
"Hebben zij dan geweigerd?..."
"Ja! zij hebben mij een schip geweigerd! zij hebben gesproken van de
millioenen, die met het opsporen van Franklin verspild zijn! zij hebben
gezegd, dat die ongelukkigen reeds sedert meer dan twee jaren aan zich
zelven overgelaten zijn en dat er dus weinig kans was om hen terug te
vinden! Zij hebben beweerd, dat zij, bij de Indianen gevangen zijnde,
stellig naar het binnenland gesleept zijn; dat men geheel Patagonië niet
kon doorzoeken om drie mannen--drie Schotten!--terug te vinden! dat die
nasporingen vergeefsch en gevaarlijk zijn, en meer slagtoffers kosten
dan redden zouden! kortom, zij hebben al de schijngronden opgegeven van
lieden, die iets weigeren willen. Zij herinnerden zich de plannen van
den kapitein, en de arme Grant is reddeloos verloren!"
"Mijn vader! mijn arme vader!" riep Mary Grant, voor lord Glenarvan op
de knieën vallende.
"Uw vader! hoe, miss!..." zeide hij, zeer verwonderd zijnde dit meisje
voor zich te zien knielen.
"Ja, Edward! miss Mary en haar broeder," antwoordde nu lady Helena, "de
beide kinderen van kapitein Grant, die de Admiraliteit veroordeeld heeft
om weezen te blijven!"
"Ach! miss! als ik geweten had, dat gij hier waart!..." hernam lord
Glenarvan, terwijl hij het meisje hielp opstaan.
Verder zeide hij niets meer! Een pijnlijke stilte, door snikken
afgebroken, heerschte op het plein; niemand sprak een woord, noch lord
Glenarvan, noch lady Helena, noch de majoor, noch de bedienden van het
kasteel, die zwijgende om hun meesters geschaard stonden. Maar door hun
houding protesteerden al die Schotten tegen het gedrag van het engelsche
gouvernement.
Na eenige oogenblikken vatte de majoor het woord op en sprak, zich tot
lord Glenarvan wendende:
"Alzoo hebt gij geen hoop meer?"
"Niet de geringste."
"Welnu!" riep de jonge Robert, "ik zal die lieden gaan opzoeken en ...
dan zullen wij zien...."
Robert voltooide zijn bedreiging niet, want zijn zuster hield hem tegen;
maar zijn gebalde vuist gaf geen zeer vredelievende plannen te kennen.
"Neen, Robert!" zeide Mary Grant, "neen! wij willen liever die brave
heeren bedanken voor hetgene zij voor ons gedaan hebben; wij zullen ons
levenslang erkentelijk jegens hen betoonen, en nu willen wij beiden
vertrekken."
"Mary!" riep lady Helena.
"Miss! waar wilt gij heen gaan?" zeide lord Glenarvan.
"Ik ga een voetval voor de koningin doen," antwoordde het meisje, "en
dan zullen wij zien of zij doof zal zijn voor de smeekingen van twee
kinderen, die om het leven huns vaders vragen."
Lord Glenarvan schudde het hoofd; niet omdat hij aan het hart Harer
Genadige Majesteit twijfelde, maar hij wist, dat Mary Grant nooit tot
haar zou kunnen doordringen. De smeekelingen komen maar al te zelden tot
de trappen van den troon, en het schijnt, dat men op de deur der
koninklijke paleizen geschreven heeft, wat de Engelschen op het stuurrad
hunner schepen zetten:
"_Passengers are requested not to speak to the man at the wheel_."[1]
Lady Helena had de bedoeling van haar man gevat: zij wist, dat het
meisje een nuttelooze poging zou doen; zij zag, hoe die beide kinderen
voortaan een allerellendigst leven zouden leiden. Nu vatte zij een
groote en verhevene gedachte op.
"Mary Grant!" riep zij, "wacht, mijn kind! en hoor, wat ik u zeggen
wil."
Het meisje, dat haar broeder bij de hand hield en zich gereed maakte om
te vertrekken, bleef nu staan.
Nu naderde lady Helena met betraande oogen, maar met een vaste stem en
levendige trekken, haar man en zeide:
"Edward! Toen kapitein Grant dezen brief schreef en in zee wierp,
vertrouwde hij hem aan de zorg van God zelven toe. God heeft hem in onze
handen doen komen! zonder twijfel heeft God ons de redding dier
ongelukkigen willen opdragen."
"Wat bedoelt gij daarmede, Helena?" vroeg lord Glenarvan.
Een diepe stilte heerschte in den geheelen kring.
"Ik bedoel," hernam lady Helena, "dat men zich gelukkig moet achten, als
men het huwelijksleven met een goede daad mag beginnen. Welnu! om mij
genoegen te doen hebt gij, lieve man! het plan tot een pleizierreisje
ontworpen! Maar kan er een wezenlijker, nuttiger vermaak zijn dan
ongelukkigen te redden, die door hun land verlaten worden?"
"Helena!" riep lord Glenarvan.
"Ja, gij begrijpt mij, Edward! De _Duncan_ is een goed en stevig schip!
het kan de zuidelijke zeeën bevaren! het kan een reis om de wereld doen,
en zal het doen, als het noodig is! Laten wij vertrekken, Edward! Laten
wij kapitein Grant gaan opzoeken!"
Die moedige taal hoorende had lord Glenarvan de armen naar zijn jeugdige
gade uitgebreid; zij glimlachte, hij drukte haar aan zijn hart, terwijl
Mary en Robert hare handen kusten.
En gedurende dit aandoenlijk tooneel klonk uit den mond der bewogen en
opgetogen bedienden van het kasteel deze kreet van ongeveinsde
dankbaarheid:
"Hoera voor de edelvrouwe van Luss! hoera! driewerf hoera voor lord en
lady Glenarvan!"
[1] Den passagiers wordt verzocht om niet met den stuurman te spreken.