_onder zijne Koninklijke Hoogheid_ WILLEM VAN ORANJE, PRINSE VAN ORANJE
EN NASSAU (1660).
_Formaque ante omneis pulcher_[W]
De ridderschap van Troje wordt herboren,
En oefent zich langs onzen Amstelstroom;
Daar zit zij op, en noopt het paard met sporen,
Het brieschend paard, gewend naar roede en toom
Te luistren en 't steken der trompette.—
Prins ~Willem~ draaft alle Amstelridders voor
Verbonden aan Graefs Standerd en Kornette.
Heer Waveren en Tulp bewaren 't spoor
Des Prinsen als geoefende manhaften.
Zoo volgen zij de straten van de stad,
De singels en de schaduwrijke graften,
Langs huizen, volgepropt van weelde en schat,
Door wolken van veel duizend burgerijen
En Bataviers van Noord en Zuid vergaard.
Zoo plag de zon alle oogen te verblijen,
Als jonge ~Oranje~ op zijn schuimbekkend paard,
Een schooner dag den sterfelijken menschen
Hier toevoert, en zijn grootvaêrs naam ververscht,
Op 't juichende geschal van zooveel menschen
Te dicht opeengedrongen en geperst.
Lang leev' ~Oranje~, en handhaav' 't recht der staten,
De vrijheid en de rust van 't Vaderland,
Ten schimp van al, die Hollands welvaart haten.
Zoo blink' hij, als in goud een diamant.
De ridderschap lost hierop haar pistolen
Is 't voorspel goed, hoe kan 't hoogtijd dolen?
[W] De schoonste in gedaante onder allen.
* * * * *