Ik geef u een glas en eene flesch, beide vol water, en ik verzoek u,
het glas te ledigen met behulp van die flesch, en dat zonder haar
zelve te ledigen.
Dat vraagstuk schijnt zeer ingewikkeld, niet waar? Gij zult zien,
dat de oplossing toch zeer eenvoudig is.
Steek door een tweemaal doorboorde kurk twee stroohalmen, die
nauwkeurig in de openingen passen; de eene halm moet zoolang zijn
als de diepte van het glas, de andere tweemaal zoo lang. Sluit de
eene opening van het korte strootje met een stukje broodkruim of
een balletje was, en steek daarna de kurk zoo diep in de flesch,
tot het water uit het lange strootje vloeit.
Als men nu het glas wil ledigen, heeft men slechts de flesch om te
keeren, en het korte strootje tot op den bodem in het glas water te
dompelen (zie de afbeelding); als men dit nu kort bij het dichtgemaakte
uiteinde afknipt, vloeit het water terstond door den grooten stroohalm
weg, totdat het glas geheel ledig is, terwijl de flesch steeds vol
is gebleven.
Dit verschijnsel laat zich aldus verklaren: de beide stroohalmen
vormen de beide beenen van een hevel, die onmiddellijk werkt, daar de
beenen met vloeistof gevuld zijn. Om de werking van den hevel zelf
te begrijpen, behoeft men slechts op te merken, dat de luchtdruk,
op den vloeistofspiegel uitgeoefend, het water in het korte been
omhoog drukt; wel wordt aan het ondereinde van het lange been door
den dampkring een tegendruk uitgeoefend, maar, daar de vochtkolom,
welker gewicht de drukking van den dampkring tegenwerkt, aan die zijde
grooter is dan die in het korte been, zal de tegendruk geringer zijn,
dan de druk waardoor het water in het korte been wordt opgedreven:
de vloeistof moet dus uit het lange been wegvloeien.
Ge begrijpt nu ook, hoe men, door den langen stroohalm nog langer te
nemen, de uitstroomingssnelheid kan vergrooten.