Vul een klein fleschje met rooden wijn, sluit het met eene kurk,
waarin van boven naar beneden een fijn gaatje geboord is en plaats
het nu in een kom of een groot glas met water. Wij weten, dat door
het verschil in dichtheid der beide vloeistoffen, het water in het
fleschje zal dringen en er den wijn uitdrijven, die in een fijn
straaltje zal opstijgen en zich aan de oppervlakte uitspreiden.
Aan die bekende proef kunt ge iets schilderachtigs geven: van pleister
of van aarde maakt ge een bergje op den bodem van het glas.
Hierin verbergt ge het fleschje, terwijl ge zorg draagt in den top van
den berg eene opening te laten om het straaltje wijn door te laten:
dit is de krater.
Als ge het water in beweging brengt, zal de opstijgende kolom den
roodachtigen rook van een vulkaan verbeelden, die door den wind heen
en weer bewogen wordt, en ge zult den toeschouwers eene vrij juiste
nabootsing van eene uitbarsting van den Vesuvius vertoond hebben.