—Ja, daardoor krijgt gij uw geld en wij ook het onze. Misschien.... ja,

wie weet, of ik ’t niet geraden heb.

—Wat raadt gij?

—Dat gij al het geld alleen krijgt.

—Ik begrijp u niet.

—Wel, als het werk af is, moet het betaald worden, maar de anderen zijn

weg, zij leven niet meer, dus moet hun aandeel aan u worden uitbetaald.

—Stel u dat maar niet voor, Sam, men zal er wel voor passen, dat te

doen!

—’t Is toch mogelijk! Als gij nu de zaak maar goed aanpakt. Gij moet

alles vragen, gij hebt toch ook het werk bijna geheel alleen gedaan.

Wilt gij dat doen?

—Neen, ik denk er niet aan, meer te vragen, dan mij toekomt.

—Greenhorn, onverbeterlijke greenhorn. Ik zeg u, dat uw bescheidenheid

hier in dit land volstrekt niet op haar plaats is. Ik meen het goed met

u, luister daarom naar wat ik u zeg en laat het voornemen varen, om

ooit een goed prairiejager te worden; daarvoor deugt gij in ’t geheel

niet. Gij moet dus een ander baantje zoeken en daarvoor hebt gij geld

noodig, zeer veel geld. Nu kunt ge een mooie som krijgen en ge zijt

voor langen tijd geholpen. Luistert gij niet naar mijn raad, dan gaat

het u als een visch op het droge.

—Dat zullen we dan maar afwachten. Ik ben niet over den Mississippi

gekomen met het doel prairiejager te worden en dus is er niets

verloren. Ware dit het geval geweest dan was het enkel jammer voor u.

—Voor mij? Waarom?

—Omdat gij u zooveel moeite hebt gegeven, iets goeds van mij te maken.

Ik hoor de menschen al zeggen dat ik zeker een leermeester heb gehad,

die er zelf niets van wist.

—Niets van weten? Ik? Sam Hawkins, niets van weten? Ik weet alles!

Hij keerde zich op zijn hielen om en ging met deftige passen heen,

terwijl hij mij nog toeriep:

—Dit zeg ik u, als gij het geld niet wilt hebben, steek ik het in mijn

zak! Howgh!

Wat Intschu Tschuna mij gezegd had, was waar. Een roode krijger heeft

zelfs voor den langsten tocht maar weinig voorbereidselen te maken. Het

leven in het Pueblo ging ook dien dag zijn gewonen gang, aan niets was

te bemerken, dat wij morgen zouden afreizen.

Ook Nscho-Tschi, die ons zooals altijd aan tafel bediende, liet niets

bijzonders merken. Hoe geheel anders gedraagt zich een blanke dame, die

een uitstapje gaat maken. Deze Indiaansche had een langen en

gevaarlijken tocht voor zich om al de heerlijkheden der beschaafde

wereld te leeren kennen en men bemerkte aan haar niet het minste teeken

van opgewondenheid. Ik werd met geen enkele vraag lastig gevallen, het

eenige wat men mij vroeg, was wel te willen zorgen voor het inpakken

der instrumenten, waarvoor Winnetou mij de noodige wollen dekens gaf.

Wij zaten als gewoonlijk den geheelen avond bij elkander, zonder dat

men over de voorgenomen reis sprak, en toen ik ten laatste slapen ging,

had ik volstrekt niet het gevoel dat ik zulk een reis voor mij had. Den

volgenden morgen werd ik gewekt door Sam die mij vertelde, dat alles

voor den tocht gereed was.

Wij namen een eenvoudig ontbijt, daarna deden alle bewoners van het

Pueblo ons uitgeleide tot aan de rivier, waar een plechtigheid zou

plaats hebben, welke ik nog nooit had bijgewoond. De medicijnman zou

namelijk verklaren of de reis gelukkig of ongelukkig zou wezen.

Voor deze plechtigheid waren ook de zich in de nabijheid van het Pueblo

bevindende Apachen aangekomen. Onze ossewagen stond nog bij de rivier,

wij konden dezen niet meenemen, daar hij veel te zwaar was en nu had de

medicijnman hem in beslag genomen, en er zijn Tempel van gemaakt. Om

dezen wagen heen werd een wijde kring gevormd en nu begon de voor de

roodhuiden „heilige handeling” met een gebrom en geknor in den wagen,

juist alsof een aantal honden en katten op ’t punt waren te gaan

vechten. Ik stond tusschen Winnetou en diens zuster. De groote

gelijkenis tusschen deze beiden viel des te meer op, daar Nscho-Tschi,

niet haar gewone vrouwen- maar mannenkleeren droeg. Haar kleed was

volkomen gelijk aan dat van haar broeder. Ook zij had geen hoed op en

heur haar was in een pluimvormigen knoop opgestoken. Aan haar gordel

hingen verscheidene buidels, een mes en een pistool en over den rug

hing een geweer. Haar kleed was nieuw en met bonte franjes en stiksels

versierd.

Zij zag er zeer krijgshaftig en toch zoo meisjesachtig en bekoorlijk

uit, dat aller oogen op haar gericht waren. Daar ik het kleed droeg, ’t

welk ik gekregen had, waren wij drie bijna gelijk.

Ik zette, toen ik het gebrom en geknor in den wagen hoorde, zeker een

niet zeer ernstig gezicht, want Winnetou zeide:

—Mijn broeder kent dit gebruik nog niet, hij zal in zichzelf om ons

lachen.

—Ik vind geen enkel godsdienstig gebruik, ook al begrijp ik de

bedoeling er niet van, belachelijk,—antwoordde ik.

—Godsdienstig gebruik, juist, dat is het ware woord. Wat gij hier zult

zien en hooren, is geen heidensche aanstellerij, maar iedere beweging,

ieder geluid, heeft een zekere beteekenis. Dat, wat gij nu hoort zijn

de tegen elkaar strijdende stemmen van de goede en slechte geesten!

Op deze wijze verklaarde hij mij ook het verdere verloop der

plechtigheid. Op het gebrom en geknor volgde een telkens wederkeerend

gehuil, dat afgewisseld werd door zachtere klanken. Het gehuil

weerklonk in de oogenblikken, dat de in de toekomst ziende medicijnman,

booze voorteekenen waarnam, de zachtere geluiden, wanneer hij goeds

voorzag. Toen dit zoo eenigen tijd had geduurd, kwam hij plotseling uit

den wagen, rende als een razende, brullend in den kring rond.

Langzamerhand begon hij minder vlug te loopen, het brullen hield op, de

zoo goed voorgestelde „angst”, welke hem zoo had doen ronddraven, begon

te bedaren en nu begon een statige dans, waarbij hij zijn gezicht

achter een afschuwelijk masker verborg en zijn lichaam met allerlei

zonderlinge voorwerpen behing. Deze dans werd begeleid door een

eentonig gezang. Beide, gezang en dans, waren eerst heftig maar werden

langzamerhand kalmer, tot eindelijk de medicijnman zich neerzette en

met het hoofd tusschen de knieën een langen tijd zwijgend bleef zitten.

Toen sprong hij plotseling op en verkondigde met luide woorden:

—Hoort, hoort, gij zonen en dochteren der Apachen, hoort, wat de Groote

Manitou mij heeft laten weten. Intschu Tschuna en Winnetou, de

opperhoofden der Apachen en Old-Shatterhand, die onze blanke hoofdman

is, zullen met Nscho-Tschi, de jonge dochter van onzen stam onder

geleide van dertig krijgers, naar de steden der bleekgezichten gaan. De

groote Manitou is bereid hen te beschermen. Zij zullen eenige avonturen

beleven, zonder daarbij schade te lijden en gezond en wel tot ons

terugkeeren. Ook Nscho-Tschi, die langen tijd bij de blanken blijft,

zal terugkomen, maar er is een die wij niet terug zullen zien.

Hij hield even op en liet het hoofd op de borst zinken, om uiting te

geven aan zijn droefheid over dit feit.

—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, nieuwsgierig wie dat kon zijn, zonder

evenwel te vragen.

Daar de medicijnman een geruimen tijd in gebogen houding bleef staan,

werd mijn kleine Sam ongeduldig en vroeg:

—Wie zal niet terugkeeren? Laat de medicijnman dat toch zeggen.

De aangesprokene maakte een afwerende beweging, wachtte eerst weer

eenigen tijd, hief toen het hoofd op, richtte zijn oog op mij en zeide:

—Het ware beter, dat er niet naar hem gevraagd was geworden. Ik wilde

hem niet noemen, maar nu heeft Sam Hawkins, het nieuwsgierige

bleekgezicht mij gedwongen het te zeggen. Het is Old-Shatterhand, die

niet zal terugkeeren. De dood zal hem binnenkort treffen. Zij, aan wie

ik een gelukkige terugkomst heb voorspeld, moeten er op rekenen niet te

lang bij hem te blijven, willen zij niet zijn lot deelen! Bij hem zijn

zij in gevaar, ver van hem zijn zij veilig. Zoo heeft de Groote Geest

gezegd!—Howgh!

Na deze woorden keerde hij naar den wagen terug. De roodhuiden zagen

mij wantrouwend aan, van dit oogenblik was ik voor hen een persoon, met

wien men zich niet te veel moest inlaten.

—Wat mankeert die kerel?—meende Sam.—Gij sterven? Hoe komt hij op die

gedachte.

—Vraag liever, welke bedoeling hij heeft, met dit te zeggen. Geen

Indiaansche medicijnman zal ooit de vriend worden van een Christen.

Deze heeft nog nooit een woord tot mij gericht en ik natuurlijk evenmin

tot hem. Hij vreest mijn invloed op de opperhoofden en heeft nu deze

gelegenheid te baat genomen om mij tegen te werken.

—Zal ik naar hem toegaan en hem eenige oorvijgen geven, sir?

—Bega geen dwaasheden, Sam. De zaak is immers van geen beteekenis.

Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi hadden bij de waarschuwing van

den medicijnman elkaar verlegen aangezien. Of zij aan de voorspelling

geloofden of niet, dat deed er niet toe, maar zij kenden de uitwerking

daarvan op de menigte. Er zouden dertig man met ons meegaan, als deze

nu geloofden dat mijn tegenwoordigheid verderf aanbracht, dan waren

allerlei onaangenaamheden niet te vermijden. Dit was alleen te

voorkomen, door aan hun ondergeschikten te toonen, dat zij, ondanks de

voorspelling van den medicijnman, dezelfde voor mij zouden blijven.

Daarom grepen beide mijn handen, en Intschu Tschuna zeide, zoo luid,

dat allen het konden hooren:

—Mijn roode broeders en zusters mogen mijn woorden vernemen! Onze

medicijnman kan een blik werpen in de geheimen der toekomst en zeer

dikwijls is dat, wat voorspeld is, uitgekomen, maar wij hebben ook wel

gezien dat hij zich kan vergissen. Hij heeft in den tijd van groote

droogte, regen voorspeld die nooit is gekomen. Voor onzen laatsten

tocht tegen de Comanchen verkondigde hij, dat wij met grooten buit

terug zouden keeren, maar de overwinning, welke wij behaalden heeft ons

niets gegeven dan een paar oude paarden en eenige slechte geweren. Toen

hij ons in den voorlaatsten herfst zeide, dat wij naar de rivier Tugah

moesten gaan, wilden wij veel buffels schieten, hebben wij naar zijn

woorden geluisterd, maar wij schoten er zoo weinig, dat wij in den

winter bijna van honger moesten omkomen. Ik zou u nog meer zulke

voorbeelden kunnen opnoemen, welke bewijzen, dat zijn oogen niet altijd

helder in de toekomst zien. Daarom is het ook nu zeer wel mogelijk, dat

hij zich wat onzen broeder Old-Shatterhand betreft, vergist. Ik doe

dus, alsof ik zijn woorden niet heb gehoord en noodig mijn broeders en

zusters uit dit eveneens te doen. Wij willen kalm afwachten, wat ons

lot zal zijn.

Nu trad mijn kleine Sam Hawkins uit den kring der omstanders naar voren

en riep:

—Neen, wij willen niet afwachten, wij behoeven niet te wachten, want er

is een middel om dadelijk te weten, of de medicijnman waarheid heeft

gesproken of niet.

—Welk middel bedoelt mijn blanke broeder?—vroeg het opperhoofd.

—Ik zal het u vertellen. Niet alleen de roodhuiden, maar ook de blanken

hebben hun medicijnmannen, die de kunst verstaan in de toekomst te

lezen en ik, Sams Hawkins, ben de beroemdste van allen.

—Oef, oef!—riepen de Apachen verbaasd.

—Ja, verwonder er u maar over! Gij hebt mij tot nu toe voor een gewonen

prairiejager aangezien, omdat gij mij nog niet kende, maar wacht maar,

ik ben veel meer dan gij meent! Eenigen van mijn roode broeders moeten

hun tomahawks nemen en een gat in de aarde graven.

—Wil mijn blanke broeder in het binnenste der aarde zien?—vroeg Intschu

Tschuna.

—Ja, want de toekomst ligt verborgen in den schoot der aarde, soms ook

in de sterren, maar daar er op klaarlichten dag geen sterren te zien

zijn, moet ik mij wel tot de aarde wenden.

Eenige Indianen voldeden aan zijn verzoek en maakten met hun

krijgsbijlen een gat in den grond.

—Geen humbug, Sam,—fluisterde ik hem toe.—Als de roodhuiden bemerken

dat gij dwaze dingen gaat doen, maakt gij de zaak veel erger in plaats

van haar beter te maken.

—Humbug? Dwaasheden? Wat doet de medicijnman dan anders? Wat hij doet,

kan ik toch ook doen als ik mij niet vergis. Als er van onzen kant

niets wordt gedaan, krijgen wij de dertig krijgers niet mee, daar kunt

ge op aan!

—Dat weet ik wel, maar ik verzoek u toch, niets belachelijks te doen.

—Wees maar niet bezorgd, ’t is een zeer ernstige zaak!

Ik gevoelde mij, ondanks zijn geruststelling, volstrekt niet op mijn

gemak. Ik kende hem wel, hij was een spotvogel. Daarom zou ik hem

gaarne nog eens hebben gewaarschuwd, maar hij liet mij alleen staan en

ging naar de Indianen om hun te zeggen, hoe diep het gat moest zijn.

Toen zij gereed waren, zond hij hen weg en trok zijn ouden lederen

jachtrok uit. Nadat hij dezen had dichtgeknoopt en op den grond had

neergezet, waar zij stijf bleef staan, plaatste hij het oude ding juist

boven het gat en begon met een air van gewicht:

—De krijgers, vrouwen en kinderen der Apachen zullen zien wat ik doe en

daarover zeer verbaasd staan. De aarde zal mij, als ik mijn

tooverwoorden heb uitgesproken haar schoot openen, op dat ik alles kan

zien wat in den eerst volgenden tijd met ons zal gebeuren.

Hierop verwijderde hij zich eenige schreden van het gat en liep met een

deftig gebaar om den rok heen, terwijl hij tot mijn groote ontzetting

de tafel van vermenigvuldiging prevelde. Gelukkig deed hij dit zoo

haastig, dat de roodhuiden hem onmogelijk konden verstaan. Toen hij

hiermede gereed was, verhaastte hij zijn schreden en liep eindelijk op

een draf om den rok heen, terwijl hij luid huilde en schreeuwde en met

zijn armen zwaaide. Buiten adem, stond hij eindelijk stil, liep op den

rok toe, maakte sierlijke buigingen en stak nu zijn hoofd in de

halsopening om naar beneden in het gat te zien.

Ik was doodsbang, wat het gevolg zou zijn van deze aanstellerij en zag

schuw om mij heen. Tot mijn geruststelling zag ik dat alle roodhuiden

al zijn bewegingen met de grootste spanning volgden. Ook de gezichten

der beide opperhoofden stonden ernstig, hoewel ik overtuigd was, dat

Intschu Tschuna zeer wel begreep dat Sam’s kunsten, niets dan

aanstellerij waren.

Wel vijf minuten lang bleef Sam’s hoofd in de halsopening van zijn rok,

maar hij zwaaide van tijd tot tijd met zijn armen, alsof hij iets zeer

bijzonders en gewichtigs zag. Eindelijk richtte hij het hoofd op, zag

met een ernstig gezicht om zich heen en gebood:

—Mijn roode broeders kunnen nu het gat wel weer dichtmaken, want

zoolang het open is, mag ik niets zeggen!

Toen aan dit verzoek was voldaan, haalde hij diep adem, alsof hij zeer

geschokt was en riep:

—Uw roode medicijnman heeft verkeerd gezien, want juist het tegendeel

van wat hij heeft voorspeld, zal gebeuren. Ik heb alles vernomen wat in

de eerste weken zal geschieden, maar het is mij verboden er iets van te

vertellen. Alleen dit mag ik u zeggen: ik heb geweren in het gat gezien

en schoten gehoord, wij zullen dus gevechten hebben te doorstaan. Het

laatste schot dat ik hoorde kwam uit den berendooder van

Old-Shatterhand. Wie het laatste schot lost, kan niet dood of verslagen

zijn, maar moet overwinnaar zijn. Er dreigt onzen rooden broeders

onheil. Zij kunnen dit enkel ontgaan door in Old-Shatterhand’s

nabijheid te blijven. Wanneer zij evenwel den raad van den medicijnman

opvolgen, gaan zij hun ondergang tegemoet. Ik heb gezegd. Howgh!

De uitwerking was voor ’t oogenblik zooals Sam die had verwacht. De

rooden geloofden hem en zagen vol verwachting naar den wagen, want zij

dachten niet anders of de medicijnman zou komen om zich te verdedigen.

Deze bleef evenwel waar hij was en dus namen zij aan, dat hij zich

overwonnen gevoelde. Sam Hawkins kwam nu op mij toe, zag mij met zijn

kleine oogjes aan en vroeg:

—Welnu sir, heb ik het niet knap gedaan?

—Ja, ’t schijnt ten minste wel, dat gij uw doel bereikt hebt.

—Ik heb het bereikt, de medicijnman is verslagen, hij laat zich niet

zien of hooren.

Winnetou liet de oogen met een stillen maar veelbeteekenenden blik op

ons rusten. Zijn vader evenwel kwam op ons toe en zeide tot Sam:

—Mijn blanke broeder is een knap man, hij heeft de kracht der woorden

van den medicijnman gebroken en bezit een rok die veel kan voorspellen.

Deze kostbare rok zal beroemd worden. Maar Sam Hawkins is met zijn

voorspellingen te ver gegaan.

—Te ver? Hoezoo?—vroeg de kleine man.

—Het was voldoende geweest te zeggen, dat Old-Shatterhand’s

tegenwoordigheid ons geen nadeel kon aanbrengen. Waarom heeft hij er

bijgevoegd, dat ons onheil staat te wachten?

—Omdat ik dit in het gat gezien heb.

Intschu Tschuna maakte een afwerende beweging en zeide:

—Het opperhoofd der Apachen heeft wel begrepen, wat Sam Hawkins heeft

gedaan, het was niet noodig van moeielijke dingen te spreken en onze

lieden met angst te vervullen.

—Angst? De dappere krijgers der Apachen zijn toch niet bang?

—Zij zijn niet bang en dat zullen zij bewijzen, wanneer zij op hun weg

vijanden mochten ontmoeten. Laat ons nu evenwel onzen tocht beginnen.

De paarden werden voorgebracht. Er was een aanzienlijk getal

pakpaarden, op een daarvan werden mijn instrumenten en op de overige de

proviand en andere noodzakelijke dingen geladen.

Het is bij de Indianen gebruikelijk, dat de vertrekkende krijgers door

de achterblijvenden een eind weegs worden begeleid. Dit geschiedde

evenwel nu niet, daar Intschu Tschuna dit niet had gewild. De dertig

krijgslieden, die met ons meegingen, namen niet eens afscheid van vrouw

en kinderen; hoogstwaarschijnlijk hadden zij dit van te voren gedaan,

maar hun waardigheid gedoogde niet, dat dit geschiedde ten aanschouwe

van het geheele publiek. Een echter was er, die een uitzondering maakte

en zich niet stil kon houden, namelijk Sam Hawkins. Hij zag Kliuna

onder de vrouwen staan, reed, toen hij reeds op zijn muildier was

gestegen op haar toe en vroeg:

—Heeft Kliuna-ai gehoord, wat ik heb gezien in den schoot der aarde?

—Gij hebt het gezegd en ik heb het gehoord,—was het antwoord.

—Ik had nog veel meer kunnen zeggen, bijvoorbeeld iets van u.

—Van mij? Weet gij ook iets van mij?

—Ja. Ik zag uw geheele toekomst duidelijk voor mij liggen. Zal ik u

vertellen, wat ik zag?

—Ja, doe dat!—verzocht zij haastig.—Wat zal mij de toekomst brengen?

—Zij zal u niets brengen, maar u van iets berooven, dat u zeer lief en

dierbaar is.

—Wat is dat dan?—vroeg zij bijna angstig.

—Uw haar. Gij zult het binnen eenige maanden verliezen en een

vreeselijk kaalkop krijgen. Dan zal ik u mijn pruik zenden. Vaarwel

mijn lief!

Hij reed lachend op zijn muildier verder en de Indiaansche schoone

keerde zich om beschaamd, dat zij zich door haar nieuwsgierigheid zoo

had laten beetnemen.

De tocht werd nu begonnen. Intschu Tschuna, Winnetou met zijn zuster en

ik reden aan de spits, dan volgden Hawkins, Parker en Stone en achter

hen kwamen de dertig Apachen, die om beurten de pakpaarden hadden te

besturen.

Nscho-Tschi zat te paard als een man. Zij was, zooals ik reeds wist,

een uitstekende paardrijdster die geen vermoeienis kende. Even bedreven

ook was zij in het hanteeren der wapenen. Wie ons had ontmoet, zonder

ons te kennen, zou haar hebben aangezien voor een jongeren broeder van

Winnetou, aan een scherpziend oog evenwel zouden de vrouwelijke

zachtheid harer trekken niet zijn ontgaan. Zij was schoon, werkelijk

schoon, ondanks haar mannenkleeding.

De eerste dagen van onze reis gingen voorbij, zonder dat er iets

meldenswaards gebeurde. Zooals bekend is hadden de Apachen vijf dagen

noodig gehad om van de plaats, waar zij ons hadden overvallen, naar het

Pueblo aan den Rio Pecos te komen. Het transport der gevangenen en der

gewonden had echter dezen rit vertraagd. Wij bereikten reeds na drie

dagen de plaats, waar Kleki-Petra door Rattler vermoord was. Daar werd

halt gehouden en werden de tenten opgeslagen. De Apachen verzamelden

steenen om daarmede een eenvoudig gedenkteeken op te richten. Winnetou

was dien dag nog ernstiger gestemd dan gewoonlijk en op deze plek

vertelde ik hem en zijn vader, wat Kleki-Petra mij over diens vroeger

leven had medegedeeld. Den volgenden morgen trokken wij verder tot aan

de streek, waar onze arbeid door den overval zoo plotseling was

onderbroken. De palen zaten nog in den grond en ik had dadelijk met

meten kunnen beginnen, indien er niet iets noodzakelijkers te doen was

geweest.

De Apachen hadden namelijk destijds na den strijd verzuimd, de gevallen

blanken en Kiowa’s te begraven, maar ze laten liggen. Wat zij hadden

verzuimd, hadden de gieren en andere roofdieren overgenomen, maar op

een andere wijze. De beenderen lagen overal verspreid, sommige geheel

afgeknaagd en het was voor ons een treurige taak, deze overblijfselen

te verzamelen en in een gemeenschappelijk graf te leggen. De Apachen

namen geen deel aan dit werk.

Zoo ging de dag voorbij en eerst den volgenden dag kon ik met mijn

opmetingen beginnen. Behalve aan de krijgers die de noodige hulp

daartoe verleenden, had ik bijzonder veel steun aan Winnetou. De

roodhuiden, die ik niet kon gebruiken, zwierven in den omtrek rond en

brachten ’s avonds menig stukje wild voor het avondeten thuis.

’t Spreekt van zelf, dat mijn werk vorderde. Niettegenstaande de

moeilijkheden van het terrein, bereikte ik reeds na drie dagen de

volgende sectie en nu had ik nog slechts een vierden dag noodig om mijn

teekeningen te voltooien. Dan was ik klaar en dat was ook maar goed,

want de winter naderde en de nachten werden reeds zoo koud, dat wij het

vuur niet lieten uitgaan.

Als ik zeg, dat de roodhuiden mij behulpzaam waren, dan moet ik er

bijvoegen dat zij dit niet met lust en opgewektheid deden. Zij

gehoorzaamden aan de bevelen van hun opperhoofden, maar men zag het hun

aan, dat zij blij waren, wanneer zij hun werk hadden gedaan. En wanneer

wij ’s avonds te zamen zaten, bleven zij altijd op behoorlijken afstand

van ons. De beide opperhoofden bemerkten dat wel, maar zij zwegen

wijselijk daarover.

Sam evenwel kon zich niet altijd stilhouden en zeide eens op een avond

tot mij:

—’t Is en blijft toch maar altijd waar, de roodhuid mag een flink jager

en dapper krijgsman zijn, maar voor ’t overige is ’t een luiaard. Hij

houdt niet van werken.

—Wat zij te doen hebben, is geen inspannend werk. Er bestaat een andere

reden, waarom zij het niet met lust doen.

—Zoo, en wat is dat dan?

—Zij schijnen aan de voorspelling van den medicijnman meer waarde te

hechten, dan aan de uwe, Sam!

—Maar dat is toch dom van hen!

—En vergeet bovendien niet, dat het werk wat ik doe, in hun oogen een

groot onrecht is. De streek behoort hun en ik meet haar op voor hun

vijanden!

—Maar hun opperhoofden keuren dit immers goed?

—Zeker, maar daarom behoeven zij het nog niet goed te keuren. Ik weet

zeker dat zij er erg tegen zijn en als ik ze daar zoo bij elkaar zie

zitten, kan ik uit hun geheele houding wel opmaken, dat zij mij niet

veel goeds toewenschen.

—Het kan zijn, dat gij gelijk hebt, maar het is ons tamelijk

onverschillig, wat zij van ons denken. Wij hebben met Intschu Tschuna,

Winnetou en Nscho-Tschi te doen en over deze drie hebben wij niet te

klagen.

Hierin had hij gelijk. Winnetou en zijn vader waren mij in alles

behulpzaam en de schoone Indiaansche las mijn wenschen om zoo te

zeggen, uit mijn oogen. ’t Was of zij mijn gedachten kon raden en

zonder dat ik iets behoefde te zeggen, deed zij wat ik gaarne wilde. Ik

gevoelde mij elken dag meer aan haar verplicht. Zij was een scherpe

opmerkster en een geduldige toehoorderes en ik bemerkte tot mijn

blijdschap, dat ik willens of onwillens een leermeester was, van wien

zij gaarne leerde. Als ik sprak hingen haar oogen aan mijn lippen en

wat ik deed, deed zij mij na, ook al was het iets, dat in strijd was

met de gewoonten van haar ras. Zij scheen alleen voor mij hier te zijn

en was veel meer bezorgd voor mijn welzijn, dan ik zelf.

Aan den avond van den vierden dag dus, was ik gereed en pakte de

meetinstrumenten in de daarvoor bestemde dekens. Wij maakten ons

reisvaardig en braken den morgen van den vijfden dag op. De beide

opperhoofden waren van plan denzelfden weg te gaan, langs welken ik

door Sam in deze streek was gebracht.

Twee dagen gingen voorbij, zonder dat er iets bijzonders gebeurde, den

derden dag evenwel hadden wij een eigenaardige ontmoeting. Wij bevonden

ons in een vlakke grasrijke en hier en daar door kreupelboschjes

afgewisselde streek, waar wij aan alle kanten om ons heen konden zien,

wat in ’t Westen altijd van veel belang is. Men weet nooit, welke

menschen men kan ontmoeten en het is altijd beter dat men ze van verre

ziet aankomen. Dien dag nu, zagen wij vier ruiters, die ons tegemoet

kwamen, het waren blanken. Zij zagen ons natuurlijk evengoed, als wij

hen en zij hielden hun paarden even in, onzeker of zij nader zouden

komen of liever omkeeren. Onverwacht voor dertig roodhuiden te staan is

niet aangenaam voor blanken, vooral wanneer men niet weet, tot welken

stam de Indianen behooren. Zij zagen evenwel, dat er blanken bij onzen

troep waren en stuurden hun paarden dus naar ons toe.

De vier mannen waren als cow-boys gekleed en met geweren en messen

gewapend.

Toen zij ons tot op ongeveer twintig pas genaderd waren, hielden zij de

paarden in, namen hun geweren in de hand en een van hen riep:

—Good day, heeren! Is het noodig, den vinger aan den trekker te hebben

of niet?

—Good day, heeren!—antwoordde Sam.—Laat die geweren maar rusten, wij

hebben geen plan u op te eten. Mag men weten, van waar gij komt?

—Van den ouden Mississippi.

—En wat is het doel van uw tocht?

—Wij willen naar Nieuw-Mexico en van daar naar Californië. Wij hebben

gehoord, dat de cow-boys daar meer geld kunnen verdienen dan bij ons.

—Daaraan zult gij wel gelijk hebben, sir, maar dan hebt ge nog een

geducht eind te reizen. Wij komen daar vandaan en zijn van plan naar

St. Louis te gaan. Is de weg daarheen veilig?

—Ja, ten minste wij hebben van het tegendeel niets bemerkt. Maar gij

behoeft toch niet ongerust te zijn, gij zijt talrijk genoeg. Of rijden

de roode heeren misschien niet zoover mee?

—Neen, alleen deze beide krijgers met hun dochter en zuster. Intschu

Tschuna en Winnetou, de beide opperhoofden der Apachen.

—Wat zegt gij, sir? Een roode dame, die naar St. Louis wil? Mag men uw

namen misschien weten?

—Waarom niet? ’t Zijn eerlijke namen, wij behoeven er ons niet voor te

schamen. Ik word Sam Hawkins genoemd, dit zijn mijn kameraden Dick

Stone en Willy Parker en hier hebt ge Old-Shatterhand, een man die den

grijzen beer met het mes doorsteekt en den sterksten man met de vuist

neerslaat. Wilt gij nu zoo vriendelijk zijn ons ook uw namen te noemen?

—Gaarne, wij hebben den naam Sam Hawkins wel eerder gehoord, de andere

heeren zijn ons onbekend. Ik heet Santer en ben niet zulk een beroemd

man als gij, maar een arme cow-boy.

Hij noemde ook de namen van de andere drie mannen, welke ik evenwel

niet heb onthouden; deed nog enkele vragen en daarna ging ieder zijns

weegs. Toen zij uit het gezicht waren, vroeg Winnetou aan Sam:

—Waarom heeft mijn broeder aan deze lieden dit alles verteld?

—Mocht ik dit dan niet doen?

—Neen.

—Ik zou niet weten waarom niet. Wij werden beleefd gevraagd, en ik

moest dus wel beleefd antwoorden.

—Ik vertrouw de beleefdheid der bleekgezichten nooit. Zij waren

beleefd, omdat wij achtmaal sterker in aantal waren dan zij. Het spijt

mij, dat gij hun hebt gezegd, wie wij zijn.

—Waarom? Meent gij dat dit kwaad kan?

—Ja!

—Hoe komt gij op die gedachte?

—Deze bleekgezichten bevielen mij volstrekt niet. De oogen van den man,

met wien gij sprak, waren niet te vertrouwen.

—Dat heb ik niet opgemerkt. Maar, al was dat zoo, ’t zal ons niet

hinderen, want zij zijn weggereden.

—Toch wil ik weten wat zij doen. Mijn broeders kunnen langzaam verder

rijden, ik zal met Old-Shatterhand terugkeeren en deze bleekgezichten

op een afstand volgen. Ik moet weten of zij werkelijk verder rijden of

dit slechts in schijn doen.

Terwijl de anderen hun weg vervolgden, reed hij met mij de vier

vreemdelingen achterna. Ik moet eerlijk zeggen, dat deze Santer mij ook

volstrekt niet was bevallen en dat ook het uiterlijk der andere drie

mannen weinig vertrouwen inboezemen kon; ik begreep echter niet, welke

plannen zij tegenover ons zouden kunnen hebben. Zelfs al behoorden zij

tot die lieden, die het eigendom van andere menschen als het hunne

beschouwen, dan nog, vroeg ik mij tevergeefs af, wat zij er aan zouden

hebben, ons lastig te vallen. Bovendien wij waren zeven en dertig

goedgewapende mannen en behoefden dus niet bang voor hen te zijn. Toen

ik dit aan Winnetou zeide, antwoordde hij evenwel:

—Als zij dieven zijn, storen zij zich niet aan ons aantal, omdat zij

ons toch niet openlijk aanvallen, maar zij volgen ons stilletjes en

wachten het oogenblik af, dat hij, op wien zij het hebben voorzien zich

van het gezelschap afzondert.

—Maar op wien zouden zij het dan hebben voorzien? Zij kennen ons immers

in ’t geheel niet.

—Op dengeen, die naar hun vermoeden, goud bij zich heeft.

—Goud? Hoe kunnen zij weten dat wij dat hebben en wie van ons dit bij

zich heeft.

—O, zij behoeven slechts even na te denken, om dit te weten. Sam

Hawkins is zoo onvoorzichtig geweest te zeggen, dat wij opperhoofden

zijn en naar St. Louis willen gaan. Meer behoeven zij niet te weten.

—Nu begrijp ik, wat mijn broeder bedoelt. Wanneer Indianen naar het

Oosten gaan, hebben zij geld noodig en daar zij geen gestempelde munten

hebben, nemen zij goud mee en als opperhoofden nemen zij waarschijnlijk

veel goud mee.

—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft het geraden. Indien de

bleekgezichten van plan zijn diefstal en roof te plegen, dan zijn wij,

de beide opperhoofden, de personen op wie zij het gemunt zullen hebben.

Zij zouden nu evenwel niets bij ons vinden.

—Niet? Gij wildet toch immers goud meenemen?

—Ja, maar dit halen wij eerst morgen. Waarom het mee te dragen als wij

het toch niet hard noodig hebben? Tot nu toe hadden wij niets te

betalen, dit begint zoodra wij aan de forten komen, welke op onzen weg

liggen. Daarom zullen wij waarschijnlijk morgen goud halen.

—Is er dan een plaats, waar goud is te vinden, dicht bij ons?

—Ja, vanavond komen wij in de nabijheid van den berg Nuggets-Hill, daar

ligt het goud in hoopen.

Ik beken eerlijk, dat ik een gevoel van bewondering, vermengd met een

weinig afgunst, niet kon onderdrukken. Deze menschen wisten dat

kostbare metaal in menigte te vinden en maakten er geen gebruik van om

zich het leven aangenamer en gemakkelijker te maken. Zij namen geen

beurzen mee, maar hadden overal verborgen schatkamers liggen, waar zij

het goud voor het grijpen hadden.

Wij moesten voorzichtig zijn, want Santer mocht niet bemerken dat wij

hem volgden, wij zochten dus telkens dekking achter heuvels en

struiken.

Na een kwartieruurs zagen wij de vier mannen voor ons. Zij reden flink

door, schenen haast te hebben en aan omkeeren niet te hebben gedacht.

Wij hielden even stil. Winnetou zag hen nog eens opmerkzaam na en zeide

toen:

—Zij hebben geen slechte bedoelingen en wij kunnen dus gerust zijn.

Hij vermoedde even weinig als ik, dat hij zich deerlijk vergiste. Deze

kerels hadden wel slechte bedoelingen, maar zij waren buitengewoon

slim, zooals ik later van hen zelf hoorde. Zij vermoedden wel dat wij

hen een tijdlang in het oog zouden houden en deden dus, alsof zij haast

hadden. Later echter keerden zij om en volgden ons.

Wij haalden onze kameraden spoedig in en tegen den avond maakten wij

halt, dicht bij een water. Gewend, voorzichtig te zijn, zochten de

opperhoofden eerst den omtrek af, voor wij bevel kregen de tenten op te

slaan. Het water was een soort van bron, in de nabijheid was gras voor

de paarden in overvloed en daar de plek rond om door boomen was

ingesloten, konden wij flinke vuren aanleggen, zonder kans te loopen

opgemerkt te worden. Bovendien zette Intschu Tschuna twee wachten uit

en dus meenden wij alle voorzorgsmaatregelen genomen te hebben.

De dertig Apachen gingen op eenigen afstand van ons liggen, om als de

vuren brandden, hun portie vleesch te eten. Wij zaten met ons zevenen

aan den rand van het bosch, om het vuur heen geschaard.

Na het avondeten waren wij gewend nog wat samen te praten, dit

geschiedde ook heden. In den loop van het gesprek vertelde Intschu

Tschuna, dat wij morgen tegen den middag verder zouden reizen en toen

Sam Hawkins naar de reden daarvan vroeg verklaarde het opperhoofd met

een oprechtheid, welke ik later diep heb betreurd:

—Het moest eigenlijk een geheim zijn, maar ik zal het mijnen blanken

broeders vertellen, als zij mij beloven mij niet te volgen.

Toen wij dit hadden beloofd, ging hij voort:

—Wij hebben goud noodig, daarom zal ik morgen vroeg met mijn kinderen

van hier gaan om Nuggets te halen en eerst tegen den middag

terugkeeren.

Stone en Parker lieten niet na aan hun verwondering lucht te geven en

Sam Hawkins vroeg:

—Is er dan goud hier in de nabijheid?

—Ja,—antwoordde Intschu Tschuna,—niemand vermoedt dit, ook mijn

krijgslieden weten dit niet. Ik heb het gehoord van mijn vader, die het

weer van den zijnen hoorde. Zulke geheimen gaan van vader op zoon over

en men maakt er zelfs zijn besten vriend geen deelgenoot van. Ik heb er

nu wel met u over gesproken, maar ik zou de plaats aan geen mensch

toonen en ieder neerschieten, die het zou wagen om ons te volgen, om de

plaats te weten te komen.

—Zoudt gij ons ook dooden?

—Ook u! Ik heb u in het vertrouwen genomen, schendt gij dit dan hebt

gij den dood verdiend. Ik weet evenwel dat gij deze legerplaats niet

zult verlaten, voor wij zijn teruggekeerd.

Hij zweeg verder over dit onderwerp en het gesprek nam een andere

wending. Intschu Tschuna, Winnetou, Nscho-Tschi en ik zaten met den rug

naar de boomen; Sam, Dick en Will hadden aan de andere zijde van het

vuur plaats genomen. Midden in het gesprek uitte Sam een kreet van

verrassing en meteen greep hij zijn geweer, legde aan en schoot. Dit

schot bracht natuurlijk een algemeenen schrik teweeg. De Indianen

sprongen op en kwamen naar ons toe. Ook wij stonden op en vroegen Sam,

waarom hij had geschoten.

—Ik heb twee oogen gezien, die achter Intschu Tschuna door de boomen

gluurden,—verklaarde hij.

Dadelijk doofden de roodhuiden de vuren uit en drongen in het bosch.

Hun zoeken was evenwel tevergeefs en gerustgesteld nam ieder zijn

plaats weer in.

—Sam Hawkins zal zich vergist hebben,—zeide Intschu Tschuna.—Bij zulk

een flikkerend vuur kan dit licht gebeuren.

—Ik meende toch stellig twee oogen te hebben gezien.

—De wind heeft zeker door de bladeren gespeeld en daar de achterkant

lichter is, zal mijn broeder twee bladen voor oogen hebben aangezien.

—’t Is mogelijk, dan heb ik dus twee bladeren doodgeschoten....

hihihihi!—Hij lachte op zijn eigenaardige wijze, maar Winnetou nam de

zaak zeer ernstig op en zeide:

—Mijn broeder Sam heeft in elk geval een fout begaan, waarvoor hij zich

later wel moet wachten.

—Een fout? Ik? Waarom?

—Er mocht niet geschoten worden.

—Niet? Als er een spion tusschen de boomen is, heb ik toch zeker wel

het recht, hem een kogel door den kop te jagen?

—Weet men dan vooruit, welke plannen die spion heeft? Hij ziet ons en

komt nader, om te zien wie wij zijn. Misschien is ’t een vriend, die

ons wil begroeten.

—Hm, dat zou mogelijk kunnen zijn,—bekende de kleine eerlijk.

—Het schot kan gevaarlijk voor ons worden,—ging Winnetou voort.—Of Sam

heeft zich vergist en geen oogen gezien en dan was het schot overbodig

en kan slechts vijanden hierheen lokken, òf het zijn werkelijk een paar

oogen geweest en dan was het eveneens verkeerd te schieten, daar

vooruit wel te zien was, dat de kogel geen doel zou treffen.

—Oho, Sam Hawkins is zeker van zijn schot, hij heeft nog nooit

misgeschoten.

—Ik kan ook goed schieten, maar zou evenmin treffen. De spion ziet

immers, dat men op hem mikt en kan zich bijtijds uit de voeten maken,

dat begrijpt ge toch wel?

—Ja, ja, maar wat zou mijn roode broeder dan in mijn plaats hebben

gedaan?

—Ik zou òf een knieschot hebben gedaan, òf mij heimelijk hebben

verwijderd om den spion langs een omweg, vóór mij te krijgen.

Het knieschot is het moeilijkste schot dat er bestaat. Vele, vele

prairiejagers, die anders goede schutters zijn, zijn niet in staat zulk

een schot te doen. Ik had het zelfs nooit hooren noemen, maar Winnetou

had het mij geleerd en ik oefende mij er nu dagelijks in. Verondersteld

dat ik alleen of met anderen, dat maakt geen verschil, bij ’t legervuur

zit met mijn geweer, volgens gewoonte geladen, aan mijn rechterzijde.

Daar zie ik twee oogen die mij van uit een hinderlaag gadeslaan. Ik kan

het gezicht van den spion niet zien door de duisternis, maar de oogen

hebben een phosphoriseerenden glans, die des te sterker is naarmate de

man zijn oogen inspant. Men stelle zich echter niet voor, dat het

gemakkelijk is ’s nachts tusschen millioenen van bladeren, twee oogen

te vinden. Dat leert men niet, maar deze scherpte, deze zekerheid van

blik moet aangeboren zijn.

Ben ik overtuigd, een vijandelijken spion voor mij te zien, dan moet

ik, om mijzelf te redden, hem onschadelijk maken, hem dooden en wel

door een kogel, die hem tusschen de oogen treft, want op de oogen moet

ik mikken, daar dit het eenige is, wat ik van hem zie. Indien ik

evenwel het geweer gewoon aanleg, dat wil zeggen het op de hoogte van

mijn wang breng, dan ziet hij dat ik mik en hij verdwijnt

oogenblikkelijk. Ik moet dus zoo aanleggen, dat hij er niets van

bemerkt. Dit nu gebeurt bij het knieschot. Ik buig namelijk het

rechterbeen zóó, dat de knie wat hooger komt en mijn bovenbeen één lijn

vormt, in welks verlengde beide oogen liggen, die ik wil raken. Dan

neem ik schijnbaar in gedachten, als spelend, mijn geweer op en leg het

op mijn bovenbeen, zoodat het juist in ’t verlengde daarvan komt te

liggen en haal den haan over. Dit is moeielijk, zeer moeielijk, vooral

omdat men daarbij alleen de rechterhand mag gebruiken. Met deze eene

hand het geweer stellen, het tegen het dijbeen aandrukken en dan

afvuren, dit is een kunst, die slechts weinigen kunnen. Vergeet

bovendien niet, hoe moeielijk het is in deze houding en zonder het oog

aan ’t vizier te brengen, een zeker doel te treffen. En dit doel

bestaat daarbij nog uit twee, nauwelijks zichtbare punten in een

bladerenmassa, welke dikwijls door den wind wordt bewogen. Op zulk een

schot doelde Winnetou, toen hij van een knieschot sprak, hij was er een

meester in. Mij gelukte dit schot zelden, omdat mijn berendooder zoo

zwaar woog en met één hand niet te hanteeren was. Door voortdurend

oefenen evenwel heb ik het later toch kunnen leeren. (Zie: May, Het

Geheim van den Witten Bison).

Terwijl de anderen door het vergeefsche zoeken gerustgesteld waren, was

dit met Winnetou niet het geval, want hij stond na eenigen tijd weer op

en begon opnieuw den naasten omtrek te onderzoeken. Het duurde wel een

uur, voor hij terugkwam.

—Er is geen mensch,—zeide hij. Sam Hawkins moet zich dus wel hebben

vergist.

Ondanks deze woorden, zette hij in plaats van twee, vier wachten uit en

beval hun zeer opmerkzaam rond te zien en van tijd tot tijd om de

legerplaats heen te patrouilleeren. Daarna legden wij ons te slapen.

Ik sliep echter niet gerust, ik werd dikwijls wakker en had korte,

benauwde droomen, waarin Santer en zijn metgezellen de hoofdrollen

speelden. Dit was een natuurlijk gevolg van de ontmoeting, welke wij

met hem gehad hadden, maar toen ik ’s morgens opstond, had ik een

voorgevoel alsof ons iets onaangenaams wachtte.

Na het ontbijt, dat uit vleesch en een mengsel van meel en water

bestond, begaf Intschu Tschuna zich met zijn kinderen op weg. Ik vroeg

verlof hen een eind weegs te mogen vergezellen. Opdat zij overtuigd

konden zijn, dat ik dit niet deed om den weg naar de plaats waar het

goud zich bevond te leeren kennen, vertelde ik hun ook, dat ik de

gedachte aan Santer maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Ik wist zelf

niet waarom, maar ik was overtuigd, zonder daartoe eenigen grond te

hebben, dat deze schurk met zijn lieden was teruggekeerd. Dit kon

evenwel het gevolg zijn van mijn droomen.

—Mijn broeder behoeft zich over ons niet ongerust te maken—antwoordde

Winnetou.—Om hem gerust te stellen, zal ik nog eens zien of ik ook

sporen kan vinden, wij weten dat mijn jonge broeder niet naar geld

verlangt, maar als hij ook slechts maar een klein eindje met ons

meeging, zou hij de plaats raden waar het goud ligt en dan zou hij

zeker de koorts krijgen, welke de bleekgezichten niet verlaat, voor zij

naar lichaam en geest te gronde zijn gegaan. Wij verzoeken hem dus niet

uit wantrouwen, maar enkel uit liefde en voorzichtigheid niet met ons

te gaan.

Daarmee moest ik tevreden zijn. Hij zag nog eens nauwkeurig rond, maar

toen hij ook nu weer niets vond, gingen zij heen. Uit het feit, dat zij

liepen en niet reden, maakte ik op dat de plaats waar zij heen wilden,

niet heel ver af lag.

Ik ging in het gras liggen, stak mijn pijp aan en maakte een praatje

met Sam, Dick en Will, alles maar, om mijn bezorgdheid van mij af te

zetten. Maar ik had geen rust, ik stond spoedig weer op: er was iets in

mij, dat mij steeds voortdreef. Daarom nam ik eindelijk mijn geweer,

misschien zou ik het een of ander stuk wild ontdekken, dat mijn

gedachten kon afleiden. Intschu Tschuna was den zuidkant opgegaan,

daarom ging ik noordwaarts, opdat het niet den schijn zou hebben, dat

ik op verboden wegen wilde gaan. Toen ik zoo ongeveer een kwartier had

geloopen, zag ik een spoor, dat door drie personen moest zijn gemaakt,

welke mocassins droegen. Ik onderscheidde twee groote, twee kleinere en

twee zeer kleine voetsporen, welke nog maar kort geleden konden zijn

gemaakt. Zij moesten die van Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi

zijn. Zij waren dus eerst zuidelijk gegaan, natuurlijk om ons te

misleiden, maar waren daarna omgekeerd.

Mocht ik verder gaan? Neen. Het was immers mogelijk, dat zij mij zagen,

hoogst waarschijnlijk zouden zij op hun terugweg, mijn spoor herkennen

en ik wilde volstrekt niet, dat zij zouden denken, dat ik hen had

willen volgen. Ik wilde echter ook niet dadelijk weer naar de

legerplaats terugkeeren en daarom liep ik in oostelijke richting

verder.

Reeds na korten tijd, moest ik weer stilhouden, want ik stuitte opnieuw

op een spoor. Dit was gemaakt door vier mannen, die laarzen droegen en

dadelijk dacht ik aan Santer. Het spoor leidde in de richting waarin de

beide hoofdmannen waren gegaan en scheen te komen uit een niet ver

gelegen kreupelboschje. Ik richtte mijn schreden daarheen.

Het was, zooals ik had vermoed; het spoor kwam uit dit boschje en toen

ik verder daarin doordrong, vond ik de vier paarden die aan Santer en

zijn kameraden toebehoorden. Het was duidelijk aan den grond te zien,

dat de vier kerels hier den nacht hadden doorgebracht. Zij waren dus

toch omgekeerd! Waarom—Natuurlijk om ons! Sam Hawkins had zich dus

gisteravond niet vergist en werkelijk twee oogen gezien, maar door zijn

verkeerd optreden, den spion verjaagd, nog voor dat het schot was

afgegaan. Wij waren dus beluisterd geworden. Santer was in onze buurt

en wachtte slechts het oogenblik af, dat degeen, dien hij wilde vangen

zich van de anderen afzonderde. Maar deze plaats was immers ver van

onze legerplaats verwijderd? Hoe kon hij ons van hier uit gadeslaan?

Ik bezag nauwkeurig de boomen. Midden in het kreupelboschje, stonden

eenige hooge eiken, welke gemakkelijk te beklimmen waren. De stam van

den eene, was hier en daar beschadigd. Men was dus in den boom

geklommen en van deze hoogte kon men zeker, al was het niet de

legerplaats zelf, dan toch een ieder die deze verliet zeer goed zien.

Welke gedachten bestormden mij toen ik dat zag! Waarover hadden wij

gisteravond gesproken, op het oogenblik dat Sam de oogen meende te

zien? Hierover, dat Intschu Tschuna met zijn kinderen den volgenden dag

wilde heengaan, om goud te halen. Dat moest de luisteraar hebben

gehoord! Vanmorgen in de vroegte was hij stellig in den boom geklauterd

en had de drie personen voorbij zien komen. Toen was hij hen met zijn

drie makkers gevolgd.

Winnetou was dus in gevaar; hij en zijn vader en Nscho-Tschi! Ik moest

weg, zoo snel mogelijk en de roovers zien in te halen. Ik gunde mij

niet den tijd naar de legerplaats terug te keeren, maar maakte een der

paarden los, geleidde het naar het open veld, sprong er op en

galoppeerde op hun eigen spoor, dat zich spoedig vereenigde met dat der

opperhoofden, de schelmen na.

Daarbij zocht ik te raden, waar, ingeval ik het spoor mocht verliezen,

de plaats waar het goud lag, gezocht moest worden. Winnetou had

gesproken over een berg die Nuggets-Hill werd genoemd. Nuggets zijn

goudklompjes, welke men in verschillende grootten vindt. Hill beteekent

heuvel of berg, Nuggets-Hill wil dus zeggen Klompjesberg. De plaats lag

dus hoog. Ik overzag de streek, door welke ik reed. Noordwaarts van mij

lagen eenige aanzienlijke met bosch begroeide hoogten. Een van deze

moest de Nuggetsberg zijn, dat stond bij mij op dit oogenblik vast.

De oude knol, waarop ik zat liep mij lang niet vlug genoeg. Ik trok dus

in het voorbijrijden een tak van een boom en dreef hem daarmee aan. Hij

deed wat hij kon en spoedig zag ik dan ook de bergen voor mij. Het

spoor voerde tusschen twee hoogten door, maar ik kon het weldra niet

meer terugvinden, daar het water van de bergen veel steengruis had

meegevoerd. Ik steeg evenwel niet af, want het sprak vanzelf dat zij,

die ik zocht hier verder het dal waren ingegaan.

Weldra zag ik een zijkloof, welke eveneens een steenachtigen bodem had.

Nu was het de vraag of de opperhoofden links of rechts waren gegaan. Ik

sprong uit den zadel, onderzocht den bodem en vond het spoor; het

voerde naar links in den kloof. Ik steeg weer te paard en volgde het,

maar weldra deelde zich deze kloof en moest ik opnieuw afstijgen. Het

was te voorzien, dat dit nog wel meer zou kunnen gebeuren en dan zou

het paard mij maar in mijn bewegingen belemmeren. Ik bond het dier dus

aan een boom vast en ging te voet verder, nauwkeurig oplettend waarheen

het spoor voerde.

Ik kwam nu in een nauwe rotsachtige spleet, waarin zich op dit

oogenblik geen water bevond. De angst dreef mij voort en benam mij

langzamerhand den adem. Op een hoogte gekomen moest ik een oogenblik

blijven staan om te bekomen, toen liep ik verder tot het spoor mij

plotseling linksaf naar het bosch leidde. Ik liep zoo hard ik kon

tusschen de boomen door. Zij stonden eerst dicht bij elkaar, later op

eenigen afstand tot het eensklaps lichter om mij heen werd en ik

begreep een open plek voor mij te hebben. Nog had ik dezen niet bereikt

of ik hoorde verscheidene schoten vallen. Eenige oogenblikken daarna

weerklonk een kreet welke mij als een mes door de ziel sneed, het was

de doodskreet der Apachen. Nu liep ik niet, maar ik vloog voort in

groote sprongen als een roofdier dat zich op zijn prooi wil werpen.

Wederom een schot en nog één, dit was het dubbelloopsgeweer van

Winnetou, ik kende den knal. God zij dank! Hij leefde nog! Ik had nog

maar enkele schreden te doen, weldra had ik de open plek bereikt en

bleef onder den laatsten boom staan, want wat ik zag, deed mijn voeten

aan den grond vastnagelen.

De plek was niet groot. Bijna in het midden daarvan lagen Intschu

Tschuna en zijn dochter. Of zij nog leefden kon ik zoo dadelijk niet

zien. Niet ver van hen af, lag Winnetou achter een klein rotsblok,

bezig zijn geweer opnieuw te laden. Links van mij stonden twee kerels

met aangelegd geweer gereed te schieten, zoodra Winnetou zich maar

eenigszins bloot gaf. Rechts van mij sloop een derde voorzichtig

tusschen de boomen door om Winnetou in den rug te kunnen aanvallen. De

vierde lag juist voor mij dood door het hoofd geschoten.

De twee waren voor ’t oogenblik gevaarlijker voor Winnetou, dan de

derde. Ik nam mijn berendooder en schoot hen beiden neer, toen sprong

ik zonder mij tijd te gunnen, mijn geweer opnieuw te laden op den derde

toe. Hij had mijn schoten gehoord en zich omgekeerd, zag mij komen,

legde op mij aan en schoot. Ik sprong ter zijde; de kogel vloog mij

voorbij. Hij zag dat zijn spel verloren was en vluchtte. Ik snelde hem

na, want ik had gezien dat het Santer was. Evenwel de afstand tusschen

hem en mij was te groot en in het bosch kon ik hem moeielijk vinden. Ik

keerde dus terug, vooral ook, omdat ik begreep dat Winnetou mijn hulp

noodig zou hebben.

Toen ik wederom op de open plek terugkwam, knielde hij naast zijn vader

en zuster, angstig onderzoekend of er nog leven in hen was. Hij zag mij

aankomen en stond even op. Nooit zal ik de uitdrukking zijner oogen

vergeten. Ik las daarin een bijna aan waanzin grenzende woede en smart.

—Mijn broeder ziet wat er gebeurd is. Nscho-Tschi, de schoonste en

beste der Apachenvrouwen zal niet naar de steden der bleekgezichten

gaan; zij leeft nog wel, maar zij zal de oogen niet weer openen.

Ik was niet in staat een woord te spreken. Wat zou ik ook zeggen! Ik

had immers gezien wat er gebeurd was. Vader en dochter lagen naast

elkaar, Intschu Tschuna midden door het hoofd geschoten, Nscho-Tschi in

de borst getroffen. De eerste was dadelijk dood geweest, het meisje

evenwel ademde nog, zwaar rochelend, terwijl de bronskleur van haar

gelaat steeds matter en matter werd. De volle wangen vielen in en een

doodelijke bleekheid verspreidde zich over de mij zoo dierbare trekken.

Nu bewoog zij zich even. Langzaam wendde zij het hoofd naar den kant,

waar haar vader lag en opende de oogen. Zij zag Intschu Tschuna badende

in zijn bloed, schrok en scheen langzaam tot bewustzijn te komen. Zij

legde de hand op haar hart, voelde het warme bloed uit de wonde vloeien

en slaakte een diepen zucht.

—Nscho-Tschi, mijn lieve, mijn eenige zuster!—klaagde Winnetou op een

toon, welke niet is weer te geven.

Zij scheen hem te hooren, want zij sloeg even de oogen naar hem op.

—Winnetou.... mijn.... broeder! fluisterde zij.—Wreek.... wreek....

mij!

Toen gleed haar blik van hem op mij en een gelukkige, maar spoedig

wegstervende glimlach speelde om haar lippen.

—Old-Shatterhand!.... stamelde zij.—Gij.... zijt.... hier! Nu.... sterf

ik.... zoo....

Meer hoorden wij niet want de dood sloot haar voor altijd den mond. Het

was of mijn hart zou bersten; ik moest lucht hebben, sprong op en stiet

een luiden kreet van smart uit, welke door de bergen werd weerkaatst.

Winnetou stond ook op, langzaam alsof hij door loodzware gewichten werd

neergedrukt. Hij sloeg beide armen om mij heen en zeide:

—Nu zijn zij dood! Het grootste, het edelste opperhoofd der Apachen en

Nscho-Tschi, mijn zuster, die aan u haar hart had gegeven. Zij stierf

met uw naam op de lippen. Vergeet dat niet, vergeet dat nooit, mijn

beste broeder!

—Nooit, nooit zal ik het vergeten!—riep ik. Toen kreeg zijn gezicht een

andere uitdrukking en zijn stem klonk vol en plechtig, toen hij vroeg:

—Hebt gij gehoord wat haar laatste bede aan mij was?

—Ja.

—Wraak! ik moet haar wreken en ik zal haar wreken, zooals nog nooit een

moord gewroken is. Weet gij, wie de moordenaars waren. Gij hebt hen

gezien. Het waren bleekgezichten, wien wij niets hadden misdaan. Zoo is

het steeds geweest en zoo zal het altijd blijven tot de laatste roode

man vermoord is geworden. Wij wilden naar de steden der bleekgezichten

gaan, Nscho-Tschi wilde worden als een blanke vrouw, want zij had u

lief en hoopte uw hart te winnen, wanneer zij zich eenmaal de zeden en

gewoonten der blanken had eigengemaakt. Zij heeft met haar leven

daarvoor moeten boeten. Of wij u ook haten en of wij u liefhebben, ’t

is alles hetzelfde, overal waar een bleekgezicht den voet zet brengt

hij ons verderf. Er zal een klaaglied klinken door alle stammen der

Apachen en er zal zich een gehuil van woede en wraak verheffen, overal,

waar zich leden van onzen stam bevinden. De oogen van alle Apachen zijn

gericht op Winnetou om te zien, hoe hij den dood van zijn vader en zijn

zuster zal wreken. Mijn broeder Old-Shatterhand mag hooren wat ik hier

bij deze beide dooden zweer! Ik zweer bij den Grooten Geest en bij al

mijn dappere voorvaderen, die in de eeuwige jachtvelden verzameld zijn,

dat ik van dit oogenblik af elk bleekgezicht dat ik ontmoet met het

geweer, dat aan de hand mijns vaders is ontvallen, zal doodschieten of—

—

—Halt!—viel ik hem huiverend in de rede, want ik wist dat het hem

onverbiddelijke ernst was met deze woorden.—Halt! Mijn broeder Winnetou

mag nu niet zweren!

—Waarom nu niet!—vroeg hij bijna toornig.

—Een eed moet worden uitgesproken in een volkomen kalme

gemoedsstemming.

—Oef! Mijn stemming is op dit oogenblik zoo kalm als het graf waarin ik

deze beide dooden neer zal leggen. Evenals het graf mijn dierbaren

nooit zal teruggeven, evenmin zal ik ooit een woord van hetgeen ik heb

gesproken, terug....

—Niet verder—viel ik hem nogmaals in de rede.

—Wil Old-Shatterhand mij verhinderen mijn plicht te doen? Moeten de

oude wijven mij in ’t gezicht spuwen en moet ik uit mijn volk worden

verbannen, omdat ik niet den moed bezit te wreken, wat vandaag is

geschied?

—Het zij verre van mij, dit te verlangen, ook wil ik de moordenaars

straffen. Drie van hen zijn reeds gevallen, de vierde is ontvlucht,

maar hij zal ons niet ontkomen.

—Hij zal ons niet ontkomen!—herhaalde hij.—Maar ik heb niet alleen met

hem te doen. Hij heeft gehandeld als zoon van dat blanke ras, dat ons

ten verderve wil brengen, maar ik roep dit geheele ras ter

verantwoording, ik, Winnetou nu de eerste en opperste van alle stammen

der Apachen!

Hij stond trotsch en met opgerichten hoofde voor mij, een man, die

ondanks zijn jeugd, zich koning voelde over al de zijnen! Ja, hij was

er de man naar te doen wat hij wilde. Hem zou het zeker gelukt zijn de

krijgers van alle roode natiën te verzamelen om met de blanken een

reuzenstrijd te beginnen, een wanhopigen strijd, waarvan het einde niet

twijfelachtig kon zijn, maar die honderdduizenden offers zou vragen. Nu

op dit oogenblik, zou worden beslist of deze strijd zou worden

begonnen.

Ik nam zijn hand en zeide:

—Gij moet en zult doen wat gij wilt, maar luister naar mijn bede, welke

misschien mijn laatste zal zijn, dan zult gij nooit meer de stem van uw

blanken broeder hooren. Hier ligt Nscho-Tschi. Gij zelf hebt gezegd,

dat zij mij heeft liefgehad en met mijn naam op de lippen is gestorven.

Ook u had zij lief, mij als vriend en u als broeder en gij hebt haar

wederkeerig uw liefde geschonken. Bij deze onze liefde smeek ik u,

spreek den eed dien gij wilt doen, nu niet uit, maar eerst dan, wanneer

het graf zich boven het hoofd van de edelste dochter der Apachen zal

hebben gesloten!

Hij zag mij ernstig, bijna somber aan en sloeg den blik neer. Ik zag

dat zijn trekken zachter werden en toen hij eindelijk zijn oog weer

opsloeg, zeide hij:

—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft een groote macht over de harten van

allen met wie hij omgaat. Nscho-Tschi zou zijn verzoek zeker inwilligen

en daarom zal ik het ook doen. Eerst dan, wanneer mijn oog deze beide

dooden niet meer ziet, zal worden beslist of de Mississippi en zijn

zijrivieren zullen worden gekleurd met het bloed der blanke en roode

volkeren. Howgh!

God zij dank! Het was mij althans voorloopig gelukt een groot onheil af

te wenden. Ik drukte hem dankend de hand en sprak:

—Mijn broeder zal nu inzien dat het niet mijn bedoeling is genade te

vragen voor den schuldige, hij heeft een strenge straf verdiend. Wij

moeten zorgen, dat hij niet ontkomt. Winnetou mag zeggen wat ik in dit

opzicht moet doen!

—Mijn voeten zijn gebonden!—zeide hij, nu weer op somberen toon.—De

gebruiken mijns volks gebieden mij, bij deze dooden die mij zoo na

verwant zijn, te blijven tot zij begraven zijn. Eerst dan mag ik wraak

nemen.

—En wanneer zal de begrafenis plaats hebben?

—Dat zal ik met mijn krijgers overleggen. Of wij begraven hen hier op

de plaats, waar zij gestorven zijn, òf wij brengen hen naar het Pueblo.

Maar zelfs al zullen zij hier hun laatste rustplaats vinden, moeten er

nog verscheidene dagen voorbijgaan voor alles gereed is, voor de

begrafenis van zulk een groot opperhoofd.

—Maar dan zal de moordenaar ons zeker ontkomen.

—Neen. Want al kan Winnetou zelf hem niet achtervolgen, anderen kunnen

dit in zijn plaats doen. Mijn broeder moet mij vertellen hoe hij

eigenlijk hier is gekomen.

Nu het iets zakelijks betrof, was hij zoo kalm mogelijk. Ik vertelde

hem in ’t kort wat hij weten wilde. Er volgde eenigen tijd van stilte

en nu was het, alsof wij een zwaren zucht hoorden welke van de plaats

kwam waar de beide struikroovers lagen. Den een was mijn kogel door het

hart gegaan, maar de andere was, evenals Nscho-Tschi in de borst

getroffen, hij leefde nog en kwam op dit oogenblik weer bij. Hij

staarde ons aan en mompelde eenige woorden, welke ik niet kon verstaan.

Ik boog mij over hem heen en riep hem toe:

—Man, kom tot u zelf. Weet gij, wie hier bij u staat?

Hij deed moeite na te denken, zijn oog werd ook werkelijk helderder en

ik hoorde hem zachtjes vragen:

—Waar.... waar is.... Santer?

—Ontvlucht,—antwoordde ik, want ik kon het niet over mijn hart

verkrijgen tegenover een stervende te liegen.

—Waar.... heen?

—Dat weet ik niet, maar ik hoop dit van u te vernemen. Uw andere

metgezellen zijn dood, ook gij hebt slechts nog maar eenige seconden te

leven, gij zult aan den rand des grafs niet meer durven liegen. Waar

komt Santer vandaan?

—Weet.... het.... niet.

—Heet hij werkelijk Santer?

—Heeft.... vele.... vele namen.

—Wat is hij eigenlijk?

—Weet ook.... niet.

—Hebt gij bekenden hier in de buurt, misschien in een of ander fort?

—Neen.

—Waar wildet gij heengaan?

—Nergens heen. Waar maar geld-buit.

—Dus waart gij roovers en dieven van beroep! Verschrikkelijk! Hoe kwam

gij op het denkbeeld, de beide Apachen met het meisje te overvallen?

—Nug.... nuggets!

—Maar gij wist immers niets van deze nuggets?

—Wilden naar.... naar....

Hij hield even op, het viel hem zwaar te antwoorden. Ik raadde evenwel

wat hij wilde zeggen en vroeg:

—Hadt gij vernomen dat deze Apachen naar het Oosten wilden gaan en hebt

gij daaruit afgeleid, dat zij goud bij zich hadden?

Hij knikte.

—Gij naamt u dus voor hen te overvallen, daar gij echter wel wist dat

wij voorzichtig zouden zijn en u in ’t oog zouden houden, reedt gij

eerst een eind weg en keerdet later om, toen gij meendet dat wij ons

niet meer ongerust over u zouden maken?

Hij knikte wederom.

—Toen zijt gij omgekeerd en ons nagereden. Hadt gij ons den vorigen

avond beluisterd?

—Ja.... Santer.

Dus Santer zelf was het geweest!—Heeft hij u verteld, wat hij bij ons

had gehoord?

—Apachen.... Nuggets.... hill.... nuggets halen.... vroeg...

—Juist zooals ik had vermoed. Toen hebt gij u in het bosch verscholen

en ons van daar gadegeslagen? Gij wildet de plaats weten van waar de

Apachen het goud haalden?

Hij had de oogen gesloten en antwoordde niet.

—Of wildet ge hem alleen bij hun terugkomst overvallen om....

Nu evenwel viel Winnetou mij in de rede.

—Mijn broeder behoeft niet verder te vragen, want dit bleekgezicht zal

niet meer antwoorden, hij is dood. Deze blanke honden wilden ons geheim

leeren kennen, maar het is hun niet gelukt. Wij waren reeds op den

terugweg, toen zij ons ontmoetten. Zij verscholen zich in het

kreupelhout en schoten van daar op ons. Intschu Tschuna en mijn zuster

vielen getroffen neer, een andere kogel raakte alleen mijn mouw. Ik

schoot op een der kerels, die evenwel juist achter een boom kroop,

daarom trof ik hem niet, maar mijn tweede kogel deed den andere vallen.

Daarop zocht ik een schuilplaats achter deze steenen, maar ik zou mijn

leven niet hebben kunnen redden, wanneer Old-Shatterhand niet op het

juiste oogenblik was gekomen. Twee der roovers bedreigden mij van dezen

kant en een derde sloop om mij heen om mij in den rug aan te vallen,

zijn kogel had mij moeten treffen. Toen evenwel hoorde ik de kogels van

Old-Shatterhand’s berendooder en ik was gered. Nu weet mijn broeder

alles en zal ik hem vertellen, hoe hij het aan moet leggen, Santer te

vangen.

—Moet ik die taak op mij nemen?

—Ja, Old-Shatterhand moet het doen, hij zal het spoor van den

vluchteling zeker vinden.

—Misschien wel, maar er zal daarmee veel tijd verloren gaan.

—Neen, mijn broeder behoeft niet lang te zoeken, want het spoor zal

zeker leiden naar zijn paarden, zonder welke hij niet veel kan

beginnen. Daar, waar hij met zijn lieden den nacht heeft doorgebracht,

is gras en Old-Shatterhand kan dus gemakkelijk zien, in welke richting

hij is gegaan.

—En dan?

—Dan neemt mijn broeder tien krijgers mee, om hem te achtervolgen en

gevangen te nemen. De andere twintig krijgers zendt hij hierheen opdat

zij met mij den doodszang kunnen aanheffen.

—Het zal geschieden en ik hoop, dat ik het vertrouwen dat mijn broeder

in mij stelt, niet zal beschamen.

—Ik weet dat Old-Shatterhand zal handelen, zooals ik zelf zou hebben

gehandeld! Howgh!

Hij stak mij de hand toe, ik drukte dien hartelijk, boog mij nog

eenmaal over de dooden en ging heen. Aan den rand van het bosch keerde

ik mij nog eenmaal om. Winnetou bedekte juist de hoofden der

gestorvenen en begon op somberen klagenden toon den bij den roodhuiden

gebruikelijken lijkzang aan te heffen. Mijn hart was vol, overvol. Maar

ik moest handelen en snelde dus terug op den weg, dien ik daar straks

gekomen was.

Ik was van plan te doen, wat Winnetou mij gezegd had. Toen ik evenwel

den reeds vroeger genoemden kant van den berg had bereikt, dacht ik een

oogenblik na.

Santer zou voor alles trachten, zoo spoedig mogelijk uit onze nabijheid

te komen, dat deed hij niet, wanneer hij eerst naar zijn legerplaats

liep. Dit zou hij enkel doen om een paard machtig te worden. Maar als

hij nu eens het dier had gevonden, waarop ik gereden had. Hij moest ook

dezen weg langs zijn gekomen en dan had hij stellig het paard gezien.

Deze gedachte liet mij niet los. Ik snelde den berg af, vol spanning of

ik het paard nog zou aantreffen. Welk een teleurstelling toen ik op de

bedoelde plek kwam en zag, dat het verdwenen was. Ik stond slechts een

oogenblik stil en vloog meer dan ik liep, door de kloof. Hier kon ik

mij nog haasten, want door het steengruis kon ik toch het spoor niet

vinden. Toen ik echter het dal had bereikt moest ik langzamer loopen om

het spoor te vinden, maar hoe ik ook mijn oogen inspande, ik vond

niets. Santer was hier niet geweest. Hij moest verder op een plaats,

waar de bodem rotsachtiger was, de kloof hebben verlaten. Daar stond ik

nu! Wat te doen? Zou ik terugkeeren om die plaats te zoeken? Er konden

uren voorbijgaan, voor ik deze vond en dezen tijd kon ik niet verloren

laten gaan. Beter was het in elk geval naar onze legerplaats terug te

keeren en van daar hulp te halen.

Ik deed dit. Het was een vermoeiende loop, maar ik volbracht hem, omdat

ik van Winnetou had geleerd, hoe men het moest aanleggen om op adem te

blijven en zich niet te vermoeien.

Toen ik mijn doel naderde, liep ik eerst naar de legerplaats van

Santer. De drie paarden stonden nog in het kreupelhout. Ik maakte ze

los, ging op een er van zitten en nam de beide andere aan de teugels

mee. ’t Was reeds laat in den namiddag toen ik eindelijk bij de mijnen

aankwam en Sam riep mij reeds uit de verte toe:

—Waar blijft ge dan toch, sir. Gij hebt het eten verzuimd en ik....—hij

hield op, zag verbaasd naar de paarden en ging voort:—voor den drommel,

gij zijt te voet weggegaan en komt te paard terug. Gij zijt toch geen

paardendief geworden?

—Dat niet, ik heb deze dieren buitgemaakt.

—Waar?

—Niet ver hier vandaan.

—En van wien?

—Bezie ze maar eens goed. Ik herkende ze dadelijk en gij hebt immers

even goede oogen!

—Ja, die heb ik. Ik zag dadelijk aan wie zij behoorden, het zijn immers

de paarden van Santer en zijn kameraden, maar er ontbreekt er één.

—Dat zullen wij zoeken en ook dengeen, die er opzit.

—Maar hoe komt....

—Stil, beste Sam!—viel ik hem in de rede.—Er is iets bijzonders, iets

zeer treurigs gebeurd. Wij moeten onmiddellijk van hier.

—Van hier? Waarom?

In plaats van hem te antwoorden, riep ik de Apachen, van welke zich

eenigen hadden verwijderd bijeen en deelde hun de treurige tijding mee.

Toen ik geëindigd had, heerschte rondom een diepe stilte. Men kon niet

gelooven, wat ik zeide, mijn boodschap was te verschrikkelijk. Daarom

vertelde ik uitvoeriger, wat er was gebeurd en voegde er bij:

—Nu mogen mijn roode broeders zelf zeggen, wie de toekomst beter heeft

voorspeld. Sam Hawkins of uw medicijnman. Intschu Tschuna en

Nscho-Tschi hebben den dood gevonden omdat zij zich van mij hebben

verwijderd en Winnetou is door mij gered geworden. Brengt mijn

tegenwoordigheid dus dood of leven?

Zij waren volkomen overtuigd en nu verhief zich een gehuil, dat mijlen

ver te hooren was. De roodhuiden renden als razenden rond, zwaaiden met

hun wapenen en trokken om uiting te geven aan hun woede, allerlei

vreeselijke gezichten. Eerst na geruimen tijd was het mij mogelijk hun

geschreeuw te overstemmen.

—De krijgers der Apachen moeten zwijgen,—gebood ik.—Dit gehuil dient

tot niets. Wij moeten weg om den moordenaar te zoeken.

—Weg, weg, weg!—schreeuwden allen, terwijl zij naar hun paarden

snelden.

—Weest toch kalm!—beval ik nogmaals.—Mijn broeders weten niet eens, wat

zij moeten doen, ik zal het hun zeggen.

Allen drongen om mij heen, ik kon mij bijna niet bewegen. Was Santer op

dit oogenblik hier geweest, zij zouden hem in stukken hebben gescheurd.

Hawkins, Stone en Parker stonden sprakeloos bij elkaar. Dit bericht had

een diepen indruk op hen gemaakt.

Langzaam kwamen zij op mij toe.

—Ik ben als door den bliksem getroffen,—zeide Sam en kan het nog maar

niet begrijpen. Verschrikkelijk! Die lieve, schoone, beste, jonge roode

miss! Zij was altijd zoo vriendelijk voor ons en nu zoo in eens dood!

Weet gij sir, het is, alsof....

—Vertel mij dat later maar eens, beste Sam!—viel ik hem in de rede—wij

moeten nu geen tijd verliezen en den moordenaar zien te krijgen. Praten

helpt niet veel!

—Dat stem ik u toe. Maar weet gij dan, waar hij is?

—Neen, nu nog niet.

—Dat dacht ik. Hebt gij geen spoor gevonden? Zullen wij het zoeken? Het

zal moeielijk te vinden zijn.

—Neen, juist niet, integendeel zeer gemakkelijk.

—Denkt gij dat? Hm! Moeten wij naar de kloof en zien hoe hij daaruit is

gekomen?

—In de kloof behoeven wij niet te zoeken.

—Niet? Dan ben ik nieuwsgierig te weten, waar wij dan heen moeten. Ja,

menigmaal heeft een greenhorn een gedachte, die....

—Zwijg met uw greenhorn! Ik heb geen zin om dat woord te hooren, houdt

uw grappen maar voor u!

—Grappen? Wie denkt, dat ik de zaak niet ernstig opneem, kan een schop

tegen zijn beenen krijgen, dat hij van hier naar Californië vliegt. Ik

kan mij niet begrijpen, hoe gij het spoor van Santer wilt vinden,

zonder te zien, waar dit verloren is gegaan!

—Dan zouden wij lang kunnen zoeken en daarom wil ik het anders

aanleggen. Als ik die bergen daar voor ons zoo aanzie, komt het mij

voor, dat zij niet met andere samenhangen, maar meer op zich zelf

staan....

—Dat is ook zoo, ik ken deze streek tamelijk goed. Hier hebben wij een

vlakte en daarginds weer een. Deze bergen behooren niet tot een

aaneengeschakelde groep, maar staan op zichzelf in de open prairie.

—Prairie? Er is dus gras?

—Ja zeker, evenals hier.

—Dat is gelukkig. Santer kan tusschen deze bergen doorrijden, zooals

hij wil, dat gaat ons niet aan, maar zoodra hij ze verlaat komt hij op

de open prairie en moet in het gras een spoor achterlaten.

—Dat spreekt vanzelf, sir!

—Luister verder. Wij verdeelen ons in twee troepen en rijden om den

berg heen, wij vier blanken van rechts en de tien Apachen, die Winnetou

mij heeft toegewezen, van links. Wij ontmoeten elkander aan den anderen

kant weer en hooren dan of een van ons het spoor heeft kunnen vinden.

Ik ben overtuigd, dat dit het geval zal zijn.

Mijn kleine Sam zag mij van ter zijde aan, zette een zeer verbaasd

gezicht en riep:

—Wie had dat nu gedacht! Hoe is het mogelijk, dat ik zelf niet op dit

denkbeeld ben gekomen. ’t Is immers ’t eenvoudigste en beste wat we

kunnen doen, als ik mij niet vergis!

—Gij keurt dit plan dus goed, Sam?

—Zeker, zeker, sir. Zoek nu maar gauw tien Apachen uit.

—Ik zal zien, welke van hen ’t best bereden zijn en die neem ik mee,

wie weet, hoelang wij dien kerel moeten nazitten. Daarom moeten wij ook

voldoende proviand medenemen. Als gij deze streek tamelijk goed kent,

kunt gij ons wel vertellen, hoelang het duurt voor men van hier uit,

den anderen kant van den berg bereikt.

—Al haasten wij ons ook nog zoo, wij zullen toch altijd twee uur moeten

rijden.

—Laat ons dan geen tijd verliezen.

Ik koos toen tien Apachen die blij waren mee te mogen gaan, want den

moordenaar nazetten was aangenamer werk dan klaagliederen te zingen bij

de lijken der gevallenen. Den overigen Apachen wees ik den weg naar

Winnetou en zij reden dadelijk daarheen.

Even daarna braken ook wij op. De Apachen reden volgens afspraak

linksom, wij blanken gingen evenwel eerst nog even naar de legerplaats

van Santer en ik zocht de plaats op waar de hoef van het paard, dat ik

had bereden, diep in den bodem was gedrongen. Van dezen indruk nam ik

nauwkeurig de maat. Sam Hawkins schudde het hoofd en vroeg lachend:

—Behoort het ook al tot het vak van opzichter, paardepooten op te

meten?

—Neen, maar elke prairiejager moest het kennen.

—Waarom?

—Omdat het hem in voorkomende gevallen van groot nut kan zijn.

—Hoe dan?

—Wel, dit zult gij zien. Als ik nu een paardenspoor vind, vergelijk ik

dit met deze teekening.

—Hm, juist niet zoo kwaad bedacht! Hebt gij dat ook uit de boeken

geleerd?

—Neen.

—Van wie hebt gij het dan?

—Ik ben zelf op die gedachte gekomen.

—Zoozoo, zijt ge zoo knap, dat had ik waarlijk niet gedacht!

—Neen, Sam, ’t valt wel eens wat mee!

—Maar waarom hebt ge de tien Apachen dan ook niet zulk een teekening

meegegeven?

—Ik achtte dit overbodig,—antwoordde ik.

—Overbodig.... waarom?

—Omdat zij niet in staat zouden zijn, zulk een teekening met een

paardepoot te vergelijken. Bovendien ik ben bijna zeker, dat zij

Santer’s spoor niet zullen vinden.

—En ik beweer het tegendeel. Niet wij, maar zij zullen het vinden, want

’t spreekt vanzelf, dat Santer westwaarts is gereden.

—Daarvan ben ik niet zoo zeker.

—Niet? Hij kwam toch van het westen en zal ook weer dien kant

teruggaan.

—Dat denk ik niet. Hij is een slimme kerel, dat heb ik wel bespeurd en

hij zal wel begrijpen, dat wij hem in het westen zullen zoeken. Daarom

zal hij wel in oostelijke richting zijn gegaan.

—Het kan zijn dat ge gelijk hebt.

Wij gaven onze paarden de sporen en galoppeerden over de prairie,

steeds zorgend, dat wij de bewuste bergen links van ons hielden.

Natuurlijk trachtten wij het zoo in te richten, dat wij steeds op den

begroeiden bodem bleven, waar Santer, indien hij hier was geweest een

duidelijk spoor moest hebben achtergelaten. Onze oogen waren

voortdurend op den grond gericht, want hoe sneller wij reden, hoe

nauwkeuriger wij moesten opletten, daar het spoor ons anders licht kon

ontgaan.

Zoo verliep anderhalf uur en wij hadden onzen halven cirkel om den berg

bijna volbracht, toen wij een donkere streep bemerkten, welke dwars

door het gras liep. Het was het spoor van een enkelen ruiter en zeer

waarschijnlijk, dat, wat wij zochten. Wij stegen af en ik zocht tot ik

een zeer duidelijken indruk vond. Nu vergeleek ik dezen bij de

teekening en het bleek, dat de afmetingen volkomen dezelfde waren. Er

was dus geen twijfel mogelijk, wij waren Santer op het spoor.

—Zulk een teekening is toch werkelijk practisch,—meende Sam,—ik zal dat

onthouden.

—Ja, onthoud dat,—voegde Parker er bij,—en onthoud dan bovendien nog

wat.

—Wat dan?

—Dat het nu zoover gekomen is, dat de leermeester, die gij altijd zijt

geweest, van zijn leerling kan leeren.

—Wilt gij mij het land opjagen, oude Will? Dat zal u niet gelukken,

hihihihihi!—lachte Sam.—Het is immers een eer voor den leermeester, dat

hij den leerling zoo ver heeft gebracht, dat deze nog verstandiger en

wijzer is, dan hij. Van u heb ik niet zooveel plezier beleefd. Hoeveel

jaren ben ik niet bezig geweest, om van u een goeden prairiejager te

vormen en al mijn moeite is tevergeefs geweest. Gij zult in uw oude

dagen niets kunnen verleeren, omdat gij in uw jonge jaren niets hebt

geleerd.

—Ik weet het wel, gij zoudt mij nu wel graag greenhorn willen noemen,

omdat gij zonder dit woord niet kunt leven en gij Old-Shatterhand

daarmee niet meer moogt betitelen.

—Gij zijt ook een greenhorn, maar een oude, als ik mij niet vergis.

Ondanks dit twistgesprek waren wij het toch hierover eens, dat Santer’s

spoor niet veel meer dan twee uur oud kon zijn. Gaarne zouden wij hem

dadelijk zijn achtervolgd, maar wij moesten wel op de tien Apachen

wachten. Het duurde helaas drie kwartier voor zij kwamen. Ik zond een

van hen naar Winnetou, om dien te laten weten dat wij het spoor

gevonden hadden, toen reden wij in oostelijke richting verder.

Het was diep in den herfst en wij hadden nauwelijks twee uur meer den

tijd, voordat de zon zou zijn ondergegaan, wij moesten ons dus haasten,

want viel de duisternis in, dan zouden wij tot den morgen moeten

wachten, daar we het spoor niet zouden kunnen onderscheiden.

Daarentegen was het bijna zeker, dat Santer den geheelen nacht door zou

rijden. Wij hadden dus morgen een vermoeienden rit voor ons, welke nog

des te vermoeiender zou worden, omdat wij steeds op het spoor moesten

letten. Gelukkig moest Santer, indien hij den nacht doorreed, zijn

paard den volgenden dag rust gunnen en zoo kon het mogelijk zijn, dat

wij hem toch nog inhaalden.

De door Winnetou en zijn vader met den naam van Nuggetsbergen betitelde

hoogten, lagen achter ons en wij hadden nu voor ons de open vlakte,

welke met gras was bedekt. Santer’s spoor was duidelijk zichtbaar. Toen

het donker begon te worden, stegen wij af en volgden het spoor, dat wij

loopend beter in het oog konden houden dan rijdend, zoolang tot het

niet meer te herkennen was. Nu maakten wij halt, gelukkig op een

plaats, waar veel gras was, zoodat onze paarden iets te eten konden

krijgen. Daarna wikkelden wij ons in onze dekens en gingen liggen om te

slapen.

De nacht was zeer koel en ik bemerkte dat mijn kameraden dikwijls

wakker werden van de kou. Ik zou bovendien toch niet hebben kunnen

slapen. De gewelddadige dood van Intschu Tschuna en zijn dochter had

een te diepen indruk op mij gemaakt en wanneer ik de oogen sloot, zag

ik hen weer op de noodlottige plaats liggen en hoorde ik Nscho-Tschi’s

laatste woorden. Ik verweet mijzelf dat ik niet vriendelijker voor haar

was geweest en mij in het gesprek met haar vader, niet anders over haar

had uitgelaten. Ik had een gevoel of ik daardoor haar dood op mijn

geweten had.

Tegen den morgen werd het nog kouder en ik stond op om mij door heen en

weer loopen een weinig te verwarmen. Sam Hawkins bemerkte dit en vroeg:

—Zijt gij koud sir? Gij hadt een warme kruik mee moeten nemen naar de

Far-West. Greenhorns hebben gewoonlijk dergelijke dingen bij zich.

Neen, dan ben ik maar blij met mijn ouden rok, die laat geen kou door.

Zal ik hem u leenen, hihihihi!

Tengevolge van deze onaangename koude, waren allen reeds vroeg in den

morgen gereed en zoodra het licht genoeg was, om het spoor te zien

stegen wij op en zetten wij onzen tocht voort. Onze paarden waren

volkomen uitgerust en hadden het zeker des nachts ook koud gehad,

althans zij draafden lustig voort, zonder dat wij ze behoefden aan te

sporen.

Nog steeds waren wij in de prairie, die nu evenwel eenigszins begon te

golven; op de hoogste punten was het gras dor en hard, op de lagere

gedeelten groen en zacht. Hier er daar waren zelfs enkele waterplassen,

waar wij onze paarden konden laten drinken.

Terwijl het spoor tot nu toe steeds in oostelijke richting had geleid,

ging het later op den dag meer naar het zuiden. Toen Hawkins dit zag,

zette hij een zeer bedenkelijk gezicht en op mijn vraag wat dat

beteekende, antwoordde hij:

—Als het waar is wat ik vermoed, zal al onze moeite tevergeefsch zijn

geweest.

—En wat vermoedt ge dan?

—De kerel is slim. Hij schijnt naar de Kiowa’s te willen gaan.

—Dat geloof ik zoo dadelijk niet.

—Waarom niet? Zou hij misschien midden in de prairiën blijven staan, om

zich door u gevangen te laten nemen? Wat denkt ge wel? Hij zal toch wel

zijn best doen om zich te redden? Hij heeft zijn oogen open gehad en

wel gezien dat onze paarden beter waren, dan het zijne. Daarom vreest

hij dat wij hem zullen achterhalen en is hij op de gedachte gekomen,

bescherming te zoeken bij de Kiowa’s.

—En zullen die hem vriendelijk ontvangen?

—Daaraan behoeft ge geen oogenblik te twijfelen. Hij behoeft alleen

maar te vertellen dat hij Intschu Tschuna en Nscho-Tschi heeft

doodgeschoten en zij zullen hem hartelijk welkom heeten. Wij moeten

toch zien, dat wij hem voor vanavond nog inhalen!

—Hoe oud denkt ge, dat dit spoor is?

—Dat is mij tamelijk onverschillig. Hij heeft den nacht doorgereden en

wij moeten de plaats zien te vinden, waar hij gelegerd heeft. Dan

kunnen wij zien, hoe oud zijn nieuw spoor is. Hoe langer hij uitgerust

heeft, hoe eerder wij hem zullen inhalen.

Tegen den middag vonden wij, wat wij zochten. Men zag dat het paard was

gaan liggen, het was dus zeer moe geweest, wat wij ook reeds aan de

sporen hadden gezien. Waarschijnlijk was zijn berijder niet minder

uitgeput, want het nieuwe spoor was niet ouder dan twee uur; hij had

dus blijkbaar langer geslapen, dan hij gewild had. De voorsprong, dien

hij op ons had gekregen, doordat hij den nacht was doorgereden was dus

ingehaald, ja, wij waren op dit oogenblik zeker een half uur dichter

bij hem, dan bij ’t begin van den tocht.

Zijn spoor leidde steeds meer naar het zuiden. Hij scheen het gebied

van de Canadianrivier te hebben willen verlaten en meer den kant van de

Red River op te willen gaan. Wij lieten onze paarden slechts nu en dan

even uitblazen, want wij wilden zoo mogelijk, den schelm nog voor den

avond inhalen.

Tegen den namiddag bereikten wij wederom grasvelden, zoo nu en dan met

kreupelhout bedekt. Naar het spoor te oordeelen, kon Santer ons nog

slechts een half uur vooruit zijn. Voor ons was de horizont donker.

—Daar is bosch,—meende Sam, ik vermoed, dat wij aan een zijrivier

zullen komen; jammer ’t was beter voor ons geweest, dat wij de prairie

hadden kunnen houden.

Hij had gelijk, want op de prairie zag men alles vóór zich, terwijl men

in het bosch, licht in een hinderlaag kon vallen. Bovendien, bij de

snelheid waarmede wij reden, was het onmogelijk, het terrein voldoende

te onderzoeken.

Werkelijk stuitten wij op een kleine, zeer ondiepe rivier, welke hier

en daar bijna geheel droog lag. Aan de oevers stonden kreupelhout en

boomen, maar deze vormden eigenlijk geen bosch, doch slechts grootere

en kleinere, op zichzelf staande boomgroepen.

Kort voordat de duisternis begon te vallen, waren wij den vluchteling

zoo dicht op de hielen, dat wij hem elk oogenblik voor ons konden zien.

Ik reed alleen vooruit, omdat mijn schimmel zich zoo uitstekend had

gehouden en nog volstrekt niet moe was. Ook volgde ik onwillekeurig een

innerlijken drang, welke mij er toe aanspoorde zelf den moordenaar te

vangen.

Wij reden wederom door een van de zooeven genoemde boomgroepen welke

aan den linkeroever van het riviertje lagen. Toen ik aan de laatste

boomen was gekomen, zag ik, dat het spoor naar rechts afweek en naar

beneden in het droge rivierbed voerde. Ik hield een oogenblik stil om

dit aan de mij volgende kameraden mee te deelen en dit was ons geluk,

want toen ik eenige oogenblikken op hen wachtend, de bedding overzag,

deed ik een ontdekking, welke mij dwong, mij zoo spoedig mogelijk terug

te trekken en mij te verbergen. Wanneer men van dit boschje uit,

slechts vijfhonderd pas deed, kwam men wederom aan een boschje, dat

echter op den rechteroever gelegen was. Hier waren Indianen bezig hun

paarden te verzorgen. Ik zag palen in den grond, waartusschen vleesch

aan riemen te drogen hing. Was ik een paar pas verder gegaan, dan

zouden de roodhuiden mij hebben moeten zien. Nu steeg ik van mijn paard

en maakte mijn kameraden opmerkzaam op het voor ons liggende tooneel.

—Kiowa’s!—zeide een der Apachen.

—Ja, Kiowa’s—stemde Sam toe,—de duivel moet dezen Santer wel zeer

liefhebben, dat hij hem nog op het laatste oogenblik deze hulp zendt.

Ik meende reeds dat wij hem hadden, maar geduld, hij zal ons toch niet

ontkomen.

—Het is geen groote afdeeling Kiowa’s—merkte Dick op.

—Hm! Wij zien alleen maar degenen, die zich aan dezen kant van de

boomen bevinden, aan den anderen kant zullen er wel meer zijn. Zij zijn

blijkbaar op jacht geweest en drogen hier hun vleesch.

—Wat zullen wij doen, Sam? Omkeeren en ons zoo gauw mogelijk uit de

voeten maken?

—Ik denk er niet aan, wij blijven hier.

—Maar dat is toch gevaarlijk!

—Wel neen!

—Hoe licht kan hier een roodhuid komen.

—Daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Ten eerste bevinden zij zich

aan den anderen oever en ten tweede is het spoedig donker en dan

verwijderen zij zich niet meer van de legerplaats.

—Maar hoe voorzichtiger, hoe beter.

—Kom, alleen een greenhorn heeft angst. Ik zeg u, dat wij voor deze

Kiowa’s even veilig zijn, alsof wij ons in New-York bevonden. Zij

denken er niet aan te komen, maar ik zal naar hem toe gaan. Ik moet

dezen Santer hebben, al zou ik hem tusschen duizend Kiowa’s weghalen.

—Gij zijt vandaag onvoorzichtig Sam!

—Wat, onvoorzichtig? Sam Hawkins onvoorzichtig? Daar moet ik om lachen,

hihihihi! Dat heeft me nog nooit een mensch gezegd! Sir, gij zijt

anders nooit bang en gaat zelfs den Grizzlybeer met het mes te lijf,

vanwaar nu die angst?

—Het is geen angst, maar voorzichtigheid, wij zijn te dicht bij den

vijand!

—Te dicht? Belachelijk! Wij zullen nog dichter bij hem komen. Wacht

maar tot het donker is.

Hij was vandaag anders dan gewoonlijk. De dood van de schoone, lieve,

roode miss had hem zoo woedend gemaakt, dat hij naar wraak dorstte. De

Apachen waren het met hem eens, ook Stone en Parker gaven hem gelijk,

ik kon dus niets daartegen doen. Wij bonden onze paarden vast en gingen

zitten, om het invallen van de duisternis af te wachten.

Ik moet bekennen, dat de Kiowa’s zich zoo vrij bewogen, alsof zij zich

volkomen veilig gevoelden. Zij reden of liepen op de open vlakte rond

en deden, alsof zij in hun goed bewaakt Indiaansch dorp waren.

—Ziet ge wel, hoe veilig zij zich wanen?—zeide Sam.—Zij denken aan geen

verraad.

—Als gij u maar niet vergist!

—Sam Hawkins vergist zich nooit!

—Ik zou u het tegendeel wel kunnen bewijzen. Ik heb een voorgevoel, dat

zij zich zoo maar voordoen!

—Voorgevoel, oude wijven hebben voorgevoelens en anders niemand,

onthoud dat. Wat doel zouden zij er mee beoogen, om zich anders voor te

doen?

—Ons te lokken!

—Dat is niet noodig, wij zouden ook zonder lokken wel komen.

—Gij houdt het toch voor uitgemaakt, dat Santer bij hen is?

—Natuurlijk. Toen hij op deze plaats kwam, heeft hij hen gezien en is

door de droge bedding naar hen toegegaan.

—En denkt gij, dat hij hun verteld heeft, wat er gebeurd is en waarom

hij bescherming bij hen zoekt?

—Welk een vraag! Het spreekt vanzelf, dat hij hun dit gezegd heeft.

—Dan heeft hij hun ook meegedeeld, dat zijn vervolgers hem op de hielen

zaten.

—Dat is mogelijk.

—Dan verwondert het mij toch, dat zij in het geheel geen

voorzorgsmaatregelen hebben genomen.

—Daar behoeft gij u niet over te verwonderen. Zij houden het eenvoudig

voor onmogelijk, dat wij hem nu reeds zouden hebben ingehaald en zij

verwachten ons eerst morgen. Zoodra het donker genoeg is, zal ik naar

hen toesluipen en alles eens goed opnemen. Daarna zullen wij zien wat

ons verder te doen staat. Ik moet dezen Santer hebben.

—Goed, dan ga ik met u mee!

—Dat is niet noodig!

—Ik houd het voor zeer noodzakelijk.

—Als Sam Hawkins op verkenning gaat, heeft hij geen hulp noodig, ik

neem u niet mee. Ik ken u en uw onpractische menschlievendheid.

Waarschijnlijk zult gij uw best doen, om deze moordenaar het leven te

sparen!

—Neen Sam, ik denk er in de verste verte niet aan!

—Dat zegt ge nu maar.

—Ik meen, wat ik zeg. Ook ik wil dezen Santer hebben, ik wil hem levend

vangen om hem aan Winnetou over te leveren. En zoodra ik zie dat dit

onmogelijk is en ik hem levend niet kan krijgen, jaag ik hem een kogel

door den kop, daar kunt ge op aan!

—Dat is het juist, een kogel door den kop, gij wilt niet dat hij

gemarteld wordt. Ook ik ben een vijand van dergelijke dingen, maar

dezen schurk gun ik zulk een pijnlijken dood van ganscher harte. Wij

zullen hem zien te krijgen en brengen hem dan naar Winnetou. Als wij nu

eerst maar weten, hoeveel Kiowa’s er zijn, want ik acht het een

uitgemaakte zaak, dat er meer zijn dan wij hier zien.

Ik vond het beter te zwijgen, want zijn woorden maakten de Apachen

wantrouwend. Zij wisten dat ik moeite had gedaan, om Rattler zooveel

mogelijk te sparen en dachten dat ik dit thans ook weer Santer zou

doen. Ik deed dus, alsof ik mij naar Sam’s wil voegde en ging naast

mijn paard op den grond liggen.

De zon was reeds lang aan den horizon verdwenen, de avond begon te

vallen. Aan den overkant bij de Kiowa’s werden verscheidene vuren

aangestoken, waarvan de vlammen hoog opflikkerden. Voorzichtige

roodhuiden doen dit niet en dit feit bevestigde mij in mijn meening dat

het er hun om te doen was, ons hierheen te lokken. Wij moesten denken

dat zij niets vermoedden van onze komst en daarom op de gedachte zouden

komen hen te overvallen. Deden wij dit dan liepen wij den vijand in den

geopenden muil.

Terwijl ik hierover lag na te denken was het, alsof ik eenig gedruisch

hoorde, dat niet door een van de onzen kon zijn veroorzaakt, het was

achter mij. Ik luisterde. Het gedruisch herhaalde zich, ik hoorde het

nu duidelijk en wist ook wat het was. Het was een zacht bewegen van

taaie ranken, waaraan dorre bladeren hingen, ongeveer hetzelfde geluid

alsof men eenige stroohalmen uit een bundel trekt. Het was niet de

beweging van een gladden tak, maar zooals gezegd van een rank en deze

moest stekels en doornen hebben. Ik begreep dadelijk waar ik de oorzaak

van dit gedruisch moest zoeken. Achter mij namelijk stond, tusschen

drie andere boomen in een braamstruik, van welken een der ranken

bewogen werd. Deze beweging kon veroorzaakt worden door een klein dier,

dat daar langs liep, maar onze positie noopte tot voorzichtigheid. Er

kon ook een mensch in de buurt zijn en ik diende dit wel te

onderzoeken. Ik heb gezegd, dat daarginds bij de Kiowa’s de vuren hoog

opvlamden en bij den gloed kon ik alles wat zich tusschen deze vuren en

mij bevond, duidelijk zien. Ik moest ongemerkt aan den anderen kant van

den braamstruik trachten te komen, stond dus op en slenterde schijnbaar

onverschillig heen, doch niet dadelijk in de richting welke ik

eigenlijk wilde inslaan. Eerst toen ik ver genoeg was, keerde ik om en

naderde het boschje van den anderen kant. Dichtbij gekomen ging ik

liggen en kroop zacht, zeer zacht naar den braamstruik, welken ik

weldra bereikte. Deze was nu recht voor mij en in dezelfde richting

brandden de vuren. Daar, ja werkelijk, daar hoorde ik opnieuw hetzelfde

gedruisch en wel niet in, maar op zij van den struik. Ik sloop een

eindje verder en zag nu dat mijn vermoeden juist was geweest.

Een Indiaan had zich tusschen de boomen verscholen en was nu op het

punt zich te verwijderen. Dit moest noodzakelijk eenig gedruisch

veroorzaken, maar hij deed alles zoo omzichtig, dat men enkel van

minuut tot minuut een zacht geknetter hoorde dat ik alleen kon

vernemen, omdat ik zoo in zijn onmiddellijke nabijheid lag. Reeds was

zijn lichaam bijna geheel vrij en alleen de eene schouder en arm, de

hals en het hoofd zaten nog in de struiken verward.

Ik kroop naar hem toe, zoodat ik achter zijn rug lag. Hij maakte den

eenen schouder vrij, den hals en het hoofd en behoefde nu nog alleen

maar den arm er uit te trekken. Nu ging ik op mijn knieën liggen, greep

met de linkerhand naar zijn hals en gaf hem met de rechter twee of drie

flinke slagen tegen de slapen. Hij viel oogenblikkelijk bewusteloos

neer.

—Wat was dat?—vroeg Sam.—Hebt gij niets gehoord?

—Old-Shatterhands paard stampte,—antwoordde Dick.

—Hij is weggegaan. Waar zou hij zijn? Hij zal toch geen dwaasheden

begaan?

—Dwaasheden? Hij? die heeft hij nog nooit begaan!

—Oho! Hij is in staat naar de Kiowa’s te gaan en alarm te maken, alleen

om dezen Santer het leven te redden.

—Neen, dat zal hij niet doen. Hij zal den moordenaar niet laten

ontkomen. De dood der beide Apachen is hem zeer ter harte gegaan, dat

hebt ge toch wel aan hem kunnen zien.

—Het kan zijn, maar ik neem hem niet mee, als ik zoo aanstonds de

Kiowa’s ga besluipen, hij kan mij toch ook van geen nut zijn. Ik wil de

kerels tellen en de plaats waar zij legeren in oogenschouw nemen, dan

kunnen wij overleggen wat ons te doen staat. Hij doet zijn zaakjes

goed, dat moet ik bekennen, maar bij zulk een vuurgloed onopgemerkt tot

aan de legerplaats te komen dat is hem onmogelijk. De kerels weten

misschien dat wij komen, zij zullen dus uiterst voorzichtig zijn en het

is alleen een ervaren prairieman mogelijk hen onopgemerkt te naderen.

Nu stond ik op, liep snel naar hem en zeide:

—Gij vergist u, beste Sam. Gij meent dat ik weg ben en ik ben hier nog.

Versta ik nu de kunst van besluipen, ja of neen?

—Voor den drommel!—antwoordde hij.—Zijt gij werkelijk hier! Men heeft u

niet opgemerkt!

—Dat is een bewijs, dat u ontbreekt, wat gij beweert, dat mij

ontbreekt. Er zijn bovendien nog meer menschen hier.

—Wie? Wie meent gij?

—Ga eens naar dien braamstruik en zie, wie daar ligt.

Hij stond op en de anderen volgden hem.

—Hallo!—riep hij,—daar ligt een kerel, een Indiaan, hoe komt die hier?

—Vraag dat aan hem zelf.

—Hij is immers dood!

—Neen, enkel bewusteloos!

—Hoe hebt gij dat gedaan? Hebt gij hem hierheen gesleept?

—Wel neen, hij zat tusschen deze struiken verscholen en ik zag hem.

Toen hij wilde weggaan, gaf ik hem een flinken slag. Gij hebt dien slag

wel gehoord, want gij hieldt hem voor het stampen van mijn paard.

—Ja, dat is waar! Hij was hier dus en heeft gehoord, wat wij zeiden.

Wat zou het een onheil voor ons zijn geweest, wanneer het hem gelukt

was, weg te komen! Goed, dat gij hem onschadelijk hebt gemaakt. Bindt

en knevelt hem! Maar wat heeft hij hier eigenlijk willen doen? Hij moet

toch vóór ons hier zijn geweest?

—Gij doet zulke domme vragen en noemt anderen greenhorns! Natuurlijk

was hij hier reeds vóór ons. De Kiowa’s wisten dat wij zouden komen,

zij namen aan, dat wij Santers spoor volgden en dus hierlangs kwamen.

Zij waren op onze komst voorbereid en zetten hier een wachtpost uit, om

hen in te lichten omtrent den juisten tijd dat wij kwamen. Maar omdat

wij zoo snel reden, of omdat hij niet goed oppaste of ook omdat hij

juist tegelijk met ons hier aankwam, hebben wij hem verrast en heeft

hij zich in deze braamstruiken moeten verschuilen.

—Hij had toch ook kunnen vluchten!

—Daarvoor had hij geen tijd, want wij hadden hem kunnen zien loopen en

dus moeten begrijpen, dat de Kiowa’s ons verwachtten en door hem

gewaarschuwd zouden worden. Het is ook mogelijk dat hij vooraf besloten

was zich hier te verschuilen en ons te beluisteren.

—Gij hebt gelijk, in elk geval is het een groot geluk dat wij hem

hebben ontdekt. Hij zal nu moeten opbiechten en alles bekennen.

—Hij zal wel oppassen, iets te zeggen. Ik ben overtuigd dat gij geen

woord uit hem krijgt.

—Het kan zijn. Het is eigenlijk ook niet noodig dat wij er moeite voor

doen. Wij weten nu wat wij te wachten hebben en wat ik niet weet, zal

ik spoedig te weten komen, want ik ga nu naar den vijand toe.

—Om misschien nooit terug te komen.

—Waarom niet?

—Omdat de Kiowa’s u wel bij zich zullen houden. Gij hebt immers zelf

gezegd, dat het bij dezen vuurgloed zeer moeielijk is naderbij te

sluipen.

—Ja voor u, maar niet voor mij. Ik zeg u daarom: ik ga heen en gij

blijft hier.

Hij zeide dit op zulk een gebiedenden toon, dat ik niet kon nalaten te

zeggen:

—Ik herken u haast niet, Sam. Gij meent toch niet, dat gij mij bevelen

hebt te geven?

—Natuurlijk meen ik dat.

—Nu dan moet ik u toch zeggen, dat gij u deerlijk vergist. Als

opzichter sta ik boven u en gij zijt ons enkel meegegeven om de wacht

te houden. Bovendien weet gij, dat ik met toestemming van den geheelen

stam, door Intschu Tschuna tot opperhoofd benoemd ben. Van welken kant

gij de zaak dus ook beziet, ik sta altijd boven u en ik heb hier te

bevelen.

—Geen opperhoofd heeft mij iets te bevelen,—beweerde Sam,—en bovendien

ben ik een oud prairiejager, terwijl gij maar een greenhorn en mijn

leerling zijt, dat moet gij niet vergeten, als gij niet ondankbaar wilt

zijn. Het is dus zooals ik heb gezegd: ik ga en gij blijft!

Hij ging werkelijk heen. De Apachen bromden en ook Stone zeide

verdrietig:

—Hij is vandaag werkelijk anders dan gewoonlijk! U van ondankbaarheid

te beschuldigen! Wij mogen u dankbaar zijn, want zonder u leefden wij

nu niet meer!

—Laat hem begaan!—antwoordde ik.—Hij is een eerlijke vent en juist dit

optreden pleit voor hem. Hij is woedend over den dood van Intschu

Tschuna en Nscho-Tschi. Maar ik gehoorzaam hem daarom niet, ik ga ook.

In de opgewondenheid, waarin hij nu verkeert kan hij zich licht laten

verleiden tot de een of andere ondoordachte daad. Blijft hier, tot ik

terugkom en al hoort gij schoten, blijft toch op uw plaats. Alleen

wanneer gij mijn stem verneemt, die wel tot hiertoe klinkt, komt gij

mij te hulp.

Ik liet mijn berendooder liggen, evenals Sam zijn geweer had laten

liggen en verwijderde mij. Ik had opgemerkt dat Sam Hawkins door de

rivierbedding was gegaan, ik achtte het evenwel verstandiger een

anderen weg te nemen. De Kiowa’s wisten, dat wij stroomopwaarts van hen

te vinden waren en zouden dus steeds in die richting uitzien, ik wilde

dus van den anderen kant naderbij komen. Daarom ging ik langs den oever

stroomafwaarts, maar zorgde zoo ver af te blijven dat de gloed van het

vuur mij niet kon beschijnen. Nu had ik het boschje bereikt. Hier waren

geen vuren aangemaakt en het was er zoo donker, dat ik ongemerkt in de

rivierbedding kon dalen en weer stroomopwaarts kon gaan. Weldra was ik

bij de boomen waaronder de Indianen gelegerd waren, ging liggen en

kroop verder. Er brandden acht vuren. Zoovele behoefden niet te worden

gebrand, want er waren slechts ongeveer veertig Indianen, zij waren dus

enkel aangemaakt om ons de plaats te wijzen waar de Kiowa’s gelegerd

waren.

Deze zaten onder de boomen in groepen bijeen en hielden hun geweren

gereed. Wee ons, wanneer wij zoo onvoorzichtig waren geweest in de ons

gestelde val te loopen. Deze was trouwens zoo dom en ondoordacht

opgesteld, dat alleen zeer onervaren menschen deze niet zouden hebben

vermoed. De paarden der roodhuiden zag ik buiten op de prairie weiden.

Ik zou gaarne een der groepen hebben beluisterd, het liefst die bij

welke zich de aanvoerder bevond, omdat ik dan zekerder was daar te

hooren wat ik wilde weten. Maar waar moest ik den aanvoerder zoeken? In

elk geval bij de groep waarbij Santer zat. Ik schoof dus van boom tot

boom om dezen te ontdekken. Na eenig zoeken zag ik hem, hij zat bij

vier Indianen die geen van allen het teeken der waardigheid van

opperhoofd droegen, maar ik wist dat de oudste der vier aanvoerder

moest zijn. Jammer genoeg kon ik niet zoo dicht bij komen als ik wel

wilde, omdat ik dekking moest zoeken in het weinige kreupelhout, dat

hier groeide. Eenige grootere boomen evenwel stonden zoo, dat hun

schaduwen mij een weinig beschermden. Daar er acht vuren brandden,

wierp iedere boom meerdere schaduwen, welke heen en weer trilden en aan

het boschje een spookachtig aanzien verleenden. Tot mijn vreugde

spraken de roodhuiden niet zacht maar luid met elkaar, dit geschiedde

met opzet, want het was er hen om te doen, dat wij hen niet alleen

zouden zien, maar ook hooren. Ik bereikte de zooeven genoemde schaduwen

en was nu nog ongeveer twaalf schreden van de groep, waarbij Santer

zat, verwijderd. Het was een waagstuk, wat ik deed, want de andere

roodhuiden hadden mij gemakkelijk kunnen zien.

Ik hoorde dat Santer het woord voerde. Hij vertelde van de

Nuggetsbergen en noodigde de roodhuiden uit met hem daarheen te trekken

en den schat weg te nemen.

—Weet mijn blanke broeder de plek, waar deze te vinden is?—vroeg de

oudste der vier Indianen.

—Neen. Wij trachtten het te weten te komen, maar de Apachen waren reeds

op den terugweg. Wij hadden gedacht dat zij langer op de plaats hadden

willen blijven en wij ze hadden kunnen bespieden.

—Dan is al ons zoeken tevergeefs. Al trekken er ook tien duizend man

heen, zij zullen er niets vinden. De roode mannen verstaan bij

uitnemendheid de kunst, om zulke plaatsen onzichtbaar te maken. Maar

daar mijn broeder onzen grootsten vijand en diens dochter heeft

doodgeschoten, willen wij hem het genoegen doen later met hem daarheen

te rijden, om hem te helpen zoeken. Eerst echter moeten wij uw

vervolgers vangen en dan ook Winnetou dooden.

—Winnetou?—Die zal wel bij hen zijn!

—Neen, want hij mag niet van de zijde zijner dooden wijken en zal ook

de grootste helft zijner krijgers bij zich houden. De kleinste helft

vervolgt u en wordt aangevoerd door Old-Shatterhand, de blanke man, die

onze hoofdman de knieën heeft verpletterd. Deze schaar moeten wij

vandaag zien te krijgen.

—Daarna rijden wij naar de Nuggetsbergen om Winnetou te dooden en naar

het goud te zoeken!

—Dat kan niet zoo gemakkelijk gebeuren. Winnetou moet zijn vader en

zijn zuster begraven en mag niet gestoord worden, de Groote Geest zou

ons dit nooit vergeven. Maar wanneer hij daarmee gedaan heeft,

overvallen wij hem. Hij zal nu niet naar de steden der bleekgezichten

gaan, maar terugkeeren. Wij lokken hem in een hinderlaag, zooals wij

dat vandaag Old-Shatterhand doen, die er zeker bij is. Ik wacht nog

alleen op mijn verkenner, die daarginds verscholen is. Ook de

schildwachten hebben mij nog geen enkel teeken gegeven.

Ik schrok bij deze woorden. Er lagen dus wachtposten voor het boschje.

Als Sam Hawkins dezen eens niet zag en in hun handen viel! Nauwelijks

was deze gedachte mij door het hoofd gevlogen of ik hoorde een

geschreeuw van meerdere stemmen. De aanvoerder sprong op en luisterde.

Ook alle andere Kiowa’s zwegen en luisterden.

Daar naderde een groep, die uit vier roodhuiden bestond, welke een

blanken man meesleepten. Deze verzette zich, maar tevergeefs, hij was

wel niet geboeid, maar vier messen waren steeds op hem gericht. Deze

blanke was—mijn onvoorzichtige Sam! Mijn besluit was spoedig genomen,

ik mocht hem niet in den steek laten, hoewel ik bij een poging om hem

te bevrijden, mijn eigen leven in de waagschaal zette.

—Sam Hawkins!—riep Santer die hem herkende.—Good evening, sir! Gij zult

wel niet hebben gedacht, mij weer te zien?

—Schurk, roover, moordenaar!—antwoordde de dappere kleine, terwijl hij

hem bij de keel pakte.—Goed dat ik u heb, gij zult uw verdiende loon

krijgen.

De aangevallene verweerde zich. De roodhuiden grepen Sam en sleurden

hem mee. Er ontstond een heftig tumult, waarvan ik gebruik maakte om

ongemerkt mijn revolver voor den dag te halen en midden tusschen de

Indianen te springen.

—Old-Shatterhand!—riep Santer terwijl hij verschrikt achteruitweek.

Ik loste twee schoten op hem, die evenwel geen doel troffen en riep Sam

toe.—Weg, mij na, blijf onmiddellijk achter mij!

Het was alsof de roodhuiden van schrik en ontsteltenis niet wisten, wat

te doen, zij bleven stokstijf staan. Ik greep Sam bij den arm, trok hem

mee door het boschje naar de rivierbedding. Dit alles ging zeer vlug in

zijn werk.

—All devils! Dat was juist op tijd!—meende Sam, toen wij beneden in de

bedding waren,—ik werd door die schurken....

—Praat niet, maar volg mij!—viel ik hem in de rede, terwijl ik zijn arm

losliet en mij naar rechts wendde, om zooveel mogelijk buiten bereik

van de kogels der vijanden te komen.

Nu eerst kwamen de verblufte roodhuiden tot bezinning. Hun gehuil was

zoo ontzettend dat ik Sam’s voetstappen niet meer kon hooren.

Waarom vluchtte ik niet stroomopwaarts naar den kant, waar zich onze

legerplaats bevond, maar juist in tegenovergestelde richting? Ik had

daarvoor mijn redenen. De roodhuiden konden ons niet dadelijk zien,

daar het beneden in de rivierbedding donker was en liepen in elk geval

stroomopwaarts in de veronderstelling, dat wij in deze richting zouden

zijn gevlucht, wij waren dus hier tamelijk veilig en konden langs een

omweg naar onze legerplaats terugsluipen.

Toen ik ver genoeg meende te zijn, bleef ik staan. Nog altijd hoorde ik

in de verte het gehuil der roodhuiden, maar hier was alles stil om mij

heen.

—Sam!—riep ik bezorgd.

Geen antwoord.

—Sam, hoort gij mij?—riep ik luider.

Wederom geen antwoord. Waar was hij gebleven? Hij moest mij toch

gevolgd zijn. Was hij misschien gevallen en had zich misschien bezeerd

aan de rotsblokken, waarover wij op onzen vlucht hadden moeten

klauteren? Ik nam mijn patronen uit den gordel, laadde de revolver

opnieuw en keerde met langzame schreden terug om naar hem te zoeken.

Het helsche lawaai, dat de Kiowa’s maakten duurde nog altijd voort,

maar toch waagde ik het nader te komen, totdat ik eindelijk weer op

dezelfde plaats stond waar ik Sam had gevraagd mij te volgen. Ik vond

hem niet. Hij had dus niet gedaan wat ik gezegd had en was dadelijk den

anderen oever weer opgeklommen. Maar hier moest hem het schijnsel van

het vuur beschenen hebben en hij stelde zich niet alleen voor aan de

oogen, maar ook aan de kogels der Kiowa’s. Welk een onbedachtzaamheid

van het kleine, vandaag zoo onhandelbare kereltje! Ik maakte mij zeer

angstig over zijn lot, ging weer terug en liep toen ik mij geheel

veilig voelde, in een boog naar de legerplaats.

Hier vond ik alles in de grootste opgewondenheid. Mijn roode en blanke

metgezellen verdrongen zich om mij heen en Dick Stone zeide op

verwijtenden toon:

—Sir, waarom hebt gij ons toch verboden u te volgen, zelfs wanneer er

schoten vielen? Wij hebben met groote spanning gewacht, dat gij zoudt

roepen. God zij dank, dat gij weer hier zit en wel ongekwetst, naar ik

zie!

—Waar is Sam?—Niet hier?—vroeg ik.

—Hier? Hoe kunt gij dit vragen? Hebt gij dan niet gezien wat er met hem

is gebeurd?

—Neen, wat dan?

—Toen ge weg waart, bleven wij hier wachten. Na eenigen tijd hoorden

wij de roodhuiden roepen, daarop werd het weer stil. Opeens hoorden wij

revolverschoten en een vreeselijk gehuil. Toen wederom geweerschoten en

nu zagen wij Sam verschijnen.

—Waar?

—Ginds bij het boschje, aan dezen oever.

—Dat dacht ik al! Sam is vandaag onvoorzichtiger geweest dan ooit te

voren. Verder, verder!

—Hij kwam naar ons toegeloopen, maar er was een bende Kiowa’s achter

hem, die hem inhaalden en vasthielden. Wij zagen dit duidelijk, daar de

vuren helder brandden, maar voor wij de plaats konden bereiken, waren

zij met hem door de rivierbedding getrokken en achter de boomen

verdwenen. Wij hadden grooten lust hen te volgen, aan te vallen en Sam

te bevrijden, maar wij dachten aan uw verbod en bleven hier.

—Daaraan hebt ge zeer verstandig gedaan, want gij, elf man, had niets

kunnen doen en waart allen vermoord geworden.

—Maar wat moeten wij dan nu doen, sir? Sam is gevangen!

—Helaas ja en dat wel voor de tweede maal!

—Voor de tweede maal?....—riepen allen verbaasd.

—Ja. Ik had hem reeds weer verlost, hij behoefde mij slechts te volgen

om weer veilig hier te komen, maar hij heeft zijn eigen zin

doorgedreven.

Ik vertelde hun wat er gebeurd was. Toen ik geëindigd had, zeide Will

Parker:

—Dan hebt gij in het geheel geen schuld sir, gij hebt meer gedaan dan

een ander zou hebben gewaagd. Sam heeft zichzelf leelijk in de val

geholpen, maar wij mogen hem er daarom niet in laten zitten.

—Dat ben ik met u eens, maar dit zal ons nu voor de tweede maal zeer

moeilijk vallen, want ge begrijpt, dat de Kiowa’s dubbel zullen

oppassen.

—Dat is zeker; maar misschien gelukt het ons toch nog hem te redden.

—Hm, alles is mogelijk, maar twaalf man tegenover vijftig, die op een

aanval voorbereid zijn! En toch is dit misschien de eenige manier, want

bij dag is het nog minder te wagen.

—Wel, laat het ons dan nog dezen nacht probeeren!

—Langzaam, langzaam, eerst overleggen!

—Overleg het, sir, maar geef mij intusschen verlof, nog eens daarheen

te sluipen en te zien hoe alles er voor staat.

—Dat moogt ge wel doen, maar later, als zij niet langer zoo nauwkeurig

toezien. En dan gaat ge niet alleen, maar ik ga met u en waarschijnlijk

nemen wij ook alle anderen mee.

—Goed, sir, goed, als we de anderen ook dadelijk meenemen, heeft het

wel wat van een overval. Wij zullen onzen plicht doen. Zes tot acht

Kiowa’s neem ik voor mijn rekening en Dick Stone zal zich wel niet met

minder tevreden willen stellen, niet waar, vriend Dick?

—Gij hebt het geraden, vriend Will,—antwoordde de aangesprokene,—het

komt er bij mij niet op een meer of minder aan, als het te doen is om

Sam te bevrijden. Hij is anders zulk een slimme vogel, maar vandaag is

hij leelijk uitgeweest.

Ja zeker, hij had gelijk. Sam was vandaag leelijk uitgeweest. Ik dacht

bij mij zelf na, wat de beste manier was, om hem te helpen. Mijn leven

zou ik voor hem hebben willen wagen, maar had ik het recht, dat van de

Apachen op het spel te zetten? Misschien kon men langs den weg van list

ook tot het doel geraken, dat zou ik eerst kunnen beslissen, wanneer

wij de geheele positie der Kiowa’s zouden verkend hebben. In elk geval

leek het mij het beste toe de Apachen mee te nemen, het kon zijn dat

een plotselinge aanval toch nog het meest practische was.

Wij moesten evenwel nog eenigen tijd wachten, want wij bemerkten dat

het daarginds nog zeer levendig toeging. Weldra echter werd het stiller

en de stilte werd slechts onderbroken door krachtige bijlslagen. De

roodhuiden waren bezig hout te kappen en waren dus waarschijnlijk van

plan de vuren tot aan den morgen aan te houden.

Eindelijk hielden ook de bijlslagen op. De sterren fonkelden aan den

hemel, het moest bij middernacht zijn en ik hield het voor tijd aan het

werk te gaan. Eerst zorgden wij er voor dat de paarden die wij moesten

achterlaten, goed vastgebonden werden, toen zag ik nog eens naar de

banden van den gevangen Kiowa. Hierop verlieten wij onze legerplaats en

sloegen denzelfden weg in langs welken ik van te voren naar de

rivierbedding was gegaan.

Toen wij op de hoogte van het boschje waren gekomen, beval ik den

Apachen, onder aanvoering van Dick Stone, hier te blijven en elk

gedruisch te vermijden. Ik zelf ging met Will Parker zachtjes verder.

Toen wij den oever hadden bereikt, gingen wij plat op den grond liggen

en luisterden. Er heerschte rondom diepe stilte. Nu kropen wij langzaam

voorwaarts. De acht vuren brandden nog steeds even helder. Ik zag, dat

er hoopen dorre takken opgegooid waren. Dit wekte mijn achterdocht op.

Wij gingen vooruit en weer vooruit en zagen geen mensch. Eindelijk

kwamen wij tot de overtuiging dat het boschje ledig was en er geen

enkele Kiowa meer te zien was.

—Zij zijn weg, stilletjes weggegaan!—zeide Parker verbaasd,—en toch

hebben zij de vuren zoo aangepord!

—Om hun terugtocht te verbergen. Zoolang de vuren brandden, moesten wij

wel denken dat zij nog hier waren.

—Maar waar zijn ze dan? Voor goed weg?

—Dat vermoed ik, omdat Sam voor hen een goede buit is, welken zij in

veiligheid willen brengen. Maar het is ook mogelijk, dat zij het een of

ander helsch plan hebben verzonnen.

—En wat zou dat dan kunnen zijn?

—Dat zij ons daarginds willen overvallen, evenals wij het hen hier

hadden willen doen!

—Wel ja, dat is immers mogelijk! daar moeten wij toch een stokje voor

steken, sir!

—Ja, wij moeten terug en onze paarden in veiligheid brengen, ook al

blijkt het later onnoodig te zijn geweest.

Wij daalden den oever weer af, kwamen bij de Apachen terug en snelden

nu naar onze legerplaats, waar wij evenwel alles in de beste orde

vonden. De Kiowa’s konden evenwel ook later komen, daarom bestegen wij

onze paarden en reden een flink eind de prairie in. Indien de Kiowa’s

nu nog mochten komen, zouden zij ons niet meer vinden en in elk geval

tot den ochtend moeten wachten om ons te zoeken. Den gevangene hadden

zij natuurlijk niet laten liggen, maar meegenomen.

Nu bleef ons ook niets anders over, dan geduldig den volgenden morgen

af te wachten. Wie slapen kon, sliep, wie dit niet kon bleef wakker.

Zoo ging de nacht voorbij en toen de morgen begon aan te breken, stegen

wij weer te paard en reden eerst weer naar onze legerplaats terug. Er

was niemand geweest en onze bezorgdheid was dus onnoodig geweest, maar

dit schaadde niet. Nu ging het over de rivier naar het boschje. De

vuren waren uitgebrand en de aschhoopen alleen bewezen dat de Kiowa’s

hier waren geweest.

Nu zochten wij de voetsporen op. Van de plaats waar ik de paarden had

gezien, leidde het spoor der Kiowa’s in zuid-oostelijke richting. Het

was duidelijk dat zij het plan om ons te overvallen hadden opgegeven.

En Sam? Dien hadden zij meegenomen, wat Dick Stone en Will Parker zeer

aan het hart ging. Ook mij deed het leed, om het brave kereltje en ik

was in staat alles te doen om hem te bevrijden.

—Als wij hem niet uit hun handen redden, zullen zij hem aan den

folterpaal binden,—klaagde Dick Stone.

—Neen,—troostte ik hem.—Wij hebben immers ook een gevangene, een

gijzelaar voor hen.

—Maar zullen zij dit weten?

—Zeker, Sam is wijs genoeg om hun dat te vertellen. Wat zij met hem

doen, dat doen wij met onzen gevangene.

—Maar wij moeten deze Indianen na, wat er ook van kome.

—Neen.

—Wat? Wilt gij hem dan in den steek laten?

—Ook niet.

—Hoe rijmt ge dat nu samen?

—Wel, ik laat mij door die roode kerels niet voor gek de savanna

rondvoeren.

—Wat bedoelt gij? Ik begrijp u niet!

—Welnu zie dan dit spoor eens: hoe oud is dit?

—Zij zijn reeds voor middernacht weggereden, schijnt mij toe.

—Dat denk ik ook, dat is dus nu ongeveer tien uur geleden en zoudt gij

denken dat wij desniettegenstaande zoo gemakkelijk dezen voorsprong

vandaag kunnen inhalen?

—Neen.

—Of morgen?

—Evenmin.

—En waarheen denkt gij dat ze gereden zijn?

—Naar hun dorp.

—Dan zijn zij dáár, voor wij ze hebben ingehaald. Meent gij nu

werkelijk dat het verstandig is, dat wij, twaalf personen, ons wagen in

het groote gebied der Kiowa’s om een van hun dorpen te overvallen en

een gevangene te bevrijden?

—Dat zou krankzinnigenwerk zijn.

—Juist, dat is ook mijn meening, wij zijn het dus eens: wij rijden hen

niet achterna.

Nu krabde hij zich achter de ooren en bromde geërgerd:

—Maar Sam, Sam! Onze oude Sam, wat zal er met hem gebeuren? Wij kunnen

hem daar toch niet laten!

—Neen, natuurlijk niet, wij zullen hem integendeel bevrijden.

—Loop rond, sir! Ik kan zulke raadsels niet oplossen! Eerst zegt gij

dat wij de roodhuiden niet moeten volgen en dadelijk daarop beweert

gij, dat hun gevangene bevrijd zal worden. De drommel mag dat

begrijpen, ik niet!

—Ik zeg u, dat de Kiowa’s niet naar hun dorp gaan!

—Niet? Waarheen dan?

—Raadt gij dat niet?

—Neen.

—Hm. Wat zijt gij toch oude, ervaren prairiejagers! Dan ben ik maar

blij dat ik een greenhorn ben. Wel de roodhuiden gaan natuurlijk naar

de Nuggetsbergen.

—Naar.... de.... bergen, zou dat werkelijk zoo zijn?

—Zeker, ik ben er vast van overtuigd!

—Zij zijn er werkelijk toe in staat. Maar zij mogen immers de

begrafenis niet storen?

—Dat is ook niet hun doel. Zij zullen geduldig wachten tot deze voorbij

is. Zij zijn onze vijanden en die van de Apachen en zinnen op wraak.

Santer’s komst was hun zeer welkom. Zij vernamen van hem den dood van

Intschu Tschuna en zijn dochter en verheugden zich daarover zeer. Toen

zij van Santer hoorden, dat wij hem achtervolgden, hoopten zij ons te

zullen vangen, maar alleen Sam is in de door hen gestelde val geloopen.

Nu willen zij het op een andere wijze beproeven. Zij doen alsof zij

naar hun dorp willen teruggaan en wij hen daarom niet zullen volgen,

zij nemen dus aan dat wij naar Winnetou terug zullen keeren. Wanneer

zij eenigen tijd in zuid-oostelijke richting zijn gereden en, wanneer

het toeval dit wil, nog meer van hun krijgers hebben ontmoet, keeren

zij om en gaan naar de Nuggetsbergen, waar wij, naar zij denken, ons

zullen laten overvallen en slachten.

—Een mooi plan, ja wel, een mooi plan! maar wij zullen zorgen dat het

niet zoover komt.

—Ja, dat zullen wij. Waarschijnlijk is dit plan door Santer geopperd,

die van deze gelegenheid gebruik wil maken om goud te krijgen. Kortom

ik ben overtuigd dat alles zal gaan zooals ik u dit heb uitgelegd. Wilt

gij de Kiowa’s nu nog achterna?

—Ik denk er niet meer aan. Uw veronderstelling schijnt mij wel wat

gewaagd, maar zoolang ik u ken, hebt gij u zelden vergist en bijna

altijd gelijk gehad, daarom zal het ook ditmaal wel zoo zijn, vindt gij

ook niet Will?

—Ik denk ook dat Old-Shatterhand volkomen juist heeft geraden. Wij

moeten hier vandaan en wel dadelijk, om Winnetou bijtijds te kunnen

waarschuwen. Zijt gij dat met mij eens, sir?

—Ja.

—Nemen wij den gevangene mee?

—Natuurlijk, wij binden hem op Sam’s Mary vast, wat hem wel niet erg

zal bevallen. Als gij daarmee klaar zijt, breken wij op. Eerst echter

willen wij ginds bij de rivier een waterpoel zoeken om de paarden te

drenken.

Een half uur later waren wij onderweg, niet best tevreden over het

succes van onzen tocht. In plaats van Santer te vangen, hadden wij Sam

verloren, maar door zijn eigen schuld en wanneer mijn veronderstelling

juist bleek te zijn, dan stond het bijna vast dat wij Sam Hawkins

bevrijden en Santer vangen zouden.

Bij de vervolging van dezen laatste waren wij natuurlijk gedwongen

geweest op zijn spoor te blijven en hadden daarom een omweg moeten

maken, omdat hij van zijn oorspronkelijke richting afgeweken en in een

boog was gereden. Ik besloot dezen boog af te snijden en het gevolg

daarvan was, dat wij reeds kort na twaalf uur van den volgenden dag

voor de kloof stonden, welke naar de open plek voerde, waar de overval

en de dubbele moord hadden plaats gehad.

Wij lieten de paarden onder de hoede van een Apache beneden in het dal

en stegen omhoog. Aan den rand van de open plek stond een wachter, die

ons slechts met een lichte handbeweging begroette. Wij zagen bij den

eersten blik, hoe druk de Apachen het gehad hadden met de

voorbereidselen voor de begrafenis van hun opperhoofd en diens dochter.

Ik zag een aantal dunne boomstammen liggen, welke met de tomahawks

waren geveld en bestemd waren voor den brandstapel. Bovendien waren er

groote hoopen steenen opeengestapeld. De Apachen die ik bij mij had,

begonnen dadelijk mede te helpen en ik vernam dat de begrafenis was

bepaald op den volgenden dag.

Aan den kant had men een soort van hut opgericht, waarin de beide

lijken werden bewaard. Winnetou bevond zich hierin. Er werd hem gezegd

dat wij waren aangekomen en onmiddellijk kwam hij naar buiten. Hoe zag

hij er uit!

Hij was altijd zeer ernstig en slechts bij zeldzame gelegenheden gleed

er een glimlach over zijn gelaat. Luid lachen heb ik van hem evenwel

nooit gehoord, maar niettegenstaande dezen ernst, hadden zijn

mannelijke trekken toch steeds een uitdrukking van goedheid en

welwillendheid en zijn donker oog kon soms zelfs vriendelijk

rondblikken. Vandaag evenwel, van dit alles geen spoor! Zijn gezicht

scheen hard als steen te zijn geworden en zijn oog staarde somber voor

zich uit. Zijn bewegingen waren langzaam en moeilijk. Hij kwam op mij

toe, zag onderzoekend om zich heen, schudde mij de hand, zag mij aan

met een uitdrukking, welke mij door de ziel sneed en vroeg:

—Wanneer is mijn broeder teruggekeerd?

—Zooeven.

—Waar is de moordenaar?

—Hij is ontkomen.

De oprechtheid gebiedt mij te erkennen dat ik bij dit antwoord de oogen

neersloeg; ja, ik moet zeggen dat ik mij een weinig schaamde.

Ook hij zag naar den grond! Hoe gaarne zou ik in zijn binnenste hebben

willen lezen. Daarop vroeg hij:

—Heeft mijn broeder het spoor verloren?

—Neen, ik heb het, hij zal hier komen.

—Old-Shatterhand kan verder vertellen.

Hij ging op een steen zitten, ik eveneens en nu deed ik hem een

nauwkeurig verslag van alles, wat er gebeurd was. Hij hoorde mij

zwijgend aan, dacht een poos na en vroeg eindelijk:

—Dus weet mijn broeder niet zeker of de moordenaar door de

revolverkogels getroffen is geworden?

—Neen, maar ik vermoed, dat ik hem niet heb geraakt.

Hij knikte even, drukte mij de hand en zeide:

—Mijn broeder moet mij de vraag vergeven, welke ik zooeven heb gedaan,

namelijk of hij het spoor had verloren! Old-Shatterhand heeft alles

gedaan, wat hij doen kon en is ten slotte buitengewoon verstandig

geweest. Sam Hawkins zal het zeer betreuren, zoo onverstandig te hebben

gehandeld, maar wij zullen het hem vergeven en hem zien te bevrijden.

Ik denk er over als mijn broeder: de Kiowa’s zullen komen, maar zij

zullen ons bereid vinden. De gevangene mag niet hard behandeld worden,

maar er moet nauwkeurig op hem worden gelet. Morgen zullen wij de

graven boven Intschu Tschuna en Nscho-Tschi sluiten. Zal mijn broeder

daar tegenwoordig zijn?

—Het zou mij zeer leed doen, indien Winnetou het mij niet veroorloofde!

—Ik veroorloof het niet alleen, maar ik verzoek u er om. Uw

tegenwoordigheid zal wellicht aan honderden zonen der bleekgezichten

het leven redden. De wet des bloeds eischt den dood van vele blanke

menschen, maar uw oog is als de zon, wier warmte het harde ijs doet

smelten en in water verandert. Gij weet, wat ik heb verloren. Wees gij

mij vader en zuster te gelijk, ik bid er u om, Charley!

De tranen stonden hem in de oogen. Hij schaamde zich daarover, liep

haastig weg en verdween in de hut. Hij noemde mij vandaag voor de

eerste maal bij mijn voornaam Karl en heeft hem later ook nooit anders

dan nu, namelijk als Charley, uitgesproken.

Nu moest ik eigenlijk vertellen van de begrafenis, welke met veel

Indiaansch prachtvertoon plaats had, ik weet ook zeer goed dat een

nauwkeurige beschrijving van deze plechtigheden zeker ieder belang zou

inboezemen, maar, wanneer ik aan die treurige uren terugdenk, gevoel ik

nog heden zulk een diepe smart, alsof alles eerst gisteren was gebeurd

en de schildering van al deze tooneelen komt mij voor, als een

ontwijding niet van de gedenkteekenen, welke wij voor de beide dooden

destijds in de Nuggets-Hills hebben opgericht, maar van de herinnering,

welke ik in mijn hart trouw heb bewaard. Intschu Tschuna’s lijk werd op

zijn paard gebonden, waarop men op beide de aarde ophoogde, tot het

dier zich niet meer kon bewegen, toen kreeg het een kogel door den kop.

De aardhoop werd nu nog zooveel verhoogd, dat zij den ruiter, zijn

wapenen en zijn medicijn geheel bedekte en dan rondom bedekt met groote

steenen.

Nscho-Tschi kreeg op mijn verlangen, een ander graf. Ik wilde haar niet

zoo onmiddellijk met aarde hebben bedekt. Wij zetten haar dus in

zittende houding tegen den stam van een boom en bouwden als ’t ware een

pyramide van steenen om haar heen, uit welker spits de top van den boom

weder uitstak. Ik ben later eenige malen met Winnetou naar de

Nuggets-Hills geweest, om de graven te bezoeken. Wij hebben ze altijd

ongeschonden aangetroffen.... [4]

Winnetou · 第 16 / 24 题