TWEE GEVECHTEN OP LEVEN EN DOOD.

De houding, welke de Kiowa’s tegen ons aannamen, deed ons bezorgd zijn

voor onze veiligheid en daarom spraken wij af, dat wij niet allen

tegelijk zouden gaan slapen, maar beurtelings wacht zouden houden. Dit

geschiedde en toen de roodhuiden bemerkten dat wij deze

voorzorgmaatregelen hadden genomen, werd hun houding nog vijandiger.

Toen de dag aanbrak, zagen wij, dat zij druk bezig waren te zoeken naar

het spoor der vluchtelingen, dat zij in den nacht niet hadden kunnen

vinden. Zij vonden dit en volgden het; het voerde naar de plaats, waar

de Apachen vóór den overval hun paarden natuurlijk onder bewaking

hadden achtergelaten. Intschu Tschuna en Winnetou waren met deze

wachters weggereden en hadden de overige paarden allen laten staan.

Toen wij dit hoorden zag Sam mij even van ter zijde aan en vroeg:

—Begrijpt gij wel, waarom de beide aanvoerders dit hebben gedaan?

—Ja, dat is gemakkelijk te raden.

—Oho sir, zulk een greenhorn als gij zijt, behoeft zich niet te

verbeelden, dat hij dadelijk ’t rechte van de zaak weet. Er behoort

ervaring toe.

—Nu die heb ik.

—Gij, ervaring? Ik zou wel eens willen weten, waar gij die hebt

opgedaan.

—In mijn boeken.

—Al weer die boeken, het kan zijn, dat gij wel eens iets hebt gelezen,

dat u hier van pas komt, maar daarom behoeft ge u nog niet te

verbeelden, dat gij overal verstand van hebt. Ik zal u zoo dadelijk

bewijzen, dat gij eigenlijk nog niets weet. Zeg mij eens waarom de

vluchtelingen alleen hun eigen paarden hebben meegenomen en die van de

anderen hier hebben gelaten?

—Omdat de gevangenen ze nog noodig kunnen hebben.

—Wel, waarvoor hebben gevangenen nu paarden noodig?

Ik was niet in ’t minst gekwetst door deze vragen, het was nu eenmaal

zoo zijn manier van doen. Daarom antwoordde ik:

—Er zijn twee dingen mogelijk. Ten eerste kunnen de aanvoerders met een

voldoend aantal Apachen terugkeeren, om de gevangenen te bevrijden.

Waarom zouden zij dan eerst de paarden meevoeren en daarna

terugbrengen? Ten tweede is het mogelijk, dat de Kiowa’s de terugkomst

der Apachen niet afwachten en met hun gevangenen deze streek verlaten.

In dit geval kunnen de gevangenen althans rijden, terwijl zij anders

moesten loopen. Het is te hopen dat zij naar de dorpen der Kiowa’s

worden gevoerd, want dan bestaat er kans, dat zij onderweg bevrijd

kunnen worden. Moesten zij loopen, dan zou hun transport vele

moeilijkheden opleveren en de Kiowa’s zouden licht op de gedachte

kunnen komen, hen voor ’t gemak, hier op de plaats zelf, om te brengen.

—Hm, dat is werkelijk zoo kwaad niet bedacht! Maar gij hebt nog een

derde mogelijkheid vergeten. De Kiowa’s kunnen immers ook hun

gevangenen dooden, ondanks hun paarden.

—Neen, dat is niet mogelijk.

—Niet? sir, hoe komt gij op de gedachte, iets voor onmogelijk te

verklaren, wat Sam Hawkins voor licht mogelijk houdt.

—Omdat Sam Hawkins schijnt vergeten te hebben, dat ik hier ben.

—Ah zoo, houdt gij dat voor zulk een gewichtige omstandigheid?

—Neen, ik wil alleen zeggen, dat de gevangenen, zoolang ik hier ben en

ik mij kan weren, niet vermoord zullen worden.

—Werkelijk, wat zijt gij toch voor een veelbeteekenend man? De Kiowa’s

zijn tweehonderd man sterk en gij wilt hen verhinderen te doen wat hen

belieft?

—Ik zal hoop ik, niet alleen staan?

—Niet? wie zal u dan helpen?

—Gij, Sam Hawkins, Dick Stone en Willy Parker, ik reken er vast op, dat

gij zulk een moord op groote schaal niet zult dulden.

—Zoo, zoo, gij rekent dus op ons; dank u zeer voor uw vertrouwen, want

het is werkelijk geen gekheid, zich het vertrouwen waardig te maken,

van een man als gij zijt, ik ben er wat trotsch op, hihihihi!

—Hoor eens Sam, ik spreek in vollen ernst, en ik heb werkelijk geen

lust gekheid te maken over zulk een onderwerp. Nu er zooveel

menschenlevens op het spel staan, moet men alle scherts achterwege

laten.

Toen zag hij mij met zijn kleine, listige oogjes aan en zeide:

—Thunder-storm! Is het u werkelijk ernst? Ja, dan moet ik een ander

gezicht zetten. Maar hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, sir?

Op de anderen daar valt niet te rekenen en wij met ons vieren staan dus

alleen, tegenover tweehonderd Kiowa’s. Hebt gij dat wel bedacht? Dat

zal wel nooit goed voor ons afloopen.

—Daar vraag ik niet naar. Ik duld niet, dat in mijn tegenwoordigheid

zulk een moord geschiedt.

—Maar die zal toch evengoed gebeuren, met dit onderscheid alleen, dat

ook ons levenslampje wordt uitgebluscht. Of hebt gij uw hoop gevestigd

op uw naam van Old-Shatterhand? Denkt gij, dat gij tweehonderd krijgers

met uw vuisten kunt neervellen?

—Onzin, ik heb mijzelf dezen naam niet gegeven, en weet evengoed als

gij, dat vier niet tegen tweehonderd opgewassen zijn. Maar moet men dan

altijd geweld gebruiken, is list niet dikwijls beter dan geweld?

—Dat hebt gij misschien ook wel eens gelezen?

—Zeker.

—Zoo, gij zijt daardoor ook zoo’n bijzonder knappe kerel geworden. Maar

ik zeg u, dat hier met al uw list niets te doen valt. De roodhuiden

zullen doen wat zij verkiezen en er zich weinig om bekommeren, of wij

list of geweld gebruiken.

—Welnu dan, ik zie, dat ik op uw steun niet behoef te rekenen en ik zal

dus, wanneer de nood dringt, alleen handelen.

—Om Gods wil, doe geen dwaasheden! Gij behoeft niets alleen te doen. Ik

heb immers niet gezegd, dat ik niet voor de Apachen in de bres wilde

springen, maar het is nooit mijn gewoonte geweest, met den kop tegen

den muur te loopen, ik zeg u, de muren zijn altijd harder dan de

koppen.

—En ik heb evenmin gezegd, dat ik het onmogelijke mogelijk wil maken.

Wij weten nog in ’t geheel niet, wat de Kiowa’s met hun gevangenen

voorhebben en wij behoeven ons dus nog nergens ongerust over te maken.

Laat ons afwachten en dan handelen, zooals ons het beste voorkomt.

—Een voorzichtig man stelt zich daarmee niet tevreden. Wij hebben deze

bepaalde vraag te beantwoorden: wat zullen wij doen, indien de Apachen

gedood zullen worden?

—Wij dulden dit niet.

—Dat beteekent niets, niet dulden. Gij moet u duidelijker uitdrukken.

—Wij verzetten ons daartegen.

—Dat zal niets baten.

—Dan dwing ik den hoofdman zich naar mijn wil te voegen.

—Hoe zult gij dat doen?

—Ik zal hem persoonlijk aanvallen en hem het mes op de borst zetten.

—En hem doorsteken?

—Als hij niet gehoorzaamt, zeker.

—Drommels gij zijt een dappere kerel!—riep hij verschrikt.—Zoudt gij

zoo iets durven?

—Ik verzeker u, dat ik het zou doen.

—Dat is.... dat is....—Hij hield even op, zijn gezicht nam een geheel

andere uitdrukking aan en toen vervolgde hij:—Hoor eens, dat is niet

zoo kwaad bedacht, den hoofdman het mes op de keel te zetten, is de

eenige manier, om hem te dwingen te doen, wat wij willen. Het is waar,

een greenhorn kan ook nog wel eens een schrandere gedachte hebben.

Hij wilde verder gaan, maar Bancroft kwam op ons toe en drong er op

aan, dat wij aan het werk zouden gaan. De man had gelijk, wij mochten

geen uur verliezen, wilden wij met ons werk gereed zijn, voor Intschu

Tschuna en Winnetou hier terug konden zijn.

Tot aan den namiddag waren wij druk bezig, toen evenwel kwam Sam op ons

toe en zeide:

—Ik moet u helaas storen, sir, want de Kiowa’s schijnen iets voor te

hebben met hun gevangenen.

—Iets? dat is zeer onbepaald, weet gij niet wat?

—Ik heb wel eenig vermoeden, zij schijnen de arme kerels aan den

folterpaal te willen laten sterven.

—Wanneer? later of nu dadelijk?

—Natuurlijk nu, anders was ik niet bij u gekomen. Ik heb allerlei

voorbereidselen zien maken.

—Maar dat mag niet gebeuren. Waar is het opperhoofd?

—Bij zijn krijgers.

—Wij moeten zien hem hierheen te lokken. Wilt gij dat op u nemen, Sam?

—Ja, maar hoe zal ik dat aanleggen?

Ik zag eens om mij heen. De Kiowa’s waren niet meer daar, waar zij

gisteren gelegerd hadden. Zij waren ons gevolgd en hadden zich

neergezet aan den rand van een klein boschje. Rattler en zijn lieden

waren bij hen gebleven en Sam Hawkins had, om een oogje op hen te

kunnen houden, tot nu toe in hun nabijheid rondgeloopen, terwijl Parker

en Stone bij mij waren gebleven. Tusschen de roodhuiden en de plaats,

waar ik op dit oogenblik stond, lag eenig kreupelhout, dat de Kiowa’s

verhinderde te zien, wat bij ons gebeurde. Ik antwoordde op Sam’s

vraag:

—Zeg hem eenvoudig, dat ik hem iets heb te zeggen, maar dat ik om mijn

werk niet van hier kan, dan zal hij wel komen.

—Ik hoop het. Maar wanneer hij anderen meebrengt?

—Die laat ik dan aan u, Stone en Parker over. Ik neem hem voor mijn

rekening. Houd riemen gereed om hem te binden. De zaak moet vlug, maar

zoo mogelijk zonder leven maken afloopen.

—Welnu, ik weet niet of wat gij voorhebt, goed is, maar ik weet niets

beters en daarom moet gij uw zin maar hebben. Wij wagen ons leven, maar

wij zullen het duur verkoopen, hihihihi!

Zoo op zijn eigenaardige wijze lachend, verwijderde hij zich. Mijne

heeren collega’s bevonden zich niet ver van ons, maar zij hadden ons

gesprek toch niet kunnen hooren. Ik dacht er ook niet aan, hun iets

mede te deelen van mijn plannen, want ik wist, dat zij mij stellig

zouden tegenwerken. Hun eigen leven was hen meer waard dan dat der

Apachen.

Ik was mij hetgeen ik waagde volkomen bewust. Mocht ik Dick Stone en

Will Parker aan zulk een groot gevaar blootstellen, zonder hen vooraf

op de hoogte te brengen? Neen. Ik vertelde hen dus alles en vroeg, of

zij misschien liever niet mee wilden helpen. Stone antwoordde evenwel

dadelijk:

—Waar denkt gij aan, sir! Ziet gij ons aan voor schurken, die hun

vriend in den steek laten, wanneer deze zich in nood bevindt? ’t Is een

waagstuk wat gij voorhebt, en wij, als echte prairiejagers, verheugen

er ons reeds op, niet waar, Will?

—Ja,—knikte Parker,—ik zou wel eens willen zien, of wij met ons vieren

het niet tegen tweehonderd Indianen zouden kunnen houden. Ik verheug er

mij reeds op, hen al brullend te zien aankomen, terwijl zij ons toch

niets durven doen.

Ik werkte rustig door, tot Stone na eenigen tijd riep:

—Houd u gereed, sir, zij komen.

Nu keerde ik mij om. Sam kwam met Tangua, doch helaas gevolgd door drie

roodhuiden.

—Ieder een man,—zeide ik—ik neem den aanvoerder, gij de anderen, maar

neem hen bij de keel, opdat zij niet kunnen schreeuwen en wacht tot ik

het voorbeeld geef.

Ik ging Tangua langzaam tegemoet, Stone en Parker volgden mij. Wij

stonden zoo, dat de andere Kiowa’s ons door het kreupelhout niet konden

zien. De aanvoerder zette een allesbehalve vriendelijk gezicht en

zeide:

—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, heeft mij laten

komen. Heeft hij vergeten, dat ik de aanvoerder der Kiowa’s ben?

—Neen, dat weet ik zeer goed,—antwoordde ik.

—Dan hadt gij bij mij moeten komen, in plaats van ik bij u. Daar ik

echter weet, dat gij nog maar kort in dit land zijt en dus nog moet

leeren beleefd te zijn, zal ik u deze fout vergeven. Wees kort, want ik

heb geen tijd.

—Wat hebt gij dan voor gewichtigs te doen?

—Wij willen die honden van Apachen eens laten kermen.

—Wanneer?

—Zoo aanstonds.

—Waarom nu reeds? Ik dacht, dat gij de gevangenen mee wildet nemen naar

uw wigwams en ze daar, in tegenwoordigheid van uw vrouwen en kinderen,

aan den folterpaal wildet laten sterven.

—Dat was ook ons plan, maar zij zouden ons maar hinderen bij den

krijgstocht welken wij ondernomen hebben, daarom zal ik ze nu maar

laten sterven.

—Ik verzoek u, dit niet te doen.

—Gij hebt niets te verzoeken,—was het antwoord.

—Wilt gij niet even beleefd jegens mij zijn, als ik tegen u? Ik deed

slechts een verzoek. Had ik u een bevel gegeven, dan hadt gij misschien

reden, om lomp tegen mij te zijn.

—Ik wil van u niets hooren, geen bevel en ook geen verzoek. Ik zal, ter

wille van een bleekgezicht, geen verandering brengen in een eens

genomen besluit.

—Misschien zult gij dit toch doen. Hebt gij het recht, de gevangenen te

dooden? Ik wil uw antwoord niet hooren, want ik ken dit, maar men kan

een mensch snel dooden en ook langzaam doodmartelen. Wij zullen niet

toestaan, dat dit laatste in onze tegenwoordigheid geschiedt.

Nu rekte hij zich uit en zeide op minachtenden toon:

—Niet toestaan? Wat verbeeldt gij u! Gij zijt tegenover mij niet meer

dan een pad, die tegen een beer wil vechten. De gevangenen behooren mij

en ik zal met hen doen, wat ik verkies.

—Zij zijn in uw handen gekomen door onze hulp en wij hebben evenveel

recht op hen, als gij. Wij wenschen, dat zij in leven zullen blijven.

—Wensch wat gij wilt, blanke hond, ik lach om uw woorden!

Hij spuwde op den grond en wilde zich omkeeren, maar terzelfder tijd

trof hem mijn vuist, zoodat hij neerviel. Hij was evenwel niet geheel

bewusteloos en wilde weer opstaan. Daardoor moest ik mij bukken, om hem

nog een slag te geven en kon dus niet op de anderen letten. Toen ik hem

den tweeden slag had gegeven, en mij weer oprichtte, zag ik Sam Hawkins

op een der roodhuiden knielen, Stone en Parker worstelden met den

tweede en de derde, liep luid schreeuwend weg.

Ik kwam Sam te hulp. Toen wij zijn Kiowa hadden gebonden, waren ook

Dick en Will met hun gevangene gereed.

—Dat was niet heel handig van u,—zeide ik tot hen,—waarom hebt gij den

derden laten ontkomen?

—Omdat ik toevallig juist op denzelfden los ging als Stone,—antwoordde

Parker,—daardoor gingen niet meer dan twee seconden verloren, maar de

schurk heeft ze gebruikt om te ontkomen.

—Het doet er niets toe,—troostte Sam Hawkins ons,—alleen verhaastten

wij den loop der dingen wat. Binnen een paar minuten zullen de

roodhuiden hier zijn, laat ons zorgen, dat wij ruimte hebben.

Terwijl wij den aanvoerder stevig bonden, kwam de hoofdingenieur, die

met grooten schrik gezien had, wat er was gebeurd, op ons toeloopen:

—Wat begint ge toch,—schreeuwde hij—wat hebben de Indianen u gedaan?

Zij zullen ons vermoorden.

—Zeker zal dat gebeuren, als gij u niet spoedig bij ons

voegt,—antwoordde Sam.—Roept uw makkers en komt mee. Wij zullen u

beschermen.

—Gij ons beschermen.—Dat is....

—Zwijg—viel de kleine Sam hem in de rede,—wij weten zeer goed wat wij

willen, wanneer gij niet bij ons blijft, zijt gij verloren, vlug wat!

Wij namen de drie gebonden Indianen op, en droegen ze, zoo vlug wij

konden, een eind de prairie in, waar wij hen nederlegden. Bancroft en

zijn drie opzichters waren ons gevolgd. Wij hadden deze plaats

uitgekozen, omdat wij op vrij terrein veiliger waren dan op een plaats,

welke wij niet geheel konden overzien.

—Wie zal met de roodhuiden spreken, als zij komen, ik misschien?—zoo

vroeg ik aan Sam.

—Neen sir,—was het antwoord,—laat dat aan mij over, gij zijt het

half-indiaansche mengelmoes niet voldoende machtig. Kom mij echter op

het geschikte oogenblik te hulp, door te doen, alsof gij den hoofdman

wilt doorsteken.

Nauwelijks had hij dit gezegd, of wij hoorden het woedend gehuil van de

Kiowa’s en eenige oogenblikken laten zagen wij hen bij het zooeven

genoemde kreupelboschje. Zij sprongen er om- en doorheen, en kwamen

eindelijk op ons toe, maar daar de een sneller liep dan de andere,

vormden zij geen aaneengesloten troep, maar een lange rij van enkele

personen. Dit was voor ons gemakkelijker, een geordende schaar zou niet

zoo licht tot staan zijn gebracht.

De dappere Sam ging hun een eind weegs tegemoet en gaf hun met beide

armen een teeken, te blijven staan. Ik hoorde, dat hij hun iets

toeriep, maar verstond niet wat. Eerst schenen zij er geen acht op te

slaan, maar toen hij zijn woorden herhaalde, bleven de voorste Kiowa’s

staan en de anderen volgden hun voorbeeld. Toen wenkte ik Stone en

Parker, om met mij, den aanvoerder overeind te helpen en toen hij

stond, ging ik met een mes dreigend voor hem staan. De roodhuiden

huilden van schrik en angst. Sam sprak tot hen en wij zagen, dat een

die onderbevelhebber scheen te zijn, onder Sam’s geleide langzaam naar

ons toe kwam. Zoodra hij bij ons was, wees Sam op de drie gevangenen en

zeide tot hem:

—Gij ziet, dat ik u de waarheid heb gezegd, ze zijn geheel in onze

macht.

De onderbevelhebber, die nauwelijks zijn woede kon verbergen, zag de

drie gevangenen aan en antwoordde:

—Deze beide gebonden krijgers zijn nog in leven, maar het opperhoofd

schijnt dood te zijn.

—Hij is niet dood. Old-Shatterhand heeft hem met zijn ijzeren vuist

neergeveld, hij is bewusteloos, maar zijn bewustzijn zal weldra

terugkeeren. Wacht maar een oogenblik en ga zoolang bij ons zitten.

Zoodra de hoofdman weder tot zichzelf gekomen zal zijn, zullen wij met

hem en u beraadslagen. Zoodra echter één der Kiowa’s een wapen tegen

ons opheft, doorboort het mes van Old-Shatterhand Tangua’s hart, dat

verzeker ik u.

—Durft gij uw hand opheffen, tegen ons, die uw vrienden zijn?

—Vrienden? gij meent zelf niet wat gij zegt.

—Hebben wij dan de vredespijp niet met u gerookt?

—Ja maar wij vertrouwen u niet.

—Waarom niet?

—Is het de gewoonte der Kiowa’s hun vrienden en broeders te beleedigen?

—Neen.

—Welnu, uw hoofdman heeft Old-Shatterhand beleedigd en daarom kunnen

wij u niet als vrienden beschouwen. Zie, Tangua begint zich te bewegen!

Tangua, die door Stone en Parker weer was neergelegd, bewoog zich

werkelijk, hij sloeg de oogen op, zag van den een naar den ander, als

moest hij zich even bedenken wat er gebeurd was; langzamerhand scheen

het bewustzijn terug te keeren en hij riep uit:

—Oef, oef, Old-Shatterhand heeft mij neergeveld, wie heeft mij

gebonden?

—Ik,—antwoordde ik.

—Neem mijn riemen af, ik beveel het.

—Zooeven wildet gij niet hooren naar mijn verzoek, nu let ik niet op uw

bevel; gij hebt ons niets te bevelen!

Hij zag mij woedend aan en zeide knarsetandend:

—Zwijg knaap, of ik verpletter u!

—Het zwijgen past u beter dan mij. Gij hebt mij zooeven beleedigd en ik

heb u daarom tegen den grond geslagen. Old-Shatterhand laat zich niet

ongestraft een pad en een hond noemen. Als gij niet beleefd zijt, zal

ik u nog beter straffen.

—Ik wil vrij zijn. Als gij mij niet gehoorzaamt, laat ik u door mijn

krijgers van de aarde verdelgen.

—Gij zelf zoudt daarbij het slechtst er aan toe zijn, want luister:

daar staan uw mannen, zoodra een van hen ook maar den voet opheft, om

ons te naderen, stoot ik u dit mes in het hart. Howgh!

Ik zette hem de punt van het mes op de borst. Hij moest wel inzien, dat

hij zich in onze macht bevond en begrijpen, dat ik mijn bedreiging waar

zou maken; hij gaf zich dus moeite, zijn toorn te beheerschen en vroeg

op kalmeren toon:

—Wat wilt gij dan eigenlijk van mij?

—Niets anders, dan wat ik u zooeven reeds gezegd heb, ik wil niet dat

de Apachen aan den folterpaal zullen sterven.

—Gij verlangt misschien, dat zij in ’t geheel niet gedood zullen

worden?

—Doe later met hen wat ge wilt, maar zoolang wij hier zijn, mag hun

geen leed geschieden.

Hij zag een tijdlang zwijgend voor zich. Ondanks de kleuren, waarmee

zijn gezicht beschilderd was, zag ik dat het afwisselend rood en bleek

werd, daarom verwonderde het mij niet weinig, dat hij zoo spoedig met

zijn antwoord gereed was.

—Uw wensch zal vervuld worden,—zeide hij,—ja, ik zal nog meer doen, als

gij het voorstel aanneemt, dat ik u ga doen.

—En welk voorstel is dat?

—Eerst wil ik u nog zeggen, dat ik volstrekt niet bang ben voor uw mes.

Gij zult u wel wachten, mij te doorsteken, want als gij dit deedt,

zoudt gij door mijn krijgslieden in stukken worden gescheurd. Gij moogt

nog zoo dapper zijn, tegen tweehonderd man zijt gij niet opgewassen. Ik

lach dus om uw bedreiging. Ik kan gerust zeggen, dat ik niet aan uw

verzoek voldoe en toch zoudt gij mij niets doen. Maar de honden van

Apachen zullen niet aan den folterpaal sterven, ik beloof u zelfs, dat

wij in ’t geheel niet zullen dooden, als gij voor hen op leven en dood

wilt vechten.

—Met wien?

—Met een mijner krijgers, dien ik zal uitkiezen.

—Met welk wapen?

—Het mes. Als hij u doorsteekt, moeten ook de Apachen sterven,

doorsteekt gij hem, dan blijven zij leven.

—En zijn vrij?

—Ja.

Ik begreep zeer goed, dat hij de een of andere bijbedoeling had met dit

voorstel. Waarschijnlijk hield hij mij voor den gevaarlijkste onder de

aanwezige blanken en wilde hij mij onschadelijk maken, want natuurlijk

zou hij een der uitnemendste vechtersbazen als tegenpartij voor mij

kiezen. Zonder mij evenwel lang te bedenken, antwoordde ik:

—Ik neem uw voorstel aan; wij zullen de verschillende voorwaarden

bespreken en onder het rooken van een pijp ons plan bezweren en dan kan

de strijd dadelijk een aanvang nemen.

—Wat begint gij, sir?—viel nu Sam Hawkins in.—Ik kan onmogelijk

toestaan, dat gij zulk een dwaasheid begaat.

—Het is geen dwaasheid, beste Sam.

—De grootste dwaasheid, welke gij bedenken kunt. Bij een eerlijken

strijd moeten de kansen gelijk staan, maar dit is hier niet het geval.

—Zeker wel.

—Neen, zeker niet. Hebt gij dan wel ooit te voren met iemand gevochten

op leven en dood en enkel met het mes als wapen?

—Neen.

—Welnu, gij krijgt natuurlijk een tegenstander, die een meester is in

het snijden en steken. En bedenk dan toch de gevolgen, wanneer hij

overwinnaar wordt. Dan worden de Apachen vermoord. En als uw

tegenstander valt, wie sterft dan? Niemand?

—Maar dan worden de Apachen in vrijheid gesteld.

—Gelooft gij dat werkelijk?

—Ja, want wij rooken eerst een pijp samen, en dit geldt voor een eed.

—Vertrouw dien eed toch niet, de schelmen hebben allerlei

bijbedoelingen. En zelfs al was die eed eerlijk gemeend, gij zijt een

greenhorn en....

—Houd u toch stil met uw greenhorn, beste Sam!—viel ik hem in de

rede,—gij hebt nu reeds meermalen ondervonden dat deze greenhorn zeer

goed weet, wat hij wil.

Hij bleef nog geruimen tijd in zichzelf brommen; ook Dick en Parker

rieden mij af het te doen, maar ik bleef bij mijn eensgenomen besluit

en Sam riep dan ook eindelijk mismoedig uit:

—Welnu dan, loop dan voor mijn part met den kop tegen den muur, ik zal

er geen woord meer van zeggen, ik zal evenwel zorgen, dat bij dit

gevecht alles eerlijk toegaat en wee dengene die u of ons wil

bedriegen! Dien schiet ik met mijn Liddy in de lucht, dat hij in

duizend stukken in de wolken blijft hangen!

Nu werd het volgende afgesproken: op een kale ruimte, welke in de

nabijheid lag, werd in het zand een acht (8) getrokken, dus twee

cirkels op elkaar. De beide tegenstanders zouden elk in een van deze

cirkels gaan staan en gedurende het gevecht deze plaats niet mogen

verlaten. De strijd zou niet beslist zijn, voor een van beiden gedood

was, doch de doode mocht niet door zijn makkers gewroken worden.

Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, werd de

aanvoerder van zijn banden ontdaan en ik rookte met hem de calumet.

Daarop werden ook de beide anderen vrijgemaakt en de vier roodhuiden

begaven zich nu naar hun makkers terug, om hen voor te bereiden op het

schouwspel dat hen wachtte.

De hoofdingenieur en de andere opzichters deden mij het eene verwijt na

het andere, ik stoorde er mij niet aan. Ook Sam, Dick en Will keurden

mijn besluit af, maar spraken er verder niet met mij over. Hawkins

alleen zeide op bezorgden toon:

—Gij hadt wel iets anders kunnen bedenken, sir! Maar ik heb het altijd

gezegd en zeg het ook nu weer: gij zijt een lichtzinnig mensch. Wat

hebt ge er eigenlijk aan te worden doodgestoken, vertel mij dat eens!

—Wat ik er aan heb? Den dood natuurlijk, meer niet!

—Meer niet? Maak daar toch geen gekheid over. De dood is ’t laatste wat

een mensch kan overkomen, als men eenmaal gestorven is, is ’t uit.

—Toch niet.

—Zoo? wat gebeurt er dan?

—Dan wordt men nog begraven!

—Houd uw mond, sir, als gij niets beters weet, dan mij ook nog te

plagen, wou ik wel dat ik mijn vriendschap aan een waardiger persoon

had verspild.

—Plaag ik u werkelijk, beste Sam?

—Ja, natuurlijk, wees toch niet zoo dom! Het is zoo goed als zeker, dat

gij zult sterven. Wat zal ik dan doen op mijn ouden dag? Ik moet zoo’n

greenhorn hebben, met wien ik zoo nu en dan eens kan redetwisten. En

als gij er nu niet meer zijt, wat zal ik dan doen?

—Wel, dan neemt gij een anderen greenhorn.

—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want zulk een onverbeterlijken

greenhorn als gij zijt, vind ik mijn leven lang niet weer. Maar ik zeg

u, als u iets kwaads overkomt, zullen de roodhuiden nog lang aan mij

denken. Ik vlieg als een razende Roland op hen aan. Maar vertel mij

eens, waar blijft uw gevoel van menschelijkheid waarover gij ’t altijd

zoo druk hebt? Ik weet dat gij een goed hart hebt en niet gaarne een

mensch doodt. Gij zijt toch niet van plan, den kerel met wien gij moet

vechten te sparen?

—Hm, hm.

—Hm, hm? doe dat toch niet, het gaat op leven en dood!!

—Als ik hem nu alleen verwond?

—Dat geldt niet, zooals gij hebt gehoord.

—Ik bedoel, dat ik hem zoo verwond, dat hij niet meer kan vechten.

—Dat geldt evenmin, dan wordt gij niet als overwinnaar beschouwd en

moet weer opnieuw den strijd met een ander beginnen. Gij hebt wel

gehoord, dat de overwonnene moet sterven, hoort gij ’t wel, dat moet!

Gij moet hem dus dooden! Maak daarover geen bezwaar. Voor gij een goed

prairiejager zult worden, zal uw mes nog menigmaal met een stuk

menschenvleesch in aanraking moeten komen. Bedenk toch, dat al deze

Kiowa’s roovers en moordenaars zijn, dat zij alleen schuld dragen aan

alles, wat thans geschiedt, want zij hebben het eerst de paarden der

Apachen gestolen. Als gij zulk een schurk doodt, redt gij het leven van

vele brave Apachen, spaart gij hem, dan zijn zij verloren. Beloof mij

dus, dat gij u zult gedragen als een echte prairiejager, die niet van

schrik in onmacht valt bij den eersten den besten druppel bloed, welke

hij ziet vloeien!

—Als u dat gerust kan stellen, wil ik u wel beloven, dat ik hem niet

zal sparen, hij zal het mij ook niet doen. Het is een tweegevecht op

leven en dood en ik heb niet te doen met een nobel en eerlijk mensch,

maar met een spitsboef en moordenaar.

—Goed zoo, nu ben ik weer gerustgesteld, maar toch heb ik een gevoel,

alsof een zoon van mij ter slachtbank wordt gevoerd. Het liefst zou ik

in uw plaats willen vechten. Wilt gij mij dat niet toestaan, sir?

—Neen, beste Sam. Ten eerste heeft, dunkt me het leven van een

greenhorn minder waarde dan dat van zulk een flinke prairiejager als

gij zijt en ten tweede....

—Houd toch uw mond, aan zoo’n ouden kerel als ik, ligt niet veel

gelegen, maar zoo’n jonge, veelbelovende....

—Kom, houdt gij nu ook uw mond!—viel ik hem in de rede—en ten tweede

zou het laf en eerloos zijn, als ik mij terugtrok en een ander voor mij

liet vechten. Trouwens, de aanvoerder zou daarmee geen genoegen nemen,

want hij heeft het juist op mij voorzien.

—Dat is het juist, wat ik mij niet kan verklaren, hij heeft het op u

gemunt, juist op u, ik hoop, dat alles anders uitvalt, dan hij het zich

voorstelt. Pas op, daar komen ze aan!

De Indianen naderden langzaam. Zij waren niet zoo talrijk, want velen

waren als bewakers van de Apachen achtergebleven. Tangua voerde ze aan

ons voorbij, tot aan de plaats, welke ik zooeven beschreef. Daar

aangekomen, gingen zij staan in een driekwartcirkel, het laatste kwart

moest door de blanken worden aangevuld. Wij deden dit. Op een wenk van

den aanvoerder trad nu uit de rijen der krijgers een roodhuid naar

voren, van werkelijk herculische gestalte. Hij legde al zijn wapenen af

en behield alleen het mes. Toen ontkleedde hij zich tot aan de heupen.

Wie zijn spieren zag, moest wel beven van angst en vrees voor zijn

leven. De aanvoerder begon nu, met een stem, welke getuigde van de

zekerheid der overwinning.

—Hier staat Metan-akva (Bliksemmes), de sterkste krijger der Kiowa’s,

wiens mes niemand nog heeft weerstaan, de vijand stort neer onder zijn

steek, als door den bliksem getroffen. Hij zal vechten met het

bleekgezicht, genaamd Old-Shatterhand.

—Drommels!—fluisterde Sam mij toe,—hij is een ware Goliath! Mijn beste

sir, het is met u gedaan!

—Kom, kom!

—Werkelijk, ik heb weinig hoop. Er is maar één mogelijkheid om dezen

kerel te overwinnen!

—En die is?

—Laat de strijd zoo kort mogelijk zijn, want als gij moe wordt zijt gij

verloren. Hoe staat het met uw pols?

Hij voelde dien en ging voort:

—God zij dank, niet meer dan zestig slagen, dus zoo kalm mogelijk. Hebt

gij geen angst?

—Dat zou niet best zijn. Angst in een oogenblik, waarin alles afhangt

van een kalmen blik en een koel hoofd. De aanvoerder heeft mij

voorgesteld met het mes te vechten, omdat hij wist, dat deze man

onoverwinnelijk heette. Welnu, wij zullen zien of dit werkelijk zoo is.

Ik had mij onder het spreken eveneens ontkleed. Dit was wel is waar,

niet tot voorwaarde gesteld, maar ik wilde niet, dat men aanmerkingen

daarop zou maken. Ik gaf den berendooder en de revolver aan Sam, en

ging toen in het midden van den kring staan. Den goeden Sam klopte het

hart in de keel, ik zelf evenwel gevoelde in ’t geheel geen vrees.

Nu werd met den steel van een tomahawk een tamelijk groote acht in het

zand getrokken en de aanvoerder noodigde ons uit, onze plaatsen in te

nemen. Bliksemmes zag mij met een minachtenden blik aan en zeide toen

met luider stem:

—Het lichaam van dezen zwakkeling beeft van angst. Zou hij het durven

wagen deze figuur te betreden?

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of ik stapte in de

zuidelijke helft van de acht. Daarvoor had ik twee redenen. Ik kreeg

namelijk daardoor de zon in den rug, terwijl zij daardoor den roodhuid

in het gezicht scheen. Men mag dit een oneerlijk voordeel noemen, maar

hij had mij bespot en bovendien gelogen, toen hij beweerde dat mijn

lichaam beefde van angst, en daarom was dit nu zijn straf. Het zou al

te grootmoedig van mij zijn geweest, hem de plaats te laten kiezen. Ik

zeg hier nog eens, het was verschrikkelijk op leven en dood te moeten

vechten, maar de minste toegeeflijkheid kon mij zelf het leven kosten

en ik was dus vast besloten dezen Goliath te doorsteken. Ondanks zijn

herculische kracht en zijn ontzaginboezemenden naam gevoelde ik mij

kalm, hoewel ik nu voor ’t eerst in mijn leven met het mes in de hand

tegenover een medemensch stond.

—Waagt hij het werkelijk?—hoonde hij,—mijn mes zal hem treffen, de

Groote Geest geeft hem in mijn macht!

Bij de Indianen zijn dergelijke redeneeringen gebruikelijk en ik zou

voor laf uitgescholden worden indien ik zweeg, daarom antwoordde ik:

—Gij strijdt met den mond, ik echter sta hier met het mes. Neem uw

plaats in, als gij niet bang zijt!

Nu was hij met één sprong in de andere helft der acht en schreeuwde:

—Bang zijn? Metan-akva bang? Hebt gij het gehoord, gij krijgers der

Kiowa’s? Ik zal dezen blanken hond met den eersten stoot dooden!

—Mijn eerste stoot zal u dooden! Maar zwijg, gij moest eigenlijk niet

Metan-akva, maar Avat-ya (grootspreker) heeten.

—Avat-ya, avat-ya! deze vervloekte hond waagt het, mij te beschimpen.

Welaan, de gieren zullen zijn ingewanden vreten!

Deze laatste bedreiging was een groote onvoorzichtigheid, ja een groote

domheid van hem, want ik werd daardoor opmerkzaam gemaakt op de wijze,

waarop hij van plan was, zijn wapen te gebruiken. Mijn ingewanden! Dus

waarschijnlijk niet een steek in ’t hart, maar een stoot van onderen

op, om mij het lijf open te rijten.

Wij stonden zoo dicht bij elkander, dat wij ons slechts voorover

behoefden te buigen, om dan elkaar met het mes te raken. De roodhuid

scheen mij met zijn blik te willen doorboren. Zijn rechterarm hing

langs zijn lichaam, hij hield het mes zóó in de hand, dat het heft op

den pink rustte en het lemmet tusschen duim en wijsvinger met den

scherpen kant naar boven gekeerd lag. Mijn vermoeden was dus juist, hij

wilde een snede van beneden naar boven doen.

De richting van den aanval kende ik dus, nu was de hoofdzaak het

oogenblik te weten, waarop deze zou geschieden. Ik moest dit aan zijn

blik zien. Ik sloeg dus schijnbaar de oogleden neer, maar gluurde des

te scherper naar hem.

—Steek dan, hond!—riep hij mij toe.

—Verspil niet zooveel woorden, maar doe zelf wat, roode kwajongen,

antwoordde ik.

Dit was een grove beleediging, waarop of een toornig antwoord, of een

aanval moest volgen, het laatste geschiedde. Een lichte opflikkering in

zijn oogen bereidde mij daarop voor en in het volgende oogenblik hief

hij den rechterarm op, om mij het lijf open te scheuren. Had ik den

messteek van boven verwacht, dan ware ik verloren geweest, nu echter

pareerde ik den stoot en trof hem met mijn mes in den bovenarm, welk ik

geheel openreet!

—Schurftige hond!—brulde hij, terwijl hij den arm terugtrok en van den

schrik en van pijn het mes liet vallen.

—Niet spreken, maar vechten! antwoordde ik, wederom mijn arm opheffend

en meteen.... zat mijn mes hem tot aan het heft in het hart. Ik trok

het oogenblikkelijk terug.

Een warme roode bloedstraal spoot uit de diepe wonde. De reus waggelde

heen en weer, wilde schreeuwen, maar bracht alleen een kermenden zucht

uit, daarop stortte hij dood ter aarde.

De Indianen hieven een woedend gehuil aan, alleen Tangua stemde hiermee

niet in. Hij kwam naderbij, bukte zich over den doode, betastte de

wond, richtte zich weer op en zag mij aan met een blik, dien ik niet

licht zal vergeten.

Er lag daarin een mengsel van woede, ontzetting, angst, bewondering en

goedkeuring, en zonder een woord te spreken wilde hij zich verwijderen.

Ik hield hem evenwel tegen en zeide:

—Ziet gij, dat ik nog op mijn plaats sta? Metan-akva heeft de zijne

verlaten en ligt buiten de figuur! Wie is overwinnaar?

—Gij—antwoordde hij woedend en wilde heengaan, maar nauwelijks had hij

vijf of zes passen gedaan, of hij keerde terug en zeide:—Gij zijt een

blanke zoon van den boozen zwarten geest. Onze medicijnman zal u uw

toovermiddel ontnemen en dan zult gij ons uw leven moeten geven.

—Doe wat gij wilt, maar houd de belofte welke gij mij gedaan hebt.

—Welke belofte?—vroeg hij hoonend.

—Dat de Apachen niet gedood zullen worden.

—Wij zullen hen niet dooden, ik heb het eenmaal gezegd en zal mijn

woord houden.

—Dus zullen zij vrij zijn?

—Ja, zij zullen hun vrijheid terug hebben. Wat Tangua de hoofdman der

Kiowa’s zegt, dat doet hij.

—Dan zal ik nu met mijn vrienden heengaan, om de gevangenen hun boeien

af te nemen.

—Dat zal ik zelf doen, als de tijd daartoe gekomen is.

—Die is gekomen, want ik ben overwinnaar.

—Zwijg! Hebben wij ooit over den tijd gesproken?

—Niet bepaald, maar het spreekt toch vanzelf, dat....

—Zwijg!—klonk het opnieuw. Den tijd heb ik te bepalen. Wij zullen de

honden van de Apachen niet dooden, maar wat kunnen wij er aan doen, als

zij sterven, indien zij niets te eten of te drinken krijgen? Kan ik

helpen dat zij verhongeren en verdorsten, vóór ik hen vrijlaat?

—Schurk!—siste ik hem tegemoet.

—Hond, zeg nog één woord en anders....

Hij hield plotseling stil, want hij zag op mijn gezicht een uitdrukking

welke hij niet vertrouwde. Ik daarentegen ging voort,—en anders sla ik

u met mijn vuist ter aarde, gij schandelijke bedrieger!

Hij week eenige schreden achteruit, trok zijn mes en dreigde:

—Kom mij niet weer te na met uw vuist, want voor gij mij met uw hand

kunt bereiken, zal ik u doorsteken.

—Dat heeft het Bliksemmes ook gezegd, en toch ligt hij daar. Het zou u

ook zoo vergaan. Ik zal met mijn blanke broeders overleggen, wat met de

Apachen zal geschieden, maar ik zeg u, als gij hen een haar krenkt, dan

zijt gij allen verloren. Gij weet, dat wij u allen in de lucht kunnen

laten springen.

Eerst na deze woorden keerde ik mij om en ging naar Sam. Deze had, door

het geschreeuw der roodhuiden, niet kunnen hooren wat er tusschen mij

en den hoofdman werd verhandeld. Hij kwam mij haastig tegemoet, greep

mijn beide handen en riep, vol vreugde en bewondering.

—Welkom, welkom, sir! Dat roep ik u toe, want gij komt terug uit het

doodenrijk. Mensch, vriend, schat, jongeling, greenhorn, wat zijt gij

toch voor een schepsel! Dat heeft nog nooit een buffel gezien en schiet

den sterkste uit de kudde neer. Heeft nog nooit een Grizzly gezien en

doodt hem met het mes. Heeft nog nooit een mustang gezien, en haalt het

beste paard uit de horde. En nu staat hij tegenover den sterksten

roodhuid en steekt hem het mes in het hart, zonder zelf een druppel

bloed te verliezen! Dick en Will komt toch eens hier en ziet dezen

kerel eens aan. Wat moeten wij met hem doen.

—Wij benoemen hem tot gezel,—lachte Stone.

—Gezel?—wat bedoelt ge daarmee?

—Hij heeft nu bewezen, dat hij geen „greenhorn” meer is, geen leerling.

Wij willen hem gezel maken, later kan hij opklimmen tot den rang van

„meester”.

—Geen greenhorn meer? Hem gezel maken? Vertel toch niet zulke

dwaasheden. De kerel is groen van top tot teen, anders zou hij het niet

gewaagd hebben met zulk een reus, als deze Indiaan te vechten, maar

Hans komt door zijn domheid voort, dat ziet ge weer aan hem! Mijn hart

stond stil van angst toen de strijd begon, ik kon geen adem krijgen en

ziet, een houw, een stoot en de roodhuid valt ter aarde. Nu hebben wij

ten minste ons doel bereikt, de Apachen zullen vrij zijn!

—Dat kondt ge wel eens mis hebben,—antwoordde ik, zonder boos te worden

over deze wijze, waarop hij over mij sprak.

—Mis hebben?—hoe dan?

—De hoofdman heeft, toen hij ons deze belofte deed, zich in stilte iets

voorbehouden, dat hij eerst nu laat gelden.

—Ik dacht wel, dat hij de een of de andere bijbedoeling had. Wat heeft

hij zich voorbehouden?

Ik herhaalde wat Tangua gezegd had. Sam was daarover zoo vertoornd, dat

hij oogenblikkelijk naar hem toeging, om hem ter verantwoording te

roepen. Ik maakte van dezen tijd gebruik om mij weer aan te kleeden en

mijn wapens weer bij mij te steken.

De Kiowa’s waren volkomen zeker geweest van de overwinning van het

Bliksemmes. De uitslag van den strijd was voor hen zulk een

teleurstelling en nederlaag, dat zij met woede en haat tegen mij

vervuld waren. Het liefst zouden zij op ons zijn aangevallen, maar dit

mochten zij niet, omdat het niet alleen afgesproken, maar zelfs met het

rooken van een pijp bezworen was, dat de onderliggende partij den dood

van den overwonnene niet op den overwinnaar zou wreken. Er was dus

voorloopig niets aan te doen, en zij troostten zich met het denkbeeld

dat er zich wel spoedig eens weer een aanleiding tot vijandschap zou

opdoen. Zij konden nu niets doen dan afwachten, verkropten hun toorn en

begonnen het lijk van hun kameraad weg te brengen. Het opperhoofd was

in hun midden en het laat zich dus denken, dat Sam Hawkins geen

vriendelijk gehoor vond. Hij keerde dan ook hoogst verdrietig terug en

zeide:

—De kerel wil werkelijk geen woord houden, hij schijnt de gevangenen te

willen laten verhongeren. En dat noemt de schurk „niet dooden”. Wij

zullen echter onze oogen openhouden, en den kerel een poets bakken,

hihihihi!

—Als die poets maar niet op ons terugslaat!—merkte ik op,—het is

moeielijk, anderen te beschermen, als men zelf nog bescherming noodig

heeft.

—Ik geloof waarachtig, dat gij bang zijt voor de roodhuiden, sir!

—Nu dat weet ge wel beter.

—Ja, maar als ik bang ben, zijt gij niet bang, en als ik moed heb, laat

gij dien zakken. Wat denkt ge u eigenlijk wel?

—Waarover?

—Over den strijd, dien gij hebt gewonnen.

—Zijt gij daarover niet tevreden?

—Ja, maar ik spreek over wat anders!

—Waarover dan?

—Mijn hemel, wat zijt ge toch traag van begrip. Zeg mij eens eerlijk,

sir, zijt gij in uw vaderland misschien beul geweest?

—Dat geloof ik niet, ten minste ik herinner mij daarvan

niets!—antwoordde ik op deze zonderlinge vraag!

—Gij hebt dus nog nooit iemand omgebracht?

—Neen.

—Dus hebt gij dan vandaag voor ’t eerst iemand dood gemaakt? Hoe is het

u dan te moede? dat wilde ik wel eens weten.

—Hm, een prettig gevoel is het nu wel juist niet, ik doe het voor de

tweede maal niet graag weer. ’t Is alsof mijn geweten mij niet weinig

plaagt.

—Bekommer u daarover niet. Het kan u hier elken dag overkomen, dat gij

een mensch het leven moet benemen, om u zelf te redden. In zulk een

geval moet men.... heavens, daar hebben wij reeds zulk een geval!—viel

hij zichzelf in de rede.—Daar zijn waarachtig de Apachen reeds hier. Nu

zullen er menschenlevens genoeg vallen. Maakt u gereed tot den strijd,

vrienden!

Werkelijk weerklonk van den kant waar de gevangenen met hun bewakers

zich bevonden, de hooge en schelklinkende oorlogskreet der Apachen,

Intschu Tschuna en Winnetou waren, tegen aller verwachting in, reeds

terug, zij overvielen de legerplaats der Kiowa’s. De enkele mannen, die

zich bij ons bevonden, luisterden een oogenblik verschrikt, toen riep

de hoofdman:

—Vijanden, daarginds bij onze broeders! Laat ons hen ter hulp snellen!

Hij wilde haastig heengaan, maar Sam trad hem in den weg en riep:

—Gij kunt niet daarheen, blijft hier, want wij zijn reeds omsingeld.

Denkt gij, dat deze beide aanvoerders zoo dom zijn, alleen de wachters

aan te vallen en niet weten waar gij u bevindt? Zij zullen zoo

aanstonds....

Hij had snel en haastig gesproken, maar kon den zin niet ten einde

brengen, want nu weerklonk het vreeselijke, door merg en been dringende

krijgsgeschreeuw ook in onze nabijheid. Wij bevonden ons wel, zooals

reeds is vermeld, op de open prairie, maar daar wij zoozeer met ons

zelf bezig waren geweest, hadden de Apachen gelegenheid gehad, zich

onopgemerkt achter de hier en daar verspreid liggende kreupelboschjes

te verschuilen. Wij waren geheel omsingeld en in groote sprongen kwamen

de aanvallers van alle kanten op ons toe. De Kiowa’s schoten op hen,

maar troffen slechts weinigen.

—Dood geen Apache, geen enkele!—riep ik Sam, Dick en Will toe. Wij

vieren namen dan ook geen deel aan den strijd, maar de hoofdingenieur

en drie opzichters verweerden zich, zij werden eenvoudig neergeschoten.

Dit was een vreeselijk gezicht. Ik was er geheel van ontdaan en

daardoor zag ik niet, wat achter mij gebeurde. Wij werden van daar door

een talrijke schare aangevallen en van elkander gescheiden, wel riepen

wij deze lieden toe, dat wij vrienden waren, maar tevergeefs, zij

drongen met messen en tomahawks op ons aan, zoodat wij ons wel moesten

verdedigen. Verscheidenen van hen vielen neer onder onze kolfslagen,

zoodat de overigen ontzag voor ons kregen en ons verder met rust

lieten. Ik maakte van dit vrije oogenblik gebruik om eens om mij heen

te zien. Er was geen Kiowa, of hij had meerdere Apachen om zich heen.

Sam zag dit ook en riep:

—Laat ons vluchten! Daarginds in de struiken!

Hij wees naar het meermalen vermelde boschje dat tusschen ons en de

legerplaats lag en liep, zoo vlug hij kon, daarheen. Dick Stone en Will

volgden hem. Ik aarzelde een oogenblik en kon niet nalaten, nog eens te

zien naar de plek, waar de opzichters een oogenblik van te voren hadden

gestaan. Zij waren blanken en ik zou hen zoo gaarne hebben gered,

helaas, het was nu te laat. Toen keerde ik mij om en liep eveneens naar

het boschje, ik had het echter nog lang niet bereikt, of Intschu

Tschuna versperde mij den weg.

Hij was met Winnetou bij de afdeeling der Apachen geweest, die opdracht

had gekregen, de legerplaats te overvallen en de gevangenen te

bevrijden. Toen dit gebeurd was, waren de beide aanvoerders weggegaan

om te zien, hoever de grootere afdeeling, waarmee wij het te kwaad

hadden gekregen, gevorderd was. Intschu Tschuna was zijn zoon een eind

vooruit en nu, terwijl hij om het boschje heenkwam, zag hij mij.

—De landdief!—riep hij mij tegemoet en kwam met zijn zilverbuks op mij

toe om mij met de kolf dood te slaan. Ik riep hem wel is waar eenige

woorden toe, die hem moesten beduiden, dat ik geen vijand van hem was,

maar hij luisterde niet naar mij. Er was niets aan te doen, wilde ik

niet als een hond worden dood gemaakt, dan moest ik mij wel verweren.

Ik wierp dus mijn beredooder, waarmee ik den eersten slag gepareerd

had, weg en sloeg in ’t volgend oogenblik den linkerarm om zijn hals

terwijl ik met de rechtervuist hem eenige hevige slagen tegen de slapen

gaf. Hij liet de buks vallen, steunde even en viel toen bewusteloos

neer. Daar weerklonk achter mij een jubelende stem.

—Dat is Intschu Tschuna, de aanvoerder der Apachen. Ik moet zijn scalp

hebben.

Mij omkeerend, zag ik Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die om de een

of andere reden, dezelfde richting had ingeslagen, als ik. Hij wierp

zijn geweer weg, trok zijn mes en wilde zich op den bewusteloozen

Apache werpen. Ik greep hem bij den arm en beval:

—Raak hem niet aan, ik heb hem neergeveld, hij behoort dus mij en niet

u!

—Zwijg, blanke hond!—antwoordde hij.—Wat heb ik met u te maken. De

hoofdman is van mij. Laat mij los, anders....

Hij stak met zijn mes naar mij en trof mij in het linkerpolsgewricht.

Ik wilde hem niet dooden en liet dus mijn mes in den gordel zitten,

maar wierp mij op hem en deed moeite hem weg te trekken. Daar dit mij

niet gelukte, drukte ik hem de keel toe, totdat hij zich niet meer

bewoog, toen boog ik mij over Intschu Tschuna heen, wiens gelaat met

het bloed uit mijn wonde was bevlekt. Op dit oogenblik hoorde ik een

geritsel achter mij en keerde mij om, om te zien, wat dit beteekende.

Deze beweging redde mij het leven, want ik ving een vreeselijken slag

die voor mijn hoofd bestemd was op mijn schouders op. Het was Winnetou

die mij dien gaf.

Hij was, zooals reeds vermeld een weinig achtergebleven. Toen hij om

het kreupelbosch kwam, zag hij mij bij zijn vader neerknielen. Dadelijk

wilde hij wraak nemen, en mij den doodelijken slag geven, die gelukkig

slechts mijn schouder trof. Dit ziende liet hij zijn geweer vallen,

trok zijn mes en snelde op mij toe.

Mijn toestand was zoo gevaarlijk mogelijk. Ik was bijna verlamd door

den slag. Gaarne zou ik Winnetou een opheldering hebben willen geven,

maar hij liet mij niet den tijd daartoe. Zijn mes was op mijn borst

gericht. Ik maakte een gelukkige wending en het mes kwam in mijn

linkerborstzak, trof het sardinenbusje waarin ik mijn papieren

bewaarde, stuitte op het blik af en drong mij langs hals en kakebeen in

den mond en door de tong. Onmiddellijk trok hij het mes terug, om mij

een tweeden steek te geven. De doodsangst verdubbelde mijn krachten, ik

kon slechts één arm, ééne hand gebruiken en hij lag half op mij, het

gelukte evenwel, mij om te keeren en zijn rechterhand te grijpen, die

ik zoo sterk vasthield dat hij het mes van pijn liet vallen, teen nam

ik snel zijn linkerarm bij den elleboog vast en duwde dien zóó naar

boven, dat hij mijn hals wel moest loslaten. Nu hief ik mijn knie op en

ging plotseling opstaan en slingerde hem van mij af. In ’t volgend

oogenblik lag ik op zijn rug, zooals hij even te voren op den mijne had

gelegen.

Nu was het zaak, hem zoo vast te houden, want, gelukte het hem weer op

te komen, dan was ik verloren. Eén knie over zijn beide beenen en de

andere op zijn arm zettend, nam ik hem met mijn ééne bruikbare hand bij

den hals, terwijl hij intusschen, gelukkig tevergeefs, met zijn vrije

hand naar zijn mes zocht. Nu volgde een vreeselijk worstelen. Men

stelle zich Winnetou voor, die nog nooit te voren overwonnen werd en

later ook nooit meer overwonnen is geworden, met zijn slangachtige

lenigheid, zijn ijzeren spieren en stalen zenuwen. Nu zou ik tijd

hebben gehad, om te spreken, eenige ophelderende woorden zouden

voldoende zijn geweest om aan dezen strijd een einde te maken, maar het

bloed stroomde mij steeds uit den mond en als ik met mijn doorstoken

tong trachtte te spreken, bracht ik niets anders voort, dan eenige

onverstaanbare klanken. Hij spande al zijn krachten in om mij af te

werpen, maar ik lag als een blok op hem. Hij begon steeds sterker te

kreunen, ik drukte mijn vingertoppen nog vaster tegen zijn keel. Zou ik

hem worgen? Neen, in geen geval. Ik liet dus voor een oogenblik zijn

hals los en onmiddellijk richtte hij het hoofd op, daardoor had ik

gelegenheid, hem een paar flinke vuistslagen toe te dienen.

Winnetou was bewusteloos, ik had hem, den onoverwinbare, overwonnen.

Ik haalde diep adem, waarbij ik geducht moest oppassen, het bloed niet

in te slikken, dat mij den mond vulde. Ook uit de wonde aan den

buitenkant vloeide een bijna vingerbreede straal. Juist wilde ik

opstaan, daar hoorde ik een toornigen Indiaanschen uitroep achter mij

en meteen kreeg ik een kolfslag op het hoofd die mij bewusteloos deed

neerzinken.

Toen ik weder tot mij zelf kwam, was het avond. Eerst was het of ik

droomde: ik was in een diepe molenbeek gevallen, maar de molen kon niet

gaan, omdat ik tusschen het rad en den muur was gevallen. Het water

ruischte en bruiste om mij heen en de kracht, waarmee het op het rad

moest werken, drukte mij al vaster en vaster tegen den muur, zoodat ik

bijna werd verpletterd. Al mijn ledematen deden mij pijn, maar het

meest van alles mijn hoofd en mijn schouder. Langzamerhand begreep ik,

dat dit geen droom, maar werkelijkheid was. Het ruischen en bruisen

kwam niet van het water, het zat in mijn hoofd en was het gevolg van

den kolfslag, dien ik had gekregen. De pijnen in mijn schouder werden

niet veroorzaakt door het molenrad, maar door den houw, dien Winnetou

mij had gegeven. Het bloed liep mij nog steeds uit den mond, het drong

mij in de keel en dreigde mij te doen stikken, ik hoorde een vreeselijk

gerochel en ontwaakte geheel. Dit rochelen had ik zelf gedaan.

—Hij beweegt zich! Goddank, hij beweegt zich!—hoorde ik Sam roepen.

—Ja, ik heb ’t ook gezien—antwoordde Dick Stone.

—Hij doet de oogen open! Hij leeft, hij leeft!—voegde Will Parker er

bij.

Ik had werkelijk de oogen geopend, maar wat ik zag, was weinig

opwekkend. Wij bevonden ons nog steeds op de plek, waar de strijd had

plaats gehad. Er brandden meer dan twintig legervuren, tusschen welke

zich een vijfhonderd Apachen bewogen. Velen van hen waren gewond en ik

zag ook een groot aantal dooden liggen, in twee afdeelingen verdeeld.

De eene afdeeling bestond uit Apachen, de andere uit Kiowa’s. De

eersten hadden elf, de laatsten dertig krijgers verloren. Rondom ons

lagen de gevangen Kiowa’s, allen stevig gebonden. Geen enkele was

ontkomen. Ook Tangua, de hoofdman, bevond zich onder hen. Ik miste den

hoofdingenieur en de drie opzichters. Zij waren afgemaakt omdat zij

zich hadden verzet.

Op een kleinen afstand van ons zag ik een mensch liggen, wiens lichaam

als een ring was te zamen gebonden, ongeveer op de wijze zooals men dat

vroeger in de middeleeuwen placht te doen bij den zoogenaamden

Spaanschen bok. Het was Rattler. De Apachen hadden hem zoo gebonden, om

hem te pijnigen. Hij kreunde zoo erbarmelijk, dat men, ondanks alles,

medelijden met hem moest hebben. Zijn metgezellen leefden niet meer,

zij waren bij den eersten aanval neergeschoten. Men had hem gespaard,

omdat hij, als moordenaar van Kleki-Petra een langzamen en pijnlijken

dood moest ondergaan.

Ook ik was aan handen en voeten gebonden, evenals Parker en Stone, die

aan mijn linkerzijde lagen. Sam Hawkins zat rechts van mij. Zijn voeten

waren vastgebonden, zijn rechterhand eveneens, maar men had de linker

vrijgelaten, opdat hij, naar ik later vernam, mij zou kunnen helpen.

—Den hemel zij dank, dat gij weer tot u zelf komt, sir,—zeide hij,

terwijl hij mij met zijn vrije hand liefkoozend over ’t gezicht streek.

—Hoe is het zoo gekomen, dat gij zoo zijt toegetakeld?

Ik wilde antwoorden, maar kon niet, omdat ik den mond vol bloed had.

—Spuw het uit!—zeide hij.

Ik deed dit, maar kon toch slechts enkele onduidelijke woorden

uitbrengen. Tengevolge van het groote bloedverlies was ik bovendien

doodmoe en uitgeput. Zeer zacht, zoodat Sam mij nauwelijks kon

verstaan, stamelde ik:

—Intschu Tschuna gestreden.... Winnetou kwam er bij.... tong

doorstoken.... kolfslag op het hoofd.... van.... weet ik niet.

De daartusschen behoorende woorden waren niet te verstaan.

—Voor den drommel! Wie kon dat ook weten! Wij hadden ons gaarne

overgegeven, maar die Apachen wilden niet naar ons luisteren. Daarom

vluchtten wij in de struiken, tot hun woede wat was bekoeld, als ik mij

niet vergis! Wij dachten, dat gij dat ook hadt gedaan en zochten naar

u. Toen ik u evenwel niet vond, kroop ik naar den rand van het

struikgewas, om eens naar u te zien. Daar stond een heele troep

huilende Apachen, rondom Intschu Tschuna en Winnetou die voor dood

neerlagen, maar spoedig weer tot zichzelf kwamen. Gij laagt er naast,

eveneens schijnbaar dood. Dit deed mij zoo schrikken, dat ik

onmiddellijk Dick Stone en Parker haalde, om te zien, of er misschien

nog leven in u was. Wij werden natuurlijk dadelijk gevangen genomen. Ik

zeide Intschu Tschuna, dat wij vrienden der Apachen waren en

gisteravond het plan hadden gehad, de beide aanvoerders te bevrijden.

Hij lachte mij evenwel uit en ik heb het alleen aan Winnetou’s

voorspraak te danken, dat mij deze ééne hand is vrijgelaten, om u te

helpen. Hij heeft ook uw wond aan den hals verbonden, anders waart gij

stellig en zeker doodgebloed. Is de wond diep?

—Door.... de.... tong,—stamelde ik.

—Dat is gevaarlijk. Gij zult een hevige wondkoorts krijgen, ik wenschte

dat ik die van u kon overnemen, want ik denk, dat zoo’n oude waschbeer

als ik, die beter kan doorstaan dan zulk een greenhorn, die nog zoo

weinig bloed heeft gezien. Zijt gij ook nog ergens anders gewond?

—Kolfslagen.... hoofd en.... schouder,—antwoordde ik.

—Gij zijt dus neergeveld. Ik dacht, dat ge enkel een steek hadt

gekregen. Ja, dan begrijp ik wel, dat uw hoofd erg pijn zal doen. Maar,

dat gaat wel over, ’t is alleen te hopen, dat het weinige verstand, dat

ge hebt, er niet is uitgeslagen. Zoo’n doorgestoken tong is gevaarlijk

en niet te verbinden.—Ik zal....—Meer hoorde ik niet, daar ik weer

opnieuw in onmacht viel.

Toen ik ontwaakte, gevoelde ik, dat ik in beweging was, ik hoorde den

hoefslag der paarden en sloeg de oogen op. Ik lag, stel u voor—op het

vel van den Grizzlybeer, dien ik verslagen had. Het was opgebonden in

den vorm van een hangmat en hing tusschen twee paarden, die mij op deze

wijze moesten dragen. Ik zat zóó diep in het vel, dat ik alleen de

koppen der beide paarden en den hemel boven mij kon zien. De zon wierp

haar gloeiende stralen op mij neer en mijn bloed joeg onstuimig door de

aderen. Mijn mond was opgezwollen en vol van geronnen bloed. Ik wilde

het uitspuwen, maar kon de tong niet bewegen.

—Water, water!—wilde ik roepen, want ik had een bijna onuitstaanbaren

dorst, maar ik bracht geen klank, zelfs geen hoorbaren zucht uit. Ik

zeide tot mij zelf, dat het met mij gedaan was en wilde, als ieder

stervende aan God en hiernamaals denken, maar verloor wederom het

bewustzijn.

Toen streed ik met Indianen, buffels en beren, maakte een rit op leven

en dood door de steppen, zwom maandenlang over onbegrensde zeeën en

meren.... alles in de wondkoorts, waarin ik lang tegen den dood

worstelde. Zoo nu en dan hoorde ik Sam Hawkins’ stem, als uit de verte,

tusschenbeide zag ik twee donkere oogen, die van Winnetou, dan was het

weer, of lag ik in een doodkist en werd ik begraven, ik hoorde de

aardkluiten op het deksel vallen, en lag geruimen tijd stil in de

donkere aarde tot dat opeens het deksel van de kist werd opengedaan. Ik

zag den hemel boven mij, ik werd uit het graf opgeheven. Was dit waar?

Kon dit gebeuren? Ik streek met de hand over mijn voorhoofd en....

—Halleluja, hij ontwaakt uit den dood, hij ontwaakt! jubelde Sam.

Ik keerde het hoofd om.

—Ziet ge, dat hij met de hand naar zijn hoofd heeft gegrepen, dat hij

nu zelfs het hoofd heeft omgedraaid?—riep de kleine. Hij boog zich over

mij heen. Zijn gezicht straalde letterlijk van verrukking, ik zag dit,

ondanks den dichten baard, welke het bijna geheel bedekte.

—Ziet ge mij, beste vriend?—vroeg hij.—Gij hebt de oogen open en hebt u

bewogen. Gij leeft dus weer. Ziet ge mij?

Ik wilde antwoordden, maar kon niet van vermoeidheid en uitputting.

—En hoort gij mij?—ging hij voort.

Ik knikte.

—Komt hier en ziet!

Zijn gezicht verdween en in de plaats daarvan verschenen die van Stone

en Parker. De brave kerels hadden tranen in de oogen van blijdschap.

Zij wilden iets tegen mij zeggen maar Sam duwde hen weg en zeide:

—Neen, laat mij met hem spreken, ik wil het doen.

Hij nam mijn beide handen in de zijne, drukte die tegen zijn mond en

vroeg:

—Hebt gij honger sir? Hebt gij dorst? Zoudt gij iets kunnen eten of

drinken?

Ik schudde het hoofd, want ik voelde niet de minste behoefte, iets te

gebruiken. Ik was te zwak, om zelfs een droppel water tot mij te kunnen

nemen.

—Niet, werkelijk niet? Hoe is het mogelijk! Weet gij wel, hoelang gij

hier zoo gelegen hebt?

Ik schudde wederom met het hoofd.

—Drie weken, volle drie weken! Denk eens aan! Gij weet zeker ook niet,

wat er na uw verwonding is gebeurd en waar gij u bevindt? Gij hebt een

vreeselijke wondkoorts gehad en daarna een soort verstijving. De

Apachen wilden u reeds begraven, maar ik kon niet aan uw dood gelooven

en heb zoolang gesmeekt, tot Winnetou met zijn vader sprak en deze

verlof gaf, u eerst dan te begraven, wanneer ontbinding intrad. Dat

hebben wij aan Winnetou’s voorspraak te danken. Ik moet naar hem toe,

ik moet hem hier halen!

Ik sloot de oogen en lag nu weer stil, maar nu in een kalme en rustige

sluimering. Ik wenschte, dat ik zoo eeuwig kon blijven liggen. Daar

hoorde ik evenwel voetstappen, een hand betastte mij, en toen hoorde ik

Winnetou zeggen:

—Heeft Sam Hawkins zich niet vergist. Is Selki lata (Old-Shatterhand)

werkelijk ontwaakt?

—Ja, ja, wij drieën hebben het duidelijk gezien. Hij heeft zelfs met

knikken en hoofdschudden op mijn vragen geantwoord.

—Dan is een groot wonder geschied. Maar misschien was het beter

geweest, dat hij gestorven ware; want hij is slechts in het leven

teruggekeerd om te sterven. Hij zal, evenals gij allen, gedood worden!

—Maar hij is de beste vriend der Apachen,

—En hij heeft mij tweemaal verslagen?

—Omdat hij moest!

—Dat was niet noodig.

—Zeker, de eerste maal deed hij het om u te redden. Gij zoudt u hebben

verzet en waart dan door de Kiowa’s vermoord geworden. En de tweede

maal heeft hij zijn eigen leven tegen u moeten verdedigen. Wij hadden

ons vrijwillig aan u willen overgeven, maar uw krijgers wilden niet

naar ons luisteren.

—Dat zegt Sam Hawkins maar om zich te redden.

—Neen, ik zeg de waarheid.

—Uw tong liegt. Alles, wat gij mij verteld hebt, heeft ons nog vaster

overtuigd, dat gij nog grooter vijanden van ons zijt, dan die honden

van Kiowa’s. Gij zijt ons tegemoet geslopen en hebt ons beluisterd.

Waart gij werkelijk onze vriend geweest, dan zoudt gij ons hebben

gewaarschuwd, dan zouden wij daar ginds bij de beek niet overvallen

zijn geworden en aan de boomen zijn gebonden.

—Maar dan hadt gij den dood van Kleki-Petra op ons gewroken, en was dit

uit dankbaarheid niet gebeurd, dan zoudt gij ons ten minste verhinderd

hebben, onze werkzaamheden voort te zetten en ten einde te brengen.

—Dat hebt ge nu evenmin kunnen doen. Gij hebt allerlei uitvluchten,

maar een kind kan ze doorzien. Houdt gij Intschu Tschuna en Winnetou

voor zoo dom?

—In ’t geheel niet. Old-Shatterhand is opnieuw in onmacht gevallen,

anders zou hij kunnen zeggen, dat ik niets dan de waarheid gezegd heb.

—Ja, hij kan evengoed liegen als gij, de bleekgezichten zijn allen

leugenaars en bedriegers. Ik heb slechts een blanke gekend, dien men

kon vertrouwen, dat was Kleki-Petra, dien gij vermoord hebt. In

Old-Shatterhand had ik bijna een dergelijke man meenen te leeren

kennen. Ik zag zijn dapperheid en zijn lichaamskracht en bewonderde

hem. Zijn oogen schenen mij den zetel van oprechtheid en ik dacht hem

te kunnen hoogachten. Maar helaas, hij is een landroover, evenals gij

allen, hij belette u niet, ons in den val te lokken en heeft mij

tweemaal met zijn vuist op het hoofd geslagen. Waarom heeft de Groote

Geest toch zulk een man geschapen en hem zulk een valsch hart gegeven?

Ik had hem gaarne willen aanzien, toen hij mij aanraakte, maar ik kon

niet. Het was of mijn lichaam uit ether bestond, of ik door mijn zinnen

niets kon waarnemen. Evenwel het gelukte mij toch eindelijk de oogleden

op te slaan. Ik zag hem naast mij staan. Hij droeg een licht linnen

kleed, had geen wapens bij zich maar een boek en wel een, waarop in

gouden letters stond: Hiawatha. Deze Indiaan, deze zoon van een volk,

dat men tot de „wilden” rekent, kon dus niet alleen lezen, maar hij

bezat zin en smaak voor het hoogere! Longfellows beroemd gedicht in de

hand van een Apache-Indiaan! Zoo iets had ik niet kunnen droomen!

—Hij heeft de oogen weer open!—riep Sam en onmiddellijk keerde Winnetou

zich naar mij toe. Lang bleef zijn oog op het mijne rusten, toen vroeg

hij:

—Kunt gij spreken?

Ik schudde het hoofd.

—Hebt gij pijnen in uw hoofd?

Hetzelfde antwoord.

—Wees oprecht tegenover mij! Als men ontwaakt uit den dood, moet men

geen onwaarheid zeggen. Hebt gij vier mannen ons werkelijk het leven

willen redden?

Ik knikte tweemaal.

Toen maakte hij een minachtende beweging met de hand en riep op diep

gekrenkten toon:

—Leugen, leugen, leugen! Zelfs leugen bij het geopende graf! Hadt gij

mij de waarheid bekend, dan zou ik misschien hebben kunnen hopen, dat

gij u kondt verbeteren en ik zou Intschu Tschuna mijn vader hebben

gesmeekt, uw leven te sparen. Maar gij zijt zulk een bede niet waard en

moet sterven. Wij zullen u goed verplegen opdat gij spoedig weer gezond

en krachtig zult worden en de folteringen, die u wachten, langer

weerstand zoudt kunnen bieden. Te sterven als een zieke, zwakke man is

geen straf.

Langer kon ik mijn oogen niet openhouden. Had ik maar kunnen spreken!

Sam, de anders zoo schrandere Sam Hawkins, verdedigde ons op zulk een

onhandige wijze, ik zou geheel anders hebben gedaan. Het was, alsof hij

mijn gedachten had geraden, want nu begon hij opnieuw tegen den

Apachen-hoofdman:

—Maar wij hebben u immers bewezen, duidelijk en onwederlegbaar bewezen,

dat wij op uw zijde waren. Uw krijgers zouden gemarteld worden en om

dit te verhinderen, heeft Old-Shatterhand met het Bliksemmes gestreden

en hem overwonnen. Hij heeft dus zijn leven voor u in de waagschaal

gesteld en zal nu tot belooning gemarteld worden!

—Gij hebt niets bewezen, want ook dit verhaal was een leugen!

—Vraag dan Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die zich nog in uw handen

bevindt.

—Ik heb het hem gevraagd.

—Wat zeide hij?

—Dat gij liegt. Old-Shatterhand heeft niet met het Bliksemmes

gestreden, maar deze is, toen wij u overvielen, door onze krijgers

gedood geworden.

—Dat is al zeer slecht van Tangua. Hij weet, dat wij heimelijk op uw

zijde waren en wil ons uit wraak daarover in ’t verderf storten.

—Hij heeft mij de waarheid zijner woorden bezworen bij den Grooten

Geest en ik geloof dus hem en niet u. Ik zeg u hetzelfde wat ik zooeven

tegen Old-Shatterhand heb gezegd: hadt gij mij eerlijk alles bekend,

dan zou ik uw voorspraak zijn geweest bij mijn vader. Kleki-Petra, die

mijn vader, mijn vriend en leermeester is geweest, heeft de neiging tot

vrede, zachtheid en vergevensgezindheid in mijn hart gelegd. Ik wensch

geen onnoodig bloed te vergieten en mijn vader doet alles, wat ik van

hem vraag. Daarom is er, van al de Kiowa’s, die wij gevangengenomen

hebben, nog geen enkele gedood, zij kunnen alles, wat zij hebben

gedaan, afkoopen met paarden en wagens, tenten en dekens. Wij zijn het

nog niet volkomen met hen eens over den prijs, maar dat zal wel in orde

komen. Rattler is de moordenaar van Kleki-Petra, hij moet sterven. Gij

zijt zijn kameraden, toch zouden wij u hebben gespaard, wanneer gij

slechts oprecht waart geweest, nu gij dit niet zijt, zult gij zijn lot

moeten deelen.

Dit was een redevoering zoo lang als ik ze later slechts zelden en

alleen bij de allergewichtigste gebeurtenissen uit den mond van den

zwijgzamen Winnetou heb gehoord. Ons lot ging hem dus meer aan het hart

dan hij wilde bekennen.

—Wij kunnen toch onmogelijk zeggen dat wij uw vijanden zijn, als het

tegenovergestelde het geval is,—begon Sam weer.

—Zwijg! Ik zie wel in dat gij met deze groote leugen op de lippen zult

sterven. Wij hebben u tot nu toe meer vrijheid toegestaan dan den

anderen, opdat gij Old-Shatterhand zoudt kunnen verplegen. Gij zijt

deze toegevendheid niet waard geweest en zult van nu af aan strenger

worden behandeld. De zieke heeft u niet meer noodig, volg mij dus. Ik

zal u de plaats aanwijzen, die gij niet meer zult mogen verlaten.

—Dat niet, Winnetou, dat slechts niet!—riep Sam verschrikt uit.—Ik kan

onmogelijk van Old-Shatterhand scheiden!

—Gij moet, ik beveel het u! Wat ik wil, dat gebeurt!

—Maar wij smeeken u ten minste....

—Zwijg,—viel de Apache hem op strengen toon in de rede.—Ik wil geen

woord meer hooren! Gaat gij met mij, of moet ik u door mijn

krijgslieden laten binden en wegbrengen?

—Wij zijn in uw macht en zijn dus genoodzaakt u te gehoorzamen. Wanneer

mogen wij Old-Shatterhand terugzien?

—Op den dag van uwen en zijnen dood.

—Niet eerder?

—Neen.

—Laat ons dan voor wij met u gaan afscheid van hem nemen. Sam greep

mijn handen en ik voelde zijn baard op mijn gezicht, want hij gaf mij

een kus op het voorhoofd. Parker en Stone deden hetzelfde, toen gingen

zij met Winnetou heen en ik lag een tijd lang alleen tot eenige Apachen

kwamen en mij wegdroegen, waarheen dat wist ik niet. Ik was te zwak de

oogen nog weer op te slaan en terwijl zij mij wegbrachten viel ik in

slaap.

Hoelang ik geslapen heb weet ik niet. Toen ik eindelijk ontwaakte viel

het mij volstrekt niet moeielijk mijn oogen te openen en ik was lang

niet meer zoo zwak als ik geweest was. Ik kon mijn tong weer een weinig

bewegen en met mijn vinger in den mond komen om deze te reinigen van

het geronnen bloed.

Tot mijn verbazing bevond ik mij in een soort van vierkant vertrek,

welks wanden uit steenen muren bestonden. Het kreeg zijn licht door de

ingangsopening die door geen deur was afgesloten. Mijn legerstede

bevond zich in den achtersten hoek waar men verscheidene berenvellen op

elkander had gestapeld, terwijl een mooie Indische deken over mij heen

was gespreid. In den hoek naast de deur zaten twee Indiaansche vrouwen,

een jonge en een oude. De oude was leelijk als de meeste oude, roode

squaws, een gevolg van overwerken, want de vrouwen moeten alles, zelfs

het zwaarste werk verrichten, terwijl de mannen alleen leven voor den

oorlog en voor de jacht en den overigen tijd met nietsdoen doorbrengen.

De jonge vrouw was mooi, heel mooi zelfs. Ware zij Europeesch gekleed

geweest dan zou zij in elk salon bewondering hebben opgewekt. Zij droeg

een lang, lichtblauw gewaad aan den hals gesloten en om het middel door

een slangenhuid te zamen gebonden. Haar eenig sieraad was haar lang,

prachtig haar dat in twee blauw-zwarte vlechten tot ver over de heupen

neerviel. Dit haar herinnerde mij aan dat van Winnetou. Ook haar

gelaatstrekken deden mij aan hem denken. Zij had dezelfde donkere,

zachte oogen die onder de lange, zware wimpers verborgen lagen. Van de

breede Indiaansche kakebeenen was niets bij haar te zien. De zachte,

volle wangen vereenigden zich tot een kin, waarin een schalksch

kuiltje. Zij sprak, zeker om mij niet te wekken, zacht met de oude

vrouw en toen zij den mooi gevormden mond tot een glimlach plooide,

blonken de witte tanden als ivoor tusschen de volle roode lippen. De

fijngevormde neus had eerder op Grieksche, dan op Indiaansche afkomst

kunnen wijzen. De kleur van haar huid was koper brons met een glans van

zilver. Het meisje moest ongeveer achttien jaar zijn en ik zou een

weddenschap hebben willen aangaan dat het een zuster van Winnetou was.

De beide vrouwen waren bezig een wit gelooide lederen gordel met roode

stiksels en arabesken te versieren.

Ik richtte mij op, ja werkelijk, ik richtte mij op en dit viel mij niet

zwaar, terwijl ik, voor ik was ingeslapen van zwakte nauwelijks de

oogen had kunnen openen. De oude vrouw hoorde mij, keerde zich om en

riep terwijl zij naar mij wees:

—Oef! Agnan tinta!

Dit beteekent: hij is wakker. Het jonge meisje stond onmiddellijk op en

kwam naar mij toe.

—Gij zijt wakker geworden,—zeide zij tot mijn verbazing in tamelijk

vloeiend Engelsch.—Verlangt gij iets?

Ik opende wel den mond om te antwoorden, maar sloot dien weer want ik

wist dat ik niet kon spreken. Misschien evenwel zou het beter gaan

wanneer ik opzat. Ik deed dit en nu kon ik zeggen:

—Ja.... ik heb zelfs.... veel te vragen.

Wat was ik blij dat ik mijn eigen stem weer hoorde! Zij klonk mij wel

is waar wat vreemd, de woorden kwamen er stootend en piepend uit, maar

het waren toch woorden, nadat ik drie weken lang niet in staat was

geweest een lettergreep uit te spreken.

—Spreek zacht of spreek door gebaren,—zeide zij.—Nscho-tschi hoort dat

het spreken u pijn doet.

—Nscho-tschi is uw naam?—vroeg ik.

—Ja.

—Dank dengeen, die u dien gegeven heeft. Gij kondt geen beteren naam

dragen, want gij zijt als een mooie voorjaarsdag waarop de eerste

bloemen des jaars beginnen te geuren.

Nscho-tschi beteekent namelijk: „mooie dag”.

Zij bloosde een weinig en vroeg:

—Vertel mij wat gij verlangt.

—Zeg mij eerst of gij misschien voor mij hier zijt.

—Ja, het is mij opgedragen u te verplegen.

—Wie heeft u dat opgedragen?

—Winnetou, mijn broeder.

—Ik dacht wel dat hij uw broeder was, gij gelijkt op dien jongen,

dapperen krijgsman.

—Gij hebt hem willen dooden!

Dit klonk half als een verwijt, half als een vraag en zij zag mij

daarbij zoo onderzoekend in de oogen, alsof zij in mijn hart wilde

lezen.

—Neen, antwoordde ik.

—Hij meent het en houdt u voor zijn vijand. Gij hebt hem, dien nog

niemand te voren heeft overwonnen, tweemaal verslagen.

—Eenmaal om hem te redden en eenmaal omdat hij mij wilde dooden. Ik had

reeds genegenheid voor hem opgevat toen ik hem voor de eerste maal zag.

Wederom rustte haar blik langen tijd op mij, toen zeide zij:

—Hij gelooft u niet en ik ben zijn zuster. Hebt gij pijn in den mond?

—Nu niet meer.

—Zoudt gij niet kunnen slikken?

—Ik zou het wel eens willen beproeven. Moogt gij mij water te drinken

geven?

—Ja en ook wel om te wasschen, ik zal het gaan halen.

Zij ging met de oude vrouw weg. Wat moest ik hiervan denken? Winnetou

hield ons voor zijn vijanden, sloeg geen geloof aan onze verzekeringen

van het tegendeel en gaf mij toch zijn eigen zuster tot verpleegster!

De redenen daarvan zouden mij misschien later duidelijk worden.

Na eenigen tijd kwamen de beide vrouwen terug. De jongste had een soort

bruin aarden nap in de hand, zooals de Pueblo-Indianen ze plegen te

maken, vol helder koud water. Zij scheen mij nog te zwak te vinden om

alleen te drinken en hielp mij dus. Het slikken deed mij pijn, veel

pijn, maar het ging toch, het moest en in kleine slokjes en met lange

tusschenpoozen dronk ik den nap leeg. Hoe verkwikte mij dit!

Nscho-tschi scheen mij dit aan te zien, want zij zeide:

—Dat heeft u goedgedaan, ik zal u straks nog wat anders brengen. Gij

zult wel veel honger en dorst hebben. Wilt gij u wasschen?

—Zou ik het kunnen?

—Probeer het.

De oude vrouw had een uitgeholde kalebas vol water meegebracht.

Nscho-tschi zette dit naast mijn bed neer en gaf mij een uit fijne,

zachte weefsels gevlochten handdoek. Ik probeerde mij te wasschen maar

het ging niet, ik was te zwak. Nu doopte zij een tip van den doek in

het water en begon mijn gezicht en handen te reinigen, mij, den

vermeenden doodsvijand van haar broeder en haar vader. Toen zij gereed

was, vroeg zij mij met een zachten maar medelijdenden glimlach:

—Zijt gij altijd zoo mager geweest als nu?

Mager? Daaraan had ik nog in ’t geheel niet gedacht! Drie weken lang

wondkoorts en verstijvingskramp en in al dien tijd geen eten en

drinken! Dat kon natuurlijk niet zonder uitwerking blijven! Ik bevoelde

mijn wangen en antwoordde toen:

—Ik ben nooit mager geweest!

—Bekijk dan nu eens uw gezicht in het water!

Ik zag in de kalebas en week verschrikt achteruit, want ik zag in het

water het beeld van een skelet, een spook!

—Wat een wonder, dat ik nog leef!—riep ik uit.

—Ja, dat zeide Winnetou ook. Gij hebt zelfs den langen rit naar hier

doorstaan. De Groote, Goede Geest heeft u een buitengewoon sterk

lichaam gegeven, want een ander zou het geen vijf dagen hebben

volgehouden.

—Vijf dagen? Waar zijn wij dan nu?

—In onzen Pueblo (steenen bouwwerken der Indianen) aan de Rio Pecos.

—Zijn al uw krijgers, die ons gevangen namen hierheen teruggekeerd?

—Ja, allen, zij wonen in de nabijheid van de Pueblo.

—En zijn de gevangen Kiowa’s ook hier?

—Zij ook. Eigenlijk moesten zij gedood worden. Ieder andere stam zou

hen dood martelen, maar de goede Kleki-Petra is onze leermeester

geweest en heeft ons verteld van de goedheid van den Grooten Geest. Als

de Kiowa’s de boete betalen, mogen zij huiswaarts keeren.

—En mijn drie vrienden? weet gij ook, waar zij zijn.

—Zij zijn in een soortgelijke ruimte als deze, maar daar is geen licht

en zij zijn gebonden.

—Hoe gaat het hen?

—Zij lijden geen gebrek, want wie aan den folterpaal sterven zal, moet

krachtig en sterk zijn, opdat hij het lang kan volhouden anders is het

geen straf voor hem.

—Dus moeten zij sterven—werkelijk sterven?

—Ja.

—Ik ook?

—Gij ook.

In den toon waarop zij dit zeide, lag geen zweem van medelijden. Was

dat mooie meisje zóó gevoelloos, dat de pijnlijke dood, dien wij zouden

ondergaan haar geheel onverschillig liet?

—Zeg mij, of ik hen misschien nog eens mag spreken.

—Dat is verboden.

—Mag ik hen ook niet zien, zelfs niet uit de verte?

—Ook dat niet.

—Mag ik hun dan een boodschap zenden?

—Dat evenmin.

—Hun niet laten weten hoe het met mij gaat?

Zij bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:

—Ik zal Winnetou, mijn broeder vragen of ik hun van tijd tot tijd

bericht mag zenden hoe het u gaat!

—Komt Winnetou niet eens bij mij?

—Neen.

—Maar ik moet hem spreken.

—Hij u niet.

—Wat ik hem te zeggen heb is van zeer veel gewicht.

—Voor hem?

—Voor mij en mijn kameraden.

—Hij zal niet komen, maar ik kan het hem zeggen als het ten minste iets

is, dat gij mij kunt toevertrouwen.

—Neen, ik dank u! Ik zou het u wel kunnen zeggen, ik zou u alles wel

kunnen toevertrouwen, maar als hij te trotsch is met mij te komen

spreken, dan ben ik op mijn beurt te trotsch om door tusschenkomst van

een derde met hem te spreken.

—Gij zult hem niet eerder zien, dan op den dag van uw dood. Wij gaan nu

heen. Als gij iets noodig hebt, geef dan een teeken. Wij hooren dit wel

en dan zal er onmiddellijk iemand bij u komen.

Zij haalde een klein steenen fluitje uit haar zak en gaf het mij, toen

verwijderde zij zich met de oude vrouw.

Was het niet een vreemde positie waarin ik mij bevond? Ik was doodziek

en werd goed verzorgd om krachten te verkrijgen voor het ondergaan van

een langzamen, pijnlijken dood. Hij, die mijn dood eischte liet mij

door zijn eigen zuster verplegen in plaats van door een oude,

onzindelijke, leelijke Indiaansche squaw! Het behoeft niet gezegd te

worden, dat mijn gesprek met Nscho-tschi niet zoo vlot ging als ik dit

heb opgeschreven. Het spreken deed mij zeer veel pijn en ging met

groote moeilijkheden gepaard; ik sprak zeer langzaam en moest meermalen

een oogenblik wachten om nieuwe krachten te verzamelen. Het vermoeide

mij niet weinig en ik viel dan ook in slaap zoodra het jonge meisje was

heengegaan. Toen ik eenige uren later wakker werd, had ik een

vreeselijken dorst en een waarlijk onuitstaanbaren honger. Ik beproefde

het toovermiddel en blies op mijn fluitje. Onmiddellijk stak de oude

vrouw, die voor de deur had gezeten, het hoofd naar binnen en vroeg of

ik wilde eten of drinken. Ik knikte toestemmend. Eenigen tijd daarna

kwam Nscho-tschi met een aarden schotel en een lepel. Zij knielde naast

mijn bed en voerde mij met den lepel evenals een klein kind, dat nog

niet alleen kan eten. De Indianen hebben anders geen dergelijke

gereedschappen, Kleki-Petra had hun het gebruik hiervan geleerd.

De schotel bevatte een zeer dikke brij van vleesch met maïsmeel, dat de

Indianen tusschen twee steenen fijn wrijven. Kleki-Petra had evenwel

voor de huishouding van Intschu Tschuna een soort van handmolen

gemaakt, die mij later als een groote bezienswaardigheid werd gewezen.

Het eten viel mij natuurlijk nog veel moeielijker dan het drinken, ik

kon het bij elken lepelvol wel van pijn uitgillen, maar de natuur

eischte haar rechten en als ik niet wilde verhongeren moest ik wel

eten. Ik liet dus zoo weinig mogelijk merken van de pijn die ik leed,

maar kon niet verhinderen dat de tranen mij in de oogen kwamen.

Nscho-tschi zag dit wel en zeide toen ik den laatsten lepel vol had

opgehapt:

—Gij zijt doodelijk zwak, maar toch een sterke man, een held! Waart gij

toch maar als Apache geboren en niet als een leugenachtige blanke!

—Ik lieg niet, ik lieg nooit; dat zult gij nog eenmaal inzien!

—Ik zou u zoo gaarne willen gelooven; maar ik heb nog maar één blanke

gezien, die nooit loog en dat was Kleki-Petra dien wij zóó hoog

vereerden. Zijn lichaam was misvormd, maar hij had een helderen geest

en een eerlijk liefdevol hart. Gij hebt hem vermoord, zonder dat hij u

iets kwaads had gedaan, daarom zult gij sterven en met hem begraven

worden.

—Hoe? Is hij nog niet begraven?

—Neen.

—Maar zijn lijk kan toch onmogelijk zoolang bewaard blijven!

—Hij ligt in een stevige kist door welke geen lucht kan heendringen,

gij zult deze kort voor uw dood te zien krijgen.

Na deze troostvolle verzekering verwijderde zij zich. Ik kon mij

evenwel niet eigen maken met het denkbeeld, dat ik werkelijk zou

sterven. Integendeel, ik was bijna overtuigd dat ik zou blijven leven;

ik bezat immers een onfeilbaar middel om onze onschuld te bewijzen in

de haarlok, die ik Winnetou had afgesneden, den nacht toen ik hem

bevrijdde.

Maar bezat ik die werkelijk nog? Had men haar mij niet afgenomen? Ik

schrikte onwillekeurig toen ik mij zelf deze vragen stelde, ik had

gedurende de weinige oogenblikken dat ik bij kennis was geweest er niet

aan gedacht, dat de Indianen hun gevangenen geheel plegen uit te

plunderen. Ik moest dus mijn zakken onderzoeken.

Men had mij mijn kleeren laten behouden en men kan zich voorstellen wat

het wil zeggen, drie weken lang met een hevige wondkoorts te liggen in

dezelfde kleeren welke men reeds eenigen tijd droeg. Er zijn dingen die

men kan beleven en doorstaan, maar die men in een boek niet kan

neerschrijven. De lezer van zulk een boek benijdt wel eens den man die

zooveel heeft gereisd en beleefd, maar als hij alles eens wist, zou hij

zich wel wachten zijn voorbeeld te volgen. Hoe dikwijls krijg ik

brieven van lezers die mij vol geestdrift schrijven dat zij dergelijke

reizen willen ondernemen. Zij vragen mij naar de kosten, naar de

uitrusting, weinigen echter naar de kennis die men daarvoor noodig

heeft, of de talen, welke men vooraf moet leeren. Deze jonge

avonturiers genees ik dikwijls van hun plannen door oprecht allerlei

dingen te vertellen, welke ik hier maar liever wil verzwijgen.

Ik doorzocht dus mijn zakken en vond tot mijn groote verbazing dat ik

alles en alles nog bezat, men had mij alleen mijn wapens afgenomen. Ik

deed mijn sardinendoos open, de papieren zaten er nog in en

daartusschen lag de haarlok van Winnetou. Ik deed hem weer in de doos

en legde mij kalm te slapen. Nauwelijks was ik tegen den avond weer

ontwaakt of Nscho-tschi kwam zonder voorafgaand teeken bij mij met

voedsel en frisch water. Ik at ditmaal zelf en deed haar intusschen

verschillende vragen, welke zij naar haar beste weten beantwoordde. Er

waren echter vele dingen, die ik niet mocht weten. Zoo vroeg ik haar

ook, waarom men mij alles had laten behouden.

—Winnetou, mijn broeder heeft het bevolen,—antwoordde zij.

—Weet gij ook waarom?

—Neen, ik heb er niet naar gevraagd. Maar ik kan u iets anders

vertellen.

—Wat dan?

—Ik ben bij de drie blanken geweest die met u gevangen zijn genomen.

—Gij zelf?—vroeg ik verheugd.

—Ja, ik heb hun gezegd dat gij u beter gevoelt en spoedig weer gezond

zult zijn. Toen verzocht mij de oude man, die Sam Hawkins heet, u iets

te geven dat hij gedurende de drie weken, waarin hij u verpleegde, voor

u heeft gemaakt.

—Wat is dat?

—Ik heb Winnetou gevraagd of ik het u mocht geven en hij heeft het

toegestaan. Hier is het. Gij moet een sterk en dapper man zijn, dat gij

het waagt den grijzen beer enkel met een mes aan te vallen. Sam Hawkins

heeft het mij verteld.

Zij gaf mij een ketting, door Sam gemaakt van de tanden en klauwen van

den beer, ook de beide ooren waren er bij.

—Hoe heeft hij dat kunnen maken?—vroeg ik verwonderd.—Niet alleen met

de handen. Heeft men hem zijn mes en zijn andere gereedschappen laten

behouden?

—Neen, gij zijt de eenige dien men niet alles heeft afgenomen. Maar hij

vertelde aan mijn broeder, dat hij dezen ketting wilde maken en

verzocht de klauwen en tanden terug te mogen hebben. Winnetou voldeed

aan dezen wensch en gaf hem ook de gereedschappen welke hij noodig had.

Draag hem nu dadelijk, gij zult er niet lang pleizier van hebben.

—Omdat ik nu spoedig moet sterven?

—Ja.

Zij nam mij den ketting uit de hand en hing ze mij om den hals. Van

dien dag af heb ik hem altijd gedragen. Daarop antwoordde ik de jonge

Indiaansche:

—Dit aandenken hadt gij mij ook later kunnen brengen, want ik zal het

naar ik hoop nog vele jaren dragen.

—Neen, maar kort, zeer kort.

—Dat geloof ik niet, uw krijgers zullen mij niet dooden.

—Zeker, het is in den raad der Ouden besloten.

—Maar zij zullen dit besluit veranderen als zij hooren dat ik

onschuldig ben.

—Zij gelooven het niet!

—Zij moeten het gelooven, want ik kan het hun bewijzen.

—Bewijs het dan, bewijs het dan, ik zou er mij zoo over verheugen als

ik hoorde, dat gij geen leugenaar en geen verrader zijt. zeg mij

waarmee gij het kunt bewijzen, opdat ik het Winnetou, mijn broeder kan

mededeelen.

—Hij kan hier komen om het te vernemen.

—Dat doet hij niet.

—Dan verneemt hij het ook niet. Ik ben niet gewend vriendschap af te

smeeken of door een bode te onderhandelen met iemand, die zelf hier kan

komen.

—Wat zijt gij krijgers toch stijfkoppige menschen. Ik zou u zoo gaarne

Winnetou’s vergiffenis hebben willen brengen, maar zoo krijgt gij ze

niet.

—Vergiffenis heb ik niet noodig, want ik heb niets gedaan wat moet

worden vergeven. Maar ik wil wel een anderen dienst van u vragen.

—Welken dan?

—Wanneer gij weer eens bij Sam Hawkins komt, zeg hem dan dat hij geen

zorg behoeft te hebben. Zoodra ik geheel genezen zal zijn, zullen wij

vrij zijn.

—Geloof dat toch niet! Deze hoop kan niet worden vervuld.

—Het is niet enkel hoop, het is mijn vaste overtuiging. Gij zult later

bekennen, dat ik gelijk heb gehad.

De toon, waarop ik dit zeide was zoo overtuigend, dat zij niet langer

tegensprak en heenging.

Mijn gevangenis lag dus aan de Pecosrivier, of ten minste aan een

zijtak daarvan, want wanneer ik door de deur zag, viel mijn oog op den

tegenoverliggenden rotswand die niet ver van ons was verwijderd,

terwijl het dal van de Rio Pecos veel breeder moest zijn. Gaarne had ik

den Pueblo, in of op welken ik mij bevond gezien, maar ik kon niet van

mijn legerstede opstaan en zelfs wanneer ik sterk genoeg was geweest om

te loopen, wist ik nog niet of het mij geoorloofd zou zijn de ruimte te

verlaten. Toen het donker werd, kwam de oude vrouw bij mij en zette

zich in den hoek neer. Zij bracht een lamp mee, uit een uitgeholde

kalebas gemaakt, die den geheelen nacht brandde. Deze oude vrouw had

meer het grove werk te doen, terwijl Nscho-tschi om zoo te zeggen, als

gastvrouw optrad.

Ik sliep dien nacht weer kalm en rustig en gevoelde mij den volgenden

morgen weer sterker en gezonder dan den vorigen dag. Zesmaal werd mij

dien dag eten gebracht, steeds dezelfde vleeschbrij met maïsmeel, een

voedzame en lichtverteerbare kost. Mijn toestand werd van dag tot dag

beter. Het skelet kreeg weer vleesch en het gevoel in den mond nam

steeds af. Nscho-tschi bleef dezelfde voor mij, steeds vriendelijk

bezorgd en daarbij vast overtuigd dat mijn einde naderde. Later

bemerkte ik, dat haar oog, wanneer zij zich onopgemerkt waande met een

weemoedigen stil vragenden blik op mij rustte. Het was alsof zij mijn

lot begon te betreuren en ik had haar dus onrecht aangedaan, toen ik

veronderstelde, dat zij geen gevoel had. Ik vroeg haar of het mij

veroorloofd was, mijn kerker, waarvan de deur altijd openstond te

verlaten, maar zij kon dit niet toestaan en vertelde mij, dat er dag en

nacht twee wachters voor de deur waren gezeten, die mij ook nu nog

bewaakten. Alleen aan mijn zwakheid had ik te danken dat ik niet

gebonden was geweest en zij vreesde, dat men dit nu wel spoedig zou

doen.

Winnetou · 第 12 / 24 题