['t Gedicht begint met de vraag:
Heilige Venus, die 't roer houdt aller harten,
Hoe komt mijn nimfjes hart zoo ongevoelijk
Daar z' is zoo goelijk?
De dichter troost zich dan, dat dit niet zoo blijven zal; de macht van
de Mingodin zal ook dat hartjen „schuw en schichtig,” „ommekeeren en
minnen leeren.”