Tusschen de bruine schil van de hazelnoot en den dop bevinden zich een
aantal fijne kanalen, welke men kan waarnemen, als men eene hazelnoot
volgens de lengte opensplijt.
Een der uiteinden van die kanalen komt uit bij de punt van de
hazelnoot, het andere bij den omtrek van het grijze gedeelte.
Als men daar luchtig met een mes overheen schrapt, komen de openingen
van die kanalen bloot, en men kan er dan gemakkelijk een fijn hoofdhaar
doorheen steken.
Zoo kan men door eene hazelnoot 35 haren steken, welke door de 35
kanalen gaan; om de haren er door te krijgen, moet men ze luchtig met
den vinger voortschuiven, als men ziet, dat ze zich met het uiteinde
in de opening bevinden.
Een enkel haar is sterk genoeg om aldus een aantal hazelnoten te
dragen, die dan een snoer vormen, dat zeer ongemeen is.
Wil men slagen, dan moet men hazelnoten gebruiken, die goed droog
zijn. Daar men bovendien bij de haren van de vleug kan spreken,
aangezien zij uit een aantal vezeltjes bestaan, die naar het einde
gericht zijn, moet men zorgen, dat ze altijd met het wortelgedeelte
ingestoken worden.
Wij dragen dit aardige spel op aan onze lezeressen, wier fijne en
zijdeachtige haren hierbij onmisbaar zijn.