NSCHO-TSCHI.

Toen wij nu naar het Pueblo terugkeerden en dit bereikten, zag ik eerst

welk een machtig indrukwekkend bouwwerk dit eigenlijk was. Men acht de

Amerikaansche Indianenstammen ongeschikt voor ontwikkeling en

beschaving, maar menschen, die zulke rotsmassa’s in beweging hebben

weten te brengen, en tot een, voor de toenmalige wapenen, onneembare

vesting hebben weten op te stapelen, kunnen onmogelijk op den laagsten

trap van beschaving hebben gestaan. Nu beweert men wel, dat de stammen,

die deze bouwwerken hebben tot stand gebracht, uitgestorven zijn en dat

de tegenwoordige Indianen geen afstammelingen van hen zouden wezen,

maar dat geeft mijns inziens volstrekt geen recht te zeggen, dat deze

Indianen, geestelijk ook niet vooruit kunnen komen. Natuurlijk, wanneer

men hen daartoe geen tijd en gelegenheid gunt, moeten zij wel

ondergaan.

Wij stegen langs de voorhanden zijnde ladders, tot op het derde

platform, waarachter de mooiste vertrekken van het Pueblo lagen. Hier

woonde Intschu Tschuna met zijn beide kinderen en hier werd ook ons een

woning aangewezen.

Mijn kamer was groot. Zij had wel is waar geen vensters en kreeg het

licht ook slechts door de deur, maar deze was zoo breed en hoog dat de

geheele ruimte voldoende was verlicht. De kamer was ledig, maar

Nscho-Tschi bracht spoedig vellen, dekens en allerlei gereedschappen en

ik gevoelde mij hier weldra geheel op mijn gemak. Aan Hawkins, Stone en

Parker werd te zamen een dergelijk vertrek aangewezen.

Toen mijn logeerkamer zoover in orde was, dat ik haar kon betrekken,

bracht „Schoone Dag” mij een prachtig gesneden vredespijp en tabak. Zij

stopte deze eigenhandig, stak ze aan en reikte ze mij over met de

woorden:

—Deze pijp zendt u Intschu Tschuna, mijn vader. Hij heeft zelf de klei

daarvoor uit de heilige steengroeven gehaald en ik heb den kop

gesneden. Geen mensch heeft haar nog in den mond gehad en wij verzoeken

u, ze van ons als geschenk aan te nemen en aan ons te denken, wanneer

gij er uit rookt.

—Uw goedheid is te groot,—antwoordde ik,—zij maakt mij bijna beschaamd,

want ik kan niets daar tegenover geven.

—Gij hebt ons reeds zooveel gegeven, dat wij u niet genoeg kunnen

danken, gij zijt immers de redder van Intschu Tschuna en van Winnetou.

Hun leven was herhaalde malen in uw hand, gij hebt hen niet gedood. Ook

vandaag weer hadt gij Intschu Tschuna het leven kunnen benemen, zonder

dat ge er voor gestraft zoudt zijn geworden, gij hebt het niet gedaan.

Daarom zijn onze harten dankbaar gestemd en gij zult onze broeder zijn

als gij ten minste toestaat, dat onze krijgers u als zoodanig

beschouwen.

—Wanneer dit gebeurt, dan is mijn grootste wensch vervuld. Intschu

Tschuna is een beroemd hoofdman en krijger en Winnetou was ik reeds

genegen, van ’t eerste oogenblik dat ik hem zag. Het is voor mij niet

alleen een groote eer, maar het doet mij ook oneindig veel genoegen,

den broeder van zulke beroemde mannen te worden genoemd. Ik hoop, dat

gij ook mijn kameraden als uw vrienden wilt aannemen.

—Als zij dit wenschen, zal men hen behandelen, alsof zij geboren

Apachen waren.

—Wij danken u. Gij hebt dus zelf dezen pijpekop uit de heilige klei

gesneden? Hoe kunstig hebt gij dit gedaan!

Zij bloosde bij deze lofuiting en antwoordde:

—Ik weet wel, dat de vrouwen en dochters der blanken veel handiger zijn

dan wij. Ik zal u echter nog iets anders halen.

Zij ging en kwam terug met mijn revolver, mijn mes, ammunitie en alle

andere voorwerpen, welke niet uit mijn zakken waren geweest, want alles

wat daarin was, had men mij laten behouden. Ik dankte haar, zeide dat

mij nu niets meer ontbrak en vroeg:

—Zullen ook mijn kameraden wat hun is afgenomen geworden, terugkrijgen?

—Ja, alles. Zij zullen het nu reeds hebben, want terwijl ik u hier

bedien, zorgt Intschu Tschuna voor hen.

—En hoe staat het met onze paarden?

—Die zijn er ook nog. Gij krijgt het uwe weer en Hawkins kan zijn Mary

weer berijden.

—Gij kent den naam van zijn muildier?

—Ja, ook den naam van zijn oud geweer, dat hij Liddy noemt. Ik heb

dikwijls, zonder dat ik het u vertelde met hem gesproken. Hij is een

grappig man, maar toch een flink prairiejager.

—Ja, dat is hij en nog veel meer, namelijk een trouw, zelfopofferend

kameraad, dien men moet liefhebben. Maar, ik zou u wel eens iets willen

vragen, zult gij mij eerlijk de waarheid zeggen?

—Nscho-Tschi liegt nooit,—zeide zij trotsch en toch op eenvoudigen

toon,—en in ’t allerminst zou zij tegenover u een onwaarheid zeggen.

—Uw krijgers hadden den gevangen Kiowa’s alles afgenomen, wat zij bij

zich hadden niet waar?

—Ja.

—Ook mijn drie kameraden.

—Ja.

—Waarom mij dan niet? Men heeft mij alles gelaten wat in mijn zakken

zat.

—Winnetou, mijn broeder had dit zoo bevolen.

—En weet gij, waarom hij dit bevel gaf?

—Omdat hij u goed lijden mocht.

—Hoewel hij mij voor zijn vijand hield?

—Ja, gij zeidet zooeven, dat gij hem reeds genegen waart van ’t eerste

oogenblik af, dat gij hem zaagt, welnu, datzelfde is ook met hem ’t

geval geweest. Het heeft hem leed gedaan u voor een vijand te moeten

houden en niet alleen voor een vijand....

Zij hield op want zij had iets willen zeggen, waarmee zij vreesde, mij

te beleedigen.

—Spreek verder!—verzocht ik.

—Neen.

—Dan zal ik het in uw plaats doen. Dat hij mij voor een vijand moest

houden, kon hem geen leed doen, want men kan ook een vijand achten,

maar hij heeft gemeend, dat ik een leugenaar, een valsch, een slecht

mensch was, niet waar?

—Gij hebt het gezegd.

—Ik hoop dat hij nu inziet, dat hij zich vergist heeft. En nu nog een

vraag: hoe staat het met Rattler, den moordenaar van Kleki-Petra?

—Hij werd zoo juist aan den folterpaal gebonden.

—Wat, nu, op dit oogenblik?

—Ja.

—En dat zegt men mij niet? Waarom verzwijgt men dat?

—Winnetou wilde dit zoo.

—Waarom?

—Hij vreesde, dat uw oogen het niet konden zien en uw ooren het niet

konden hooren.

—Waarschijnlijk vergist hij zich daarin niet en toch is het mij

mogelijk het te zien en te hooren, wanneer men mijn wensch vervult.

—En die is?

—Zeg mij eerst, waar die strafoefening zal plaats vinden.

—Beneden aan de rivier, waar gij zooeven waart. Intschu Tschuna heeft u

hierheen gebracht, opdat gij er niet bij tegenwoordig zoudt zijn.

—Maar ik wil er bij zijn! Welke martelingen heeft men voor hem

uitgedacht?

—Alle, die gewoonlijk toegepast worden. Het is het slechtste

bleekgezicht dat ooit in de handen der Apachen is gevallen. Hij heeft

onzen blanken vader, dien wij liefhadden en vereerden, zonder eenige

aanleiding vermoord, daarom zal hij niet slechts een weinig gemarteld

worden, zooals dit bij andere gevangenen pleegt te geschieden, maar men

zal alle martelingen, welke wij kennen op hem toepassen.

—Dat mag niet gebeuren, dat is onmenschelijk.

—Hij heeft het verdiend!

—Zoudt gij er bij kunnen zijn en het aanzien?

—Ja.

—Gij? Een meisje?

Zij sloeg de lange wimpers neer, zweeg een oogenblik, hief de oogen

weer op en zeide toen, terwijl zij mij verwijtend aanzag:

—Verwondert gij u daarover?

—Ja, een vrouw moet zoo iets niet kunnen aanzien.

—Is dat bij u zoo?

—Ja.

—Werkelijk?

—Ja, werkelijk.

—Gij zegt een onwaarheid, maar zijt daarom geen leugenaar, want gij

zegt het, zonder het te weten. Gij vergist u.

—Wilt gij het tegendeel beweren?

—Ja.

—Dan zoudt gij onze vrouwen en meisjes beter moeten kennen dan ik!

—Misschien kent gij ze niet! Als uw misdadigers voor den rechter staan,

mogen andere menschen toehooren, is het niet zoo?

—Ja.

—Ik heb gehoord, dat er dan meer toehoorderessen dan toehoorders waren.

Moet een vrouw zich door haar nieuwsgierigheid naar zulk een plaats

laten drijven?

—Neen.

—En wanneer bij u een moordenaar wordt gevonnist, wanneer men hem

ophangt of het hoofd afslaat, zijn er dan nooit blanke vrouwen bij?

—Dat was vroeger zoo.

—Is het haar nu verboden?

—Ja.

—En de mannen ook?

—Ja.

—Dus is het allen verboden! Ware dit niet het geval, dan kunt gij zeker

zijn, dat de vrouwen meekwamen. O, de vrouwen der blanken zijn niet zoo

teergevoelig als gij denkt! Zij kunnen de pijnen, welke andere menschen

of dieren dulden, zeer goed aanzien. Ik ben nooit bij u geweest, maar

Kleki-Petra heeft het ons verteld. Daarom ging Winnetou naar de groote

steden van het Oosten en toen hij terugkwam, heeft hij mij alles

verteld van wat hij gezien heeft. Weet gij, wat uw vrouwen doen met de

dieren die zij koken, braden en eten?

—Welnu?

—Zij trekken hun levend de huid af (bij palingen), ook nemen zij hun

den darm uit het lijf, terwijl zij nog leven (bij de kreeften) en

werpen ze in het kokende water. En weet ge, wat de medicijnmannen der

blanken doen?

—Wat bedoelt gij?

—Zij werpen honden levend in het kokende water, om te weten hoelang ze

dan nog leven en trekken hun de verzengde huid van het lichaam. Zij

snijden hen de oogen, de tongen uit, maken het lijf open en kwellen hen

nog op verschillende andere wijzen, om later daarover boeken te

schrijven.

—Dat is vivisectie en geschiedt enkel om de wetenschap vooruit te

brengen!

—Wetenschap! Kleki-Petra is ook mijn leermeester geweest, daarom weet

ik wat gij met dit woord bedoelt. Wat moet uw Groote, Goede Geest wel

zeggen van een wetenschap, die niets kan leeren, zonder dat zij Zijn

schepselen doodmartelt. En zulke martelingen doen uw medicijnmannen in

hun woningen, waar hun vrouwen toch ook leven! Of hooren zij het

angstgeschreeuw der gemartelde dieren niet? Hebben uw vrouwen niet

vogels in kooien in haar kamers? Weten zij niet, welk een straf dit

voor de arme dieren is? Zijn uw vrouwen niet bij honderden

tegenwoordig, wanneer bij wedrennen, de paarden bijna worden

doodgereden? Ik ben een jong, onervaren meisje en word door u, onder de

„wilden” gerekend, maar ik zou u nog veel kunnen opnoemen, dat uw

vrouwen doen, zonder dat zij de huivering daarbij gevoelen welke ik zou

gewaar worden. Herinner u de vele schoone, blanke vrouwen, die haar

slaven hebben laten pijnigen of met een glimlach op de lippen hebben

toegezien, dat een zwarte dienares werd gegeeseld! En hier geldt het

een moordenaar, een misdadiger! Hij moet sterven, zooals hij dat heeft

verdiend. Ik wil er bij zijn en gij veroordeelt mij! Is het werkelijk

slecht van mij dat ik zulk een mensch kan zien sterven? En wanneer ik

ongelijk mocht hebben aan wie de schuld dat de roodhuiden hun oogen aan

zulke tooneelen hebben gewend? Zijn het niet de blanken, die ons

dwingen, hun wreedheid met gelijke munt te betalen?

—Ik geloof niet, dat een blanke rechter een gevangen Indiaan tot den

folterpaal zou veroordeelen.

—Rechter! Neem mij niet kwalijk, dat ik u aanspreek met den titel, dien

ik zoo dikwijls van Hawkins had gehoord, „greenhorn”, gij kent het

Westen nog niet! Waar zijn hier rechters! De sterkere is de rechter, de

zwakkere wordt gevonnist. Laat u vertellen wat er gebeurd is bij de

legervuren der bleekgezichten! Zijn de vele Indianen, die gevallen zijn

in den strijd met de blanke indringers, allen snel aan een kogel of een

messteek gestorven? Hoe velen van hen werden doodgemarteld! En toch

hadden zij niets anders dan hun rechten verdedigd. En nu er bij ons een

moordenaar zal sterven, die zijn straf heeft verdiend, nu moet ik mijn

oogen van dit tooneel afwenden, omdat ik een vrouw, een meisje ben? Ja,

eens waren wij anders, maar gij hebt ons geleerd, bloed te zien vloeien

zonder dat wij daarbij ons gezicht vertrekken. Ik zal gaan, om

tegenwoordig te zijn wanneer de moordenaar van Kleki-Petra zijn straf

ondergaat!

Ik had de jonge, schoone Indiaansche leeren kennen als een zacht, stil

wezen, nu evenwel stond zij vóór mij met fonkelende oogen en gloeiende

wangen, het beeld van de godin der wrake, die geen erbarmen kent. ’t

Kwam mij voor, dat zij nu nog schooner was dan te voren. Mocht ik haar

veroordeelen? Had zij ongelijk?

—Ga dan,—zeide ik,—maar ik ga mee.

—Blijf liever hier!—verzocht zij, weer in een geheel anderen

toon.—Winnetou en Intschu Tschuna zien niet gaarne, dat gij meekomt.

—Zouden zij er boos om worden?

—Neen. Zij zien het liever niet, maar zij willen het u niet verbieden.

—Dan ga ik mee, zij zullen het mij niet kwalijk nemen.

Toen ik met haar op het platform kwam, vond ik daar Sam Hawkins, die

uit zijn oude, korte pijp stond te rooken.

—’t Is nu een andere zaak, sir!—zeide hij lachend—tot nu toe gevangene

geweest en nu den grooten mijnheer uithangen. Hoe gaat het u onder deze

omstandigheden?

—Dank u, zeer goed—antwoordde ik.

—Mij ook eveneens. De hoofdman heeft ons zelf bediend, dat is netjes,

als ik mij niet vergis.

—Waar is Intschu Tschuna nu?

—Hij is weggegaan, ik denk naar de rivier.

—Weet gij wat daar op dit oogenblik geschiedt?

—Ik kan het wel denken.

—Wat dan?

—Het afscheid van de Kiowa’s.

—Dat niet alleen.

—Wat dan nog meer?

—Rattler wordt gevonnist.

—Wordt Rattler gevonnist? En men laat ons hier? Dan moet ik toch ook

naar beneden, om dat te zien.

—Wacht een oogenblik. Kunt gij zulke tooneelen aanzien, zonder

huiveren?

—Zien, huiveren, wat zijt gij toch een greenhorn sir, als gij maar

langer hier in ’t Westen zijt, zult gij ook niet meer aan huiveren

denken. Die kerel heeft den dood verdiend en wordt op Indiaansche wijze

gevonnist, dat is alles!

—Maar het is toch wreed!

—Kom praat bij zulk een wezen toch niet van wreedheid. Sterven moet hij

toch eenmaal of denkt gij van niet?

—O ja, als zij het dan maar kort met hem maken, ’t is toch een mensch!

—Een man, die een ander, die hem niets heeft misdaan, zoo maar

neerschiet, is geen mensch. Hij was zoo dronken als een uil!

—Dat is toch een verzachtende omstandigheid, hij wist niet meer wat hij

deed!

—Laat u toch niet uitlachen! Ja, daarginds bij u in de oude wereld

rekenen de rechters ieder, die in dronkenschap een moord begaat niet

zoo schuldig. Wie zich zoo bedrinkt, dat hij als een wild dier op zijn

medemensch aanvalt, moest juist strenger gestraft worden. Ik heb niet

het minste medelijden met Rattler. Bedenk eens, hoe hij u heeft

behandeld.

—Dat bedenk ik wel, maar ik ben een Christen en geen Indiaan. Ik zal

alles in het werk stellen om hem een spoedigen dood te bezorgen.

—Doe dat niet, sir, ten eerste heeft hij het niet verdiend en ten

tweede zal het u weinig geven. Kleki-Petra is de leermeester, de

geestelijke vader van den stam geweest, zijn dood is een onherstelbaar

verlies voor de Apachen en de moord geschiedde zonder eenige

aanleiding. Daarom is het onmogelijk de roodhuiden tot medelijden te

bewegen.

—Ik zal het toch beproeven!

—Tevergeefs.

—In dit geval schiet ik Rattler een kogel in het hart.

—Om een einde te maken aan zijn lijden! Laat dat om ’s Hemels wil

blijven. Gij zoudt u den haat van den geheelen stam op den hals halen.

Het is hun recht den aard der straf te bepalen, als gij hun dat

ontneemt, is het uit met de zooeven gesloten vriendschap. Dus, gij gaat

mee?

—Ja.

—Goed zoo, maar bega geen dwaasheden! Ik zal Dick en Will roepen.

Hij verdween in den ingang zijner woning en kwam spoedig met zijn beide

kameraden terug. Wij daalden de verschillende ladders af. Nscho-Tschi

was ons vooruitgegaan en nergens meer te zien. Toen wij uit het zijdal

in het hoofddal van de Rio Pecos kwamen, waren de Kiowa’s verdwenen.

Zij waren met hun gewonden aanvoerder weggereden, maar Intschu Tschuna

was zoo voorzichtig geweest hun spionnen na te zenden, daar zij ’t

licht konden probeeren, onopgemerkt terug te komen om zich te wreken.

Ik heb reeds gezegd, dat onze ossenwagen op het plein stond. De Apachen

hadden zich in een kring daaromheen opgesteld en midden in stonden de

beide aanvoerders met eenige krijgslieden. Nscho-Tschi was bij hen en

sprak met Winnetou. Hoewel zij de dochter van een opperhoofd was, mocht

zij zich niet mengen in de aangelegenheden der mannen en dat zij zich

nu toch hier bevond, bewees, dat zij iets zeer gewichtigs met haar

broeder had te bespreken. Toen zij ons aan zag komen, maakte zij

Winnetou op ons opmerkzaam en trok zich daarop terug, zich bij de

vrouwen voegend. Zij had blijkbaar over ons gesproken. Winnetou drong

door den kring zijner krijgers, kwam ons tegemoet en zeide op ernstigen

toon:

—Waarom zijn mijn blanke broeders niet boven in het Pueblo gebleven?

Bevallen hun de vertrekken niet, welke hun zijn aangewezen?

—Zij bevallen ons zeer goed,—antwoordde ik,—en wij danken onze roode

broeders voor hun goede zorgen. Wij zijn hier gekomen, omdat wij

hoorden dat Rattler nu terechtgesteld zou worden. Is dit zoo?

—Ja.

—Ik zie hem evenwel hier niet.

—Hij ligt in den wagen bij het lijk van den vermoorde.

—Welken dood moet hij sterven.

—Den marteldood.

—Is dat vast besloten?

—Ja.

—Zulk een terechtstelling kan ik niet bijwonen.

—Daarom heeft Intschu Tschuna, mijn vader u naar het Pueblo gebracht.

Waarom zijt gij hier gekomen? Waarom wilt gij iets zien, dat gij toch

niet kunt aanzien?

—Ik hoop, dat ik zijn terechtstelling kan bijwonen, zonder dat ik mij

met afgrijzen behoef af te wenden. Mijn godsdienst gebiedt mij, voor

Rattler te pleiten.

—Uw godsdienst? Was dat ook niet de zijne?

—Ja.

—Heeft hij naar de geboden der godsdienst gehandeld?

—Helaas neen.

—Dan is het ook volstrekt niet noodig hem naar die geboden te

behandelen. Uw en zijn godsdienst verbieden den moord en hij heeft toch

een moord bedreven, dus moet hij zijn straf ondergaan.

—Ik kan geen rekening houden met wat hij gedaan heeft, ik moet mijn

plicht vervullen, zonder naar de daden van anderen te vragen. Ik

verzoek u dus het vonnis te verzachten en dezen man een snellen dood te

laten sterven.

—Wat eenmaal besloten is, moet worden uitgevoerd!

—Bestaat er dus geen enkel middel om mijn wensch vervuld te krijgen?

Hij zag ernstig en nadenkend voor zich en antwoordde toen:

—Er is één middel.

—En dat is?

—Voor ik het mijn blanken broeder zeg, moet ik hem ernstig verzoeken

het niet in toepassing te brengen, daar dit hem zeer in de achting van

onze krijgers zou doen dalen.

—In hoeverre? is dit middel dan een onwaardig middel?

—Naar de begrippen der roode mannen, ja.

—Zeg het mij.

—Gij zoudt uw aanspraak op onze dankbaarheid moeten laten gelden.

—Maar dat doet geen fatsoenlijk mensch!

—Neen wij hebben ons leven aan u te danken, wilt gij u daarop beroepen

en mijn vader, Intschu Tschuna dwingen, uw wensch in overweging te

nemen?

—Wat zou ’t gevolg daarvan zijn?

—Wij zouden een nieuwe vergadering moeten beleggen en in die

vergadering zóó voor u moeten pleiten, dat onze krijgers de belooning

die gij eischt, goedkeuren. Maar dan zou alles, wat gij verder hebt

gedaan als van geen waarde worden beschouwd. Is deze Rattler zulk een

offer waard?

—Zeker niet.

—Mijn broeder hoort dat ik oprecht met hem spreek. Ik weet welke

gedachten en gevoelens in hem omgaan, maar mijn krijgers hebben geen

begrip van deze dingen. Een man, die dank eischt voor een bewezen

dienst, wordt door hen veracht. Moest Old-Shatterhand, die de grootste

en de beroemdste krijgsman der Apachen kan worden van ons heengaan,

omdat mijn krijgers hem zullen minachten?

Het was moeilijk hierop een antwoord te geven. Mijn hart gebood mij bij

mijn verzoek te blijven, mijn verstand, of beter gezegd, mijn trots

kwam daar tegen op. Winnetou begreep den tweestrijd in mijn binnenste

en zeide:

—Ik zal met Intschu Tschuna, mijn vader overleggen. Mijn broeder kan

hier een oogenblik wachten.

Hij ging.

—Begin geen dwaasheden, sir!—verzocht Sam;—gij vermoedt niet wat hier

op ’t spel staat, misschien wel uw leven.

—Er is geen sprake van.

—Zeker! Het is waar: de roodhuid veracht iedereen die dank eischt of

die maant aan wat men hem verschuldigd is. Hij doet dan, wat men van

hem vraagt, maar later wil hij dien persoon niet meer kennen. Wij

zouden dan vandaag nog heen moeten gaan en hebben de Kiowa’s voor ons,

wat dat beteekent, behoef ik u wel niet te zeggen.

Intschu Tschuna en Winnetou spraken een tijdlang zeer ernstig met

elkander, toen kwamen zij naar ons toe en de eerste zeide:

—Indien Kleki-Petra ons niet zooveel van uw geloof had gezegd, zou ik u

houden voor iemand, met wien ik niet wilde spreken. Nu evenwel kan ik

uw wensch billijken, maar mijn krijgers begrijpen dien niet en zullen u

daarom verachten.

—Ik handel ook in den geest van Kleki-Petra.

—Van hem?

—Ja, hij bezat immers hetzelfde geloof als ik en is in dit geloof

gestorven. Zijn godsdienst gebood hem zijn vijanden te vergeven. Geloof

mij hij zou het niet dulden, dat zijn moordenaar zulk een dood stierf.

—Meent gij dat in ernst?

—Ja, ik ben er van overtuigd.

Hij schudde het hoofd en zeide:

—Wat zijn die Christenen toch voor menschen! Of zij zijn slecht en dan

is hun slechtheid zoo groot, dat men ze niet kan begrijpen, of ze zijn

zóó goed en evenzoo onbegrijpelijk.

Hierop zag hij zijn zoon en deze wederkeerig hem in de oogen. Zij

begrepen elkander door deze blikken. Toen wendde Intschu Tschuna zich

weer tot mij, terwijl hij vroeg:

—Was deze moordenaar ook uw vijand?

—Ja.

—Hebt gij hem vergeven?

—Ja.

—Luister dan, naar wat ik u ga zeggen! Wij willen zien, of er nog een

sprankje goeds in hem is. Is dit het geval, dan zal ik beproeven, uw

wensch te vervullen, zonder dat het u schade doet. Zet u hier neer en

wacht af, wat er gebeurt. Als ik u een wenk geef, komt gij naar den

moordenaar toe en eischt van hem dat hij u om vergeving vraagt. Doet

hij dit, dan zal hij een haastigen dood sterven.

—Mag ik hem dit zeggen?

—Ja.

Intschu Tschuna keerde met Winnetou in den kring terug en wij gingen

zitten op de plaats, waar wij tot nu toe gestaan hadden.

—Ik had niet gedacht,—meende Sam,—dat de hoofdman op uw wensch zou

ingaan, gij staat zeer goed bij hem aangeschreven.

—Dat is de reden niet, er is een andere.

—Welke dan?

—Het is de invloed van Kleki-Petra, die zelfs nog na zijn dood zich

laat gelden. Deze roodhuiden hebben van het ware Christendom meer in

zich opgenomen, dan zij zelf vermoeden. Ik ben nieuwsgierig te weten,

wat nu zal gebeuren.

—Gij zult het meteen zien. Let op!

Nu werd een plank van den wagen weggenomen. Wij zagen, dat men een lang

voorwerp, dat iets op een koffer geleek en waarop een mensch was

vastgebonden aflaadde.

—Dat is een lijkkist,—meende Sam Hawkins,—uit holle boomstammen gemaakt

en met natgemaakte vellen overtrokken. Wanneer het leder droog wordt,

trekt het samen en de kist wordt daardoor luchtdicht gesloten.

Niet ver van de plaats, waar het zijdal in het hoofddal uitliep,

verhief zich een rots waarvoor een groote vierkante stapel steenen was

opgericht. Daarnaast lagen nog vele kleinere steenen, welke hier bijeen

waren gebracht. Naar dit vierkant werd de lijkkist gedragen, met den

man, die daarop was vastgebonden. Deze man was Rattler.

—Weet ge waartoe men daar die steenen heeft bijeengebracht?—vroeg Sam.

—Ik geloof het wel.

—Waartoe dan?

—Men wil daarvan het graf bouwen.

—Juist, een dubbel graf.

—Voor Rattler meteen?

—Ja, de moordenaar wordt tegelijk met zijn slachtoffer begraven, wat

eigenlijk altijd moest gebeuren, als het mogelijk was.

—Verschrikkelijk! Levend aan de kist van den vermoorde gebonden te zijn

en te weten dat dit ook meteen de eigen, laatste rustplaats is!

—Ik geloof warempel, dat gij medelijden met dezen kerel gaat hebben.

Dat gij voor hem om genade hebt gevraagd, kan ik mij begrijpen, maar

dat ge medelijden met hem hebt, gaat mijn verstand te boven.

Nu werd de lijkkist omhoog gezet, zóó dat Rattler op zijn voeten kwam

te staan. Men bond nu beide, de kist en den man, met sterke riemen aan

den steenen muur vast. De roodhuiden, vrouwen en kinderen zoowel als

mannen, naderden en vormden een kring er omheen. Er heerschte een diepe

stilte. Winnetou en Intschu Tschuna stonden naast de kist, de een

rechts, de andere links. Nu verhief de hoofdman zijn stem en sprak:

—De krijgers der Apachen zijn hier bijeen gekomen om vonnis te vellen,

want het volk der Apachen heeft een groot verlies geleden door den dood

van Kleki-Petra en de schuldige zal met zijn leven daarvoor boeten.

Intschu Tschuna schilderde nu op Indiaansche bloemrijke wijze het leven

en werken van Kleki-Petra en vertelde uitvoerig hoe de moord zich had

toegedragen. Hij sprak over de gevangenneming van Rattler en maakte ten

slotte bekend, dat dezen nu ter dood zou worden gebracht en dan

tegelijk met den vermoorden zou worden begraven. Hierop zag hij mij aan

en gaf mij den afgesproken wenk.

Wij stonden op en werden in den kring opgenomen. Van te voren had ik,

wegens den grooten afstand, den veroordeelde niet duidelijk kunnen

zien, nu stond ik voor hem en gevoelde, hoe slecht en goddeloos hij ook

was geweest, diep medelijden.

De kist was zwaar en meer dan vijf el lang. Zij geleek op een dikken

boomstam, die men met leer had overtrokken. Rattler was zóó met den rug

op deze kist vastgebonden, dat zijn armen naar achteren lagen en zijn

beenen van elkaar stonden. Men kon hem aanzien, dat hij noch honger,

noch dorst had geleden. Hij had een prop in den mond en kon dus niet

spreken. Ook zijn hoofd was zoo vastgebonden, dat hij het niet kon

bewegen. Toen ik naderbij kwam, nam Intschu Tschuna hem de prop uit den

mond en zeide tot mij:

—Mijn blanke broeder heeft met dezen moordenaar willen spreken. Het kan

geschieden.

Rattler zag, dat ik vrij was en kon dus dadelijk opmaken, dat ik

vriendschap had gesloten met de Indianen. Ik had daarom verwacht, dat

hij mij zou hebben verzocht een goed woordje voor hem te doen. In

plaats daarvan echter, begon hij zoodra de prop uit zijn mond was

verwijderd, op giftigen toon tegen mij:

—Wat wilt gij? Maak dat ge weg komt, ik wil niets met u te maken

hebben.

—Gij hebt gehoord dat gij ter dood veroordeeld zijt, Mr.

Rattler,—antwoordde ik kalm,—daaraan valt niets te veranderen, gij moet

sterven, maar ik wil toch....

—Ga weg, hond, ga weg!—viel hij mij in de rede, terwijl hij trachtte op

mij te spuwen.

—Sterven moet gij dus,—ging ik bedaard voort,—doch op welke wijze dat

hangt van u af. Gij zult doodgemarteld worden, dat wil zeggen, men zal

u pijnigen, vandaag misschien ook morgen nog, den ganschen, langen dag.

Dat is vreeselijk en ik kan het niet aanzien. Op mijn verzoek heeft

Intschu Tschuna zich bereid verklaard, u snel te laten ter dood

brengen, indien gij de voorwaarde vervult, welke hij heeft gesteld.

Ik hield even op, want ik dacht, dat hij mij naar deze voorwaarde zou

vragen. In plaats daarvan evenwel slingerde hij mij een vloek naar het

hoofd, welke ik onmogelijk hier weer kan geven.

—De voorwaarde is deze: dat gij mij om vergiffenis vraagt,—verklaarde

ik.

—Om vergeving? U om vergeving vragen?—schreeuwde hij.—Liever bijt ik

mij de tong af en duld ik alle kwalen, welke deze schurken kunnen

uitdenken!

—Let wel op, Mr. Rattler, ik ben het niet, die deze voorwaarde heb

gesteld. Intschu Tschuna heeft het gewild en ik moet u zijn boodschap

overbrengen; denk toch, in welk een toestand gij u bevindt, er wacht u

iets verschrikkelijks, een langzame pijnlijke dood, dien gij kunt

voorkomen, door het ééne woord „vergeving” uit te spreken.

—Ik denk er niet aan, nooit, nooit doe ik dat. Maak dat gij weg komt,

ik kan uw schurkengezicht niet zien, loop naar den duivel voor mijn

part.

—Als ik u dit genoegen doe en heenga, is het voor u te laat, ik kom dan

niet weer. Wees dus verstandig en zeg dit eene woord!

—Neen, neen, neen!—brulde hij.

—Ik verzoek er u om!

—Weg, weg zeg ik! Hel en hemel, waarom ben ik gebonden! Had ik de

handen vrij, ik zou u den weg wijzen!

—Welnu, gij zult uw zin hebben, maar ik zeg u, dat ik niet terugkom,

als gij mij later roept!

—Ik u roepen? u, u! Verbeeld u dat maar niet. Pak u weg!

—Ik zal gaan, maar vooraf nog deze vraag: hebt gij nog een wensch? Ik

zal trachten dien te vervullen. Een groet aan iemand? Hebt gij

bloedverwanten, die ik bericht kan zenden?

—Loop naar de hel en zeg daar, dat gij een groote schurk zijt. Gij hebt

gemeene zaak gemaakt met de roodhuiden en mij in hun handen

overgeleverd. Daarvoor moge....

—Gij vergist u,—viel ik hem in de rede,—dus, gij hebt geen enkelen

wensch meer vóór uw dood?

—Slechts deze, dat gij mij spoedig zult volgen.

—Goed, dan zijn wij klaar, en, ik heb niets meer te doen dan u, als

Christen den raad te geven: ga niet heen in zonde, maar denk aan uw

daden en aan de vergelding, welke u aan gene zijde van het graf wacht!

Wat hij hierop antwoordde, kan ik wederom niet zeggen, er liep mij een

ijskoude rilling over den rug bij zijn woorden. Intschu Tschuna nam mij

bij de hand en leidde mij weg, terwijl hij zeide:

—Mijn jonge, blanke broeder ziet, dat deze moordenaar geen voorspraak

verdient; hij noemt zich Christen, gij noemt ons heidenen, maar zou een

roode krijgsman ooit zulke woorden spreken?

Ik antwoordde niet, wat zou ik ook hebben kunnen zeggen? Dit gedrag van

Rattler had ik niet verwacht. Hij was vroeger altijd zoo laf en

vreesachtig, had werkelijk gebeefd, als er gesproken werd over de

martelpalen der Indianen en nu deed hij, alsof hij niets gaf om alle

pijnen der wereld.

—Dat is geen moed van hem,—zeide Sam,—maar woede, enkel woede.

—Waarover?

—Wel over u. Hij meent, dat gij er de schuld van zijt, dat hij in den

handen der roodhuiden is gevallen. Hij heeft u niet gezien sedert den

dag, waarop wij gevangen zijn genomen, nu ziet hij dat gij en wij vrij

zijn, de roodhuiden zijn vriendelijk tegen ons, terwijl hij sterven

moet. Nu meent hij dat wij valsch spel hebben gespeeld. Maar wacht

maar, straks als de martelingen beginnen, zal hij wel anders piepen,

let er maar op wat ik zeg!

De Apachen lieten ons niet wachten op het begin van dit treurige

schouwspel. Ik was eigenlijk van plan mij te verwijderen, maar ik had

zooiets nooit eerder gezien en besloot te blijven, zoolang het mij

mogelijk was. De toeschouwers gingen zitten. Verscheidene jonge

krijgers traden naar voren met messen in de handen en bleven op een

afstand van ongeveer vijftien pas van Rattler staan. Zij wierpen met

hun messen naar hem maar zorgden er wel voor, hem niet te treffen, de

klingen kwamen allen terecht in de kist, waarop hij was vastgebonden.

Het eerste mes zat links, het tweede rechts van zijn voet, beide

volgende werden iets hooger gemikt en zoo ging het voort, tot zijn

beide beenen door vier rijen messen dicht waren ingesloten.

Tot nu toe had hij zich kalm gehouden. Nu echter zweefden de messen al

hooger en hooger, want nu moest de geheele omtrek van zijn lichaam door

messen worden afgezet. Nu werd hij angstig. Zoodra een mes kwam

aangevlogen, stiet hij een angstkreet uit en deze kreten werden hoe

langer hoe luider naarmate de Indianen hooger mikten. Toen nu ook zijn

bovenlichaam tusschen louter messen inzat, kwam de beurt aan het hoofd.

Het eerste mes vloog rechts van zijn hals in de kist, het tweede links

en zoo ging het voort, totdat er geen plaats meer over was. Nu werden

alle messen er weer uitgetrokken. Dit was slechts een voorspel geweest,

uitgevoerd door jongelieden, die eens wilden toonen, dat zij geleerd

hadden kalm te mikken en zeker te treffen. Zij zochten hun plaatsen

weder op en gingen zitten.

Hierop wees Intschu Tschuna oudere mannen aan, die op dertig pas

afstands zouden werpen. Toen de eerste daarvoor gereedstond, trad het

opperhoofd op Rattler toe, wees op zijn bovenarm en zeide:

—Hier treffen.

Het mes werd geworpen, trof nauwkeurig het aangewezen punt en vloog, de

spier doorsnijdend, in het deksel van de kist. Dat was dus ernst.

Rattler voelde de pijn en begon te schreeuwen, alsof het reeds om zijn

leven ging. Het tweede mes doorsneed de spier van den anderen arm en

het gehuil werd nog luider. De derde en vierde worp waren op den

bovenarm gericht en troffen ook daar juist het punt, dat de aanvoerder

elken keer vooraf aanwees. Men zag geen bloed vloeien, daar Rattler

niet ontkleed was en de Indianen nu nog alleen de plaatsen mochten

treffen, waar de verwonding geen gevaar voor het leven opleverde.

Misschien had Rattler in ’t eerst gemeend, dat het wel niet zoo erg met

hem zou afloopen, nu evenwel moest hij inzien, dat het er slecht voor

hem uitzag. Hij kreeg nog messen in de benedenarmen en in de kuiten en

huilde nu aan één stuk door.

De toeschouwers bromden en sisten en gaven op verschillende andere

wijzen hun minachting te kennen. Een Indiaan, die aan den martelpaal is

gebonden, gedraagt zich geheel anders. Zoodra het tooneel, dat met zijn

dood zal eindigen, een aanvang neemt, heft hij zijn doodszang aan, in

welken hij zijn daden prijst en degenen, die hem martelen, hoont. Hoe

smartelijker de pijnen zijn welke men hem aandoet, des te grooter zijn

de beleedigingen, welke hij hen naar het hoofd werpt, maar nooit zal

hij een klacht of kreet van pijn laten hooren. Is hij dan dood, dan

verkondigen zijn vijanden zijn roem en begraven hem met Indiaansche

eerbewijzen. Het is dan voor hen ook een eer geweest hun hulp te

verleenen bij zulk een roemvollen dood.

Iets geheel anders is het bij den lafaard, die bij de geringste wonde

schreeuwt of huilt of om genade roept. Hem te martelen is geen eer,

maar bijna een schande, daarom is er geen dapper krijgsman te vinden,

die zich verder met hem bezig wil houden en hij wordt doodgeslagen of

op de een of andere eerlooze wijze ter dood gebracht. Zulk een lafaard

was Rattler. Zijn wonden waren gering en nog niet gevaarlijk, zij

mochten hem een weinig zeer doen, maar van eigenlijke pijnen was geen

sprake. Toch huilde en raasde hij, alsof hij helsche pijnen doorstond

en brulde daarbij telkens mijn naam alsof hij mij uitdaagde bij hem te

komen. Nu liet Intschu Tschuna even een pauze houden en zeide tot mij:

—Mijn jonge broeder mag tot hem gaan en hem vragen, waarom hij zoo

schreeuwt. De messen kunnen hem tot nu toe, nog niet veel pijn hebben

veroorzaakt.

—Ja, kom hier sir, kom hier, ik moet u spreken,—riep Rattler. Ik ging

naar hem toe en vroeg:

—Wat wilt gij nu van mij?

—Trek mij die messen uit de armen en beenen!

—Dat mag ik niet doen!

—Maar ik zal sterven, wie kan dit verdragen!

—Hebt gij dan een oogenblik gemeend, dat gij zoudt blijven leven?

—Maar gij leeft toch ook?

—Ik heb niemand vermoord.

—Kan ik het helpen, dat ik dit gedaan heb? Gij weet immers wel, dat ik

dronken was?

—De daad blijft er dezelfde om, ik heb u zoo dikwijls voor den

brandewijn gewaarschuwd! Gij luisterdet niet naar mij en moet nu de

gevolgen dragen!

—Gij zijt een hardvochtig en gevoelloos mensch, doe dan ten minste een

goed woord voor mij!

—Dat heb ik gedaan. Vraag mij vergiffenis en gij zult een spoedigen

dood sterven en niet langzaam worden doodgemarteld.

—Sterven! ik wil niet sterven, ik wil leven!

—Dat is onmogelijk!

—Onmogelijk? is er dan geen uitkomst?

—Neen.

—Geen uitkomst.... geen uitkomst!—gilde hij uit alle macht en daarop

begon hij zoo jammerlijk te klagen en te huilen dat ik het niet langer

kon uithouden en mij verwijderde.

—Blijf toch hier, sir, blijf toch hier!—schreeuwde hij mij na,—anders

beginnen zij weer van voren af aan.

Nu ging het opperhoofd naar hem toe.

—Huil niet langer, hond!—zeide hij,—gij zijt niet waard, dat een

krijgsman u met zijn wapen aanraakt!—En zich tot zijn mannen wendend,

ging hij voort:

—Wie van de zonen der dappere Apachen wil zich nog met dezen lafaard

afgeven?

Niemand antwoordde.

—Dus niemand?

Wederom hetzelfde zwijgen.

—Oef! Deze moordenaar is niet waard door ons gedood te worden. Hij zal

ook niet met Kleki-Petra begraven worden. Hoe kan zulk een padde naast

een zwaan in de eeuwige jachtvelden verschijnen. Snijdt hem los.

Hij gaf een wenk aan twee kleine knapen. Deze sprongen op, trokken hem

de messen uit de ledematen en sneden hem los van de lijkkist.

—Bind hem de handen op den rug!—beval de hoofdman verder.

De knapen die niet ouder dan tien jaar waren, deden dit en Rattler

verzette zich geen oogenblik.

Welke een schande! Ik schaamde mij bijkans een blanke te zijn.

—Leidt hem naar de rivier en jaagt hem in ’t water!—luidde het

bevel,—slaagt hij er in den anderen oever te bereiken, dan is hij vrij!

Rattler uitte een kreet van vreugde en liet zich gewillig door de

knapen naar de rivier brengen. Zij gaven hem ook werkelijk een duw,

want hij bezat zelfs niet eens zooveel eergevoel om er zelf in te

springen. Hij dook even onder, maar kwam weldra weer boven en deed zijn

best op den rug zwemmend vooruit te komen, wat hem vrij goed gelukte,

hoewel de handen hem waren gebonden. De mensch zinkt door zijn minder

soortelijk gewicht in ’t water niet naar beneden en hij had zijn beenen

vrij, hij kon zich dus voortbewegen.

Zou hij den tegenoverliggenden oever bereiken? Ik hoopte van niet. Hij

had den dood verdiend, liet men hem leven en ontkomen dan was men zelf

medeplichtig aan de misdaden, welke hij in ’t vervolg zou begaan. De

beide knapen stonden nog aan den oever en sloegen hem nauwlettend gade.

Nu gaf Intschu Tschuna het bevel:

—Neemt uw geweren en schiet hem in den kop!

Zij liepen onmiddellijk naar de plaats, waar eenigen der krijgers hun

geweren hadden neergelegd en namen er ieder een van mee. Deze kleine

jongens wisten reeds goed met zulk een wapen om te gaan. Op de knieën

liggend, mikten zij nu op Rattler’s hoofd.

—Niet schieten, om Gods wil, niet schieten!—gilde deze ontzet.

De knapen sloegen geen acht op zijn woorden, zij behandelden de zaak

als kleine sportsmen en lieten hem eerst weer kalm verder zwemmen, wat

de aanvoerder stilzwijgend toeliet. Blijkbaar was hij volkomen

overtuigd, dat zij hun tijd wel zouden kiezen. Eensklaps knalden twee

schoten en weerklonk een luide kreet. Rattler was in het hoofd

getroffen en verdween oogenblikkelijk in de diepte. Geen jubelkreet

weerklonk, zooals het anders de gewoonte der roodhuiden is bij den dood

eens vijands. Zulk een lafaard was niet waard, dat men zich om hem

bekommerde en zijn lijk dreef stroomafwaarts, zonder dat iemand er naar

omzag. Hij kon immers ook slechts gewond, in plaats van doodgeschoten

zijn, ja, hij kon gedaan hebben, alsof hij getroffen was en evenals ik,

ondergedoken zijn, om op een andere plaats weer boven te komen. Zij

achtten het evenwel niet der moeite waard, dit te onderzoeken.

Intschu Tschuna kwam naar mij toe en vroeg:

—Is mijn jonge, blanke broeder nu over mij tevreden?

—Ja, ik dank u!

—Gij hebt geen reden om mij te danken. Ook al had ik uw wensch niet

gekend, dan nog zou ik zoo en niet anders hebben gehandeld. Deze hond

was niet waard den marteldood te ondergaan. Vandaag hebt gij het

onderscheid gezien tusschen ons, heidenen en gij, Christenen, tusschen

dappere roode krijgers en blanke lafaards. De bleekgezichten zijn in

staat tot alle kwaad, maar wanneer het er op aankomt moed te toonen,

huilen zij van angst als honden die een pak slaag krijgen.

—De hoofdman der Apachen moet niet vergeten dat er overal dappere en

laffe, goede en slechte menschen zijn.

—Gij hebt gelijk en ik wilde u niet beleedigen, maar dan mag uw volk

ook niet denken, dat het beter is dan een ander, omdat dit niet

dezelfde huidkleur heeft.

Om hem af te leiden, vroeg ik:

—Wat zullen de krijgers der Apachen nu doen? Kleki-Petra begraven?

—Ja.

—Mag ik met mijn kameraden deze plechtigheid bijwonen?

—Ja, als gij er niet om gevraagd hadt, zou ik er u om verzocht hebben.

Gij hebt destijds, toen wij heengingen om onze paarden te halen met

Kleki-Petra gesproken. Was dit slechts een gewoon gesprek?

—Neen, integendeel, een zeer ernstig en voor hem en mij een zeer

gewichtig onderhoud. Mag ik u vertellen waarover wij gesproken hebben?

Winnetou was intusschen bij ons gekomen.

—Ja, vertel het—zeide hij.

—Toen gij weg waart gingen wij bij elkander zitten. Wij bemerkten

weldra dat wij één vaderland hadden en spraken dus met elkander in onze

moedertaal. Hij had veel beleefd en veel geleden en vertelde mij dit.

Hij zeide mij ook, hoe lief hij u had en dat het zijn grootste wensch

was, voor Winnetou te mogen sterven. De Groote Geest vervulde dezen

wensch reeds eenige minuten daarna.

—Waarom wilde hij voor mij sterven?

—Omdat hij u liefhad en ook nog om een andere reden, die ik u later wel

eens zal vertellen. Zijn dood moest een soort van boetedoening zijn.

—Toen hij stervend in mijn armen lag, sprak hij tot u in een taal,

welke ik niet verstond, welke taal was dat?

—Onze moedertaal!

—Sprak hij toen ook over mij?

—Ja.

—Wat zeide hij?

—Hij verzocht mij, u trouw te blijven.

—Mij.... trouw.... te.... blijven? Gij kendet mij immers nauwelijks.

—Ik kende u, want ik had u gezien en wie Winnetou ziet, die weet wie

hij is en bovendien, hij had mij immers over u gesproken?

—Wat antwoorddet gij hem?

—Ik beloofde hem zijn wensch te vervullen.

—Het was de laatste wensch die hij kon uitspreken. Gij hebt hem beloofd

mij trouw te zijn, hebt mij behoed, bewaakt en gespaard, terwijl ik u

als mijn vijand vervolgde. De messteek dien ik u gaf, zou voor ieder

ander doodelijk zijn geweest, uw sterk lichaam heeft u gered. Ik ben

voor altijd uw schuldenaar. Wees mijn vriend.

—Dat ben ik reeds lang.

—Mijn broeder dan.

—Van ganscher harte.

—Wij zullen dit verbond bekrachtigen bij het graf van hem, die mijn

ziel aan u heeft toevertrouwd! Een edel bleekgezicht is ons ontnomen

geworden en heeft ons bij zijn sterven een ander edel man aangewezen.

Mijn bloed zal uw bloed en uw bloed mijn bloed zijn. Ik zal het uwe

drinken en gij het mijne. Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen,

mijn vader en opvoeder, zal mij dat zeker toestaan.

Intschu Tschuna reikte ons beiden de hand en zeide op hartelijken toon:

—Ik sta dit gaarne toe. Gij zult niet alleen broeders zijn, maar één

man en krijgsman met twee lichamen. Howgh!

Wij begaven ons naar de plaats, waar het graf zou worden opgericht. Ik

vroeg naar de maat, de bouworde en de hoogte daarvan en verzocht toen

om eenige tomahawks. Hierop ging ik met Sam, Dick Stone en Will Parker

langs de rivier naar het bosch, waar wij hout zochten en met behulp van

deze tomahawks een kruis timmerden. Toen wij daarmee naar de

legerplaats terugkeerden, waren de begrafenisplechtigheden reeds

begonnen. De roodhuiden hadden zich neergezet rondom het bouwwerk dat

reeds bijna voltooid was en zongen hun eentonigen, eigenaardigen

lijkzang. Dit doffe, sombere gezang werd nu en dan overstemd door een

schrillen kreet, welke als een bliksemstraal uit duistere wolken

neerviel.

Een twaalftal Indianen waren onder leiding van de beide opperhoofden

bezig met bouwen en tusschen hen en de klagende schare danste in groote

sprongen, een zonderlinge, met allerlei voorwerpen behangen gedaante

heen en weer.

—Wat is dat?—vroeg ik.—De medicijnman?

—Ja,—antwoordde Sam.

—Indiaansche gebruiken bij de begrafenis van een Christen! Wat zegt gij

daar wel van, Sam?

—Vindt gij dat niet goed?

—Eigenlijk niet.

—Laat dat kalm zijn gang gaan, sir. Zeg er niets van. Gij zoudt de

Apachen vreeselijk beleedigen.

—Maar dit comediespel staat mij tegen, meer dan gij denkt!

—’t Is niet zoo slecht gemeend. Meent gij misschien dat dit heidensche

gebruiken zijn?

—Natuurlijk!

—Wel neen! Deze brave lieden gelooven aan een Grooten Geest, tot wien

de gestorven leeraar en vriend is heengegaan. Zij houden de

begrafenisplechtigheden op hun eigenaardige wijze en alles, wat de

medicijnman doet, heeft een symbolische beteekenis. Laat hen dus hun

gang gaan. Zij zullen ons ook niet beletten het graf met ons kruis te

versieren.

Het bleek dat hij gelijk had, want toen wij het naast de lijkkist

neerlegden, vroeg Winnetou mij:

—Zal dit teeken des Christendoms op de steenen worden gelegd?

—Ja.

—Dat is goed, ik zou mijn broeder Old-Shatterhand anders hebben

verzocht een kruis te maken, want Kleki-Petra had er in zijn woning een

en bad dagelijks daarvoor. Dit teeken van zijn geloof moet dus ook op

zijn graf prijken. Waar zal het staan? Gij kunt beslissen!

—Boven op het monument.

—Zooals bij de groote, hooge huizen dus, in welke de Christenen tot den

Goeden Geest bidden? Ik zal het zoo laten plaatsen, gelijk gij het wilt

hebben. Gaat hier zitten en ziet toe of wij het goed doen.

Na enkele minuten was het graf voltooid en ons kruis werd er bovenop

geplaatst.

In het bouwwerk was een opening, bestemd voor de lijkkist, welke nu nog

bij de rivier stond. Nu zagen wij Nscho-Tschi aankomen. Zij was naar

het Pueblo geweest, om twee uit klei gebakken schalen te halen, waarmee

zij naar de rivier ging om ze te vullen. Toen zij dit gedaan had, kwam

zij bij ons en plaatste ze op de lijkkist; waartoe, dat zou ik spoedig

vernemen.

Alle voorbereidselen voor de plechtigheden waren nu gemaakt. Intschu

Tschuna gaf met de hand een teeken, het gezang verstomde, de

medicijnman ging op de hurken zitten. Langzaam op een plechtigen toon

begon het opperhoofd:

—De zon gaat des morgens in het Oosten op en zinkt des avonds in het

Westen neer, in het voorjaar ontwaakt de natuur tot nieuw leven, om in

den winter weer in te slapen. Zoo gaat het ook met den mensch! Is het

niet zoo?

—Howgh!—klonk het somber uit aller mond.

—De mensch gaat op als de zon en zinkt neer in het graf. Hij ontwaakt

als het voorjaar en gaat ter ruste als de winter. Maar wanneer de zon

is ondergegaan, verschijnt zij den volgenden morgen opnieuw en wanneer

de winter ten einde is, komt weer het voorjaar. Is het zoo?

—Howgh!

—Zoo heeft Kleki-Petra het ons geleerd. De mensch wordt in het graf

gelegd, maar hij staat aan gene zijde van het graf weer op als een

nieuwe dag en als een nieuwe lente, om in het land van den Grooten,

Goeden Geest voort te leven. Dit heeft Kleki-Petra ons geleerd en nu

weet hij, of hij waarheid heeft gesproken, want hij is verdwenen als de

dag en als de winter en zijn ziel ging in, tot de woning der

afgestorvenen, naar wie hij altijd verlangde. Is het zoo?

—Howgh!

—Zijn geloof was niet het onze en het onze was niet het zijne. Wij

hebben onze vrienden lief en haten onze vijanden, hij echter leerde,

dat men ook zijn vijanden moest liefhebben, omdat ook zij onze broeders

waren. Dit wilden wij niet gelooven, maar zoo dikwijls als wij naar

zijn woorden luisterden, zijn zij ons ten zegen geworden. Daarop

vervolgde hij:

Misschien is zijn geloof toch ook het onze, maar konden wij het alleen

niet goed vatten. Wij zeggen, dat onze zielen naar de eeuwige

jachtvelden gaan; hij beweerde, dat de zijne eens zou ingaan tot de

eeuwige zaligheid. Dikwijls denk ik, dat onze jachtvelden hetzelfde

zijn als de eeuwige zaligheid. Is het zoo?

—Howgh!

—Meermalen vertelde hij ons van den Verlosser, die gekomen was om alle

menschen zalig te maken. Wij hebben zijn woorden geloofd, want nooit

hebben wij hem op een leugen betrapt. Deze Verlosser is gekomen voor

alle menschen, zou hij ook komen voor de roode mannen? Als hij kwam,

zouden wij hem welkom heeten, want wij worden door de bleekgezichten

onderdrukt en uitgeroeid en wij verlangen naar zijn komst. Is het niet

zoo?

—Howgh!

—Dat was zijn leer. Laat mij nu spreken over zijn dood. De slag kwam

plotseling en onverwacht, want even van te voren stond hij nog krachtig

en gezond aan onze zijde. Hij was op het punt te paard te stijgen en

met ons terug te keeren, toen hem de kogel van den moordenaar trof.

Mijn broeders en zusters mogen zijn treurig einde beklagen!

Nu weerklonk rondom een weeklagen, dat steeds sterker en luider werd en

in een doordringend gehuil eindigde.

Toen vervolgde het opperhoofd:

—Wij hebben zijn dood gewroken, maar de ziel van den moordenaar zal hem

niet dienen aan gene zijde van het graf, want zij was te laf om hem in

den dood te volgen. De schurftige hond, wien zij toebehoorde is door

kinderen doodgeschoten en zijn lijk drijft stroomafwaarts! Is het zoo?

—Howgh!

—Nu is onze vriend heengegaan, zijn lichaam evenwel is hier gebleven en

wij willen een gedenkteeken voor hem oprichten, opdat wij en onze

nakomelingen steeds zullen worden herinnerd aan den goeden, blanken

vader, dien wij zoo lief hebben gehad. Hij was niet in dit land

geboren, maar kwam uit een ver rijk, dat aan de overzijde van het

groote water ligt en dat men herkent aan de vele eiken, die er groeien.

Daarom hebben wij ter zijner eer, eikels verzameld om ze op zijn graf

te zaaien. Evenals zij zullen ontkiemen en groeien, zoo zal zijn ziel

ook uit het graf opstaan en zich verder volmaken. En zooals deze eikels

zullen opgroeien, zoo zullen ook de woorden welke wij van hem hebben

gehoord, in onze harten wortel schieten. Hij heeft steeds aan ons

gedacht en voor ons gezorgd. Hij is ook niet van ons heengegaan, zonder

ons een bleekgezicht te zenden, die in zijn plaats, onze vriend en

broeder wil zijn. Hier ziet ge Old-Shatterhand, den blanken man, die

uit hetzelfde land komt, als Kleki-Petra. Hij weet alles, wat deze

wist, en is een nog beter krijgsman dan hij was. Hij heeft den

Grizzlybeer met zijn mes doorstoken en slaat iederen vijand met zijn

vuist ter aarde. Intschu Tschuna en Winnetou waren herhaalde malen in

zijn macht, maar hij heeft hen niet willen dooden en hen het leven

gelaten, omdat hij een vriend der roodhuiden is. Is het zoo?

—Howgh!

—Het is Kleki-Petra’s laatste woord en laatste wensch geweest, dat

Old-Shatterhand zijn opvolger zou zijn bij de krijgers der Apachen en

Old-Shatterhand heeft hem beloofd, dezen wensch te zullen vervullen.

Daarom zal hij worden opgenomen in den stam der Apachen en als

opperhoofd worden aangesteld. Het zal zijn, alsof hij evenals wij, met

een roode huid ware geboren; opdat dit van kracht zou zijn, zou hij met

elken volwassen krijgsman der Apachen, het calumet moeten rooken, maar

dit is onnoodig want hij zal Winnetou’s bloed drinken en deze

wederkeerig het zijne, dan is hij bloed van ons bloed en vleesch van

ons vleesch. Vinden de krijgers der Apachen dit goed?

—Howgh, howgh, howgh!—klonk het driemaal op verheugden toon.

—Dan kunnen Old-Shatterhand en Winnetou naderbij komen en broederschap

drinken.

Een bloedbroederschap dus waarvan ik zoo dikwijls gelezen had! Zij komt

bij vele wilde of halfwilde volken voor en wordt daardoor gesloten, dat

beide partijen enkele droppels van elkanders bloed drinken, zij zijn

voortaan vaster en inniger aan elkaar gehecht, dan wanneer zij van

geboorte broeders waren geweest.

Winnetou en ik plaatsten ons aan weerszijden van de kist en Intschu

Tschuna ontblootte den arm van zijn zoon om hem met een mes een kleine

wonde toe te brengen. De enkele bloeddruppels, welke daaruit vloeiden,

werden in een schaal met water opgevangen. Toen onderging ik dezelfde

operatie en eenige druppels van mijn bloed vielen in een andere schaal.

Winnetou kreeg deze, ik de andere in de hand. Nu sprak Intschu Tschuna.

—De ziel leeft in het bloed. De zielen dezer beide jonge krijgers mogen

in elkander overgaan, opdat zij een enkele ziel vormen. Wat

Old-Shatterhand denkt, zal ook Winnetou’s gedachte zijn en wat Winnetou

denkt, zij ook Old-Shatterhands wil. Drinkt!

Ik ledigde mijn schaal en Winnetou de zijne. Aangezien in het water

slechts enkele droppels bloed waren gemengd proefde men dit volstrekt

niet. Daarop reikte het opperhoofd mij de hand en zeide:

—Gij zijt nu even als Winnetou mijn zoon, een krijgsman van ons volk.

De roem van uw daden zal weldra overal bekend zijn en geen ander

krijgsman zal u overtreffen. Gij zult voortaan een opperhoofd der

Apachen zijn en alle stammen van ons volk zullen u als zoodanig

erkennen!

Dat was een snelle promotie! Nog kort geleden was ik huisonderwijzer in

St. Louis, daarna landmeter en nu reeds opperhoofd van een wilden

volksstam! Ik moet evenwel bekennen, dat deze wilden mij beter

bevielen, dan de blanken, met wie ik in den laatsten tijd te doen had

gehad.

Terwijl Intschu Tschuna zijn rede eindigde, waren alle Apachen

opgestaan en hieven een luid Howgh! aan. Toen zeide Intschu Tschuna

nog:

—Nu is de nieuwe, de levende Kleki-Petra bij ons en wij kunnen den

doode dus ter ruste brengen. Mijn broeders mogen dit nu doen.

Hij gaf een wenk aan de mannen, die het grafmonument hadden gebouwd. Ik

verzocht een oogenblik uitstel en riep Hawkins, Stone en Parker. Toen

zij naast mij stonden, sprak ik enkele woorden bij de kist en eindigde

met een kort gebed. Nu werd het overblijfsel van den vroegeren

revolutionnair en lateren boeteling in het binnenste van het grafgewelf

geschoven en begonnen de Roodhuiden de opening dicht te maken. Dit was

mijn eerste lijkplechtigheid onder de wilden.

Zij heeft mij diep getroffen. Ik wil geen oordeel uitspreken over de

beschouwingen, welke Intschu Tschuna daarbij ten beste gaf. Er was veel

waars en onwaars in, maar uit alles klonk toch een begeerte naar een

verlossing, welke hij meende, dat van buiten zou komen, terwijl zij

toch alleen een innerlijke, een geestelijke zijn kan.

Terwijl het graf gesloten werd, weerklonken wederom de lijkzangen der

Indianen en eerst toen de laatste steen was ingemetseld, kon de

plechtigheid als geëindigd worden beschouwd en ging ieder zijns weegs.

Intschu Tschuna noodigde mij uit het middagmaal met hem te gebruiken.

Hij bewoonde het grootste vertrek der reeds zooeven genoemde étage. Het

zag er zeer eenvoudig uit, alleen aan de wanden hing een rijke

verzameling van Indiaansche wapenen welke in de hoogste mate mijn

belangstelling opwekte. Nscho-Tschi bediende ons, dat wil zeggen, haar

vader, Winnetou en mij, en ik bemerkte dat zij een meesteres was op het

punt van Indiaansche kookkunst.

Er werd weinig, ja bijna in het geheel niet gesproken. De Roodhuid

zwijgt gaarne en vandaag was er reeds zooveel gesproken, dat men alles,

wat nog te bespreken viel, liever voor later bewaarde. De schemering

was reeds gevallen, toen het maal geëindigd was.

—Wil mijn blanke broeder rusten of met mij gaan?—vroeg mij Winnetou.

—Ik ga mee,—antwoordde ik zonder te vragen, waar hij heen ging.

Wij daalden het Pueblo af en gingen naar de rivier. Ik had niet anders

verwacht. Een zoo fijn besnaarde natuur als Winnetou moest behoefte

gevoelen een bedevaart te doen naar het graf van den gestorven vriend

en leermeester. Daar aangekomen, gingen wij naast elkander zitten.

Winnetou nam mijn hand in de zijne, zonder een woord te zeggen en ik

vond geen aanleiding zijn zwijgen te onderbreken.

Noodzakelijk is het hier op te merken, dat niet alle Apachen, die ik

tot nu toe had gezien, in het Pueblo woonden. Dit zou daartoe ook veel

te klein zijn. Het werd enkel bewoond door Intschu Tschuna en zijn

voornaamste krijgers met hun gezinnen en was het middelpunt voor de met

hun kudden rondtrekkende onderhoorigen van den stam der

Mescalero-Apachen. Van hieruit regeerde het opperhoofd en van hieruit

ondernam hij ook de verre tochten naar de andere stammen, die hem als

hun oppersten hoofdman erkenden. Dit waren de Llanero’s, de Farkones en

de anderen.

De Mescalero’s die niet in het Pueblo thuis behoorden, hadden zich na

de begrafenis verwijderd en er waren alleen zooveel achtergebleven als

noodig waren om toezicht te houden op de van de Kiowa’s ontvangen

paarden, die in de nabijheid graasden. Daarom zat ik nu met Winnetou

alleen en onopgemerkt bij het graf van Kleki-Petra.

Eindelijk verbrak Winnetou het stilzwijgen door te zeggen:

—Zal mijn broeder Old-Shatterhand ooit kunnen vergeten dat wij zijn

vijanden zijn geweest?

—Het is reeds vergeten,—antwoordde ik.

—Maar één ding zult ge niet kunnen vergeven.

—En dat is?

—De beleediging welke mijn vader u heeft aangedaan.

—Wanneer?

—Toen wij u voor ’t eerst ontmoetten.

—O, dat hij mij in ’t gezicht spuwde?

—Ja.

—En waarom zou ik dat niet kunnen vergeven?

—Omdat speeksel slechts met bloed kan worden uitgewischt.

—Winnetou behoeft zich niet ongerust te maken, ook deze beleediging is

reeds vergeten.

—Mijn broeder zegt daar iets, dat ik onmogelijk kan gelooven.

—Geloof het gerust, ik heb immers reeds lang bewezen, dat ik het heb

vergeven?

—Waardoor?

—Daardoor, dat ik het Intschu Tschuna, uw vader, niet kwalijk heb

genomen. Of meent gij, dat Old-Shatterhand zich in het gezicht laat

spuwen zonder deze beleediging te wreken, als hij dit als een zoodanige

beschouwde?

—Ja, wij hebben ons er zeer over verwonderd, dat gij dit niet hebt

gedaan.

—De vader van Winnetou kon mij niet beleedigen; ik wischte het speeksel

af en daarmee was alles vergeten en vergeven, laat ons er dus niet meer

over spreken.

—En toch wil ik dit doen, ik ben dit aan u verplicht.

—Waarom?

—Gij moet de zeden van ons volk nog leeren kennen. Geen krijgsman

bekent gaarne zijn fouten en een opperhoofd allerminst. Intschu Tschuna

weet, dat hij een fout heeft begaan, maar hij mag niet om vergeving

vragen. Daarom heeft hij mij opgedragen met u te spreken, Winnetou

spreekt dus voor zijn vader.

—Dat is niet noodig, wij staan gelijk, want ook ik heb u beleedigd.

—Neen.

—Zeker! Is een vuistslag niet een beleediging? En ik heb u toch met de

vuist geslagen?

—Dat was in een eerlijken strijd. Mijn broeder is edel en grootmoedig,

wij zullen dit niet vergeten.

—Laat ons nu over andere dingen spreken! Ik ben vandaag Apache

geworden, maar hoe staat het met mijn kameraden?

—Zij kunnen niet in den stam worden opgenomen, maar zij zijn onze

broeders!—Morgen zullen wij met hen de calumet rooken. Heeft men in het

land van mijn blanken broeder geen calumet?

—Neen, Christenen zijn allen broeders!

—Allen broeders? is er nooit oorlog tusschen hen?

—Ja, dat wel.

—Dan zijn zij ook niet anders of beter dan wij. Zij prediken wel de

Liefde, maar brengen haar niet in toepassing. Waarom heeft mijn broeder

eigenlijk zijn vaderland verlaten?

Het is bij de Roodhuiden geen gewoonte dergelijke vragen te doen.

Winnetou evenwel kon ik het niet kwalijk nemen, omdat hij mijn broeder

was, die mij moest leeren kennen. Zijn vraag geschiedde niet enkel uit

nieuwsgierigheid, hij had daarvoor nog een andere reden.

—Om hier het geluk te zoeken,—antwoordde ik.

—Geluk? wat is geluk!

—Rijkdom!

Hij liet bij dit woord mijn hand los en zweeg. Ik wist, dat hij een

gevoel had, alsof hij zich toch nog in mij had vergist.

—Rijkdom!—fluisterde hij eindelijk.

—Ja, rijkdom!—herhaalde ik.

—Dus daarom.... daarom!

—Wat wilt ge zeggen?

—Daarom hebben wij u bij....

Het scheen hem toch moeite te kosten het woord uit te spreken. Ik zeide

dus in zijn plaats:

—Bij de landroovers gevonden?

—Gij zegt het. Gij deedt het dus om rijk te worden. Meent gij dan

werkelijk, dat rijkdom gelukkig maakt?

—Ja.

—Gij vergist u. Het goud heeft de Roodhuiden ongelukkig gemaakt, alleen

ter wille van het goud verdringen ons de bleekgezichten en jagen ons

van land tot land, van plaats tot plaats, zoodat wij langzaam en zeker

onzen ondergang tegemoet gaan. Het goud is de oorzaak van al onze

ellende. Mijn broeder moet niet naar het bezit daarvan verlangen.

—Dat doe ik ook niet.

—Niet! En toch zegt gij, dat gij het geluk in rijkdom zoekt.

—Ja, dat is waar. Maar er zijn verschillende soorten van rijkdom,

rijkdom aan goud, aan wijsheid en ervaring, aan gezondheid, aan eer en

aan roem, aan genade bij God en bij de menschen!

—Oef, oef! Bedoelt gij het zoo. En waarnaar streeft gij dan wel?

—Naar het laatste!

—Naar genade bij God! Zijt gij dan zulk een vroom en goed Christen?

—Of ik werkelijk een goed Christen ben, dat weet ik niet, maar ik

tracht het ten minste te zijn.

—Houdt gij ons voor heidenen?

—Neen, want gij gelooft aan den Grooten, Goeden Geest en aanbidt geen

afgoden!

—Sta mij dan één verzoek toe.

—Gaarne.

—Spreek niet meer met mij over geloof! Tracht niet mij te bekeeren! Ik

heb u zeer, zeer lief en zou niet gaarne willen, dat onze

vriendschapsband werd verscheurd. Het is zooals Kleki-Petra zeide. Uw

geloof mag het ware zijn, maar wij Roodhuiden begrijpen het niet. Als

de Christenen ons niet verdrongen en uitroeiden, zouden wij hen voor

goede menschen kunnen houden. Dan zouden wij wellicht ook tijd en

gelegenheid vinden dat te leeren wat noodig is, om uw heilig boek en uw

priesters te begrijpen. Maar hij, die langzaam en zeker ter dood wordt

gebracht, kan niet gelooven, dat de godsdienst van hem, die hem doodt,

de godsdienst der Liefde is.

—Gij moet onderscheid maken tusschen den godsdienst en de belijders,

die niet altijd handelen naar de wetten van hun godsdienst.

—Zoo spreken alle bleekgezichten. Zij noemen zich Christenen, maar

handelen niet daarnaar. Wij echter hebben onzen Grooten Manitou, die

wil, dat alle menschen goed zullen zijn. Ik tracht een goed mensch te

zijn en ben misschien meer Christen dan zij, die zich zoo noemen, maar

geen liefde bezitten en steeds naar eigen voordeel jagen. Spreek mij

dus nooit meer van geloof en tracht nooit van mij een man te maken, die

een Christen genoemd wordt, zonder het in werkelijkheid te zijn. Dit is

het verzoek, dat ik aan u heb.

Ik heb zijn wensch geëerbiedigd en nooit meer met hem over mijn geloof

gesproken. Maar moet men dan altijd spreken? Is niet de daad een veel

beter overtuigingsmiddel dan het woord. „Aan mijn daden zult gij mij

kennen”, zegt de Heilige Schrift en door mijn leven, door mijn

handelingen ben ik Winnetou’s leermeester geweest, tot hij eens op een

onvergetelijken avond, mij zelf tot spreken uitnoodigde.

Ik gaf hem de hand ten teeken, dat ik zijn wensch wilde vervullen. Toen

ging hij voort:

—Hoe is het toch gekomen, dat mijn broeder Old-Shatterhand zich bij de

landroovers aansloot? Wist hij dan niet, dat hij daarmee een onrecht

beging aan de Roodhuiden?

—Ik had dit wel kunnen bedenken, maar heb dit niet gedaan. Ik was blij,

opzichter te kunnen worden, want ik werd goed betaald.

—Betaald? Gij zijt immers niet klaar gekomen. Betaalde men u, voordat

het werk gereed was?

—Neen, ik kreeg alleen voorschot en geld voor de uitrusting. Dat, wat

ik verdiend had, zou mij later worden uitbetaald.

—En nu krijgt gij er niets van?

—Neen.

—Was de som groot?

—Voor mij wel.

Hij zweeg een oogenblik, toen vervolgde hij:

—Het spijt mij, dat mijn broeder door ons zooveel schade heeft geleden,

zijt gij niet rijk?

—Aan geld niet.

—Hoelang hadt gij nog moeten meten, om geheel gereed te zijn?

—Nog slechts eenige dagen.

—Oef! Had ik u vroeger zoo goed gekend als nu, dan waren wij eenige

dagen later gekomen.

—Opdat wij met het werk gereed waren?—vroeg ik, geroerd door zijn

edelmoedigheid.

—Ja.

—Gij hadt ons dan gelegenheid gegeven, onzen diefstal te volbrengen?

—Den diefstal niet, maar de opmeting. De lijnen, welke gij op ’t papier

brengt, doen ons geen schade, daarmee is de roof niet volbracht. Deze

begint pas, als de arbeiders komen, om het pad voor het ijzeren ros te

graven. Ik zou u....

Hij hield plotseling op, om na te denken over een gedachte welke bij

hem opkwam, toen vervolgde hij:

—Moest gij om uw geld te krijgen, de papieren hebben van welke ik

zooeven sprak?

—Ja.

—Oef! Dan zult gij het nooit krijgen, want alles is vernietigd

geworden.

—En wat is er met onze instrumenten gebeurd?

—De krijgers, die ze vonden, wilden ze stukslaan, maar ik verhinderde

het. Hoewel ik geen scholen heb bezocht, weet ik wel dat zulke

voorwerpen groote waarde hebben en daarom gaf ik het bevel ze

zorgvuldig te bewaren. Ik zal ze u teruggeven.

—Ik dank u, ik neem dit geschenk gaarne van u aan, hoewel ik er voor ’t

oogenblik niets mee doen kan. Ik wil echter de instrumenten weer

inleveren.

—Brengen zij u dus geen voordeel?

—Neen, dan zou ik de opmeting ten einde hebben moeten brengen.

—Maar dan ontbreken u toch de papieren.

—Neen, ik was zoo voorzichtig, de teekeningen tweemaal te maken.

—En bezit gij die tweede nog?

—Ja, ik heb ze hier in dezen zak; gij waart zoo goed bevel te geven,

dat mij niets zou worden ontnomen.

—Oef, oef!—klonk het eenigszins verwonderd, daarop zweeg hij een

oogenblik, stond toen op en zeide:

—Laat ons naar huis terugkeeren. Mijn blanke broeder heeft door onze

schuld geldelijke schade geleden, ik zal zorgen dat hem dit vergoed

wordt. Eerst evenwel moet hij bij ons goed uitrusten.

Wij keerden terug naar het Pueblo en dien nacht sliepen mijn kameraden

en ik voor het eerst als vrije mannen te midden der wilden. Den

volgenden dag werd onder tal van ceremoniën de vredespijp gerookt

tusschen Sam Hawkins, Stone, Parker en de Apachen. Het spreekt vanzelf,

dat het daarbij niet ontbrak aan lange redevoeringen, waaronder die van

Sam Hawkins zeker de vermakelijkste was. Alles wat in den laatsten tijd

was voorgevallen, werd nog eens ter sprake gebracht en toen men het ook

had over den avond, waarop ik Intschu Tschuna en Winnetou had

losgesneden, kon Sam niet nalaten mij een kleine boetpredikatie toe te

dienen.

—Gij zijt eigenlijk een slechte kerel, sir!—zeide hij.—Men dient toch

oprecht te zijn tegenover zijn kameraden, vooral wanneer men zooveel

aan hen te danken heeft, als gij aan ons! Wie en wat waart gij, toen

wij u in St. Louis voor ’t eerst zagen? Een onderwijzer, die den

kinderen het A B C leerde. En zulk een stumper zoudt gij gebleven zijn,

als wij u niet met bewonderenswaardige edelmoedigheid mede hadden

genomen naar de Savanna. Wij hebben over u gewaakt, als een teedere

moeder over haar jongste baby, of als een hen over de door haar

uitgebroede jonge eenden. Bij ons is langzamerhand uw verstand tot

ontwikkeling gekomen. Kortom, wij zijn vader en moeder over u geweest,

wij hebben u op de handen gedragen, hebben uw lichaam met voedzame

vleeschspijzen en uw geest met wijsheid en ervaring gevoed en hadden nu

mogen verwachten, dat gij achting, eerbied en dankbaarheid voor ons

zoudt toonen en niet als een jonge eend in het water zoudt loopen,

waarin wij, oude hennen, wel moesten verdrinken. Maar neen, gij hebt

juist gedaan wat u verboden was. Het doet mij werkelijk pijn te moeten

ondervinden, dat zooveel liefde en opoffering met zooveel

ongehoorzaamheid en ondankbaarheid worden beloond. Ik wil niet alle

slechte daden opsommen, de allerslechtste was, dat gij de beide

opperhoofden bevrijd hebt, zonder er ons iets van te zeggen. Dat kan ik

nooit vergeven, noch vergeten. Maar gij hebt zelf de gevolgen van uw

handelingen ondervonden. In plaats van aan den martelpaal gestoofd en

gebraden te worden, om in de heerlijke jachtvelden der Indianen te

ontwaken, zitten wij hier nu in het Pueblo en bederven onze magen met

allerlei lekkernijen, terwijl men bovendien druk bezig is een greenhorn

tot een afgod te verheffen. Maar de liefde is onder alle omstandigheden

vergevensgezind en daarom willen wij zelfs ondanks dit alles, u niet

uit ons hart bannen, maar integendeel gloeiende kolen op uw hoofd

laden, door u alles te vergeven in de vaste hoop en verwachting, dat

gij u voortaan beter zult gedragen. Hier is mijn hand, wilt gij mij dat

beloven?

—Ja,—antwoordde ik, terwijl ik hem de hand drukte,—ik zal het edele

voorbeeld dat gij mij geeft, zóó goed trachten na te volgen, dat men

mij voor den echten Sam Hawkins aanziet!

—Laat dat maar blijven, mijn jongen, dat zou vergeefsche moeite zijn.

Hoe zou een greenhorn als gij zijt, ooit op Sam Hawkins kunnen

gelijken! Dat zou zijn, alsof....

—Houd nu maar eens op, oude zeurpot!—viel Dick Stone hem in de rede.—’t

Is niet meer om aan te hooren. Als ik Old-Shatterhand was geweest, ik

zou niet zooveel geduld met u hebben gehad en mij dat eeuwige greenhorn

niet meer laten welgevallen.

—’t Is immers waar, hij is toch een echte greenhorn?

—Onzin! Wij hebben ons leven aan hem te danken, als hij ons niet had

beschermd, zat gij hier niet zoo vroolijk te babbelen onder uw valsche

pruik.

—Wat, valsche pruik? Zeg dat nog eens! het is een echte pruik, bezie

haar maar eens goed!—Schaam u, Dick, den spot te drijven met mijn

hoofdsieraad, dat had ik van zulk een goeden kameraad niet verwacht.

Neen, neen, gij waardeert geen van allen den ouden Sam. Ik ga weg en

zoek mijn Mary op, ik moet eens gaan zien of zij even gezond is als

haar meester.

Wij lachten, want het was onmogelijk, hem iets kwalijk te nemen.

Den volgenden dag keerden de verkenners, die de Kiowa’s in stilte

gevolgd waren, terug en meldden, dat deze waren weggetrokken en dus

klaarblijkelijk niet van plan waren, in de eerste dagen eenige

vijandelijkheden uit te voeren of wraak te nemen.

Hierop volgde een tijdperk van rust althans voor Dick en Will, die zich

de gastvrijheid der Apachen kalm lieten welgevallen, ik evenwel liet

dezen tijd niet ongebruikt voorbijgaan. Winnetou nam mij dagelijks mee

op zijn tochten en deed zijn best mij in te wijden in de gebruiken en

gewoonten der Indianen. Geheele dagen waren wij afwezig om lange ritten

te maken; uren kropen wij in de bosschen rond, waarbij ik grondig

onderricht kreeg in het „sluipen”. Dikwijls verwijderde hij zich van

mij en gaf mij de opdracht hem te zoeken. Hij deed dan zijn best, om

zijn voetspoor uit te wisschen en ik spande mij in om het weer te

vinden. Hoe dikwijls stond hij dan in een of ander boschje of in

overhangend struikgewas, in het water van den Pecos en zag toe, hoe ik

naar hem zocht. Hij maakte mij opmerkzaam op mijn fouten en wees mij,

door zijn voorbeeld, hoe ik mij moest gedragen en wat ik doen en laten

moest. Nooit kwam een woord van lof, maar ook evenmin een woord van

afkeuring over zijn lippen.

Hoe dikwijls kwam ik vermoeid en als met gebroken ledematen thuis! Maar

ook dan nog nam ik geen rust, want ik wilde de taal der Apachen leeren

en kreeg daarin onderricht. Daarbij had ik twee leermeesters en één

leermeesteres. Nscho-Tschi leerde mij het dialect der Mescalero’s,

Intschu Tschuna dat der Llanero’s en Winnetou dat der Navajo’s. Daar

deze dialecten onderling weinig verschilden en de woordenschat niet

groot was, maakte ik reeds spoedig goede vorderingen.

Wanneer Winnetou en ik slechts kleinere uitstapjes maakten, gebeurde

het wel, dat Nscho-Tschi zich bij ons aansloot en ik zag, dat zij zich

van harte verheugde, wanneer ik een goede leerling bleek te zijn.

Eens op een dag waren wij gezamenlijk naar het bosch gegaan en Winnetou

stelde mij voor op eenigen afstand te blijven en eerst na een kwartier

naar hen te komen omzien. Broeder en zuster zouden dan beiden verdwenen

zijn en ik moest trachten Nscho-Tschi terug te vinden. Ik deed, wat hij

verlangde. Toen het kwartier verstreken was, begon ik te zoeken. De

sporen van beiden waren eerst tamelijk duidelijk zichtbaar, maar op een

zeker punt gekomen, ontbraken die der Indiaansche. Ik wist wel, dat zij

een buitengewoon lichten gang had, maar de bodem was week en er moest

dus toch een kleine aanwijzing van haar spoor te vinden zijn. Hoe ik

echter ook zocht, ik vond niets, zelfs geen enkel klein platgetreden

plantje, hoewel juist op deze plaats een zeer zachte mossoort groeide.

Alleen Winnetou’s voetspoor was duidelijk te zien, maar dit hielp mij

niet, want ik moest niet hem, maar zijn zuster zoeken. Hij was

waarschijnlijk in de nabijheid, om heimelijk te zien of ik ook fouten

maakte.

Ik zocht nog eens en nog eens, maar vond niet de minste aanwijzing. Dit

was vreemd. Ik overlegde. Zij moest een spoor hebben nagelaten, dit

stond vast, want geen voet kon hier den bodem betreden, zonder door het

zachte mos verraden te worden. Een voet den grond betreden? Kon het

zijn, dat Nscho-Tschi den grond niet had aangeraakt? Ik onderzocht

Winnetou’s voetstappen. Zij waren diep, dieper dan te voren. Zou hij

zijn zuster op de armen hebben gedragen? Dat kon toch het geval zijn en

dan was de zaak voor mij zoo moeilijk niet meer. Ten gevolge van den

last was de indruk zijner voetstappen dieper; maar waarheen had hij

zijn zuster gebracht? Was hij alleen door het bosch gegaan, dan had hij

de armen vrij gehad en kon hij zonder moeite, door het kreupelhout

komen. Had hij evenwel zijn zuster door het bosch gedragen, dan moesten

er hier en daar afgebroken takjes en twijgen te vinden zijn. Ik volgde

dus de voetstappen, maar zag nu niet zoozeer naar den grond, dan wel

naar de struiken. Juist! Hij had de takken niet voorzichtig uit elkaar

kunnen buigen en ook Nscho-Tschi scheen daaraan niet te hebben gedacht,

althans ik vond overal beschadigde bladen en afgevallen takjes, een

bewijs dus, dat mijn vermoeden juist was.

Het spoor voerde in lijnrechte richting naar een open plek in het bosch

en verder daarover heen. De jongelieden zaten dus aan den anderen kant

van de open plek, waarschijnlijk zich stil verheugend in het denkbeeld,

dat het mij onmogelijk zou zijn hen te vinden. Ik had wel dadelijk op

hun toe kunnen loopen, maar ik wilde ze letterlijk overrompelen. Daarom

sloop ik om de open plek heen en zocht toen weer naar Winnetou’s spoor.

Was hij verder gegaan, dan moest ik het hier vinden, vond ik het niet,

dan was hij bij Nscho-Tschi gebleven en had zich met haar ergens

verscholen. Ik ging op den grond liggen en kroop verder, telkens

zorgdragend achter boomen en struiken verborgen te blijven. Er was geen

voetspoor te vinden. Zij moesten dus aan den rand van de open plek

zitten en wel daar, waar het spoor in het kreupelhout verdween. Zacht,

zeer zacht sloop ik verder. Zij zaten stil en aan hun geoefende ooren

zou geen geruisch ontgaan. Ik moest dus zeer voorzichtig zijn. Zij

zaten dicht naast elkander, midden tusschen wilde pruimenstruiken, met

den rug naar mij toe, daar zij mij, ingeval ik mocht komen, van een

anderen kant konden verwachten. Zij spraken met elkaar, maar

fluisterend, zoodat ik de woorden niet kon verstaan.

Ik verheugde mij reeds op hun verrassing en kwam al nader en nader tot

ik hen met de hand kon raken. Reeds was ik op het punt Winnetou een tik

op den arm te geven, toen ik hem hoorde zeggen:

—Zal ik hem gaan halen?

—Neen,—antwoordde Nscho-Tschi,—hij zal zelf komen.

—Hij komt niet.

—Hij komt!

—Mijn zuster vergist zich. Hij heeft alles vlug geleerd, maar uw spoor

gaat door de lucht, hoe zal hij dat ooit vinden?

—Hij zal het vinden. Mijn broeder Winnetou heeft mij gezegd, dat

Old-Shatterhand reeds nu niet meer om den tuin te leiden is, waarom

beweert hij nu het tegendeel?

—Omdat hij nog nooit zulk een moeielijke opgave heeft gehad, als

vandaag. Zijn oog zal elk spoor vinden, maar het uwe is slechts door

combineeren te vinden en dat heeft hij nog niet geleerd.

—En toch zal hij komen, want hij kan alles, alles wat hij wil.

Zij fluisterde deze woorden zeer zacht, maar uit haar stem klonk een

onbepaald vertrouwen.

—Ja, ik heb nog geen man ontmoet, die zich zoo weet te redden. Er is

maar één ding, dat hij niet kan doen en dit spijt Winnetou zeer.

—Wat is dit dan?

—Hij zal nooit den wensch kunnen vervullen dien wij allen hebben.

Juist op dit oogenblik wilde ik te voorschijn komen, maar nu Winnetou

van een wensch sprak, moest ik toch verder hooren. Welken wensch kon ik

niet vervullen? Misschien zou ik nu hooren, welke het was. Ik luisterde

dus verder.

—Heeft mijn broeder Winnetou er reeds met hem over gesproken?—vroeg

Nscho-Tschi.

—Neen,—was Winnetou’s antwoord.

—En Intschu Tschuna, onze vader, ook niet?

—Neen, hij wilde het doen, maar ik ried het hem af.

—Waarom? Nscho-Tschi heeft dit bleekgezicht lief en zij is de dochter

van het opperhoofd der Apachen!

—Dat is waar; ieder rood krijgsman en ieder ander bleekgezicht zou

gelukkig zijn, wanneer mijn zuster zijn vrouw wilde worden, maar

Old-Shatterhand niet.

—Hoe kan mijn broeder dit weten, zonder er met hem over gesproken te

hebben?

—Ik weet het, ook zonder dat, want ik ken hem. Hij is niet als andere

bleekgezichten; hij heeft hoogere eischen. Hij neemt geen Indiaansche

tot vrouw.

—Heeft hij dit gezegd?

—Neen.

—Behoort zijn hart misschien aan een blanke?

—Ook niet.

—Weet gij dit zeker?

—Ja, wij spraken eens over blanke vrouwen en ik bemerkte wel, dat zijn

hart nog niet gesproken heeft.

—Zou het niet voor mij spreken?

—Mijn zuster moet dat niet verwachten. Old-Shatterhand denkt en gevoelt

anders dan wij. Als hij een vrouw kiest, moet zij onder de vrouwen

zijn, wat hij onder de mannen is.

—Ben ik dat dan niet?

—Onder de roode meisjes, ja, er is onder haar geen, die mijn zuster

nabij komt! Maar wat hebt ge gezien en gehoord? Wat hebt gij geleerd?

Gij kent het leven der roode volksstammen, maar niets van hetgeen wat

een blanke vrouw moet hebben geleerd en moet weten. Old-Shatterhand

hecht geen waarde aan een mooi gezicht, maar hij hecht waarde aan

dingen, welke geen roode vrouw hem kan geven.

Zij boog het hoofd en zweeg. Toen streek Winnetou haar liefkoozend over

de wang en zeide:

—Het spijt mij, dat ik mijn arme zuster pijn moet doen, maar Winnetou

is gewoon de waarheid te zeggen, ook wanneer deze niet aangenaam is te

hooren. Misschien weet hij nog een weg, langs welken Nscho-Tschi haar

doel kan bereiken.

Snel hief zij het hoofd op en vroeg:

—En die is?

—Die welke voert naar de steden der bleekgezichten.

—Moet ik daarheen?

—Ja.

—Waarom?

—Om te leeren, wat gij moet weten en kunnen, indien gij wilt dat

Old-Shatterhand u ooit lief kan hebben.

—Dan wil ik daarheen, zoo spoedig mogelijk. Wil Winnetou mij een dienst

bewijzen?

—Zeker.

—Spreek er met onzen vader Intschu Tschuna over. Vraag hem mij naar de

groote steden der blanken te laten gaan. Hij zal het niet weigeren,

want....

Meer hoorde ik niet, want nu kroop ik langzaam terug. Het kwam mij

bijna zondig voor dit gesprek te hebben afgeluisterd. Zij mochten mij

niet zien of hooren. Ik diende dus nog voorzichtiger te zijn. Het

minste gedruisch, het kleinste toeval kon doen uitkomen, dat ik de

bekentenis der schoone Indiaansche had gehoord. En in dat geval zou ik

gedwongen geweest zijn mijn roode vrienden nog heden te verlaten.

Gelukkig slaagde ik er in, mij onopgemerkt terug te trekken. Toen ik

zoover was, dat ik hen niet meer kon hooren, stond ik op en liep om de

plek heen, tot ik weer bij het spoor was. Nu riep ik met luider stem:

—Mijn broeder Winnetou kan hier komen!

Niemand bewoog zich, daarom ging ik voort:

—Mijn broeder kan komen, want ik zie hem!

Hij kwam evenwel niet.

—Hij zit daarginds, tusschen de wilde pruimeboomen. Moet ik hem

misschien halen?

Nu werden de takken van elkaar gebogen en Winnetou kwam te voorschijn.

Hij wilde klaarblijkelijk de schuilplaats zijner zuster nog niet

verraden en vroeg mij:

—Heeft mijn broeder Old-Shatterhand Nscho-Tschi gevonden?

—Ja.

—Waar is zij?

—In het kreupelhout.

—Hebt gij haar voetspoor dan gezien?—vroeg hij zeer verwonderd. Hij

wist werkelijk niet, hoe hij ’t met mij had. Tot een onwaarheid achtte

hij mij niet in staat en hij was overtuigd, dat haar voet geen spoor

had nagelaten.

—Ja,—herhaalde ik,—ik heb haar spoor ontdekt.

—Maar mijn zuster is zoo voorzichtig geweest, dat er geen spoor te zien

kan zijn.

—Gij vergist u toch, het is te zien.

—Neen.

—Niet op den grond, maar in de takken. Nscho-Tschi heeft met haar

voeten niet den bodem geraakt, maar terwijl gij haar droegt, hebt gij

twijgen afgerukt en bladeren beschadigd.

—Oef! Meent gij, dat ik haar heb gedragen?

—Ja.

—Hoe weet gij dat?

—Dat zeggen mij uw voetstappen. De indruk is in eens dieper geworden,

omdat gij zwaarder waart geworden. Uw eigen gewicht hebt gij niet

kunnen veranderen, dus hebt gij een last op u moeten nemen. Deze last

was uw zuster, wier voet, zooals ik zag, het mos niet had aangeraakt.

—Gij vergist u, keer terug en zoek beter.

—Dat zou geheel overbodig zijn, Nscho-Tschi zit, waar gij ook hebt

gezeten, ik zal haar wel gaan halen.

Ik liep dwars over de open plek, maar reeds kwam zij mij uit het

kreupelhout tegemoet en zeide op een zeer voldanen toon tot haar

broeder:

—Ziet ge wel, ik heb u wel gezegd, dat hij mij zou vinden en ik had

gelijk.

—Ja mijn zuster had gelijk en ik vergiste mij. Mijn broeder

Old-Shatterhand kan het spoor van een mensch niet alleen met de oogen,

maar ook met de gedachten lezen. Er is niets meer, dat hij nog behoeft

te leeren.

—O nog zeer, zeer veel,—antwoordde ik,—maar dat zal mijn broeder

Winnetou mij leeren.

Het was werkelijk de eerste lofspraak, welke ik uit zijn mond ontving

en ik moest erkennen, dat ik er even trotsch op was, als vroeger op een

prijsje van een mijner onderwijzers.

Aan den avond van denzelfden dag bracht hij mij een zeer netjes

gemaakten en met Indiaansche stiksels versierden jachtrok, van

witgelooid leder.

—Nscho-Tschi, mijn zuster verzoekt u, dezen rok te willen dragen,—zeide

hij.—Uw kleed is voor Old-Shatterhand niet goed genoeg meer.

Daaraan had hij inderdaad gelijk. Had ik mij daarin vertoond in een

Europeesche stad, dan zou men mij stellig als landlooper hebben

opgepakt. Maar,—mocht ik zulk een geschenk van Nscho-Tschi aannemen?

Winnetou scheen mijn gedachten te raden, want hij vervolgde:

—Gij kunt dit kleed gerust aannemen, want ik heb het besteld, het is

een geschenk van mij en niet van mijn zuster. Is het den bleekgezichten

verboden geschenken aan te nemen van een vrouw?

—Ja, wanneer het althans niet zijn eigen vrouw is of een zijner

bloedverwanten.

—Gij zijt immers mijn broeder en Nscho-Tschi is dus ook een

bloedverwante van u. Maar bovendien het geschenk is van mij, zij heeft

het slechts gemaakt.

Toen ik den volgenden morgen het kleed aanpaste, zat het als gegoten,

een kleermaker had het niet beter kunnen maken. Natuurlijk liet ik het

aan mijn jonge vriendin zien en zij was buitengewoon dankbaar en

verheugd over den lof, dien ik haar toezwaaide. Kort daarna kwamen Dick

en Will bij mij om zich door mij te laten bewonderen, ook zij hadden

nieuwe kleederen gekregen, maar deze waren niet door Nscho-Tschi maar

door andere vrouwen vervaardigd. En eenige oogenblikken daarna, terwijl

ik bezig was me te oefenen in het werpen met de tomahawk, kwam ook Sam

Hawkins in een nieuw kostuum te voorschijn. Ik herkende hem slechts aan

zijn kromme beenen en zijn geduchten baard. Hij gevoelde zich zeer

gewichtig, bleef staan en vroeg:

—Sir, kent gij den man, die nu voor u staat?

—Hm!—antwoordde ik,—ik zal eens zien.

Ik nam hem bij de armen, draaide hem driemaal om, bezag hem van alle

kanten en vervolgde:

—Dat schijnt Sam Hawkins wel te zijn, als ik mij niet vergis.

—Juist mijnheer, gij vergist u niet! Ik ben het in levenden lijve. Ziet

gij iets bijzonders aan mij?

—Een spiksplinternieuw kleed!

—Geraden.

—Van wie?

—Van de berenhuid, welke gij mij hebt gegeven.

—Dat zie ik, Sam, maar ik bedoel van wie hebt gij dat kleed gekregen?

—Van wie, ja, van wie, sir? Dat is een andere vraag.

—Nu van wie dan?

—Welnu, kent gij de mooie Kliuna-ai niet?

—Neen. Kliuna-ai beteekent „Maan”. Is het een getrouwde vrouw of een

meisje?

—Beiden, of liever geen van beiden.

—Dus een grootmoeder?

—Onzin! Als zij zoowel een getrouwde vrouw als een meisje, of liever

geen van beiden is, dan moet zij natuurlijk weduwe zijn. Zij is de

nagelaten vrouw van een Apache, die in den laatsten strijd met de

Kiowa’s gevallen is.

—En die gij nu over dit verlies wilt troosten?

—Juist, sir,—knikte hij,—ik heb mijn oog op haar laten vallen.

—Maar Sam, een Indiaansche!

—Welnu, wat zou dat? Ik zou zelfs een negerin willen trouwen, als zij

maar niet zwart was. Bovendien Kliuna-ai is een uitstekende partij.

—Waarom?

—Omdat zij het beste van den geheelen stam leerlooien kan.

—Wilt gij u dan laten looien?

—Maak toch geen gekheid, sir, het is mij ernst. Een gezellig

tehuis—begrijpt ge? En ze heeft een vol, mooi rond gezicht.

—Hoe hebt ge haar leeren kennen?

—Door het looien, ik vroeg wie de beste looister was en zij werd mij

aanbevolen. Ik bracht haar dus de berenhuid en merkte wel, dat zij zeer

in haar schik was.

—Met het vel?

—Neen, met mij natuurlijk!

—Dat pleit voor haar smaak, Sam!

—Ja, dat vind ik ook. O, zij is zeer ontwikkeld, zij heeft niet alleen

het vel gelooid, maar er ook een nieuw kleed voor mij van gemaakt. Hoe

zie ik er wel uit?

—Als een echte gentleman.

—Als een gentleman, niet waar? Ja, zij was ook geheel verrast, toen zij

mij zag. Gij kunt er op aan, sir, ik ga met haar trouwen.

—Waar is uw oud kleed gebleven?

—Ik heb het weggesmeten.

—Zoo, zoo! en gij hebt mij eens verteld, dat gij uw kleed voor geen zes

duizend dollars zoudt willen missen!

—Ja, dat was vroeger, toen kende ik Kliuna-ai niet, de tijden zijn

veranderd.

Het trouwlustige mannetje keerde zich om en stapte vergenoegd heen. Ik

maakte mij volstrekt niet bezorgd. Men had zijn overmatig groote

voeten, de dunne, kromme beentjes en zijn gezicht, dat wel op een

gierensnavel geleek, maar aan te zien, om te begrijpen dat zelfs een

Indiaansche vrouw geen moed zou hebben hem tot man te nemen. Hij was

nog niet zoo heel ver weg, of hij keerde zich nog eens om en riep mij

toe:

—’t Is toch een bijzonder gevoel, sir, zoo een nieuw kostuum, ik voel

mij als nieuw geboren, Sam gaat uit vrijen, hihihihi!

Den volgenden dag ontmoette ik hem bij het Pueblo. Hij zag er zeer

teleurgesteld uit.

—Wat nu Sam, waarom zet ge zulk een bedenkelijk gezicht?

—Och sir, ik meende dat ik de „maan” gezien had, maar het zal wel een

nevelvlek zijn geweest.

—Wat bedoelt ge, Sam?

—Wel, ik vroeg aan de schoone Kliuna-ai of zij weer een man wilde

hebben. „Neen,” antwoordde zij.

—Laat den moed daarom nog niet zakken, Sam, Rome is niet in een dag

gebouwd en de aanhouder wint.

—Gij hebt gelijk, sir, ik zal ’t nog eens weer probeeren.

Hij ging de trap op om zijn aangebedene nog eens op te zoeken. Den

volgenden morgen toen ik gereedstond met Winnetou op de buffeljacht te

gaan, kwam Sam weer bij mij en vroeg:

—Mag ik mee, sir?

—Op de buffeljacht? Neen, neen, Sam, gij hebt wel wat beters te doen.

—Ach,—was het antwoord,—’t is alles uit tusschen mij en de schoone

Kliuna-ai. Zij heeft mij verteld, dat zij mijn nieuw kleed op

Winnetou’s bevel heeft gemaakt.

—Dus niet uit liefde tot u?

—Het schijnt van niet. Bovendien beweert zij nu dat ik het looien bij

haar heb besteld en zij vroeg mij wat ik van plan was haar daarvoor te

geven.

—Betaling dus?

—Yes. Is dat nu een bewijs van liefde?

—Ik weet niet, ik ben op dat punt nog te onervaren. Misschien is het

wel juist een bewijs van wederliefde.

—Hm, dat geloof ik niet. Dus wilt gij mij niet mee hebben?

—Winnetou wil liefst alleen met mij uitgaan!

—Dan moet ik wel thuis blijven.

—Het zou ook jammer zijn voor uw nieuwen jachtrok, Sam!

—Daaraan hebt gij gelijk. Bloedvlekken zouden leelijk daarop staan.

Hij ging heen, keerde zich evenwel weer om en vroeg:

—Vindt gij niet sir, dat mijn oud jachthemd eigenlijk toch practischer

was?

—Mogelijk wel.

—Niet alleen mogelijk, maar zeer waarschijnlijk.

De zaak was voor heden hiermee afgeloopen, maar in de eerstvolgende

dagen was Sam nog stiller dan te voren. Eindelijk, daar zag ik hem eens

op een morgen uit zijn woning komen—in zijn oude pakje!

—Wat beteekent dat nu, Sam?—vroeg ik hem;—ik meende, dat gij uw oude

pakje hadt weggesmeten.

—Het was ook zoo.

—Hebt gij het weer opgevischt?

—Ja, uit woede; ik kan die Kliuna-ai niet meer uitstaan!

—Wat is er dan gebeurd?

—Ik zal het u vertellen. Gisteren was ik weer bij haar. Zij behandelde

mij de laatste dagen zeer slecht en zeide bijna geen woord tegen mij.

Ik zat dus bij haar en leunde met mijn hoofd tegen een paal.

Waarschijnlijk heeft daar een splinter in gezeten, althans toen ik

wilde opstaan, bleef mijn pruik daaraan hangen.

—En de schoone Kliuna-ai zag dit?

—Ja, zij stond op, staarde mij aan, als, ja, zooals men een mensch

aanziet, die geen haar op zijn hoofd heeft.

—En toen?

—Toen schreeuwde en huilde zij, alsof zij zelf een kaalkop was.

—En verder?

—Verder? Nu, zij snelde weg en ik heb haar niet weer gezien.

—Misschien komt zij nog terug?

—Neen, want zij heeft mij laten weten, dat ik niet weer bij haar

behoefde te komen, omdat zij alleen een man wilde hebben, die haren op

zijn hoofd had. Is dat niet dwaas?

—Hm.

—Wat kan het een vrouw toch schelen, of de man dien zij trouwt haren op

zijn hoofd heeft, of in zijn pruik. ’t Is immers nog meer waard ze in

de pruik te hebben, want deze hebben geld gekost en de andere groeien

gratis, voor niemendal.

—Dan liet ik ze in uw plaats ook groeien, Sam.

—De drommel hale u, sir! Ik kom troost bij u zoeken in mijn liefdesmart

en gij steekt nog den gek met mij. Ik wou dat gij ook een pruik hadt en

een weduwe, die u de deur uitgooide. Goeden dag! Hij liep woedend weg.

—Sam, riep ik hem na,—luister eens, waar is uw nieuw kleed?

Hij bleef even staan.—Ik heb het haar teruggezonden, ik had het op mijn

trouwdag willen dragen, maar nu heb ik het niet meer noodig. Howgh!

Zoo eindigde de vriendschap van mijn braven Sam en Kliuna-ai. Hij was

spoedig over deze teleurstelling heen en vertelde mij kort daarna, dat

hij eigenlijk maar blij was, een ongetrouwde jongeling te zijn

gebleven. Nooit wilde hij weer zijn ouden rok uittrekken, want die was

beter, practischer en gemakkelijker dan alle jachtrokken door

Indiaansche schoonen gemaakt.

Den avond van dezen zelfden dag, at ik als gewoonlijk met Intschu

Tschuna en Winnetou. De laatste verwijderde zich na het eten en nu

ontspon zich tusschen Intschu Tschuna en mij naar aanleiding van Sam’s

avontuur een gesprek over verbintenissen tusschen blanken en Indianen.

Ik begreep wel dat hij mij eens aan den tand wilde voelen.

—Vindt mijn broeder Old-Shatterhand zulk een verbintenis goed of niet?

—Als het huwelijk door een geestelijke wordt gesloten en de Indiaansche

vooraf Christin is geworden, zie ik er niets verkeerds in,—antwoordde

ik.

—Mijn broeder zou dus nooit een Indiaansche zooals zij is, tot vrouw

nemen?

—Neen.

—En is het moeilijk, Christin te worden?

—O neen, volstrekt niet.

—Mag een vrouw dan haar vader nog eeren, ook al is deze geen Christen?

—Zeker. Onze godsdienst zegt, dat een kind zijn vader en moeder moet

eeren.

—Zou mijn broeder liever een blanke vrouw hebben dan een gekleurde?

—Dat kan ik zoo niet zeggen. Als het hart spreekt, vraagt men niet,

welke huidskleur de geliefde heeft. Voor den Grooten Geest zijn alle

menschen gelijk en twee menschen, die bij elkander passen en voor

elkander bestemd zijn, zullen elkaar den een of anderen dag vinden.

—Howgh! Zij zullen elkander vinden, als zij bij elkaar passen. Mijn

broeder heeft de waarheid gezegd, alles wat hij zegt is goed.

Hiermee was dit gesprek afgeloopen op een wijze, zooals ik dit het

liefst had. Ik had duidelijk genoeg laten uitkomen, dat een Indiaansche

eerst Christin moest worden, wanneer zij de vrouw van een blanke wilde

worden. Ik gunde Nscho-Tschi den besten, edelsten rooden krijgsman,

maar ik was nu eenmaal niet naar het Westen gekomen om een Indiaansche

tot vrouw te nemen, ik had zelfs nog niet eens aan een blanke gedacht.

Welke de gevolgen waren van mijn gesprek met Intschu Tschuna, vernam ik

den volgenden dag.

Het opperhoofd geleidde mij naar de eerste verdieping, waar ik nog niet

geweest was. Hier lagen in een klein kastje onze meetinstrumenten.

—Zie eens na, of er iets ontbreekt,—begon het opperhoofd.

Ik voldeed aan zijn verzoek en bevond, dat alles in orde was. De

voorwerpen waren zelfs niet beschadigd, behalve enkele kleine

verbuigingen, welke gemakkelijk te herstellen waren.

—Deze voorwerpen werden door ons voor medicijnen beschouwd,—zeide

hij,—daarom werden ze zoo goed bewaard. Mijn blanke broeder mag ze nu

weer terugnemen.

Ik wilde mijn dank betuigen voor deze goedheid, maar hij nam die niet

aan en vervolgde:

—Zij behoorden aan u en wij namen ze u af, omdat wij u voor onzen

vijand hielden, nu wij echter weten dat gij onze broeder zijt, moogt

gij alles terugnemen. Gij hebt ons niet te danken. Wat zult gij met

deze voorwerpen doen?

—Als ik wegga, neem ik ze mee en geef ze terug aan de menschen, van wie

ik ze kreeg.

—Waar wonen deze menschen!

—In St. Louis!

—Ik ken den naam van deze stad en weet ook, waar zij ligt. Winnetou,

mijn zoon is er geweest en heeft er mij van verteld. Gij wilt ons dus

verlaten?

—Ja, ik zal weldra vertrekken.

—Dat spijt ons. Gij zijt een der krijgers van onzen stam geworden en ik

heb u zelfs tot opperhoofd verheven. Wij dachten dat gij voor altijd

bij ons zoudt blijven, evenals Kleki-Petra.

—Mijn omstandigheden zijn anders dan de zijne. Hij heeft mij zijn

geheele levensgeschiedenis verteld.

—Dan moet hij een onbepaald vertrouwen in u hebben gehad, want hij zag

u toch voor de eerste maal in zijn leven.

—Misschien omdat wij landgenooten waren.

—Neen, dat kan het niet alleen geweest zijn, zelfs stervende sprak hij

nog met u. Ik kon de woorden niet verstaan, omdat ik de taal niet

kende, maar gij hebt ons verteld wat hij zeide. Op Kleki-Petra’s wensch

zijt gij Winnetou’s broeder geworden en nu wilt gij hem toch verlaten?

Is dat niet met elkander in tegenspraak?

—Neen. Broeders behoeven niet altijd samen te zijn, zij hebben zeer

dikwijls een verschillende taak te vervullen.

—Maar zij zien elkaar dan toch van tijd tot tijd weer?

—Ja, gij zult mij ook weerzien, mijn hart zal naar u verlangen.

—Het doet mij genoegen dit te hooren. Gij zult ons altijd van harte

welkom zijn. Het spijt mij zeer, dat ge van een verschillende taak

spreekt, zoudt gij u dan bij ons niet gelukkig kunnen gevoelen?

—Dat weet ik niet. Ik ben te kort nog hier, om deze vraag te kunnen

beantwoorden. Het zal wel zijn evenals wanneer twee vogels in de

schaduw van een boom zitten. De een voedt zich met de vruchten van den

boom en blijft in diens nabijheid, de andere evenwel heeft ander

voedsel noodig en gaat heen om het te zoeken.

—En toch zouden wij alles doen om u te geven wat gij verlangdet!

—Dat weet ik, maar wanneer ik van voedsel spreek, bedoel ik daarmee

geen voedsel voor het lichaam.

—Neen, ik weet, dat gij bleekgezichten ook spreekt van voedsel voor den

Geest, ik hoorde dit van Kleki-Petra. Hem ontbrak dit voedsel bij ons,

daarom was hij soms zoo treurig, hoewel hij altijd zijn best deed, om

ons dit niet te laten bemerken. Gij zijt jonger en zoudt dus nog eerder

dan hij verlangen weg te komen. Ga dus heen, maar beloof ons, dat gij

zult terugkomen. Misschien zijt gij dan van gedachten veranderd en ziet

gij in, dat gij bij ons ook wel gelukkig kunt zijn. Maar ik zou gaarne

willen weten, wat gij doen zult, wanneer gij teruggekomen zijt in de

steden der bleekgezichten.

—Dat weet ik nog niet.

—Zult gij blijven bij de blanken, die een weg willen bouwen voor het

ros?

—Neen.

—Daarin hebt gij gelijk. Gij zijt een broeder der roode mannen geworden

en moogt niet meewerken, om ons te berooven van ons land en ons

eigendom. Maar daar waar gij nu heen gaat, kunt gij niet van de jacht

leven en Winnetou vertelde mij dat gij arm waart. Gij zoudt veel geld

hebben gekregen, indien wij u niet hadden overvallen, daarom heeft mijn

zoon mij verzocht u een vergoeding aan te bieden. Wilt gij goud hebben?

Hij zag mij bij deze vraag zóó scherp en vorschend aan, dat ik mij wel

wachtte met „ja” te antwoorden. Hij wilde mij klaarblijkelijk op de

proef stellen.

—Goud?—vroeg ik.—Gij hebt mij geen goud afgenomen en ik heb dus geen

goud van u te vorderen.

Dat was een diplomatiek antwoord, geen ja en geen neen. Ik wist, dat er

Indianen waren, die plaatsen kenden, waar goud was te vinden, maar deze

plaatsen nooit aan een blanke zouden verraden. Intschu Tschuna kon ook

zulk een plaats weten en nu vroeg hij mij: wilt gij goud? Welke blanke

zou op zulk een vraag dadelijk „neen” zeggen. Ik heb nooit naar

schatten gejaagd, maar toch heeft het goud voor mij, als middel om goed

te doen, een waarde, welke ik niet kan loochenen.

—Neen wij hebben u geen goud ontnomen,—antwoordde het opperhoofd,—maar

gij hebt door ons toedoen, niet gekregen wat gij anders hadt verdiend,

daarom wil ik u schadevergoeding geven. Ik zeg u, in de bergen

daarginds ligt veel goud. De roode mannen kennen de plaatsen, waar het

is te vinden; zij behoeven slechts de moeite te doen, om het te halen.

Wilt gij, dat ik het doe?

Honderd anderen in mijn plaats zouden dit aanbod hebben aangenomen en—

—niets hebben gekregen; dat zag ik aan den eigenaardig loerenden blik

zijner oogen. Daarom zeide ik:

—Ik dank u! Geld, dat zoo zonder verdienste wordt verkregen, geeft geen

voldoening, eerst wanneer men het zelf verdiend heeft, krijgt het

waarde. Al ben ik arm, ik behoef niet van honger te sterven, als ik

terugkeer naar de blanken.

Zijn gezicht helderde op, hij stak mij de hand toe en zeide op

werkelijk hartelijken toon:

—Deze woorden bewijzen mij, dat wij ons niet in u hebben bedrogen. De

dorst naar goud heeft menig bleekgezicht ten onder gebracht. Jaag niet

naar goud, het verlangen daarnaar doodt niet alleen het lichaam, maar

ook de ziel. Ik wilde u op de proef stellen. Goud zou ik u niet hebben

gegeven, maar ’t geld waarop gij hadt gerekend, zult gij hebben.

—Dat is niet mogelijk.

—Ik wil het en dus is het mogelijk. Wij zullen gaan naar de plaats waar

gij hebt gearbeid. Gij zult uw werk ten einde brengen en hetgene

krijgen, dat u is beloofd.

Ik zag hem verbaasd aan. Sprak hij in scherts? Neen, daarvoor kende ik

hem te goed. Of zou hij mij wederom op de proef willen stellen? Ook dit

was niet waarschijnlijk.

—Mijn jonge, blanke broeder zegt niets,—ging hij voort.—Is mijn aanbod

hem niet welgevallig?

—Dat wel, maar ik kan bijna niet gelooven dat gij in ernst spreekt.

—Waarom niet?

—Ik zal het werk voltooien, dat gij eerst niet hebt willen dulden? Ik

zal doen, wat gij, toen wij elkaar voor ’t eerst ontmoetten, zoo streng

hebt veroordeeld?

—Omdat gij toen handeldet, zonder toestemming van degenen, aan wie dit

land toebehoorde, maar die toestemming hebt gij nu verkregen. Mijn

aanbod komt overigens niet van mij, maar van mijn zoon. Hij heeft mij

gezegd, dat het ons geen schade kon doen, wanneer gij het begonnen werk

voltooide.

—Dat is verkeerd ingezien. De weg zal worden aangelegd, de blanken

komen zeker en gewis.

Hij zag somber voor zich heen en vervolgde na een kleine pauze:

—Gij hebt gelijk. Wij kunnen niet verhinderen dat zij ons telkens en

telkens weer berooven. Eerst zenden zij kleinere troepen, zooals de

uwe, deze kunnen wij verjagen maar het doet er niets toe, want later

komen zij in grootere scharen, voor welke wij terug moeten wijken,

willen wij ons niet laten vermoorden. Maar ook gij kunt niets daaraan

veranderen, of denkt gij misschien, dat zij niet zullen komen als gij

er van af ziet het land verder op te meten?

—Neen, dat denk ik niet. Wij kunnen doen of laten, wat wij willen, maar

het ijzeren ros zal eenmaal door deze streken zijn weg vinden.

—Neem dan gerust mijn aanbod aan. Gij brengt u zelf daardoor voordeel

en ons geen nadeel. Ik heb alles met Winnetou besproken! Wij beiden

gaan met u, onder begeleiding van dertig krijgers. Dit aantal is

voldoende om u te beschermen en u te helpen bij uw arbeid. Dan brengen

ons deze dertig man zoover naar het Oosten, tot wij een weg vinden die

naar St. Louis voert.

—Wat zegt mijn roode broeder? Heb ik hem goed verstaan? Wil hij naar ’t

Oosten?

—Ja, wij gaan met u, ik, Winnetou en Nscho-Tschi.

—Nscho-Tschi ook?

—Ja, mijn dochter ook. Zij zou gaarne de steden der bleekgezichten zien

en zoolang daar blijven, tot zij geheel is geworden als een blanke

vrouw.

Waarschijnlijk heb ik een zeer onnoozel gezicht gezet bij deze woorden,

want glimlachend vervolgde het opperhoofd:

—Mijn jonge, blanke broeder schijnt verrast te zijn. Heeft hij er

misschien iets tegen, dat wij hem begeleiden? Laat hem het dan gerust

zeggen.

—Iets tegen? Wel neen! Ik verheug er mij integendeel zeer over. Onder

uw geleide kom ik veilig en wel weer thuis, daarom alleen zou ik er

blij om zijn, maar bovendien houd ik hen, die ik lief heb gekregen,

zoolang bij mij.

—Howgh!—knikte hij tevreden.—Gij kunt uw werk afmaken en dan gaan wij

naar het Oosten. Zal Nscho-Tschi daar menschen vinden bij wie zij kan

wonen?

—Ja, daarvoor zal ik zorgen. Maar het opperhoofd der Apachen moet wel

bedenken, dat de blanken niet zoo gastvrij zijn als de roodhuiden.

—Dat weet ik. Wanneer de bleekgezichten als vrienden tot ons komen,

krijgen zij alles, wat zij noodig hebben zonder dat zij er ons iets

voor behoeven te geven, maar komen wij bij hen dan moeten wij niet

alleen betalen, maar wij moeten dubbel zooveel geven als de blanke

gasten, terwijl wij alles veel slechter krijgen dan dezen. Nscho-Tschi

zal dus ook moeten betalen.

—Dat is helaas waar, maar gij behoeft u daar over niet bezorgd te

maken. Ten gevolge van uw edelmoedig aanbod, krijg ik veel geld

uitbetaald en gij kunt dus mijn gasten zijn!

—Oef, oef, wat denkt mijn jonge, blanke broeder wel van Intschu Tschuna

en van Winnetou, de opperhoofden der Apachen! Ik heb u immers gezegd,

dat de roode mannen de plaatsen kennen waar veel goud is te vinden. Er

zijn bergen welke met goud-aders doorploegd zijn en dalen waarin

stofgoud onder de dunne aardlaag ligt. Wanneer wij naar de steden der

blanken gaan, hebben wij wel geen geld maar goud, zooveel goud bij ons,

dat niemand ons een teug water behoeft te schenken. En al moest

Nscho-Tschi ook jaren daar blijven, dan zou ik haar meer goud meegeven,

dan zij in al die jaren noodig had. Alleen de ongastvrijheid der

bleekgezichten noodzaakt ons, het goud te verzamelen, anders zouden wij

het stilletjes laten liggen. Wanneer is mijn jonge broeder gereed om te

vertrekken?

—Zoodra gij maar wilt.

—Laat ons dan niet lang talmen, want het is reeds laat in den herfst en

de winter kan spoedig invallen. Een roode krijgsman heeft zelfs voor

den langsten tocht geen voorbereiding noodig, wij zouden dus reeds

morgen kunnen vertrekken.

—Mij goed. Wij behoeven enkel te zeggen, wat wij mee moeten nemen,

hoeveel paarden en....

—Daarvoor zal Winnetou zorgen,—viel het opperhoofd mij in de rede.—Hij

heeft reeds aan alles gedacht.

Wij verlieten het vertrek, waar wij ons bevonden en keerden naar boven

terug. Toen ik mijn kamer wilde ingaan, kwam Sam Hawkins mij tegemoet.

—Ik heb u iets nieuws te vertellen, sir,—begon hij stralend van

vreugde.—Gij zult vreemd, zeer vreemd ophooren, als ik mij niet vergis.

—Wat is er dan?

—Ik breng u een goede tijding.

—Vertel dan op, beste Sam!

—Wij gaan van hier vertrekken.

—Zoo, ja, dat wist ik reeds.

—Wist gij dat reeds? Ik wilde u juist met dit nieuwtje verrassen, maar

ik kom dus te laat.

—Ik heb er zooeven met Intschu Tschuna over gesproken. Wie heeft het u

verteld?

—Winnetou. Ik ontmoette hem daarginds bij de rivier, waar hij bezig was

de geschiktste paarden uit te zoeken. Zelfs Nscho-Tschi gaat mee! Wist

gij dat ook reeds?

—Ja.

—Ik hoorde er vreemd van op. Zij zal, naar ’t schijnt naar een

kostschool worden gebracht. Waarvoor dat noodig is, begrijp ik niet, of

’t moest zijn....

Hij hield midden in den zin op, zag mij met zijn kleine oogjes

veelbeteekenend aan en vervolgde:

—Of ’t moest zijn.... ’t moest zijn.... hm, Nscho-Tschi zal misschien

uw Kliuna-ai worden! Wat zegt gij daar wel van, sir Shatterhand?

—Mijn Kliuna-ai? Kom, Sam, wees niet zoo dwaas. Ik denk er niet aan,

een Indiaansche tot vrouw te nemen.

—’t Is ook beter van niet, sir! Ook ik ben maar blij, dat het met mij

niet zoover is gekomen. Alleen, één ding spijt mij geweldig.

—En dat is Sam?

—Dat ik mijn mooi Grizzlyberenvel er bij heb verspeeld. Had ik het zelf

nu maar verwerkt, dan had ik nu ten minste een mooien jachtrok, nu

echter is mijn rok en daarmede ook het vel weg.

—Dat is jammer, maar misschien kom ik nog wel eens weer in de

gelegenheid een Grizzlybeer te vellen en dan zult gij de huid hebben.

—Werkelijk? Maar gij moet niet denken dat de grijze beren zoo maar

rondloopen, om zich door den eersten den besten greenhorn te laten

doodsteken. In elk geval hoop ik maar, dat wij er in de eerste dagen

geen zullen ontmoeten. ’t Is toch een grootmoedig aanbod, om ons het

werk te laten afmaken.

—Zeker, Sam, zeker.

Winnetou · 第 15 / 24 题