Sluit een lampeglas aan een der einden luchtdicht met eene groote kurk,
waarin ge twee gaten geboord hebt; in het eene, dat rechtstandig door
het midden van de kurk gaat, moet de cigaret precies sluiten; het
andere, dat nauwer is, staat schuin ten opzichte van de as der kurk.
Uit een ouden handschoen knipt ge twee ronde stukjes, en maakt daarvan
twee kleppen; zij moeten natuurlijk een weinig grooter zijn dan de
gaten in de kurk, om ze daarop met eene speld te kunnen vaststeken,
het eene tegen de opening van het nauwe kanaal aan de buitenzijde,
dus boven op de kurk, en het tweede aan de onderzijde daarvan tegen
de opening van het kanaal, waarin de cigaret gestoken is. Het is
duidelijk, dat door de eerste klep de rook kan ontsnappen, en het
binnendringen van de buitenlucht belet wordt, terwijl door de tweede
de rook van de cigaret wel in het lampeglas kan treden, maar niet
weder door dezelfde opening het glas kan verlaten.
Als de toestel gereed is, duwen wij het glas tot aan de kurk in het
water, zetten de cigaret in hare opening en steken haar aan; het
lampeglas zal nu zoo goed zijn haar voor ons op te rooken! Als we het
glas omhoog trekken, zal de lucht onder de kurk verdund worden; de
buitenlucht stroomt nu door de cigaret heen het glas binnen, waardoor
de verbranding bevorderd en tevens de rook in het glas gedreven wordt:
het lampeglas trekt! De rook wordt niet tegengehouden door de klep van
het vertikale kanaal, die openstaat, terwijl de klep op het schuine
kanaal door haar eigen gewicht gesloten blijft.
Duwen we het lampeglas naar beneden, dan zal de lucht, die wij
samendrukken, de onderste klep sluiten en die van het schuine kanaal
openen, waaruit nu eene witte rookwolk omhoog stijgt, om zich weldra
in kringetjes te verspreiden.