Dan leert men luchtig ten zachte bedde uitstijgen,
En in een onderkeurs ter venster varen,
Op zang en snaren.
Dan leert men, zachtjes, om d' oude liên te mompen,[I]
Zijn voetjes zetten, dat het niemand luister,
Alleen, bij duister.
Dan leert men, lustig, zijn boel ter sluik in laten,
En vloeken 't kraken van de deur en trappen,
Die 't willen klappen.
Dan leert men lafjes, als afgemend van minne,
Het geven òp, en in liefs armen glijen;
De lipjes vlijen.
Dan leert men flauwtjes de weêrlooze oogjes luiken,
En lieve lipjes aan liefs lipjes lijmen,
En zoo bezwijmen.
Dan leert men, eindlijk aan liefjes hals besterven;
Dan stoutertjens, op liefs mond, zijn verloren
Zieltjen na sporen.
Dan is het vrede, en het verwonnen hartje,
Verzweert[J] te striblen tegens de geboden,
Der minnegoden.
[I] Mompen = verlakken.
[J] Verzweren = afzweren.
* * * * *