maar mocht het middel falen en men dit bewijs niet aannemen, dan moest
mijn lichaamskracht mij redden en ik moest deze dus oefenen. Maar hoe?
Ik lag, alleen wanneer ik sliep, op de berenvellen, anders zat ik op of
liep in het vertrek op en neer. Op een morgen vertelde ik aan
Nscho-tschi, dat ik dat op de hurken zitten niet gewend was en vroeg
haar of ik niet een steen mocht hebben, waarop ik kon zitten. Deze
wensch werd aan Winnetou overgebracht en hij zond mij dadelijk steenen
van verschillende grootte, de zwaarste woog ongeveer honderd pond. Met
deze steenen oefende ik mij zoo dikwijls ik alleen was. Tegenover mijn
verpleegsters wendde ik nog steeds zwakheid voor, in werkelijkheid
evenwel viel het mij reeds na veertien dagen niet meer moeielijk den
grooten steen eenige malen na elkander op te heffen. Langzamerhand ging
dit nog beter en toen de derde week voorbij was, wist ik, dat ik mijn
oude lichaamskracht weer geheel terug had gekregen.
Ik was nu zes weken hier en had nog niet gehoord dat de gevangen
Kiowa’s ontslagen waren geworden. Het was een groote last voor de
Apachen, ongeveer tweehonderd man zoolang te moeten voeden, maar ik
vermoedde wel, dat de Kiowa’s daarvoor moesten betalen! Hun losgeld
werd daardoor veel hooger.
Op een mooien zonnigen herfstmorgen bracht Nscho-tschi mij mijn
ontbijt, maar in plaats van zich zooals zij in dien laatsten tijd
steeds had gedaan, dadelijk te verwijderen, ging zij naast mij zitten
terwijl ik at. Haar oog bleef met een vochtigen glans op mij rusten en
eindelijk rolde een traan over haar wang.
—Gij weent?—vroeg ik,—wat is er gebeurd dat u zoo bedroefd maakt?
—Vandaag zal het gebeuren.
—Wat?
—De Kiowa’s worden vrijgelaten en gaan weg. Hun boden zijn vannacht
aangekomen met al de voorwerpen die wij van hen hebben geëischt.
—En maakt u dat zoo bedroefd? Gij moest toch eigenlijk blij daarover
zijn.
—Gij weet niet wat gij zegt en vermoedt niet, wat u wacht. Het afscheid
der Kiowa’s zal hiermee gevierd worden, dat gij met uw drie blanke
broeders aan den folterpaal wordt gebonden.
Ik had dit reeds lang aan zien komen en schrok toch, toen ik het
hoorde. Dus vandaag was de beslissende dag, misschien mijn laatste! Wat
zou er met mij gebeurd zijn, wanneer deze dag ten einde zou wezen? Ik
huichelde onverschilligheid en at, schijnbaar kalm verder en toen ik
klaar was, reikte ik haar den schotel over. Zij nam dien aan, stond op
en ging heen. Bij de deur keerde zij zich om, kwam weer naar mij toe,
reikte mij de hand en zeide, haar tranen niet langer bedwingend:
—Ik kan nu voor ’t laatst tot u spreken. Vaarwel! Gij wordt
Old-Shatterhand genoemd en zijt een dapper krijgsman. Wees sterk
wanneer zij u martelen! Nscho-tschi is zeer bedroefd over uw dood, maar
zij zou zich zeer verheugen, wanneer geen pijn in staat was een enkele
klacht over uw lippen te brengen. Doe mij dit genoegen en sterf als een
held!
Na deze bede snelde zij heen. Ik ging in de deur staan om haar na te
zien, maar onmiddellijk werden de loopen van twee geweren op mij
gericht, de wachters deden hun plicht. Had ik één schrede verder
gedaan, dan was ik neergeschoten geworden of ten minste zoo verwond dat
ik niet verder kon. Aan vluchten behoefde ik dus niet te denken en snel
trok ik mij in mijn gevangenis terug.
Wat zou ik doen? Het beste was in elk geval kalm af te wachten en in
het gegeven oogenblik de uitwerking van de haarlok te beproeven. De
blik dien ik zooeven naar buiten had geworpen was voldoende geweest om
mij te overtuigen dat elke gedachte aan vluchten een dwaasheid was. Ik
had wel is waar van Indiaansche Pueblos gelezen, maar er nog nooit een
gezien. Zij zijn gebouwd ter verdediging en beantwoorden volkomen aan
hun bestemming. Gewoonlijk vullen zij diepe rotsspleten, bestaan
doorgaans uit vast muurwerk en vormen verschillende verdiepingen. Ieder
hoogere verdieping springt een stuk achteruit, zoodat er een platvorm
voor ligt, dat weer de zolder is van een lagere verdieping. Het geheel
geeft den indruk van een pyramide met trappen. Het parterre springt dus
het verst vooruit en is het breedst, terwijl de volgende étages telkens
smaller worden.
Deze étages zijn niet, gelijk bij ons van binnen door trappen
verbonden, maar men bereikt ze van buiten door middel van ladders,
welke neergezet en weer weggenomen kunnen worden. Nadert de vijand dan
worden deze ladders verwijderd en ook al had deze zelf ladders
meegebracht, dan nog zou hij die verdieping afzonderlijk moeten
bestormen en zich blootstellen aan de geweerschoten der op een hooger
platvorm staande verdedigers, die van hun kant volkomen veilig zijn
voor de wapens der aanvallers.
Op zulk een pyramide-achtigen Pueblo bevond ik mij nu en wel zooals ik
nu gezien had, op de achtste of negende verdieping daarvan. Hoe zou men
hieruit kunnen vluchten, daar zich op alle lager gelegen platformen
Indianen bevonden! Neen, ik moest blijven! Ik ging dus op mijn
legerstede liggen en wachtte.
De uren die nu volgden waren verschrikkelijk, de tijd scheen niet
voorbij te gaan en het werd middag voor er iets gebeurde van wat de
Indiaansche mij had voorspeld. Ik hoorde buiten naderende voetstappen
en Winnetou kwam binnen met vijf Apachen. Ik bleef kalm liggen. Hij zag
mij lang en onderzoekend aan en zeide toen:
—Old-Shatterhand moet mij zeggen of hij zich nu weder geheel gezond
gevoelt.
—Nog niet geheel, antwoordde ik.
—Maar gij kunt nu weer spreken, naar ik hoor?
—Ja.
—En ook loopen?
—Dat denk ik wel.
—Hebt gij leeren zwemmen?
—Een weinig.
—Dat is goed, want gij zult moeten zwemmen. Herinnert gij u nog, op
welken dag gij mij zoudt weerzien?
—Op den dag van mijn dood.
—Gij hebt het goed onthouden. Deze dag is aangekomen. Sta op; gij zult
worden gebonden.
Het zou onzinnig geweest zijn aan dezen eisch niet te gehoorzamen. Er
stonden zes roodhuiden voor mij en ik alleen kon dus niets tegen hen
doen. Ik had wel eenigen van hen kunnen neerslaan, maar ik zou hiermede
niets anders hebben bereikt dan dat men mij nog strenger zou
behandelen. Ik stond dus van mijn legerstede op en stak mijn handen
uit, zij werden gebonden en bovendien kreeg ik twee riemen om de beenen
en wel zoo, dat ik slechts langzaam kon gaan, maar onmogelijk in snelle
sprongen kon ontkomen. Toen bracht men mij naar buiten op het platform.
Van hier voerde een ladder naar de étage daarbeneden, het was niet een
ladder zooals wij hebben, maar een sterke houten paal met diepe
inkervingen, die als treden dienst doen. Eerst gingen drie roodhuiden
naar beneden, dan moest ik volgen, wat mij, ondanks mijn banden niet
moeielijk viel, dan kwamen de anderen. Op deze wijze ging het van de
eene verdieping naar de andere, steeds naar beneden. Op alle platformen
stonden vrouwen en kinderen die mij zwijgend, maar met nieuwsgierige
blikken aanstaarden en dan achter ons aankwamen. Zij telden te zamen,
toen wij eindelijk beneden waren, zeker wel honderd personen en vormden
ook later het publiek, dat van het schouwspel van onzen dood zou
genieten.
Het was zooals ik had vermoed: de Pueblo lag in een smal zijdal, dat op
het breede dal van den Rio Pecos uitliep.
Naar dit dal werd ik heengevoerd. De Pecos is over ’t geheel geen
waterrijke rivier en heeft in den zomer en in den herfst nog minder
water dan in den winter en in het voorjaar, maar er zijn diepe
plaatsen, waar men in het warme jaargetijde bijna geen verschil van
waterstand kan zien. Bij deze plaatsen vindt men grasrijke weiden,
welke de Indianen er toe doen besluiten hier hun tenten op te slaan.
Zulk een plek zag ik voor mij liggen.
Het dal was wel een goed half uur breed en aan beide oevers, links en
rechts van ons met bosch en kreupelhout begroeid, waaraan groene weiden
grensden. Juist voor ons evenwel was een plek waar geen boom was te
zien, maar ik had geen tijd over de oorzaak hiervan na te denken. Daar,
waar het zijdal uitliep in het groote dal, was op beide oevers een
strook zand, en wel vijfhonderd pas breed, het geleek in de verte een
lichte streep, welke dwars over het groene dal van den Rio Pecos was
getrokken. Op deze breede, zandige vlakte was geen gras, geen boom,
geen struik te zien, behalve een reusachtige ceder, welke aan den
overkant midden op deze onvruchtbare vlakte stond.
Hij stond op geruimen afstand van den oever, en was door Intschu
Tschuna bestemd een rol te spelen bij de gebeurtenissen van dezen dag.
Aan den eenen oever heerschte leven en beweging. Hier zag ik den
ossenwagen, dien de Apachen hadden buitgemaakt en meegenomen. Aan den
anderen kant van de zandvlakte weidden de paarden, door de Kiowa’s
meegebracht om de gevangenen los te koopen. Daar waren ook de tenten
opgeslagen en de verschillende wapens neergelegd, welke eveneens als
losprijs dienst deden. Daartusschen zag ik Intschu Tschuna met enkelen
van zijn lieden, die deze oorlogsschatting hadden te taxeeren. Tangua
was bij hen, want men had hem en de overige gevangenen reeds
vrijgelaten. Een enkele blik op het gewoel van deze roode, fantastisch
gekleede gestalten zeide mij, dat hier zeker meer dan zeshonderd
Apachen bijeen waren. Toen zij ons aan zagen komen, vormden zij snel
een half cirkelvormigen kring om den ossenwagen, waarheen ik gevoerd
werd. De Kiowa’s plaatsten zich bij hen.
Toen wij den wagen hadden bereikt, zag ik Hawkins, Stone en Parker, die
daar gebonden stonden, niet evenwel aan den wagen, maar aan palen,
welke vast en stevig in den grond waren geslagen. Een vierde paal was
nog onbezet en aan dezen werd ik vastgebonden. Dit waren dus de
folterpalen, aan welke wij ons leven op een ellendige, pijnlijke en
schandelijke wijze zouden eindigen! Zij waren naast elkander geplaatst
en wel met zulke kleine tusschenruimten, dat wij gemakkelijk met
elkander konden spreken. Sam was naast mij, dan volgden Stone en
Parker. In onze nabijheid lagen hoopen droog hout, bestemd om ons heen
te worden gestapeld, wanneer wij na allerlei martelingen te hebben
doorstaan ten slotte verbrand zouden worden.
Mijn drie metgezellen schenen gedurende hun gevangenschap ook geen
gebrek te hebben geleden, want zij zagen er wel doorvoed uit. Hun
gezichten stonden echter niet erg opgewekt.
—Zoo sir, zijt gij daar ook?—zeide Sam.—’t Is een mooie operatie, welke
zij met ons voorhebben en ik vrees, dat wij ze wel niet zullen
doorstaan. Het sterven en doodgeslagen worden, grijpt het lichaam zóó
aan dat men het maar zelden overleeft. Wij zullen ook nog verbrand
worden, als ik mij niet vergis. Wat zegt gij daarvan, sir?
—Hebt gij hoop op redding, Sam?—vroeg ik hem.
—Ik zou niet weten waar redding vandaan moest komen. Ik heb drie weken
lang mijn hoofd er mee gebroken, maar ik heb geen enkele mogelijkheid
kunnen bedenken. Wij zaten in een duister rotshol, waren stevig
gebonden en werden bovendien goed bewaakt. Hoe zal men dan vluchten?
Hoe hebt gij het gehad?
—Zeer goed.
—Ik geloof het, gij ziet er goed uit. Gij zijt zeker gevoed als een
gans, die op St. Martinus gebraden moet worden.
—Spreken kan ik gelukkig weer en het gezwel in den mond zal ook wel
spoedig geheel genezen zijn.
—Daarvan ben ik overtuigd. Dat gezwel zal vandaag radicaal genezen
worden, er zal niets van overblijven, evenmin als van u, zelf niets dan
een hoopje asch. Ik zie nergens uitkomst en toch heb ik een gevoel
alsof ik niet zal sterven. Gij moogt het gelooven of niet, maar ’t is
mij alsof er plotseling de een of andere redder zal komen opdagen.
—’t Is mogelijk! Ook ik heb alle hoop nog niet opgegeven. Ik zou zelfs
durven wedden dat wij ons vanavond in den besten welstand zullen
bevinden.
—Dat kunt gij alleen zeggen, zoo’n greenhorn! In den besten welstand
bevinden! Ik zal blij zijn als ik nog besta en niet reeds ter ziele
ben!
—Ik heb u immers dikwijls gezegd en ook bewezen dat ik wel weet wat ik
zeg.
—Zoo? Wat wilt ge daarmee zeggen? Gij zegt dat op zulk een
eigenaardigen toon. Is u misschien de een of andere gelukkige gedachte
ingevallen.
—Ja.
—En welke? en wanneer?
—Op den avond dat het Winnetou en zijn vader gelukte te ontvluchten.
—Kwam u toen een gedachte in den zin? Zonderling. Dat zal ons nu niet
veel helpen, want toen wist gij nog niet, dat wij binnenkort hier
terecht zouden komen. En wat zou dat dan zijn? Vertel ons dat eens.
—Haarlok.
—Haarlok?—herhaalde hij verbaasd.—Zeg mij eens, sir, hoe staat het met
uw bovenverdieping? Is het daar niet pluis?
—Ik geloof van wel.
—Maar wat bazelt gij dan van een haarlok? Heeft een vroeger liefje u
misschien eens een vlecht gegeven en wilt gij die nu den Apachen
aanbieden?
—Neen, zij is van een man.
Hij zag mij aan als twijfelde hij aan mijn verstand, schudde het hoofd
en zeide:
—Luister eens, het is werkelijk niet pluis in uw bol, dat is zeker het
gevolg van uw ziekte. Waarschijnlijk zit die haarlok in uw hoofd en
niet in uw zak, want ik zou niet weten, hoe wij door een haarlok van
den folterpaal vrij zouden kunnen komen.
—Hm ja, misschien is het ook maar een dwaasheid van een „greenhorn” en
wij moeten kalm afwachten of het iets geeft of niet. Wat het vrijkomen
van den martelpaal betreft, ik ben vrij zeker dat ik voor mijn persoon
er niet aan zal blijven hangen.
—Natuurlijk! als men u heeft verbrand, blijft gij er niet aanhangen.
—Ja, maar ik word losgemaakt voor men met martelen begint.
—Zoo? Welke reden hebt gij om dat te denken?
—Ik moet zwemmen.
—Zwemmen?—vroeg hij mij, terwijl hij mij weer aanzag als een dokter
zijn krankzinnigen patiënt.
—Ja, zwemmen en dat kan ik toch aan dezen paal niet doen? Men moet mij
dus wel losmaken.
—Zoo en wie heeft u gezegd dat gij moet zwemmen?
—Winnetou.
—En wanneer?
—Vandaag natuurlijk en wel zoo aanstonds.
—’t Is alsof er een zonnestraal door de wolken breekt, gij moet dus om
uw leven kampen.
—Dat denk ik ook.
—Dan zullen wij dit eveneens moeten doen, want ik geloof niet, dat men
u anders zal behandelen dan ons. In elk geval is onze toestand dan niet
zoo hopeloos als ik vermoedde.
—Misschien kunnen wij ons nog redden.
—Oho. Verbeeldt u nu niet in eens zooveel! Als men ons om ons leven
laat kampen dan zal men ’t ons zoo moeilijk mogelijk maken. Maar er
zijn voorbeelden, dat in zulke gevallen blanken zich hebben weten te
redden. Hebt gij zwemmen geleerd, sir?
—Ja.
—Maar hoe?
—Zoo, dat ik geloof door geen Indiaan te kunnen worden overtroffen.
—Verbeeldt u dat toch niet. Die kerels zwemmen als waterratten, als
visschen.
—En ik als een vischotter, die de visschen vangt en opeet.
—Wat een pochhans!
—Neen, het zwemmen is een mijner liefhebberijen geweest, hebt gij wel
eens gehoord van watertrappen?
—Ja.
—Kunt gij dat.
—Neen, ik heb het ook nog nooit gezien.
—Dan zult ge dat wellicht vandaag kunnen bijwonen. Geeft men mij
werkelijk gelegenheid mijn leven door zwemmen te redden, dan ben ik
vast overtuigd dat ik dezen dag zal overleven!
—Ik help het u wenschen, sir! Ik hoop dat men ook ons in de gelegenheid
stelt; dat is ten minste altijd beter dan hier aan den paal te blijven
hangen. Ik wil liever vallen in den strijd, dan mij dood laten
martelen.
Wij hadden ongehinderd met elkander kunnen spreken; Winnetou stond met
zijn vader en Tangua niet ver van ons af, maar scheen niet op ons te
letten en de overige Apachen waren druk bezig de orde te bewaren in den
kring van toeschouwers, welke zich om ons vormde. Binnen in dien kring
zaten de kinderen en achter dezen de meisjes en vrouwen bij wie ook
Nscho-tschi zich bevond, die naar ik bemerkte zelden den blik van mij
afwendde.
Dan kwamen de jonge knapen en daarachter stonden de volwassen krijgers.
Nu verhief Intschu Tschuna die met Winnetou en Tangua tusschen ons en
de toeschouwers stond, zijn stem en zeide zoo luide dat allen het
konden hooren:
—Mijn roode broeders, zusters en kinderen en ook de mannen van den stam
der Kiowa’s mogen hooren, wat ik hun te zeggen heb!
Hij hield even op en toen hij zag dat aller aandacht op hem gevestigd
was, ging hij voort:
—De bleekgezichten zijn de vijanden der roode mannen. Er is slechts
zelden een onder hen, wiens oog als vriend op ons heeft gerust. De
edelste onder deze weinige bleekgezichten kwam tot het volk der Apachen
om voor hen een vriend en broeder te zijn. Daarom gaven wij hem den
naam van Kleki-Petra (blanke vader). Mijn broeders en zusters hebben
hem allen gekend en liefgehad. Laat hen dat getuigen!
—Howgh!—klonk het in den kring.
De hoofdman vervolgde:
—Kleki-Petra heeft ons onderricht in alle dingen, welke wij niet
kenden, maar goed en nuttig voor ons zijn; hij heeft ook gesproken van
den godsdienst der bleekgezichten en van den Grooten Geest die de
Schepper en Weldoener aller menschen is. Deze Groote Geest heeft
bevolen, dat de roode en de blanke menschen elkander als broeders
zullen liefhebben. Hebben de bleekgezichten dit gedaan, hebben zij ons
liefdevol bejegend? Neen! Mijn broeders en zusters mogen dit getuigen!
—Howgh!—klonk het in koor.
—Zij zijn veel meer hier gekomen om ons eigendom te ontrooven en ons
uit te roeien. Dit gelukt hun, omdat zij sterker zijn dan wij. Daar,
waar de buffels en mustangs graasden, hebben zij groote steden gebouwd,
van welke al het kwaad uitgaat dat over ons komt. Waar eens de roode
jager door het woud en over de savanna zwierf, daar loopt nu het
dampende vuurros met de groote wagens, waarin het onze vijanden naar
hier brengt. En wanneer de roode man voor hem vlucht en zich terugtrekt
in de gronden en oerwouden, die men hem nog heeft gelaten, dan duurt
het niet lang of hij ontmoet er bleekgezichten die hem gevolgd zijn om
nieuwe wegen aan te leggen op den rechtmatigen grond van den roodhuid.
Wij hebben zulke bleekgezichten ontmoet en vriendschappelijk met hen
gesproken. Wij hebben hun gezegd, dat dit land ons eigendom was en hun
niet toebehoorde. Zij hebben niets daartegen kunnen inbrengen en hebben
het moeten erkennen. Maar toen wij van hen eischten dat zij heen zouden
gaan en er van afzagen door onze legerplaatsen een weg te maken voor
het vuurros, toen hebben zij aan dezen wensch niet voldaan en
Kleki-Petra, dien wij liefhadden en vereerden, doodgeschoten. Mijn
broeders en zusters mogen bevestigen dat ik de waarheid heb gesproken.
—Howgh!—klonk het luid en eenstemmig.
—Wij hebben het lijk van den vermoorde hierheen gebracht en bewaard tot
op den dag der wraak; deze dag is nu aangebroken. Kleki-Petra zal heden
begraven worden en met hem degene, die hem vermoord heeft. Met dezen
hebben wij ook hen gevangen genomen, die bij dezen daad tegenwoordig
waren. Zij zijn zijn vrienden en bondgenooten en hebben ons in de
handen der Kiowa’s overgeleverd, maar zij ontkennen dit. Bij alle
andere roode mannen zou, wat wij van hen weten, voldoende zijn om hen
den marteldood te doen ondergaan, maar wij willen de leer van
Kleki-Petra volgen en rechtvaardige rechters zijn. Daar zij niet wilden
toegeven, dat zij onze vijanden zijn geweest, willen wij hen in verhoor
nemen en daarna hun lot bepalen. Mijn broeders en zusters mogen hun
toestemming geven.
—Howgh!—klonk het rondom.
—Luister sir, dat klinkt nog al gunstig voor ons,—zeide Sam tot
mij,—als zij ons willen verhooren, staan de zaken niet zoo slecht voor
ons als wij dachten. Ik hoop dat het ons zal gelukken, onze onschuld te
bewijzen. Ik zal dezen lieden alles zóó duidelijk maken, dat zij ons
wel vrij zullen laten.
—Sam, dat gelukt niet,—antwoordde ik.
—Niet, waarom niet? Meent gij dat ik niet kan praten?
—O, het praten heeft men u als kind wel zoo wat geleerd, maar wij zijn
nu al zes weken hier gevangen geweest en in al dien tijd is het u toch
maar niet gelukt de Apachen tot andere gedachten te brengen.
—U ook niet, sir!
—Evenmin Sam; maar den eersten tijd kon ik niet spreken en sedert het
mij weer mogelijk was de tong te bewegen, heb ik geen enkele roodhuid
gezien. Gij zult dus wel moeten toegeven dat ik onmogelijk een poging
heb kunnen doen om een van de aanvoerders te overtuigen.
—Doe het dan nu ook maar niet meer.
—Waarom niet?
—Omdat het u niet zal gelukken. Gij zijt als greenhorn veel te
onervaren in zulke dingen en kunt er van overtuigd zijn dat gij ons
niet zult helpen, integendeel, ons verder achteruit zult brengen. Gij
zijt wel sterk, maar dat helpt ons niet veel, het komt nu vooral op
scherpzinnigheid en listigheid aan en deze bezit gij niet. Gij kunt het
niet helpen dat gij nu eenmaal zonder deze eigenschappen geboren zijt,
maar daarom moet gij er u niet mee bemoeien en de verdediging aan mij
overlaten.
—Dan wensch ik u beter succes dan gij tot nu toe gehad hebt, Sam.
—Gij zult hooren dat ik de zaak tot een goed einde breng!
Deze woordenwisseling had ongestoord kunnen plaats vinden, omdat ons
verhoor niet dadelijk begon. Intschu Tschuna en Winnetou onderhielden
zich zacht met Tangua en zagen ons daarbij nu en dan aan. Zij spraken
dus over ons. De blikken der beide eersten werden hoe langer hoe
duisterder en strenger en uit de houding van den Kiowa bleek duidelijk
dat hij zijn best deed om ons bij de anderen verdacht te maken. Wie
weet wat hij voor leugens van ons vertelde, om ons in ’t verderf te
storten! Eindelijk kwamen zij op ons toe. De beide Apachen gingen
rechts van ons staan terwijl Tangua zich links van mij posteerde. Nu
zeide Intschu Tschuna tot ons met luider stem, zoodat allen het konden
hooren:
—Gij hebt gehoord, wat ik zooeven heb gesproken, gij moet ons nu de
waarheid zeggen en moogt u verdedigen. Beantwoordt dus de vragen welke
ik tot u richt! Behoort gij tot de bleekgezichten die den nieuwen weg
voor het ijzeren ros aanleggen?
—Ja, maar toch moet ik u zeggen dat wij drieën den weg niet hebben
opgemeten, maar enkel zijn meegekomen om de anderen te
beschermen,—antwoordde Sam—en wat de vierde van ons betreft,
Old-Shatterhand genoemd, zoo....
—Zwijg!—viel de hoofdman hem in de rede. Gij hebt alleen mijn vragen te
beantwoorden en behoeft verder geen woord te spreken. Doet gij dit
toch, dan laat ik u geeselen, tot u de huid openspringt! Dus, gij
behoort tot deze bleekgezichten? Antwoord kort met ja of neen.
—Ja,—zeide Sam, bang voor de slagen die hem anders wachtten.
—Heeft Old-Shatterhand mee opgemeten?
—Ja.
—En gij drieën beschermdet deze lieden?
—Ja.
—Dan zijt gij nog meer strafbaar dan zij, want wie dieven en
moordenaars beschermt, heeft een dubbele straf verdiend. Was Rattler de
moordenaar, een van uw kameraden?
—Ja, maar toch moet ik u zeggen, dat wij nooit vrienden van hem zijn
ge....
—Zwijg, hond!—begon Intschu Tschuna weer,—gij hebt mij alleen te
zeggen, wat ik wil weten, en meer niet. Kent gij de wetten van de
Far-West?
—Ja.
—Hoe wordt een paardendief gestraft?
—Met den dood.
—Wat is meer waard een paard of het groote land, dat aan de Apachen
toebehoort?
Sam antwoordde niet om niet zelf zijn doodvonnis uit te spreken.
—Spreek, anders laat ik u met de lasso tot bloedens toe geeselen!
Toen bromde de kleine moedige Sam:
—Sla dan maar toe! Sam Hawkins laat zich niet tot spreken dwingen, als
hij dit nu eenmaal niet wil!
Nu zag ik hem aan en verzocht:
—Spreek Sam, het is beter voor ons!
—Welnu,—antwoordde hij,—als gij het wilt, zal ik spreken, waar ik
eigenlijk wilde zwijgen.
—Dus wat is meer waard, een paard of dit land?
—Het land.
—Dus heeft een landroover nog eerder den dood verdient dan een
paardendief en gij hebt ons het land willen ontrooven. Daarbij komt
nog, dat gij metgezel zijt van den man, die Kleki-Petra heeft vermoord.
Dit maakt uw straf zwaarder. Als landroovers zoudt gij doodgeschoten
worden, zonder vooraf martelingen te ondergaan, nu gij evenwel
moordenaars zijt, zult gij voor uw dood aan den martelpaal worden
geslagen. Wij zijn echter nog niet gereed met de opsomming van uw
misdaden. Hebt gij ons in de handen der Kiowa’s, onze vijanden
overgeleverd?
—Neen.
—Gij liegt!
—Ik zeg de waarheid.
—Zijt gij ons niet met Old-Shatterhand gevolgd nadat wij u hadden
verlaten?
—Ja.
—Dat is toch een bewijs van vijandschap?
—Neen. Gij hadt ons gedreigd en nu moesten wij weten of gij u werkelijk
hadt verwijderd of niet. Gij hadt u ergens kunnen verbergen en op ons
willen schieten. Daarom alleen reden wij u na.
—Waarom ging gij dan niet alleen? Waarom naamt gij dien Old-Shatterhand
mee?
—Om hem te onderrichten in het lezen van sporen, hij is nog een
nieuweling.
—Als gij zulke vreedzame bedoelingen hadt en ons enkel uit
voorzichtigheid volgdet, waarom riept gij dan de hulp der Kiowa’s in?
—Omdat wij zagen, dat gij weggegaan waart en uw krijgers wildet halen
om ons te overvallen.
—Was het dan noodig, u tot Kiowa’s te wenden?
—Ja.
—Was er geen andere uitweg?
—Neen.
—Gij liegt alweer. Om ons te ontkomen, hadt gij niet anders te doen dan
wat ik u bevolen had, namelijk ons gebied te verlaten. Waarom hebt gij
dat niet gedaan?
—Omdat wij niet konden gaan, vóór ons werk geëindigd was.
—Gij wildet dus den roof, dien ik u had verboden, geheel volvoeren en
riept daarom de hulp der Kiowa’s in. Wie echter onze vijanden op ons
afstuurt, is zelf ook onze vijand en moet gedood worden. Dat is een
tweede reden, om u het leven te benemen. Maar gij hebt het niet aan de
Kiowa’s alleen overgelaten, om ons te ontvangen, aan te vallen en te
overwinnen, gij hebt hen daarbij geholpen. Stemt gij dit toe?
—Wat wij gedaan hebben, dat hebben wij alleen gedaan, om bloedvergieten
te voorkomen.
—Wilt gij, dat ik u zal uitlachen? Zijt gij niet op ons afgegaan, toen
wij kwamen?
—Ja.
—Hebt gij ons beluisterd?
—Ja.
—En een geheele nacht in onze nabijheid doorgebracht? Is dit zoo of
niet?
—Het is zoo.
—Hebt gij de bleekgezichten niet naar het water gebracht, om ons
daarheen te lokken, en toen de Kiowa’s in het bosch verborgen, opdat
zij ons gemakkelijk konden overvallen?
—Dat is waar, maar ik moet....
—Zwijg! Ik wil een kort antwoord, maar geen lange redevoeringen. Wij
werden in een val gelokt, wie heeft die uitgedacht?
—Ik.
—Ditmaal zegt gij de waarheid. Velen van ons werden gewond, enkelen
gedood, de overigen gevangengenomen. Dat is uw schuld, dit vergoten
bloed komt over u en is een derde reden om u te laten sterven.
—Ik was van plan, om....
—Zwijg, ik heb u niets meer gevraagd. De Groote, Goede Geest zond ons
een onbekenden, onzichtbaren redder. Ik kwam met mijn zoon Winnetou
vrij. Wij slopen naar onze paarden, namen alleen die mee welke wij
noodig hadden, opdat onze gevangen makkers, wanneer wij ze zouden
hebben bevrijd, dadelijk hun paarden terug konden krijgen. Wij reden
heen, om onze krijgers te halen, die tegen de Kiowa’s waren
opgetrokken. Zij hadden hun spoor gevonden en waren hen gevolgd,
vandaar, dat ik hen op mijn weg ontmoette en reeds den volgenden dag
weer terug kon zijn. Toen is er wederom veel bloed vergoten, wij hebben
in ’t geheel zestien dooden, nog daargelaten het groote aantal
gewonden, al weer een reden om u te doen sterven. Gij hebt noch genade
noch erbarmen te verwachten en....
—Genade verlangen wij niet, maar alleen rechtvaardigheid,—viel Sam hem
in de rede,—ik kan....
—Wilt gij wel eens zwijgen hond!—riep Intschu Tschuna,—gij hebt alleen
te spreken wanneer ik u iets vraag. Ik ben met u klaar. Daar gij echter
van rechtvaardigheid spreekt, zal ik u niet naar uw eigen getuigenis
veroordeelen, maar zal ik anderen tegenover u stellen. Tangua, de
hoofdman der Kiowa’s mag in deze zaak meespreken. Zijn deze
bleekgezichten onze vrienden?
—Neen,—antwoordde de Kiowa, wien men duidelijk aanzag dat hij blij was,
dat de zaak zulk een slecht verloop voor ons nam.
—Hebben zij ons willen sparen?
—Neen, integendeel, zij hebben ons eerder tegen u opgehitst en mij
verzocht geen medelijden met u te hebben, maar u allen te dooden.
Deze onwaarheid maakte mij zóó boos, dat ik mijn zwijgen verbrak en
zeide:
—Dat is zulk een groote, onbeschaamde leugen, dat ik u dadelijk met
mijn vuist zou neerslaan als ik slechts één hand vrij had.
—Hond!—riep hij.—Zal ik u neerslaan?—Hij hief de vuist op maar ik
antwoordde:
—Sla toe, als gij u niet schaamt, u te vergrijpen aan iemand, die zich
niet kan verdedigen. Gij spreekt van een verhoor en van
rechtvaardigheid? Is dat een verhoor en is dit rechtvaardigheid, als
men niet mag zeggen wat men te zeggen heeft? Wij zouden ons mogen
verdedigen! Kunnen wij dat, als wij tot bloedens toe worden geslagen,
zoodra wij maar één woord meer zeggen, dan gij wilt hooren? Intschu
Tschuna handelt als een onrechtvaardig rechter. Hij stelt de vragen
zóó, dat de antwoorden, welke hij ons veroorlooft te geven, ons in ’t
verderf moeten storten: andere antwoorden mogen wij niet geven en
wanneer wij de waarheid willen zeggen, welke ons kan redden, valt hij
ons in de rede, laat ons niet uitspreken en dreigt ons met
mishandeling. Zulk een verhoor en zulk een rechtvaardigheid hebben wij
niet noodig. Begint dan maar dadelijk met de martelingen, welke gij ons
hebt toegedacht. Gij zult geen kreet van smart van ons hooren.
—Oef, oef!—hoorde ik een vrouwelijke stem vol bewondering roepen. Het
was die van Winnetou’s zuster.
—Oef, oef!—riepen vele Apachen haar na, want moed is iets, dat de
Indiaan steeds hoogacht, zelfs bij zijn vijanden, vandaar deze
uitroepen van bewondering. Ik vervolgde:
—Toen ik Intschu Tschuna en Winnetou voor de eerste maal zag, zeide mij
mijn hart, dat zij dappere en rechtvaardige mannen waren, die ik kon
waardeeren en hoogachten. Ik heb mij vergist. Zij zijn niet beter dan
alle anderen, want zij luisteren naar de stem van een leugenaar en
laten de waarheid niet aan ’t woord komen. Sam Hawkins heeft zich bang
laten maken, ik evenwel geef niet om uw bedreigingen en veracht
iedereen, die een gevangene onderdrukt, omdat deze zich niet kan
verdedigen. Als ik vrij was, zou ik u wel anders te woord staan.
—Hond, gij maakt mij uit voor leugenaar!—schreeuwde Tangua,—ik zal uw
beenderen stukslaan!
Hij hief zijn geweer op, keerde zich om en wilde met de kolf naar mij
slaan, nu evenwel kwam Winnetou tusschenbeide en sprak:
—De hoofdman der Kiowa’s moet kalm blijven. Deze Old-Shatterhand is
zeer overmoedig, maar ik geef hem in vele opzichten gelijk. Intschu
Tschuna, mijn vader de opperhoofdman aller Apachen, moet hem verlof
geven te zeggen, wat hij te zeggen heeft!
Tangua moest zich wel schikken en Intschu Tschuna besloot den wensch
van zijn zoon te vervullen. Hij kwam naar mij toe en zeide:
—Old-Shatterhand is als een roofvogel, die zelfs nog bijt, als men hem
heeft gevangen. Hebt gij Winnetou niet tweemaal neergeveld? Hebt gij
ook mij niet met uw vuist geslagen zoodat ik bewusteloos neerviel?
—Heb ik dit vrijwillig gedaan? Hebt gij mij daartoe niet gedwongen?
—Gedwongen? vroeg hij verbaasd.
—Ja, wij wilden ons zonder tegenstand overgeven, maar uw krijgers
luisterden niet naar wat wij zeiden. Zij vielen ons aan en wij moesten
ons verdedigen. Vraag echter eens of wij één van uw mannen hebben
gewond, ofschoon wij ze gemakkelijk hadden kunnen dooden. Wij zijn
gevlucht om geen van hen te moeten treffen. Toen kwam gij en greep mij
aan, zonder op mijn woorden te letten. Ik moest mij wel verweren en had
u kunnen doorsteken of doodschieten, maar ik sloeg u neer omdat ik uw
vriend ben en u wilde sparen. Toen kwam Tangua, de hoofdman der Kiowa’s
en wilde u den scalp ontnemen, daar ik dit niet duldde, vocht ik met
hem en overwon hem. Ik heb dus niet alleen uw leven, maar ook uw scalp
gered. Toen....
—Die vervloekte hond liegt, alsof hij honderd tongen had!—schreeuwde
Tangua woedend.
—Is het werkelijk leugen?—vroeg Winnetou hem.
—Ja, mijn roode broeder twijfelt niet hoop ik, aan de waarheid van mijn
woorden?
Winnetou vervolgde:
—Ik kwam op dit oogenblik juist aangeloopen. Tangua lag onbeweeglijk en
mijn vader ook, dat stemt dus. Old-Shatterhand kan verder gaan.
—Ik had dus Tangua overwonnen, om Intschu Tschuna te redden, toen kwam
Winnetou. Ik zag hem niet, maar kreeg van hem een kolfslag, die voor
mijn hoofd bestemd was, maar mijn schouder trof. Winnetou stak mij met
zijn mes in den mond en door de tong, ik kon dus niet spreken anders
zou ik hem hebben gezegd, dat ik gaarne zijn vriend en broeder wilde
zijn. Ik was gewond, mijn arm was verlamd en toch heb ik hem
overwonnen, een oogenblik later lag hij bedwelmd voor mij, evenals
Intschu Tschuna, ik had beiden kunnen dooden, heb ik het gedaan?
—Gij zoudt het misschien hebben gedaan,—antwoordde Intschu
Tschuna,—maar een krijgsman der Apachen kwam te rechter tijd en sloeg u
met de kolf van zijn geweer op het hoofd.
—Neen, ik zou het niet hebben gedaan. Zijn deze drie blanken, die met
mij hier zijn vastgebonden, niet vrijwillig bij u gekomen, om zich aan
u over te geven? Zouden zij dit hebben gedaan, wanneer zij u als
vijanden beschouwden?
—Zij hebben het gedaan omdat zij wel inzagen, dat er voor hen van geen
ontkomen sprake was. Daarom vonden zij het verstandiger zich over te
geven. Ik stem toe, dat er wel eenige waarheid schuilt in uw woorden,
maar toen gij mijn zoon Winnetou voor de eerste maal neerveldet, waart
gij daartoe niet gedwongen.
—Zeker.
—Waardoor?
—Ik deed het uit voorzichtigheid, wij wilden u en hem redden. Gij zijt
dappere lieden, gij zoudt u verzet hebben en waart dan zeker gewond
geworden, misschien zelfs gedood. Dat wilden wij verhinderen, daarom
sloeg ik Winnetou neer en gij werdt door mijn drie blanke vrienden
overweldigd. Ik hoop, dat gij mijn woorden wilt gelooven!
—Het zijn leugens, niets dan leugens!—riep Tangua,—ik kwam er juist
aan, toen hij u had overwonnen. Niet ik, maar hij wilde u den scalp
ontnemen. Ik wilde dit verhinderen, maar toen trof mij zijn ijzeren
vuist, waarin de groote, booze geest schijnt te wonen.
Toen wendde ik mij tot hem en zeide op dreigenden toon:
—Ja, niemand kan die vuist weerstaan, ik gebruik haar alleen, om
bloedvergieten te voorkomen, maar als ik met u vecht, zal ik niet mijn
hand, maar mijn wapen gebruiken, gij komt er niet weder met een
onschuldige verdooving af. Onthoud dat!
—Gij met mij vechten?—hoonde hij.—Wij zullen u verbranden en uw asch
naar alle windstreken strooien!
—Denk dat maar niet, ik ben eerder vrij, dan gij vermoedt en dan zal ik
met u afrekenen!
—Dat is goed, ik verwacht u. Ik wilde, dat uw wensch vervuld werd, want
gaarne zou ik met u vechten, ik weet, dat ik u zou verpletteren.
Intschu Tschuna maakte aan dit twistgesprek een einde door te zeggen:
—Old-Shatterhand is wel wat overmoedig, met te beweren dat hij
vrijkomt. Hij moet bedenken, dat er vele grieven tegen hem zijn, valt
er al een weg, dan verandert dit toch weinig aan zijn lot.
—Heb ik dan niet nog andere bewijzen? Heb ik Rattler niet geslagen toen
hij op Winnetou schoot en Kleki-Petra trof? Is dat soms geen bewijs?
—Neen, gij kunt dit ook om andere redenen hebben gedaan. Hebt gij nog
meer te zeggen?
—Nu niet, misschien later nog.
—Zeg het nu, want later zult gij niet veel meer kunnen zeggen.
—Neen, nu niet. Als ik het later wil doen zult gij wel naar mij moeten
luisteren. Old-Shatterhand is er de man niet naar, om zich zoo te laten
behandelen. Ik zwijg nu, omdat ik nieuwsgierig ben, het oordeel te
hooren dat gij over ons zult vellen.
Intschu Tschuna wendde zich van mij af en gaf een wenk. Nu traden
verschillende andere krijgslieden uit den kring naar voren en zetten
zich met de drie hoofdmannen neer om te beraadslagen. Natuurlijk gaf
Tangua zich alle moeite het vonnis zoo zwaar mogelijk te maken.
Intusschen hadden wij gelegenheid en tijd verschillende opmerkingen te
doen.
—Ik ben nieuwsgierig te weten, wat zij daar besluiten,—zeide Dick
Stone,—’t zal wel niet veel goeds zijn.
—Ik ben vast overtuigd dat onze kop er aangaat,—meende Will.
—Ik ook,—stemde Sam toe;—die kerels gelooven niets van wat wij zeggen!
Ge hebt de zaak anders kranig aangepakt, sir! Ik heb mij over Intschu
Tschuna verwonderd.
—Waarom—vroeg ik.
—Dat hij u zoo liet kletsen. Mij snoerde hij dadelijk den mond.
—Kletsen, is u dat ernst Sam?
—Ja.
—Dank u voor dat compliment.
—Kletsen noem ik alle praten, dat niets geeft. En ’t heeft u toch even
weinig geholpen als mij.
—Ik denk er anders over!
—Zoo en welke reden hebt gij daarvoor?
—Een zeer gegronde. Winnetou heeft namelijk over zwemmen gesproken, dat
is dus reeds besproken geweest, daarom denk ik dat zij ons enkel bang
hebben willen maken. Het vonnis zal wel niet al te streng zijn.
—Sir, stel u dat toch niet voor! Meent gij misschien dat men u
gelegenheid zal geven u door zwemmen te redden?
—Ja.
—Onzin, klinkklare onzin! Ja, als ’t eenmaal zoo is bepaald zal men u
wel laten zwemmen, maar weet gij waarheen?
—Neen, waarheen dan?
—Rechtstreeks in den muil des doods. En wanneer gij dan gestorven zult
zijn, denk er dan eens aan, dat ik gelijk heb gehad! Hihihihi!
Deze kleine zonderlinge kerel wist zelfs nog grappen te maken over den
wanhopigen toestand, waarin wij ons bevonden. Zijn vroolijkheid duurde
echter slechts een oogenblik, want de beraadslaging was ten einde, de
krijgslieden die daaraan hadden deelgenomen, gingen terug naar hun
plaatsen en Intschu Tschuna begon met luider stem:
—Hoort gij krijgers der Apachen en Kiowa’s wat over deze vier gevangen
bleekgezichten besloten is. In den raad der Ouden is reeds vooruit
afgesproken, dat wij hen in het water zouden jagen, dan met elkander
zouden laten vechten en hen eindelijk zouden laten verbranden.
Old-Shatterhand, de jongste van hen heeft echter woorden gesproken, die
niet geheel van waarheid zijn ontbloot. Het schijnt toch dat zij het
niet zoo kwaad hebben gemeend als wij dachten, maar desniettemin hebben
zij den dood verdiend, doch is ons oorspronkelijk besluit veranderd en
willen wij nu den Grooten Geest laten beslissen.
Hij hield eenige oogenblikken stil om de spanning onder zijn
toehoorders te vermeerderen. Sam maakte van deze pauze gebruik om de
volgende opmerking ten beste te geven:
—Drommels, dat wordt interessant, hoogst interessant. Begrijpt gij wat
hij wil?
—Ik vermoed het,—antwoordde ik.
—Wat dan?
—Een tweegevecht, een zoogenaamd Godsoordeel. Heb ik ’t niet geraden?
—Ja, in elk geval een tweegevecht. Maar tusschen wie? ’k Ben erg
nieuwsgierig, dit te hooren.
Nu ging de hoofdman voort:
—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, schijnt de
voornaamste van hen te zijn, de beslissing zal dus in zijn hand worden
gelegd. En onder de Apachen ben ik de hoogste in rang, ik Intschu
Tschuna.
—Wel voor den drommel. Gij en hij—fluisterde Sam opgewonden.
—Oef, oef, oef!—klonk het bewonderend door de rijen der roodhuiden.
Zij schenen verbaasd te staan dat hun aanvoerder zelf met mij wilde
strijden, hij had zich gemakkelijk aan dit gevaar kunnen onttrekken en
een ander daarmee kunnen belasten.
De aanvoerder vervolgde:
—Intschu Tschuna en Winnetou zijn in hun eer gekrenkt geworden, doordat
slechts één vuistslag van den blanken man voldoende was, om hen
bezwijmd te doen neervallen. Zij moeten deze vlek op hun naam
uitwisschen, door met den blanke te vechten. Winnetou moet zich
terugtrekken, want ik ben ouder en de eerste aanvoerder der Apachen.
Hij is het daarover met mij eens en ik zal tegelijk met mijzelf, ook
hem in zijn eer herstellen, door Old-Shatterhand te dooden.
Hij wachtte wederom eenige oogenblikken.
—Gij kunt er u op verheugen, sir!—zeide Sam.—Gij zult in elk geval een
beteren dood hebben dan wij. Gij hebt den kerel willen sparen en nu kan
hij u het levenslicht uitdooven.
—Dat zullen wij eerst eens afwachten!
—Niet noodig, sir, ik weet het vooruit. Denkt gij dat gij gelijke
wapens krijgt?
—Neen, dat stel ik mij niet voor!
—De kansen worden bij dergelijke gelegenheden zóó gesteld, dat de
blanke altijd verloren is. Gebeurt dat een enkelen keer niet, dan is
dit een uitzondering, welke den regel bevestigt. Luister verder.
Intschu Tschuna ging nu voort:
—Wij zullen Old-Shatterhand de boeien afnemen en hem in het water der
rivier laten gaan, hij moet over de rivier zwemmen, maar krijgt geen
wapenen. Ik volg hem en neem alleen de tomahawk mee. Bereikt
Old-Shatterhand den oever en komt hij levend tot aan den ceder, welke
daarginds op de zandvlakte staat, dan is hij gered en zijn ook zijn
makkers vrij, zij kunnen gaan waarheen zij willen. Dood ik hem evenwel
voor hij den ceder bereikt, dan zijn ook zij ten doode opgeschreven,
maar zullen niet gemarteld en verbrand, alleen doodgeschoten worden.
Alle aanwezige krijgers mogen getuigen dat zij mijn woorden gehoord en
begrepen hebben en daarmee instemmen.
—Howgh!—luidde het eenstemmig antwoord.
Men kan begrijpen dat wij zeer in spanning waren, ik wel niet zoo erg
als Sam, Dick en Will. De eerste zeide:
—Dat hebben de kerels slim uitgedacht. Omdat gij de sterkste zijt moet
gij zwemmen. Laat u dat niet wijsmaken! Omdat gij een nieuweling zijt,
dat is de reden. Mij, mij, moesten zij te water laten gaan! Ik zou hun
eens laten zien, hoe Sam Hawkins als een forel door het water schiet.
Maar gij! Bedenk dat ons leven van u afhangt. Als gij ’t verliest en
wij moeten sterven, dan zeg ik nooit meer een woord tegen u, daar kunt
ge op rekenen!
—Wees maar niet bezorgd, beste Sam!—antwoordde ik.—Ik zal doen wat ik
kan. Ik geloof dat de roodhuiden geen slechte keus hebben gedaan; ja,
ik ben overtuigd dat ik u gemakkelijker zal redden dan gij ons!
—Ik wil het hopen! Dus, het gaat op leven en dood. Gij moet Intschu
Tschuna niet sparen, doe dat in ’s hemelsnaam niet.
—Ik zal eens zien.
—Er valt niets te zien. Als gij hem spaart, zijt gij verloren en wij
met u. Gij vertrouwt zeker alweer op uw vuist.
—Ja.
—Doe dat niet, het zal niet tot een gevecht komen.
—Zeker, het komt er toe.
—Neen dat geloof ik niet.
—Hoe wil hij mij dan dooden?
—Met de tomahawk natuurlijk. Gij weet toch wel, dat men die niet alleen
bij ’t handgevecht gebruikt, maar ’t is ook een vreeselijk wapen in de
verte; men werpt er mee en deze roodhuiden zijn daarin zoo geoefend,
dat zij iemand op honderd pas afstands, het topje van een opgeheven
vinger afsnijden. Intschu Tschuna zal niet met de bijl op u loshakken,
maar hem u achterna werpen en u met den eersten worp dooden. Geloof
mij, al zijt ge nog zulk een uitstekende zwemmer, gij komt niet aan den
anderen oever, want onder ’t zwemmen werpt hij u de tomahawk naar het
hoofd of naar den nek. Dan helpt al uw kunst en al uw sterkte u geen
zier!
—Dat weet ik, beste Sam. Maar evengoed weet ik, dat in sommige gevallen
een vingerhoed list meer doet, dan een vat lichaamskracht.
—List? Waar haalt gij nu de noodige list vandaan? Ik zeg u, de oude Sam
Hawkins staat bekend als een schrandere kerel, maar met al zijn
schranderheid zou hij niet weten, hoe hij dat aan moest leggen. Wat
helpt nu alle list tegen een goed geslingerde tomahawk!
—Meer dan ge denkt, Sam!
—Hoe kan dat?
—Gij zult het zien, of liever, gij zult het niet zien, maar ik wil u
wel zeggen dat ik bijna zeker ben, dat mijn plan zal gelukken.
—Gij zegt dit maar, om ons moed in te spreken!
—Neen.
—Om ons te troosten, zeker, Maar wat geeft ons een troost, welke het
volgende oogenblik niets waard blijkt te zijn?
—Wees toch gerust. Ik heb een goed, een zeer goed overlegd plan.
—Een plan? dat ook nog, gij kunt geen ander plan hebben, dan over de
rivier te zwemmen en dan treft u de tomahawk.
—Neen, let op! Wanneer ik verdrink zijn wij gered!
—Verdrink... gered! sir, gij weet niet wat gij zegt!
—Ik weet, wat ik wil! Let goed op, ik herhaal het: als ik verdrink,
hebben wij niets meer te vreezen.
Ik sprak deze woorden snel en haastig, want nu traden de drie
aanvoerders op ons toe en Intschu Tschuna zeide:
—Wij maken Old-Shatterhand nu los, maar hij behoeft zich niet te
verbeelden dat hij kan vluchten: er zouden dadelijk honderd vervolgers
achter hem zijn.
—Ik denk er ook niet aan!—antwoordde ik,—zelfs al kon ik ontkomen, dan
zou het toch slecht van mij zijn, mijn makkers in den steek te laten.
Ik werd losgemaakt en zwaaide even met mijn armen, om te beproeven of
ik ze goed kon bewegen. Toen zeide ik:
—Het is een groote eer voor mij, met den beroemden hoofdman der Apachen
op leven en dood te mogen strijden, maar voor hem is het geen eer.
—Waarom niet?
—Omdat ik geen partij voor hem ben. Ik heb nu en dan eens een bad
genomen in een beek en dan geprobeerd eens onder te duiken. Maar in
zulk een breede, diepe rivier ben ik nooit geweest.
—Oef, oef dat spijt mij. Ik en Winnetou, zijn de beste zwemmers van
onzen stam, wat beteekent dus een overwinning op zulk een slechten
zwemmer!
—En gij zijt gewapend, en ik niet! Ik ga dus den dood tegemoet en mijn
kameraden bereiden zich ook voor om te sterven. Maar toch zou ik wel
eens willen weten, hoe ik mij dezen strijd moet voorstellen. Wie moet
het eerst te water gaan?
—Gij.
—En gij volgt mij dadelijk?
—Ja.
—En wanneer valt gij mij met de tomahawk aan?
—Als mij dat in den zin komt,—antwoordde hij met een trotsch en
minachtend lachje.
—Dat kan dus ook in ’t water gebeuren?
—Ja.
Ik deed, alsof ik hoe langer hoe onrustiger en meer terneergeslagen
werd en vroeg verder:
—Dus gij moogt mij dooden. Ik u ook?
Hij zette een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond:—arme worm, waar
denkt gij aan, deze vraag is immers al te gek,—maar hij antwoordde:
—Het is zwemmen en vechten op leven en dood; gij kunt mij dus ook
dooden, want alleen, wanneer u dit gelukt, zult gij den ceder bereiken.
—En zal uw dood niet op mij gewroken worden?
—Neen. Dood ik u, dan bereikt gij uw doel niet en uw makkers moeten
sterven; dood gij mij, dan bereikt gij den ceder en gij zijt van dat
oogenblik vrij. Vooruit!
Hij keerde zich om en ik trok mijn jachtrok en laarzen uit. Wat ik in
den gordel en in mijn zakken had, legde ik er naast.
Nu hoorde ik Sam klagen:—Dat zal wat geven, sir, dat zal wat geven. Als
gij uw gezicht eens kondet zien, sir, en dan dien toon van uw stem, ik
sta doodsangsten om u uit.
Ik kon hem niet antwoorden, daar de drie aanvoerders dichtbij ons
stonden, maar ik wist wel, waarom ik zoo stumperachtig deed. Ik wilde
Intschu Tschuna minder op zijn hoede doen zijn om hem, zoo te zeggen in
den val te lokken.
—Nog één vraag!—verzocht ik, voor ik hem volgde.—Krijgen wij onze
eigendommen terug, ingeval wij vrijkomen?
Hij lachte kort en ongeduldig, want hij vond deze vraag al heel dom en
antwoordde:
—Ja, zeker die krijgt gij.
—Alles?
—Alles.
—Ook de paarden en de geweren.
—Alles, dat heb ik immers gezegd!—stoof hij op.—Hebt gij dan geen
ooren? Een padde wil met een adelaar een wedstrijd in ’t vliegen
aangaan en vraagt hem, wat zij zal krijgen, indien zij ’t wint! Als gij
even dom zijt in ’t zwemmen als in ’t vragen, spijt het mij dat ik u
geen oude vrouw tot tegenpartij heb gegeven.
Wij gingen langs den cirkel van toeschouwers naar den oever. Ik kwam
dicht langs Nscho-Tschi voorbij en ving van haar een blik op met welken
zij afscheid van mij nam, voor ’t leven. De Indianen volgden ons en
zetten zich toen in groepen aan den oever neer, om op hun gemak te
genieten van het schouwspel, dat hun wachtte.
Het spreekt vanzelf, dat ik mij in een groot gevaar bevond. Al zwom ik
ook recht, scheef of zigzag over de rivier, ik was toch verloren, de
tomahawk van den aanvoerder zou mij altijd treffen. Er was slechts één
kans op redding, ik moest duiken en gelukkig was ik daarin niet zulk
een stumper, als Intschu Tschuna dacht. Maar het duiken alleen was niet
genoeg. Ik moest weer boven water komen, om adem te scheppen en stelde
dan mijn hoofd bloot aan den worp van de tomahawk. Neen, ik mocht in ’t
geheel niet weer aan de oppervlakte komen, zoolang ik in ’t gezicht der
roodhuiden was. Hoe zou ik dit evenwel aanvangen? Ik nam de oevers aan
weerskanten nauwkeurig op en zag tot mijn voldoening dat het terrein
mij voor de uitvoering mijner plannen gunstig was.
Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, op de geheele vrije
zandvlakte, maar een eind voorbij het midden daarvan. Het verder
stroomopwaarts liggende gedeelte was slechts honderd schreden van mij
verwijderd en nog verder naar boven, maakte de rivier een kromming,
welke mij verhinderde haar verder met het oog te volgen. Stroomafwaarts
lag het einde der zandvlakte, wel vierhonderd pas van mij af. Wanneer
ik in ’t water sprong en men mij niet weer zag opduiken, moest men wel
denken dat ik verdronken was en zou men naar mijn lijk gaan zoeken, dat
natuurlijk stroomafwaarts zou drijven; mijn redding lag dus in de
tegenovergestelde richting. Daar zag ik dichtbij een plaats, waar de
oever door den stroom was afgebrokkeld; hij hing een weinig voorover en
daaronder was een holte, welke uitstekend geschikt was om mij een
oogenblik tot schuilplaats te dienen. Verder naar boven lag allerlei
aangespoeld houtwerk, dat ik tot hetzelfde doel kon gebruiken. Het was
nu echter geraden te doen, alsof ik bang was.
Intschu Tschuna ontkleedde zich tot op de dunne Indiaansche broek, stak
de tomahawk in den gordel en zeide:
—Wij kunnen beginnen. Spring er in!
—Mag ik eerst niet probeeren, hoe diep het hier is?—vroeg ik op
angstigen toon.
Een verachtelijk lachje gleed over zijn gelaat, terwijl hij om een lans
riep. Men bracht mij die en stak haar in ’t water.
Zij bereikte den bodem niet. Dit was mij zeer welkom, maar ik deed,
alsof ik nog angstiger werd dan ik reeds was, hurkte aan den oever
neer, wiesch mij het voorhoofd als iemand die bang is een beroerte in
het water te zullen krijgen, door zich niet eerst vooraf af te koelen.
Er ging een algemeen gebrom van geringschatting op, ik had dus mijn
doel bereikt. Bovendien hoorde ik Sam roepen:
—Om Gods wil, kom toch weer hier! ik kan het niet langer aanzien. ’t Is
beter dan zij ons doodmartelen, dan zulk een beeld van jammer voor
oogen te hebben.
Onwillekeurig kwam mij in de gedachte, wat Nscho-Tschi wel van mij zou
denken. Ik keerde mij om. Uit Tangua’s gelaat sprak haat en hoon.
Winnetou had de bovenlip opgetrokken, zoodat men zijn tanden kon zien,
hij was woedend, dat hij mij ooit een oogenblik zijn medelijden had
betoond en zijn zuster hield de oogen neergeslagen, zij wilde mij niet
eens meer aanzien.
—Ik ben gereed,—zeide Intschu Tschuna tot mij.—Waarom aarzelt gij? Er
in, zeg ik u!
—Moet het werkelijk gebeuren?—vroeg ik.—Kan het niet anders?
Er weerklonk een luid gelach en boven alles uit hoorde ik Tangua’s stem
roepen:
—Laat dien kikvorsch vrij! Schenk hem het leven. Op zulk een lafaard
mag geen krijgsman zijn hand leggen!
En met donderende stem schreeuwde Intschu Tschuna mij toe:
—Er in of ik breek u dadelijk den nek met de tomahawk!
Toen deed ik, alsof ik vreeselijk verschrikt was, ging aan den kant van
de rivier zitten, stak eerst de voeten en toen langzaam de beenen in
het water als wilde ik er mij zachtjes in laten glijden.
—Er in!—schreeuwde Intschu Tschuna nogmaals en meteen gaf hij mij een
flinken schop in den rug. Dit had ik juist gewild. Ik sloeg als
hulpeloos de armen uit, gilde van angst en plofte in het water. In ’t
volgend oogenblik evenwel was het uit met deze comedie. Ik voelde den
grond onder mij, nam een wending en zwom, natuurlijk onder water,
stroomopwaarts, dicht langs den oever.
Dadelijk daarop hoorde ik boven en achter mij gedruisch. Intschu
Tschuna was mij nagesprongen, zooals ik later vernam, was het zijn plan
geweest mij een voorsprong te geven en mij dan naar den
tegenovergestelden oever te drijven, waar hij mij met de bijl wilde
neerslaan. Tengevolge van mijn lafheid had hij dit plan opgegeven en
was mij dadelijk gevolgd om mij, zoodra ik het hoofd omhoog stak, den
doodelijken slag te geven. Met zulk een lafaard moesten korte wetten
worden gemaakt.
Ik bereikte de plek waar de afgebrokkelde oever over het water heenhing
en dook even op, maar zoo, dat het hoofd alleen tot den mond te
voorschijn kwam. Niemand kon mij zien, dan alleen de hoofdman, doordien
deze ook in ’t water was. Tot mijn geluk evenwel zag hij juist den
anderen kant uit. Ik haalde snel en diep adem en dook weer onder om
verder te zwemmen. Weldra kwam ik bij het aangespoelde hout en wederom
haalde ik even adem, ja ik was hier zoo goed verborgen, dat ik het
zelfs wagen kon, even om mij heen te zien. Ik zag den hoofdman op het
water liggen, als een roofdier, dat gereed is zijn prooi te grijpen. Nu
had ik nog het laatste, maar ook het langste eind voor mij, tot daar
waar het bosch begon en struiken over het water heengingen. Ook dit
eind legde ik gelukkig af en door deze struiken geheel verborgen, klom
ik den oever op.
Ik moest natuurlijk de zooeven genoemde kromming trachten te bereiken
om vandaar naar den tegenoverliggenden oever te zwemmen, en dit
geschiedde het snelst, door daarheen te loopen. Eerst echter zag ik
door de boomen heen naar degenen, die ik zoo om den tuin had geleid. De
Apachen stonden roepend en met de armen zwaaiend aan den oever en ik
zag den hoofdman nog altijd op mij wachtend, heen en weer zwemmen,
hoewel ik onmogelijk zoolang levend onder water had kunnen blijven. Of
Sam Hawkins ook dacht aan mijn woorden: als ik verdrink, zijn wij
gered?
Nu liep ik zoo snel mogelijk door het bosch verder, tot ik de kromming
van de rivier achter mij had, ging ik hier weer te water en kwam
welgemoed aan de overkant. Dit was nu ’t gevolg van mijn aanstellerij
en van ’t feit, dat zij mij voor zulk een slechten zwemmer hadden
gehouden.
Onbegrijpelijk was het werkelijk, dat zij zich door deze list hadden
laten beetnemen, want tot nu toe, had ik hun niet de minste reden
gegeven om mij voor een lafaard te houden.
Ik liep terug tot ik weer aan de zandvlakte kwam, welke zich hier aan
dezen kant voortzette. Achter de boomen verborgen, zag ik tot mijn
groot genoegen, dat verscheidene roodhuiden in het water waren
gesprongen en met lansen naar den verdronken Old-Shatterhand zochten.
Ik had nu op mijn gemak naar den ceder kunnen loopen en dan was het
pleit beslist geweest, ik deed dit echter niet, want ik wilde mijn
overwinning niet enkel te danken hebben aan list, maar Intschu Tschuna
meteen een les geven en hem dwingen mij erkentelijk te zijn.
Hij zwom nog steeds zoekend op en neer, ’t scheen hem geen oogenblik in
te vallen naar den anderen oever te zien. Ik liet mij dus weer in ’t
water glijden, ging op den rug liggen, zoodat slechts mijn neus en mond
boven het water uitkwamen en liet mij langzaam voortdrijven. Geen
mensch merkte mij op. Toen ik evenwel dicht bij hem was, dook ik onder,
zwom een stuk verder, kwam eensklaps hoven en riep, in het water
rechtopstaande, met luider stem:
—Sam Hawkins, Sam Hawkins, wij hebben overwonnen! Overwonnen!
Het leek wel of ik op een ondiepe plaats stond. De roodhuiden hoorden
mij en zagen om zich heen. Een verschrikkelijk gehuil volgde! Het was
of duizend duivels waren losgelaten en om het hardst brulden. Wie zoo
iets ook maar eens in zijn leven heeft gehoord, vergeet het nooit weer.
Nauwelijks had Intschu Tschuna mij gezien of hij kwam met snelle slagen
op mij toegezwommen. Ik mocht hem niet te dicht bij mij laten komen en
klom dus weer op den tegenoverliggende oever. Hier bleef ik staan.
—Weg, verder weg, sir!—schreeuwde Sam mij toe,—maak toch, dat gij aan
den ceder komt!
Niemand kon mij dit beletten, Intschu Tschuna evenmin als iemand
anders, maar ik wilde hem, zooals reeds gezegd een lesje geven en
verwijderde mij dus niet van dit punt, vóór hij nog ongeveer veertig
pas van mij af was. Toen liep ik zoo snel ik kon op den boom toe. Was
ik nog in ’t water geweest, dan had de hoofdman mij ongetwijfeld met de
tomahawk kunnen treffen, maar nu was ik overtuigd, dat hij zich niet
van dit wapen kon bedienen voor hij zelf den oever had bereikt. De boom
stond driehonderd pas verder. Toen ik de helft van dezen afstand had
afgelegd, bleef ik weer staan en zag om. Juist op dit oogenblik klom de
hoofdman aan wal. Hij liep in de val, welke ik hem had gesteld. Inhalen
kon hij mij niet meer, maar zijn werpbijl zou mij kunnen bereiken. Hij
nam deze uit zijn gordel en snelde op mij toe. Nog steeds bleef ik
staan, maar toen hij dicht bij mij was, maakte ik een beweging, alsof
ik wilde vluchten. Dit was echter slechts een schijnbeweging. Ik
redeneerde bij mij zelf aldus: als ik kalm blijf staan, zal hij de bijl
niet werpen, want hij weet, dat ik dan kan uitwijken en hij behoudt de
kans om mij in te halen. Hij zal alleen met de bijl naar mij werpen,
wanneer ik op den loop ga en hem den rug toekeer. Daarom nam ik
schijnbaar de vlucht, maar in ernst, deed ik hoogstens twintig schreden
en bleef toen mij plotseling omkeerend, staan.
Juist. Hij had om beter te kunnen werpen een oogenblik zijn vaart
gestuit en zwaaide de bijl boven het hoofd. Juist, toen ik stilstond
slingerde hij haar naar mij toe. Ik week twee, drie sprongen ter zijde
uit, de bijl vloog mij voorbij en kwam in het zand terecht.
Dat had ik juist gewild. Ik snelde er heen, raapte de bijl op en ging
toen, in plaats van naar den boom, met kalmen tred den hoofdman
tegemoet. Hij schreeuwde van woede, maar ik zwaaide met de tomahawk en
riep dreigend:
—Halt, Intschu Tschuna, gij hebt u wederom in Old-Shatterhand vergist.
Wilt gij uw eigen bijl in het hoofd hebben?
Hij bleef even stilstaan en schreeuwde:
—Hond, hoe zijt gij mij toch in ’t water ontkomen? Heeft de booze geest
u opnieuw geholpen?
—Geloof dat toch niet! Als hier sprake is van een Geest, dan is het de
goede Manitou, die mij heeft bijgestaan.
Ik zag bij deze woorden dat zijn oogen als onder een heimelijk genomen
besluit flikkerden en ging waarschuwend voort:
—Gij wilt mij verrassen, mij aanvallen, ik zie het aan u! Doe het niet
want het zou uw dood zijn. U zal niets geschieden, want ik gevoel
wezenlijk vriendschap voor u, maar wanneer gij mij aanvalt, moet ik mij
wel verweren. Gij weet, dat ik zelfs zonder wapenen sterker ben dan gij
en nu heb ik bovendien nog uw tomahawk. Wees dus verstandig en....
Ik kon niet verder spreken. Hij kon zijn woede niet langer beheerschen
en de handen als klauwen naar mij uitstekend, kwam hij op mij toe.
Reeds meende hij mij te hebben, maar snel bukte ik mij en het geweld
van den stoot, waarmee hij mij op den grond had willen werpen, deed hem
zelf vallen. Dadelijk was ik bij hem, zette hem de linkerknie op den
eenen en de rechter op den anderen arm, greep hem met de linkerhand bij
den nek, zwaaide de tomahawk en riep:
—Intschu Tschuna, vraagt gij om genade?
—Neen.
—Dan splijt ik u den kop.
—Dood mij dan, hond!—hijgde hij onder vergeefsche pogingen om los te
komen.
—Neen, gij zijt Winnetou’s vader en zult leven, maar vooreerst moet ik
u onschadelijk maken, gij dwingt mij daartoe.
Ik sloeg hem met de vlakke zijde van de bijl tegen het hoofd.... een
rochelend geluid, zijn ledematen verstijfden zich. Van het punt, waar
de roodhuiden stonden, moest het wel den schijn hebben, alsof ik hem
doodsloeg.
Er volgde een gehuil nog vreeselijker dan zooeven. Ik bond de armen van
den overwonnene met zijn eigen gordel stevig aan het lichaam vast,
droeg hem tot aan den ceder en legde hem daar neer. Dit moest ik wel
doen, want volgens onze afspraak moest ik den ceder hebben bereikt.
Toen evenwel liet ik hem liggen en snelde terug naar den oever, want ik
zag, dat vele roodhuiden te water waren gegaan met Winnetou aan het
hoofd. Dit zou, indien zij niet van plan waren woord te houden,
gevaarlijk kunnen worden voor mijn kameraden en voor mijzelf. Daarom
riep ik aan den oever gekomen, hun toe:
—Terug, gij allen! De hoofdman leeft, ik heb hem niets gedaan, maar,
wanneer gij hier komt, sla ik hem dood. Alleen Winnetou kan hier komen,
ik moet hem spreken!
Zij sloegen geen acht op deze waarschuwing, maar eensklaps hief
Winnetou zich in het water op en riep hun eenige woorden toe, welke ik
niet verstond. Zij keerden allen terug en hij alleen kwam aan wal.
Zoodra hij op het droge stond, zeide ik:
—Het was goed van u, dat gij uw krijgers terugzondt, zij zouden het
leven van uw vader in gevaar hebben gebracht.
—Hebt gij hem niet reeds met de tomahawk doodgeslagen?
—Neen. Hij dwong mij hem bewusteloos te slaan, omdat hij zich niet over
wilde geven.
—En gij hadt hem toch kunnen dooden. Hij was in uw macht!
—Ik dood niet gaarne een mensch en het allerminst den man, die de vader
is van Winnetou. Hier hebt ge zijn wapen. Gij moogt beslissen of ik
overwonnen heb en of men woord zal houden tegenover mijn metgezellen en
mij.
Hij nam de tomahawk van mij aan en zag mij langen tijd aan. Zijn blik
werd zachter, daarna bewonderend, eindelijk riep hij uit:
—Wat voor een man is Old-Shatterhand toch! Wie kan hem begrijpen?
—Gij zult mij leeren begrijpen!
—Gij geeft mij deze bijl, zonder te weten of wij woord zullen houden,
gij hadt u daarmee kunnen verdedigen! Weet gij wel, dat gij u daarmee
in mijn handen overlevert?
—Ik ben niet bang, want ik heb nog mijn armen en mijn vuisten tot mijn
dienst en bovendien, Winnetou is geen leugenaar, maar een edel
krijgsman, die zijn woord nooit zal breken!
Toen stak hij mij de hand toe en terwijl zijn oogen straalden,
antwoordde hij:
—Gij hebt gelijk, gij zijt vrij, evenals de andere blanken, behalve de
man, die Rattler heet. Gij stelt vertrouwen in mij, ik wilde dat ik het
ook in u kon doen.
—Heb maar geduld, die tijd zal komen. Kom nu mee naar uw vader.
—Ja, laat ons gaan! Ik moet naar hem zien, want wanneer Old-Shatterhand
toeslaat, kan licht de dood intreden, hoewel hij dit niet had gewild.
Wij gingen naar den ceder en maakten de armen van den hoofdman los.
Winnetou onderzocht hem en zeide toen:
—Hij leeft, maar zal eerst laat ontwaken en dan nog lang pijn in het
hoofd hebben. Ik moet echter niet hier blijven, maar zal eenige mannen
zenden. Mijn broeder Old-Shatterhand kan met mij meegaan.
Het was de eerste maal, dat hij mij broeder noemde. Hoe dikwijls heb ik
later dit woord uit zijn mond gehoord en hoe eerlijk, oprecht en trouw
is dit altijd gemeend geweest!
Wij gingen naar de rivier terug en zwommen die over. De roodhuiden
zagen ons vol spanning aankomen. Nu wij daar zoo vriendschappelijk
samen naast elkaar zwommen, moesten zij toch ook wel erkennen dat zij
mij verkeerd beoordeeld hadden, toen zij mij tot een voorwerp van hoon
en bespotting maakten. Toen wij den oever bestegen, nam Winnetou mij
bij de hand en zeide met luider stem:
—Old-Shatterhand heeft overwonnen; hij en zijn drie metgezellen zijn
vrij!
—Oef, oef, oef!—riepen de Apachen.
Tangua alleen stond somber voor zich heen te staren. Met hem had ik nog
af te rekenen, want zijn leugens en zijn bedriegerijen dienden gestraft
te worden, niet alleen om onzentwille, maar ook om der wille van de
blanken, die hij ooit weer op zijn weg mocht ontmoeten.
Winnetou ging hem voorbij, zonder hem met een blik te verwaardigen en
bracht mij bij de palen, waaraan mijn drie kameraden gebonden waren.
—Halleluja!—riep Sam.—Wij zijn gered, wij worden niet gedood. Mensch,
vriend, jongeling en greenhorn, hoe hebt gij dat toch aangelegd?
Winnetou reikte mij zijn mes toe en zeide:
—Snijd ze los! Gij hebt verdiend, dit zelf te mogen doen.
Ik deed het. Nauwelijks waren ze vrij of ik werd door zes armen zoo
stevig gedrukt en omhelsd, dat ik het er werkelijk benauwd van kreeg.
Sam kuste mij zelfs de hand en getuigde, terwijl de tranen uit zijn
kleine oogjes liepen:
—Sir, als ik dit ooit vergeet, dan mag mij de eerste de beste beer, die
mij tegenkomt met huid en haar verslinden! Hoe hebt gij dat toch
gedaan? Gij waart verdwenen. Gij hadt zulk een angst voor ’t water en
allen dachten dan ook dat gij verdronken waart.
—Heb ik niet gezegd: als het schijnt dat ik verdrink, ben ik gered?
—Heeft Old-Shatterhand dat gezegd?—vroeg Winnetou.—Was dat dan
alles....
—Ja,—knikte ik.
—Mijn broeder wist dus, wat hij wilde. Hij is hier onder water door
stroomopwaarts gezwommen en dan ginds weer stroomaf, vermoed ik. Mijn
broeder is niet alleen sterk als een beer, maar ook listig als een vos,
wie zijn vijand is, dient zich voor hem in acht te nemen.
—En is Winnetou zulk een vijand geweest?
—Ik was het, maar ben het nu niet meer.
—Gelooft gij dus niet meer de woorden van Tangua, maar de mijne?
Hij zag mij wederom lang en onderzoekend aan als zooeven aan den
anderen oever, reikte mij de hand en antwoordde:
—Uw oogen zijn goede oogen en uit uw gelaat spreekt geen oneerlijkheid,
ik geloof u.
Ik had de zooeven afgelegde kleedingstukken weer aangetrokken, nam nu
de sardinenbus uit den zak van mijn jachtrok en zeide:
—Mijn broeder Winnetou heeft gelijk, ik zal het hem bewijzen. Misschien
herkent hij wat ik hem zal laten zien.
Ik nam de opgerolde haarlok uit de doos en gaf hem die over. Hij
strekte de hand uit, nam hem echter niet aan, maar week verschrikt
achteruit, terwijl hij riep:
—Maar dat is haar van mijn hoofd! Wie heeft u dat gegeven?
—Intschu Tschuna vertelde zooeven, dat gij aan de boomen gebonden waart
geweest en dat de Groote, Goede Geest u een onzichtbaren redder had
gezonden. Ja, onzichtbaar was hij, want hij mocht door de Kiowa’s niet
worden gezien, nu echter behoeft hij zich niet langer te verbergen. Nu
zult ge me toch wel willen gelooven, als ik u zeg, dat ik niet uw
vijand, maar steeds uw vriend ben geweest.
—Gij.... gij.... hebt gij ons dus losgesneden? Aan u dus hebben wij
onze vrijheid te danken!—stamelde hij, hij die anders door niets en
niemand van zijn stuk was te brengen. Toen nam hij mij bij de hand,
bracht mij naar de plaats, waar zijn zuster stond, die ons in stilte
had gade geslagen, ging voor haar staan en zeide:
—Nscho-Tschi, hier staat de dappere krijgsman, die onzen vader en mij
heimelijk bevrijd heeft, toen de Kiowa’s ons aan den boom hadden
gebonden, dank ook gij hem!
Na deze woorden drukte hij mij aan zijn borst en gaf mij op iedere wang
een kus. Zijn zuster gaf mij de hand en het eenige wat zij zeide, was:
—Vergeef mij!
Zij moest mij danken en vroeg mij in plaats daarvan om vergiffenis? Ik
begreep haar evenwel. Zij had mij in stilte onrecht aangedaan. Zij, als
mijn verpleegster, had mij beter moeten kennen dan de anderen en toch
had zij mijn list voor waarheid aangezien. Zij had mij voor een laffen,
onhandigen knaap gehouden en zij wilde dat gaarne weer goedmaken. Ik
drukte haar de hand en antwoordde:
—Nscho-Tschi zal zich alles wel herinneren, wat ik gezegd heb. Zoo is
het ook uitgekomen. Wil mijn zuster mij nu voortaan gelooven?
—Ik geloof aan mijn blanken broeder!
Tangua stond in de nabijheid. Het was hem aan te zien, dat hij woedend
was. Ik ging op hem toe en zeide, terwijl ik hem flink in ’t gezicht
zag:
—Is Tangua, de hoofdman der Kiowa’s, een leugenaar of heeft hij de
waarheid lief?
—Wilt gij mij beleedigen?—barstte hij los.
—Neen, ik wil alleen weten wat ik aan u heb, antwoord dus.
—Old-Shatterhand moest weten, dat ik de waarheid liefheb.
—Wij zullen zien! Gij houdt dus woord, als gij iets hebt beloofd?
—Ja.
—Dat moet ook, want wie niet doet wat hij zegt, wordt door iedereen
veracht. Weet gij nog, wat gij mij hebt gezegd?
—Wanneer?
—Zooeven toen ik gebonden was.
—Toen heb ik zooveel gezegd.
—Zeker. Gij zult echter wel weten, wat ik bedoel.
—Neen.
—Dan zal ik het u zeggen. Gij wildet met mij afrekenen.
—Heb ik dat gezegd?—vroeg hij, de wenkbrauwen fronsend.
—Ja. En dan hebt gij verder gezegd dat gij gaarne met mij zoudt willen
vechten, want gij wist zeker, dat gij mij zoudt verslaan.
Hij scheen een beetje bang te worden bij den dreigenden toon waarop ik
sprak, want hij antwoordde behoedzaam:
—Ik herinner mij deze woorden niet. Old-Shatterhand moet mij verkeerd
hebben verstaan.
—En zooeven toen ik gebonden was en mij niet kon verweren, hebt gij mij
durven bedreigen, lafaard die gij zijt!
Hij wilde op mij toekomen, maar Winnetou stelde zich tusschen hem en
mij en zeide:
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft gelijk. Tangua heeft hem gehoond en
heeft met hem willen afrekenen. Als hij dit nu niet doet, is hij een
lafaard en verdient hij door zijn stam te worden uitgestooten. Deze
zaak moet dadelijk worden uitgemaakt, want niemand zal mogen zeggen,
dat de krijgers der Apachen lafaards als gasten bij zich hebben. Wat
denkt de hoofdman der Kiowa’s te doen?
Deze wierp voor hij antwoordde een blik om zich heen. Er waren bijna
tweemaal zooveel Apachen als Kiowa’s en deze laatsten waren geheel door
de anderen omsingeld; het was onmogelijk hun hulp in te roepen, nu hij
zulk een groot losgeld had moeten betalen en toch eigenlijk nog een
gevangene was.
—Ik zal er eens over nadenken,—zeide hij ontwijkend.
—Een dapper krijgsman behoeft hierover niet na te denken. Of hij neemt
den strijd aan òf hij wordt voor een lafaard uitgemaakt. Hoort gij?
Nu richtte hij zich op en schreeuwde:
—Tangua een lafaard? Wie dat durft zeggen, dien stoot ik het mes in de
borst.
—Ik zeg dat gij een lafaard zijt,—antwoordde Winnetou trotsch en
kalm,—indien gij niet woord houdt.
—Ik zal het houden!
—Gij zijt dus bereid met Old-Shatterhand te vechten?
—Ja.
—En dadelijk?
—Dadelijk; ik verlang er naar zijn bloed te zien vloeien.
—Welnu, laat ons dan bepalen met welke wapens deze strijd zal worden
gevoerd.
—Wie heeft dat te bepalen?
—Old-Shatterhand.
—Waarom?
—Omdat gij hem hebt beleedigd.
—Welneen, hij heeft mij beleedigd en ik ben een hoofdman, terwijl hij
slechts een gewoon bleekgezicht is. Ik ben dus veel meer dan hij.
—Old-Shatterhand staat hooger dan een hoofdman der roodhuiden.
—Dat beweert hij wel, maar hij heeft het nooit kunnen bewijzen. Een
bedreiging is geen bewijs.
Nu mengde ik mij in ’t gesprek.
—Tangua mag kiezen,—zeide ik;—’t is mij hetzelfde met welk wapen ik hem
overwin.
—Gij zult mij niet overwinnen,—brulde hij woedend.—Denkt gij dat ik den
strijd met de vuist zal kiezen, terwijl gij iedereen neerslaat, of het
mes, waarmee gij het Bliksemmes hebt doorstoken, of de tomahawk, die
zelfs voor Intschu Tschuna gevaarlijk was.
—Wat kiest gij dan?
—Het geweer, wij zullen op elkander schieten en mijn kogel zal uw hart
treffen.
—Goed, ik heb er niets tegen. Heeft mijn broeder Winnetou nu echter
gehoord, wat Tangua heeft bekend?
—Wat?
—Dat ik met het Bliksemmes heb gestreden en hem heb doorstoken. Dat
deed ik, om de gevangen Apachen te redden van den folterpaal, hij
loochende dit tot nu toe. Nu hoort ge, dat ik gelijk had, toen ik hem
een leugenaar noemde.
—Een leugenaar? mij?—schreeuwde de Kiowa,—dat zult ge me met uw leven
betalen! haal de geweren, laat de strijd dadelijk beginnen, opdat ik
dezen blaffenden hond het zwijgen kan opleggen!
Hij had zijn geweer in de hand. Winnetou zond een Apache naar het
Pueblo, om mijn buks en de ammunitie, welke ik bij mij gehad had, te
halen. Alles was goed bewaard, omdat Winnetou, niettegenstaande hij mij
voor zijn vijand hield, zoo levendig belang in mij had gesteld. Toen
zeide hij tot mij:
—Mijn blanke broeder mag zeggen op welken afstand en hoeveel malen zal
worden geschoten!
—’t Is mij ’t zelfde,—antwoordde ik,—laat Tangua beslissen.
—Ja, ik zal beslissen,—zeide deze,—tweehonderd pas en zooveel schoten
tot één van ons neervalt en niet meer kan opstaan?
—Goed,—was Winnetou’s antwoord,—en ik zal toezicht houden! Gij schiet
beurt om beurt. Ik sta met mijn geweer gereed en zal dengene, die vóór
zijn beurt schiet, een kogel door den kop jagen. Wie mag eerst
schieten?
—Ik natuurlijk!—riep de Kiowa.
Winnetou schudde afkeurend het hoofd.
—Tangua wil alle voordeelen hebben,—zeide hij.—Old-Shatterhand zal
eerst schieten.
—Neen,—viel ik hem in de rede,—geef hem zijn zin. Hij eerst een schot
en dan ik, dan is ’t uit.
—Neen—antwoordde Tangua,—wij schieten zoolang, tot een van ons beiden
valt.
—Zeker, want mijn eerste schot zal u doen vallen.
—Pocher!
—Eigenlijk moest ik u doodschieten, maar dat zal ik niet doen. Gij
verdient, dat ik u ’t gebruik uwer ledematen ontneem. Let op, ik zal u
in de rechterknie schieten.
—Hebt gij ’t gehoord?—lachte hij.—Dit bleekgezicht, die door zijn eigen
vrienden een greenhorn wordt genoemd, wil vooruit zeggen dat hij mij op
tweehonderd pas afstand, in de knie zal schieten. Lacht hem uit,
krijgers, lacht hem uit!
Hij zag uitdagend om zich heen, maar niemand stemde met zijn lachen in.
Toen ging hij voort:
—Gij zijt bang voor hem? Ik zal u toonen, dat ik het niet ben! Kom,
laat ons de tweehonderd pas afmeten!
Terwijl dit gebeurde, bracht men mij mijn berendooder. Ik onderzocht
dien, hij was in orde. Beide loopen waren geladen. Om zeker te zijn van
mijn zaak, schoot ik ze af en laadde opnieuw zoo zorgvuldig, als de
omstandigheden waarin ik mij bevond dit vereischten. Sam kwam naar mij
toe en vroeg:
—Sir, ik heb u wel honderd vragen te doen en kan daarvoor maar geen
gelegenheid vinden. Zeg mij nu maar alleen dit: wilt gij werkelijk dien
kerel in de knie schieten?
—Ja.
—Is die straf groot genoeg?
—Mij dunkt van wel.
—Neen, zeker niet, zulk ongedierte moest uitgeroeid worden, als ik mij
niet vergis. Bedenk toch eens, wat hij niet al heeft misdreven, te
beginnen met het stelen der paarden, die aan de Apachen behoorden?
—Daartoe hebben de blanken hem verleid.
—Hij mag zich niet laten verleiden! Als ik in uw plaats was, zou ik hem
een kogel door den kop jagen. Hij zal wel op den uwen mikken.
—Of op mijn borst, daarvan ben ik zeker.
—Hij zal u niet treffen, de geweren van die kerels zijn niets waard.
Nu was de afstand afgemeten en wij gingen op de eindpunten staan. Ik
hield mij kalm, maar Tangua deed niets dan mij allerlei verwenschingen
naar het hoofd slingeren.
Daarom zeide Winnetou, die juist in het midden tusschen ons stond:
—De hoofdman der Kiowa’s moet zwijgen en opletten. Als ik drie tel
wordt er geschoten, wie eerder schiet, krijgt mijn kogel in het hoofd!
Het is te begrijpen, dat alle aanwezigen vol spanning waren. Zij
stonden in twee rijen, rechts en links van ons. Er heerschte diepe
stilte.
—De hoofdman der Kiowa’s mag beginnen,—zeide Winnetou, een.... twee....
drie!
Ik bleef stilstaan. Bij het eerste woord had Tangua zijn geweer
opgeheven, nu mikte hij en schoot af. De kogel ging rakelings aan mij
voorbij.
—Nu mag Old-Shatterhand schieten!—riep Winnetou,—een.... twee....
—Halt!—viel ik hem in de rede,—ik ben eerlijk recht blijven staan, hij
echter draait zich om en keert mij niet het gezicht, maar de zijde toe.
—Wie kan mij dat verbieden?—vroeg Tangua,—er is niet gezegd hoe wij
moeten staan.
—Dat is waar en Tangua kan dus gaan staan, zooals hij wil. Hij keert
mij zijn zijde toe, omdat hij meent, dat ik hem dan niet zoo
gemakkelijk kan treffen, maar hij vergist zich: ik tref hem altijd. Ik
had kunnen schieten, zonder een woord met hem te wisselen, maar ik wil
eerlijk zijn, tegenover hem. Hij krijgt mijn kogel in de rechterknie,
dat kan echter alleen gebeuren, wanneer hij mij het gezicht toekeert,
keert hij mij evenwel de zijde toe, dan zal mijn kogel hem beide knieën
verpletteren, dat is het verschil. Hij kan nu gaan staan zooals hij
wil, ik heb hem gewaarschuwd.
—Schiet niet met woorden, maar met kogels!—hoonde hij, terwijl hij mijn
waarschuwing in den wind sloeg en bleef staan.
—Old-Shatterhand schiet!—herhaalde Winnetou,—een.... twee.... drie!
Mijn schot viel, Tangua uitte een luiden kreet, liet zijn geweer
vallen, strekte de armen uit, wankelde en viel neer.
—Oef, oef, oef!—klonk het rondom en allen drongen om hem heen om te
zien, waar ik hem getroffen had.
Ik ging eveneens naar hem toe en men maakte eerbiedig plaats voor mij.
—In beide knieën, in beide knieën!—hoorde ik rechts en links zeggen.
Toen ik bij hem kwam, lag hij kronkelend op den grond. Winnetou knielde
naast hem neer en onderzocht de wonden. Hij zag mij aankomen en zeide:
—De kogel is juist zoo gegaan, als mijn blanke broeder voorspeld heeft;
beide knieën zijn verpletterd. Tangua zal nooit weer kunnen uitrijden
om zijn oogen te werpen op de paarden van andere stammen.
Toen de gewonde mij zag, wierp hij mij een vloed van schimpwoorden naar
het hoofd. Ik zag hem zoo doordringend aan dat hij voor eenige
oogenblikken zweeg en zeide:
—Ik heb u gewaarschuwd en gij hebt niet naar mij willen luisteren, gij
zelf zijt schuld aan uw ongeluk!
Hij waagde het niet te jammeren, omdat de Indiaan dit zelfs bij de
ergste pijnen niet mag doen, maar hij beet zich op de lippen, zag
somber voor zich heen en zeide knarsetandend:
—Ik ben gewond en kan niet naar huis terugkeeren, ik moet bij de
Apachen blijven!
Winnetou evenwel schudde het hoofd en antwoordde zeer beslist:
—Gij zult naar huis moeten terugkeeren, want bij ons is geen ruimte
voor de dieven van onze paarden en de moordenaars van onze krijgers.
Wij hebben geen bloed van u geëischt, maar ons tevreden gesteld met
dieren en voorwerpen, meer kunt gij niet verlangen. Voor een Kiowa is
geen plaats in ons Pueblo!
—Maar ik kan niet rijden!
—Old-Shatterhand was nog zwaarder verwond dan gij en kon ook niet
rijden en toch moest hij mee. Denk dikwijls aan hem, dat zal goed voor
u zijn! De Kiowa’s wilden ons heden verlaten, laat hen gaan, want
degenen, die wij morgen in de nabijheid van onze weideplaats
aantreffen, zullen wij behandelen zooals gij Old-Shatterhand hadt
willen behandelen. Ik heb gezegd. Howgh!
Hij nam mij bij de hand en trok mij mee. Toen wij uit het gedrang
waren, zagen wij zijn vader aankomen met de mannen, die zijn zoon naar
hem toe had gezonden. Winnetou ging hem tegemoet en ik zocht Sam
Hawkins, Dick Stone en Will Parker op.
—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan eens een oogenblik voor
ons!—zeide de eerste.—Zeg mij toch voor alles, wat waren dat voor haren
die gij Winnetou liet zien?
—Ik had ze hem afgesneden.
—Wanneer?
—Toen ik hem en zijn vader losmaakte!
—Dus gij.... duivels.... gij hebt.... gij, die greenhorn, gij.... gij
hebt hen bevrijd?
—Ja zeker.
—Zonder ons er een woord van te zeggen.
—Dat was volstrekt ook niet noodig.
—Maar, hoe hebt ge dat toch aangelegd?
—Zooals een greenhorn dat pleegt te doen!
—Praat toch verstandig, sir! dat was toch een buitengewoon moeilijke
zaak!
—Ja, want gij twijfeldet er nog aan, of het u zelf wel zou gelukken!
—En u is het gelukt! òf ik heb geen verstand meer, òf het staat stil!
—’t Eerste is het geval, Sam!
—Houd uw mond met uw praatjes. Zoo een stille in den lande! Bevrijdt de
aanvoerders en draagt de vlecht, die wonderen kon doen, bij zich,
zonder ons een woord er van te zeggen! En dan zet hij een onnoozel
gezicht er bij. Wel, men kan geen mensch meer vertrouwen! En vandaag,
wat is er toen gebeurd? Ik vat er niets van! Gij waart verdronken en
staat plotseling weer voor ons!
Ik vertelde hun alles. Toen ik geëindigd had riep hij:
—Mensch, vriend en greenhorn, gij zijt toch een vreeselijke deugniet,
als ik mij niet vergis! Ik moet u nog eens weer vragen: zijt gij
werkelijk nooit in ’t Westen geweest?
—Neen.
—Ook niet in de Vereenigde Staten in ’t algemeen?
—Neen.
—Dan mag de koekoek u begrijpen, ik doe ’t niet. Gij zijt in alles een
beginneling en weet toch alles. Zulk een mensch, als gij zijt, heb ik
nog nooit ontmoet. Ik moet u prijzen, eerlijk prijzen. Gij hebt de zaak
kranig aangepakt, hihihihi! Ons leven hing werkelijk aan een zijden
draadje. Maar verbeeld u nu niet al te veel, gij zult nog wel eens
dwaasheden begaan! ’t Zal mij nog eens verwonderen, of er wel ooit uit
u een goede prairiejager groeit!
Hij zou zeker nog lang op deze wijze zijn voortgegaan, als Winnetou en
Intschu Tschuna niet bij ons waren gekomen. De laatste zag mij lang
aan, zooals zijn zoon zooeven had gedaan en zeide:
—Ik heb alles van Winnetou gehoord. Gij zijt vrij en zult ons wel
willen vergeven. Gij zijt een zeer dapper en listig krijgsman en zult
nog menigen vijand overwinnen. Hij, die u tot vriend heeft is machtig.
Wilt gij de calumet des vredes met ons rooken?
—Ja, gaarne wil ik uw vriend en broeder zijn!
—Kom dan met mij en met mijn dochter, Nscho-Tschi naar het Pueblo! Ik
wil mijn overwinnaar een woning aanwijzen, welke zijner waardig is.
Winnetou moet hier beneden blijven om de orde te handhaven!
Zoo gingen wij als vrije mannen met hem en Nscho-Tschi de
pyramidenburcht weder op, welke wij als gevangenen hadden verlaten!