over.
—Maar—vervolgde ik eenigszins ongeduldig,—zeg mij dan hoe uw mooie
praatjes overeen te brengen zijn met uw slechte voornemens!
—Zoudt gij dat willen weten? Hm, ja de oude Sam heeft wel gemerkt, dat
gij onderweg graag een woordje met hem wildet spreken. Dat mocht echter
niet, want dan zou mijn geheele plan in duigen zijn gevallen. Ik meen
het heel anders, dan gij denkt, maar ik wil niet iedereen in de kaart
laten zien, hihihihi! U kan ik alles wel vertellen en Dick Stone en
Parker ook wel, als ik mij niet vergis. Wat ik dus zeggen wil, is dit:
als ik Intschu Tschuna goed ken, is hij niet alleen met Winnetou op
verkenning geweest, maar heeft hij intusschen zijn krijgslieden laten
uittrekken. Deze zijn in elk geval reeds een eind op weg en daar hij,
evenals Winnetou, den geheelen nacht is doorgereden, vermoed ik, dat
hij hen reeds morgen vroeg of in den voormiddag althans, denkt te
ontmoeten, anders zou hij zijn paard niet zoo hebben afgejaagd.
Overmorgenavond kan hij dan reeds weer hier zijn. Gij ziet dus, in welk
gevaar wij ons bevinden, en ’t is maar goed, dat wij hem na zijn
gereden. Gelukkig ook, dat wij de Kiowa’s hebben aangetroffen en dit
alles van hen zijn te weten gekomen. Zij halen hun tweehonderd ruiters
hier en....
—Ik zal Winnetou voor de Kiowa’s waarschuwen—viel ik hem in de rede.
—Doe dat om ’s Hemels naam niet!—riep hij,—dat zou ons ongeluk zijn,
want wij kregen dan vrij wat met de Apachen te doen. Neen, zij moeten
werkelijk gevangengenomen worden en den dood voor oogen zien. Als wij
ze dan heimelijk bevrijden, moeten zij ons dankbaar zijn en hun plannen
van wraak tegenover ons opgeven. Misschien zullen zij dan Rattler nog
opeischen en dien kunnen zij voor mijn part krijgen. Wat zegt gij er nu
van, booze mijnheer?
Ik stak hem de hand toe en antwoordde:
—Ik ben tevreden over u, beste Sam, gij hebt dat mooi bedacht.
—Nietwaar? Ja, Sam Hawkins mag dan, zooals een zeker iemand beweert,
veldmuizen vreten, hij heeft toch ook nog wel zijn goede zijde,
hihihihi! Dus, gij zijt niet meer boos?
—Volstrekt niet.
—Goed, ga dan nu op één oor liggen en slaap, want morgen zal er veel te
doen zijn. Ik ga nu Stone en Parker waarschuwen, opdat zij weten, hoe
zij zich morgen hebben te houden.
Was hij niet een beste, brave kerel, die oude Sam Hawkins? Als ik „oud”
zeg, dan is dit eigenlijk minder juist uitgedrukt, hij telde hoogstens
veertig jaar, maar zijn dichte, reeds vergrijsde baard, zijn kolossale
neus, die als een vuurtoren uit dien baard oprees, zijn stijve jachtrok
deden hem veel ouder schijnen dan hij was. Het woord „oud” echter wordt
ook dikwijls gebruikt, om kracht bij te zetten. Een der beroemdste
prairiejagers bijv. was Old-Firehand. Nam hij eenmaal zijn geweer ter
hand, dan kon men zeker zijn, dat de kogel doel trof, vandaar Firehand.
Het voorgevoegde „Old” diende, om dit des te krachtiger te doen
uitkomen. Ook ik kreeg later steeds bij mijn naam, Shatterhand, dit
woordje „old.” Nadat Sam zich verwijderd had, beproefde ik te slapen,
maar het wilde mij niet gelukken. Mijn metgezellen waren verrukt over
de hulp, welke de Kiowa’s ons zouden brengen en spraken daarover op
zulk een luiden toon, dat het een kunst zou geweest zijn om in slaap te
komen, maar bovendien mijn eigen gedachten lieten mij niet met rust.
Hawkins had over zijn plan gesproken, alsof dit onmogelijk kon
mislukken, maar was dit werkelijk zoo? Wij wilden Winnetou en zijn
vader bevrijden, over de andere Apachen was niet gesproken. Moesten zij
in de handen der Kiowa’s blijven, terwijl de beide hoofdmannen gered
werden? Dit zou immers een onrecht zijn? Maar inderdaad zou het voor
ons vieren hoogst moeilijk zijn, zooveel Apachen te bevrijden, vooral
omdat er niet de minste verdenking op ons mocht vallen. En op welke
wijze zouden de Apachen in de handen der Kiowa’s geraken? Het was te
voorzien, dat dit niet zonder heftigen strijd zou gaan en juist de
beiden, die wij wilden redden, zouden zich ’t meest verweren en
daardoor groot gevaar loopen, te worden gedood.
Ik dacht over dit alles na, terwijl ik mij op mijn legerstede heen en
weer keerde, maar kon geen uitweg vinden. Het eenige, waarmee ik mij
troostte, was dat de kleine, listige Sam er wel iets op zou weten te
vinden, en ik nam mij ten slotte vast voor, de beide opperhoofden zoo
noodig met gevaar van mijn eigen leven te verdedigen.
Den volgenden morgen ging ik met verdubbelden ijver aan het werk, en
daar iedereen zooveel mogelijk zijn best deed, waren wij tegen den
avond een flink eind gevorderd. Rattler bleef op een afstand, hij
slenterde wat rond, maar werd door de andere prairiejagers even
vriendelijk bejegend alsof er niets was gebeurd. Dit bracht mij tot de
overtuiging, dat wij, mocht het wederom tot een botsing komen, niet
veel steun van hen hadden te wachten. Door het vele werken waren wij ’s
avonds erg vermoeid en na het avondeten gingen wij dan ook dadelijk
onze tenten opzoeken.
Ook den volgenden morgen togen wij weer vlijtig aan den arbeid, maar
tegen den middag kwamen de Kiowa’s. Onze legerplaats was een weinig
verlegd, maar zij hadden ons gemakkelijk kunnen vinden.
De Indianen, die onze gasten zouden zijn, waren allen zeer krachtige
mannen met een krijgshaftig uiterlijk; allen waren zeer goed bereden en
voorzien van geweren, messen en tomahawks. Ik telde meer dan
tweehonderd man. Hun aanvoerder had werkelijk een bijzonder knap
figuur, strenge, sombere gelaatstrekken en een paar roofdieroogen, die
niet veel goeds voorspelden. Hij heette Tangua, een naam, welke
woordelijk hoofdman beteekent. Toen ik zijn gezicht en zijn oogen zag,
werd het mij angstig te moede bij de gedachte aan Intschu Tschuna en
Winnetou.
Hoewel deze man kwam als vriend en bondgenoot, gedroeg hij zich
volstrekt niet vriendelijk tegen ons. Zijn optreden was, om mij van een
vergelijking te bedienen, als dat van een tijger, die met een luipaard
ter jacht gaat, met het voornemen, dezen na afloop daarvan ook meteen
maar op te vreten. Hij steeg toen hij bij ons aankwam, niet af om ons
te begroeten, maar maakte een bevelende beweging, waarop wij dadelijk
door zijn lieden werden omsingeld. Daarop reed hij naar onze wagens en
lichtte de zeilen op, om te zien wat zich daarin bevond. De inhoud
scheen hem wel te bevallen, want hij steeg van zijn paard en klom in
den wagen, om beter te kunnen snuffelen.
—Oho!—zeide Sam, die naast mij stond:—die schijnt ons eigendom voor
goeden buit aan te zien, en hij heeft nog geen woord met ons gesproken.
Wanneer hij meent, dat Sam Hawkins dom genoeg is om den bok als tuinman
aan te stellen, dan vergist hij zich toch leelijk, dat zal ik hem
toonen.
—Geen onvoorzichtigheid, Sam!—verzocht ik;—wat kunnen wij tegenover
tweehonderd man doen?
—Jawel, hun aantal is grooter dan het onze, maar hun verstand is
kleiner, hihihihi!—antwoordde hij.
—Maar zij hebben ons omsingeld!
—Wel, dat doe ik ook!—Of denkt gij, dat ik geen oogen heb? Wij hebben
naar ’t schijnt, geen geschikte hulptroepen laten aanrukken, hij
schijnt ons maar tegelijk met de Apachen te willen opeten. Dat hapje
zou hem echter zwaar genoeg in zijn maag liggen, dat verzeker ik u. Kom
mee naar dien wagen, dan kunt gij hooren hoe Sam Hawkins met zulke
schelmen doet. Ik ben een goede bekende van deze Tangua, en al heeft
hij mij hier nog niet gezien, hij weet heel goed dat ik hier ben. Zijn
gedrag is allesbehalve vriendelijk! Ziet die gezichten eens van die
kerels! Ik zal hun dadelijk toonen, wie Sam Hawkins is. Kom dus mee!
Wij hadden onze geweren in de hand en gingen naar den wagen in welken
Tangua rondsnuffelde. Ik voelde mij niet erg op mijn gemak, maar Sam
begon dadelijk op waarschuwenden toon:
—Heeft het beroemde opperhoofd der Kiowa’s lust om binnen enkele
oogenblikken naar de eeuwige jachtvelden te gaan?
De aangesprokene, die met zijn rug naar ons toestond, richtte zich op,
keerde zich om en antwoordde lomp:
—Waarom doet de blanke man deze dwaze vraag? Tangua zal eenmaal in de
eeuwige jachtvelden als opperhoofd heerschen, maar er zal nog een lange
tijd verloopen, voor hij zich daarheen begeeft.
—Deze tijd zal misschien slechts een enkele minuut zijn.
—Waarom?
—Kom van den wagen af, dan zal ik het u zeggen, maar een beetje vlug
als ’t u belieft.
—Ik blijf hier!
—Goed, vlieg dan maar in de lucht!
Sam keerde zich bij deze woorden om en deed alsof hij zich wilde
verwijderen. Nu sprong echter het opperhoofd vlug van den wagen, greep
hem bij den arm en riep:
—In de lucht vliegen, waarom zegt Sam Hawkins dit?
—Om u te waarschuwen.
—Waarvoor?
—Voor den dood, die u zou hebben aangegrepen, als gij ook nog één
minuut daar op dien wagen waart gebleven.
—Oef! was de dood op dien wagen?
—Ja.
—Waar? Laat hem mij zien.
—Later misschien. Hebben uw verkenners niet gezegd waarom wij hier
zijn?
—Ja, zij hebben gezegd, dat gij een weg wildet maken voor het ijzeren
paard der bleekgezichten.
—Juist; zulk een weg gaat over rivieren en afgronden en door rotsen,
welke wij uit elkaar laten springen; ik denk dat gij dit wel zult
weten.
—Ik weet dit, maar wat heeft dit met den dood te maken, die mij
bedreigd heeft?
—Zeer veel, meer dan gij vermoedt. Hebt gij misschien gehoord, waarmee
wij de rotsen laten springen, die ons bij het bouwen van een spoorweg
in den weg staan? Meent gij dat wij daarvoor het kruit gebruiken, dat
gij voor uw geweren noodig hebt?
—Neen, ik heb wel gehoord, dat de bleekgezichten een andere stof hebben
uitgevonden.
—Juist, en deze stof ligt hier op dien wagen! Zij is, wel is waar goed
ingepakt, maar die niet weet hoe hij zulk een pak moet aanvatten, is
verloren, want zoodra hij het in de hand neemt, vliegt het uit elkaar
en er blijft geen stukje meer van hem over.
—Oef, oef! riep Tangua zichtbaar geschrokken uit.—Ben ik dicht bij deze
pakken geweest?
—Zoo dicht, dat gij, wanneer gij er niet afgesprongen waart, nu reeds
in de eeuwige jachtvelden zoudt zijn. Maar wat zou er dan van u
overgebleven zijn? Geen haarlok, geen medicijn, niets dan kleine
stukjes vleesch en been. Uw overblijfselen waren door de vurige rossen
der geesten vermorzeld en versplinterd.
Een Indiaan, die zonder haarlok en zonder medicijn in de eeuwige
jachtvelden aankomt, wordt door de gestorven helden met minachting
ontvangen, en moet zich steeds op den achtergrond houden. Zoo zegt het
geloof der roodhuiden. Welk een ongeluk dus, in kleine verbrijzelde
stukjes daar aan te komen! Men zag, ondanks de donkere gelaatskleur,
dat al het bloed uit de wangen van het opperhoofd week, en hij riep
uit:
—Oef, wat gelukkig, dat gij mij tijdig hebt gewaarschuwd! Waarom
bewaart gij deze stof op dien wagen, waarop zich nog zooveel andere
nuttige dingen bevinden?
—Moesten wij deze gevaarlijke pakken dan op den grond leggen, waar zij
bij de minste aanraking groot onheil zouden aanrichten? Ik zeg u, ze
zijn zelfs op den wagen reeds gevaarlijk genoeg; als zulk een pakket
uit elkaar slaat, vliegt alles, wat zich in de nabijheid bevindt, in de
lucht.
—De menschen ook?
—Natuurlijk, ook de menschen en dieren, die zich tweehonderd voet in
den omtrek bevinden.
—Dan moet ik aan mijn krijgers zeggen, dat geen van hen dicht bij dezen
gevaarlijken wagen komt.
—Doe dat, opdat wij niet allen te zamen om een onvoorzichtigheid, te
gronde gaan! Gij ziet, hoe bezorgd ik voor u ben, omdat de krijgers der
Kiowa’s onze vrienden zijn. Het schijnt evenwel, dat ik mij vergist
heb, want wanneer vrienden elkander ontmoeten, begroeten zij elkander
en rooken de vredespijp. Wilt gij dat vandaag niet doen?
—Gij hebt dit immers reeds met den Vos, mijn verkenner, gedaan?
—Ik alleen en de blanke krijgsman, die hier naast mij staat, maar de
anderen niet. Als gij dezen niet wilt begroeten, moet ik wel aannemen,
dat uw vriendschap niet oprecht is.
Tangua dacht een oogenblik na, en antwoordde toen ontwijkend:
—Wij zijn op een krijgstocht en hebben de kinnikinnik dus niet bij ons.
—De mond van den hoofdman spreekt anders dan zijn hart denkt, ik zie
den buidel met kinnikinnik immers aan den gordel hangen, wij hebben die
evenwel niet noodig, want wij hebben zelf tabak genoeg bij ons. Allen
behoeven niet mee te rooken, gij rookt voor u zelf en voor uw krijgers,
ik rook voor mij zelf en voor de hier aanwezige blanken, dan geldt de
vriendschapsbond voor allen, die zich hier bevinden.
—Waarom zullen wij beiden rooken, wij zijn immers vrienden? Sam Hawkins
mag gerust aannemen, dat wij de vredespijp voor allen hebben gerookt.
—Zooals gij wilt, maar dan zullen wij doen, wat wij noodig achten, en
gij krijgt de Apachen niet in uw macht.
—Wilt gij ze misschien waarschuwen?—vroeg Tangua, terwijl zijn oogen
fonkelden.
—Neen, want zij zijn onze vijanden en willen ons dooden. Maar ik zal u
niet zeggen, op welke wijze gij ze kunt vangen.
—Dat behoeft niet, dat weet ik zelf wel.
—Oho! Weet ge soms, wanneer en van welken kant ze komen?
—Ik zal dat wel te weten komen, want ik zend hun mijn verkenners
tegemoet.
—Dat zult ge niet doen, want gij zijt verstandig genoeg, om te
begrijpen, dat de Apachen de sporen van uw verkenners zouden vinden en
op uw ontvangst voorbereid zijn. Het zou dan zeer de vraag worden, of
gij ze in handen krijgt, terwijl zij naar het plan, dat ik wil volgen,
geheel onvoorbereid door u kunnen worden ingesloten en gevangengenomen.
Ik zag dat deze uitlegging indruk maakte en Tangua verklaarde dan ook
na een korte pauze:
—Ik zal met mijn krijgers spreken.
Hij verwijderde zich, wenkte eenige andere roodhuiden en scheen met hen
te overleggen.
—Door eerst met deze kerels te beraadslagen, levert hij het bewijs, dat
hij ook tegenover ons niets goeds in ’t schild voert,—meende Sam.
—Dat is slecht van hem, want gij zijt zijn vriend en hebt hem niets
gedaan—antwoordde ik.
—Vriend? Wat noemt gij vriend bij deze Kiowa’s? Zij zijn slechts
vrienden, zoolang er voor hen niets valt te halen. Hier echter hebben
wij een wagen, met victualiën en andere dingen, welke voor hen waarde
hebben. Dat hebben de verkenners aan hun aanvoerder verteld, en sedert
dat oogenblik was het een uitgemaakte zaak, dat wij bestolen zouden
worden.
—En wat nu?
—Nu, hm, nu zijn wij veilig.
—Ik zou er blij mee zijn, als dat zoo was!
—’t Is zoo! Ik ken deze lieden. Een heerlijke inval van mij, om dezen
kerel wijs te maken, dat wij een soort dynamiet hier op den wagen
hebben, hihihihi! Hij verheugde zich reeds op al de heerlijkheden, en
nu ben ik zeker, dat geen roodhuid meer in de nabijheid van den wagen
zal komen. Ik hoop nog meer nut te trekken van dit kostelijke grapje.
Ik zal een blikje sardinen in den zak steken, en hen wijsmaken, dat dit
met deze helsche stof gevuld is. Doe gij dat ook, het kan u te pas
komen.
—Goed, ik zal uw raad opvolgen. Wat denkt gij van de vredespijp?
—Wel, ’t was afgesproken, dat zij niet gerookt zou worden, maar nu
zullen zij zich nog wel eens bedenken. Maar toch mogen wij hen nooit
vertrouwen!
—Ziet gij wel, Sam, dat ik eergisteren gelijk had? Gij wildet uw plan
uitvoeren, met behulp van de Kiowa’s en hebt ons daardoor in hun macht
gebracht. Ik ben nieuwsgierig hoe dit zal afloopen!
—Niet anders, dan ik verwacht, daar kunt ge op rekenen. De hoofdman
wilde ons van alles berooven en dan de Apachen op eigen houtje
afwachten. Nu echter ziet hij wel in, dat zij te slim zijn, om zich zoo
maar te laten vangen. Zooals ik hem zelf heb gezegd, zullen zij de
sporen van de verkenners ontdekken en dan zouden zij zich wel wachten
hier te komen. Zie, de beslissing is genomen.
Wij zagen reeds dadelijk, dat de roodhuiden eieren voor hun geld hadden
gekozen, want op aanwijzing van de „Vos,” ging de kring der krijgers,
die ons steeds omringde uiteen en allen stegen van hun paarden.
Tangua kwam nu naar ons toe en zeide op veel vriendelijker toon:
—Ik heb met mijn krijgers beraadslaagd en wij zijn overeengekomen, de
calumet met u te rooken, dit geldt dan ook voor de anderen.
—Ik had dit besluit verwacht,—zei Sam,—want gij zijt niet alleen een
dapper, maar ook een verstandig man. De krijgers der Kiowa’s mogen er
getuigen van zijn, dat wij met elkander den bond der vriendschap
hernieuwen.
Zoo geschiedde het. Tangua en Sam Hawkins rookten de calumet onder de
reeds vroeger gemelde ceremoniën en daarop gaven wij, blanken, den
roodhuiden een voor een de hand. Wij konden nu aannemen, dat wij,
althans voor dezen dag, veilig waren, wat zij later zouden denken en
doen, moesten wij afwachten.
Als ik zeg: calumet rooken, dan bedien ik mij van de uitdrukking, welke
bij ons gebruikt wordt. De Indiaan zegt, tabak drinken, in plaats van
rooken. Hij drinkt haar eigenlijk ook, want hij slikt den rook in,
bewaart dezen een oogenblik in de maag en geeft ze dan in kleine
hoeveelheden terug.
Na afloop van deze plechtigheid stelde Tangua voor een groote
vergadering te houden, waaraan alle blanken zouden deelnemen. Dit paste
ons in ’t geheel niet, want wij moesten noodzakelijk aan ’t werk. Ik
verzocht daarom Sam, het daarheen te willen leiden, dat deze
vergadering werd uitgesteld tot aan den avond, want ik had gehoord en
gelezen, dat wanneer de roodhuiden eenmaal ter vergadering zijn
gezeten, deze bijna geen einde neemt. Hawkins sprak dus met den
Indiaan, maar keerde weldra terug met de boodschap:
—Als echte Indiaan, is hij niet van zijn eens genomen besluit af te
brengen. De Apachen zijn nog in lang niet hier, en daarom verlangt hij
een vergadering, in welke ik mijn plannen duidelijk zal uitleggen en na
afloop waarvan er flink gegeten moet worden. Wij hebben voorraad genoeg
en de Kiowa’s hebben ook gedroogd vleesch op hun paarden meegebracht.
Gelukkig heb ik in zooverre mijn zin gekregen, dat alleen ik, Dick
Stone en Parker van de partij behoeven te zijn, gij overigen, moogt dus
aan het werk gaan.
—Mogen? Alsof wij daarvoor de toestemming van den Indiaan noodig
hadden! Ik zal hem toonen, dat ik geheel onafhankelijk ben.
—Houd u als ’t u blieft kalm, sir! Doe liever alsof gij niets hebt
gehoord. Wij moeten hen te vriend houden, indien alles goed zal gaan.
—Maar ik zou wel bij die vergadering tegenwoordig willen zijn!
—Dat is niet noodig.
—Niet? ik moet toch ook weten, wat besloten wordt?
—Dat zal ik u wel vertellen.
—Maar wanneer gij nu eens een besluit neemt, dat ik niet goedkeur?
—Goedkeuren? gij? hoor nu dien greenhorn eens aan! Hij verbeeldt zich
waarempel, dat hij eerst moet goedkeuren, wat Sam Hawkins besluit. Moet
ik u misschien ook vragen, of ik mijn nagels mag knippen of mijn
laarzen mag oplappen?
—Zoo bedoelde ik het natuurlijk niet, Sam. Ik wilde alleen maar zeker
zijn, dat er geen besluit werd genomen, dat het leven van onze beide
Apachen in gevaar kan brengen.
—Wat dat betreft, verlaat u gerust op den ouden Sam Hawkins; ik geef u
mijn woord, dat hun geen leed zal geschieden, is u dat genoeg?
—Ja, uw eerewoord is mij voldoende, ik weet dat gij het zult houden!
—Vooruit dan, maak dat gij aan uw werk komt, en wees verzekerd, dat de
zaak evengoed zal gaan, zonder dat gij er uw neus insteekt.
Ik moest mij schikken, want er was mij alles aan gelegen, de opmetingen
ten einde te brengen vóór de komst der Apachen. Wij begonnen dus met
moed en kwamen flink vooruit, want ook Bancroft en zijn drie andere
ondergeschikten spanden al hun krachten in. Ik had hun namelijk gezegd,
dat, wanneer de Apachen kwamen, vóór wij gereed waren, het er voor ons
leelijk uit zou zien, maar dat, wanneer wij ons werk voor hun komst af
hadden, wij gelegenheid zouden hebben, stilletjes weg te trekken en zoo
ons zelf en onze teekeningen te redden. Zij werkten dus zoo hard zij
konden, en mijn doel was bereikt. Ik zelf dacht er echter geen
oogenblik aan, mij zoo uit de voeten te maken. Winnetou lag mij veel te
na aan het hart. De anderen mochten doen, wat zij wilden, ik was
besloten, niet weg te gaan, voor ik vast overtuigd was, dat er voor hem
geen gevaar meer bestond. Ik had werk te doen voor twee, want ik moest
opmeten en meteen de berekeningen en teekeningen maken. Dit laatste
deed ik in duplo. Eén exemplaar gaf ik aan den hoofdingenieur en een
hield ik, om in geval van nood, te kunnen gebruiken. Onze positie was
zoo gevaarlijk, dat deze voorzichtigheid wel noodig was.
De vergadering duurde werkelijk, zooals ik reeds had vermoed, tot aan
den avond; zij werd juist gesloten, toen wij door de duisternis
genoodzaakt waren, ons werk neer te leggen. De Kiowa’s waren in de
vroolijkste stemming, want Sam Hawkins had de fout, of misschien ook
wel den wijzen zet begaan, hun onze geheele rest brandewijn te geven.
Er brandden verscheidene wachtvuren, waaromheen de smullende roodhuiden
gelegerd waren, de paarden graasden rustig en verder buiten in de
duisternis stonden de schildwachten, door den hoofdman uitgezet.
Ik ging bij Sam en zijn onafscheidelijke metgezellen Parker en Stone
zitten, at mijn avondbrood en liet mijn oogen dwalen over de
legerplaats, welke voor mij, nieuweling, een aardig gezicht aanbood.
Geen van de roodhuiden, die ik daar zag, scheen mij vatbaar voor eenig
gevoel van medelijden tegenover den vijand. Ik zag er geen een die
dronken was, want de hoeveelheid brandewijn was niet zoo groot, of
ieder had slechts een teug of vijf kunnen krijgen, maar daar zij dit
nat zelden proefden was de opwindende uitwerking duidelijk merkbaar. De
gebaren waren levendiger, de gesprekken luidruchtiger, dan gewoonlijk
het geval placht te zijn.
Natuurlijk vroeg ik Sam dadelijk naar den afloop der vergadering.
—Wees maar tevreden,—meende hij,—er zal aan uw twee Apachen niets
kwaads overkomen.
—Maar als zij zich verzetten?
—Zoover komt het niet, zij worden overvallen, en zullen reeds gebonden
zijn, voor zij er aan denken.
—Zoo, hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, Sam?
—Zoo eenvoudig mogelijk. De Apachen komen langs een bepaalden weg. Kunt
gij dien misschien raden, sir?
—Ja, zij zullen natuurlijk gaan naar de plaats, waar zij ons hebben
aangetroffen en van daar ons spoor verder volgen.
—Juist! Gij zijt werkelijk niet zoo dom, als gij er uitziet. Dus, het
eerste, wat wij moeten weten, is ons bekend, namelijk de richting, van
waar zij zullen komen. Het voornaamste is evenwel de tijd, waarop zij
verwacht kunnen worden.
—Dien kan men niet nauwkeurig vooruit bepalen, maar toch wel
eenigszins.
—Ja, maar dat geeft ons niets, wij moeten zekerheid hebben, volle
zekerheid.
—Die kunnen wij alleen krijgen, door verkenners uit te zenden en dat
wildet gij immers niet, beste Sam. Gij vreesdet toch, dat het spoor der
verkenners ons zou verraden.
—Van de roode verkenners, zeker, let wel sir, van de rooden! De Apachen
weten, dat wij in de nabijheid zijn; vinden zij dus het spoor van een
blanke, dan kan het hun wantrouwen niet opwekken. Vinden zij evenwel
het spoor van een roodhuid, dan is dat geheel iets anders, zij zouden
gewaarschuwd zijn en zich in acht nemen. Daar gij zulk een knappe kerel
zijt, sir, kunt gij dunkt mij, wel vermoeden wat zij daaruit zouden
opmaken.
—Dat er Kiowa’s in de buurt zijn?
—Natuurlijk, gij hebt het geraden! Als ik mijn pruik niet een beetje
moest sparen, zou ik den hoed voor u afnemen. Neem nu den wil voor de
daad!
—Dank u, Sam! Maar om verder te gaan, meent gij dus, dat wij den
Apachen geen roode, maar blanke verkenners tegemoet moeten zenden?
—Ja, maar niet meer dan een.
—Is dat niet te weinig?
—Neen, want die eene is een kerel op wien men kan vertrouwen, hij heet
namelijk Sam Hawkins en pleegt veldmuizen te eten, hihihihi! Kent gij
dien man misschien, sir?
—Ja,—knikte ik,—en als die man eenmaal iets op zich neemt, kunnen wij
gerust zijn; hij zal zich niet door de Apachen laten vangen.
—Neen vangen niet, maar wel laten zien.
—Wat? moeten zij u zien?
—Ja.
—Maar dan pakken en dooden zij u.
—Zij zullen ’t wel laten, daarvoor zijn zij veel te verstandig. Ik
richt het zoo in, dat zij mij moeten zien, opdat zij niet op het
denkbeeld komen, dat er ook nog anderen bij ons zijn. Als ik daar zoo
genoeglijk voor hen uit wandel, zullen zij meenen, dat wij ons zoo
veilig wanen als in Abraham’s schoot. Zij zullen mij niets doen, daar
gij ongerust zoudt kunnen worden, als ik niet in de legerplaats
terugkeerde, later kunnen zij mij volgens hun meening immers toch wel
krijgen.
—Maar Sam, is het niet mogelijk, dat zij u zien, maar gij hen niet?
—Sir,—barstte hij los,—als gij zulke opmerkingen durft maken, is het
uit tusschen ons. Ik hen niet zien! De oogjes van Sam Hawkins zijn
weliswaar klein, maar zien scherp. De Apachen komen niet in troepen,
maar zij zenden een paar verkenners vooruit, en die zullen mij niet
ontgaan, want ik zal mij zóó opstellen, dat ik hen moet zien. Weet ge,
er zijn van die open plekken, waar men niet de geringste bedekking
heeft. Zulke plaatsen zoekt men op, als men verkenners wil ontdekken.
Zoodra ik ze gezien heb, breng ik u bericht, opdat gij, wanneer zij om
de legerplaats heensluipen, voorbereid zijt.
—Maar dan zien zij toch de Kiowa’s en zullen dit aan hun hoofdman
melden!
—Wie zien ze? de Kiowa’s? mensch, greenhorn, en achtenswaardig
jongeling, meent gij dan, dat de hersenen van Sam Hawkins van zand
zijn? Ik zal natuurlijk zorgen, dat de Kiowa’s niet te zien zijn en er
geen spoor van hen te vinden is. Deze goede vrienden zullen zich wat
graag laten verstoppen, om op het geschikte oogenblik te voorschijn te
komen. De verkenners der Apachen mogen natuurlijk alleen dezelfde
personen zien, die in de legerplaats waren, toen Winnetou en zijn vader
zich daar bevonden.
—Zoo, dat is iets anders!
—Niet waar? De verkenners der Apachen mogen ons dus gerust besluipen en
de overtuiging krijgen, dat wij geen kwaad vermoeden. Wanneer zij zich
dan verwijderen, volg ik hen, om uit te zien naar de komst der geheele
schaar. Deze zal natuurlijk niet bij dag maar bij nacht komen en onze
legerplaats zoo dicht mogelijk trachten te naderen, om ons dan
plotseling te overvallen.
—En ons gevangen te nemen en te vermoorden!
—Luister, sir, ik heb werkelijk soms medelijden met u. Gij zijt een
gestudeerd man en weet nog niet eens, dat men zich uit de voeten moet
maken, wanneer men niet gevangengenomen wil worden, dat weet anders
zelfs iedere haas of konijn. Staat dat misschien niet in de vele
boeken, welke gij gelezen hebt?
—Neen, maar verder dus, meent gij, dat wij ons in veiligheid moeten
brengen?
—Ja zeker. Wij maken natuurlijk een wachtvuur, opdat zij ons duidelijk
kunnen zien. Zoolang dit brandt, houden de Apachen zich op een afstand.
Wij laten het stil uitbranden en sluipen, zoodra het donker wordt, weg,
om de Kiowa’s te halen. Nu werpen de Apachen zich op onze legerplaats
en.... vinden geen mensch, hihihihi! Zij zijn natuurlijk zeer verbaasd
en steken het vuur weer aan, om ons te zoeken! Wij zien hen dan even
duidelijk, als zij ons zooeven zagen. De rollen worden dan omgekeerd,
en nu zijn zij het, die overvallen worden. Dat wordt een slag, waarover
men nog lang zal spreken en dan zal er bij gezegd worden: dat heeft Sam
Hawkins kostelijk bedacht, als ik mij niet vergis!
—Ja, het zou prachtig zijn, als alles ging, zooals gij dacht.
—Het zal niet anders gaan, daarvoor zal ik wel zorgen.
—En dan verder? Zullen wij dan de Apachen heimelijk bevrijden?
—Intschu Tschuna en Winnetou in elk geval.
—De anderen niet?
—Voor zoover dit zonder ons zelf te verraden mogelijk is.
—Hoe zal het dan met de overigen gaan?
—Dat zal nog meevallen sir, dat verzeker ik u. De Kiowa’s zullen in de
eerste oogenblikken meer aan de vluchtelingen denken, dan aan de
anderen. En mochten zij al te bloeddorstig zijn, dan is Sam Hawkins er
ook nog. Trouwens gij moet u niet het hoofd breken over wat later zal
gebeuren, gij kunt uw tijd wel beter gebruiken. Komt tijd, komt raad.
Er moet echter vóór alles een plaats gezocht worden, welke geschikt is
voor de uitvoering van ons plan. Morgen vroeg zal ik mij daarmee
onledig houden, vandaag hebben wij overlegd, morgen moeten wij
handelen.
Hij had gelijk, verder spreken en plannen maken was overbodig, wij
konden nu niets anders doen dan afwachten, wat er zou gebeuren.
De nacht was allesbehalve aangenaam. Er kwam een flinke wind opzetten,
die langzamerhand tot een storm aanwakkerde en tegen den morgen begon
het erg koud te worden. Sam Hawkins keek eens naar de lucht en meende:
—Vandaag zullen wij iets beleven, dat in deze streek zelden voorkomt;
het zal regenen, als ik mij niet vergis. En dat zal de uitvoering van
ons plan begunstigen.
—Hoe dat?—vroeg ik.
—Kunt gij dat niet begrijpen? Zie eens hoe het gras hier vertreden is.
Wanneer de Apachen hier komen, zullen zij dadelijk zien, dat hier meer
menschen en dieren zijn geweest, dan zij bij ons hebben gezien. Komt er
nu regen, dan richt zich het gras weer op en worden de sporen van deze
legerplaats uitgewischt. Ik zal zoo gauw mogelijk met de roodhuiden van
hier gaan.
—En een plaats zoeken, geschikt om hen te verbergen?
—Ja. Ik zou de Kiowa’s wel eerst nog hier kunnen laten en ze later
halen, maar hoe eerder ze weggaan, des te eerder verdwijnt het spoor.
Gij kunt intusschen kalm doorwerken.
Hij deelde zijn plan aan het opperhoofd der Kiowa’s mee, en deze stemde
daarmee in. Na korten tijd, reed Sam met Dick en Will dan ook weg. Het
spreekt vanzelf, dat de plaats, welke zij zich wilden kiezen, moest
liggen aan den weg, dien wij als landmeters hadden te volgen, en zeer
langzaam, doch zoo snel echter als ons werk dit gedoogde, trokken wij
hen achterna. Tegen den middag, werd Sam’s voorspelling bewaarheid, het
begon te regenen en wel op een wijze, zooals het slechts in die streken
regenen kan, wanneer dit eens een enkele maal gebeurt. Het was of het
met emmers werd neergegooid.
Midden in dezen regen kwam Sam met de beide anderen terug. Wij zagen ze
niet, voor ze misschien slechts twaalf of vijftien pas van ons af
waren, zoo dicht viel de regen. Zij waren geslaagd in het vinden van
een geschikte plaats, Parker en Stone zouden ons deze wijzen. Sam
evenwel ging onmiddellijk weer weg, om zijn verkennersambt te
aanvaarden. Hij wilde te voet gaan, omdat hij zich dan beter kon
verbergen, dan wanneer hij zijn muildier bij zich had.
Toen hij achter het dichte regengordijn verdween, had ik een gevoel,
alsof het ongeluk met snelle schreden naderde.
Even plotseling als de regen gekomen was, even snel hield hij weer op.
De sluizen des hemels sloten zich en de zon straalde weer even warm als
den vorigen dag. Wij konden den arbeid, dien wij hadden moeten staken,
weer hervatten.
Het terrein, waarop wij ons bevonden, was een vlakke, niet groote
savanna, aan drie zijden begrensd door dichte bosschen, en wij konden
dus tamelijk snel vooruitkomen. Ik had daarbij gelegenheid op te
merken, dat Sam de uitwerking van den regen juist had voorspeld, want
waar wij ons nu bevonden, was geen spoor meer te zien van de hoeven der
paarden. Indien de Apachen ons volgden, konden zij onmogelijk
vermoeden, dat wij tweehonderd bondgenooten in onze nabijheid hadden.
Toen het donker begon te worden en wij den arbeid moesten neerleggen,
hoorden wij van Stone en Parker, dat wij niet ver meer waren van den
plek, welke Sam had uitgekozen.
Den volgenden morgen bereikten wij na korten tijd, een beek, welke een
tamelijk groot vijverachtig bekken vormde, dat waarschijnlijk steeds
met water was gevuld, terwijl het bed van de beek zelf meest droog lag.
Tengevolge van den regen van gisteren was het water echter aanmerkelijk
gezwollen. Een smalle, open grasstrook, rechts en links met boomen en
struiken omzoomd, leidde naar dezen vijver. Een klein schiereiland,
eveneens met boomen en struiken begroeid, strekte zich daarin uit;
aanvankelijk was het smal, maar verder verbreedde het zich, zoodat het
bijna geheel rond werd. Aan den anderen kant van den vijver lag een
hoogte met dicht bosch bedekt.
—Dit is de plek, welke Sam heeft uitgekozen,—zeide Stone terwijl hij
met een kennersblik om zich heen zag,—hij had geen betere kunnen
vinden.
Deze opmerking noodzaakte mij, eens goed naar alle kanten rond te zien.
—Waar zijn nu de Kiowa’s Mr. Stone?—vroeg ik.
—Verborgen, goed verborgen!—antwoordde hij,—met de grootste moeite
zoudt gij ze niet kunnen vinden, hoewel ik zeker weet, dat zij ons
kunnen zien en gadeslaan.
—Waar zijn zij dan?
—Een oogenblik geduld, sir, eerst moet ik u vertellen, waarom de
listige Sam, deze plaats gekozen heeft. De savanna, langs welke wij
gekomen zijn, is bedekt met enkele alleenstaande kreupelboschjes. Dit
maakt het den verkenners der Apachen gemakkelijk ons onopgemerkt te
volgen. Zie nu verder deze open grastong, welke hierheen leidt. Een
legervuur, dat wij hier branden, verspreidt zijn schijnsel over de
geheele savanna; dat zal de Apachen lokken en zij kunnen ons dus
gemakkelijk naderen, wanneer zij dekking zoeken achter de boomen en
struiken, welke aan weerszijden van deze tong staan. Ik zeg u, heeren,
wij konden geen betere plaats vinden, om door de roodhuiden overvallen
te worden.
Zijn lang, mager, verweerd gezicht glom letterlijk van tevredenheid,
maar de hoofdingenieur schudde het hoofd en zeide:
—Hoe komt ge er toch bij, Mr. Stone? verheugt gij u, dat wij overvallen
zullen worden, ik zeg u, ik zal maken, dat ik voor dien tijd weg kom!
—Dan valt gij zeker in handen der Apachen, Mr. Bancroft. Natuurlijk
verheug ik mij, want als de Apachen ons gemakkelijk kunnen overvallen,
valt het ons later nog veel gemakkelijker hen te overvallen. Zie eens
over dat water heen. Aan den anderen kant, daarginds op de hoogte zijn
de Kiowa’s verborgen. Hun verkenners zitten in de toppen der boomen en
hebben ons zien aankomen. Evenzoo zullen wij de Apachen zien aankomen.
—Maar,—viel de hoofdingenieur hem in de rede,—wat geeft het ons, dat de
Kiowa’s daarginds in het bosch zijn, wanneer wij worden overvallen.
—Daar hebben wij ze maar vooreerst geborgen, omdat zij niet hier kunnen
zijn, wanneer de verkenners der Apachen komen. Zijn deze evenwel weer
vertrokken, dan brengen wij ze naar het schiereiland, waar zij niet
gezien kunnen worden.
—Kunnen de verkenners daar niet komen?
—Dat gedoogen wij niet.
—Dan zoudt gij ze dus moeten verjagen, en toch moeten wij doen, alsof
wij ze niet zien, hoe rijmt ge dat, Mr. Stone?
—Dat zal ik u zeggen. Wij moeten doen, alsof wij ze niet zien en kunnen
hen dus ook niet verbieden, het schiereiland te betreden; maar dat is,
waar het met den oever is verbonden, slechts dertig voet breed en langs
deze geheele breedte, plaatsen wij paarden.
—Paarden als barricade? hoe is dat mogelijk.
—Wij binden de paarden aan de boomen vast, dan kunt ge zeker zijn, dat
geen Indiaan nader komt, daar de paarden hen door hun snuiven zouden
verraden. Wij laten de verkenners dus kalmpjes komen, op het
schiereiland zullen zij geen voet zetten. Als zij weg zijn, om hun
krijgers te halen, komen de Kiowa’s van gindsche hoogte en verbergen
zich op het schiereiland. Dan komen de Apachen allen naderbij en
wachten tot wij gaan slapen.
—Als zij nu echter eens niet zoolang wachten?—viel ik hem in de
rede,—dan kunnen wij ons toch niet terugtrekken?
—Dat zou nog zooveel kwaad niet kunnen,—antwoordde hij,—want de Kiowa’s
zouden ons dadelijk te hulp komen.
—Maar dat zou niet zonder bloedvergieten gaan en dat willen wij liefst
vermijden.
—Ja, maar hier in ’t Westen moet men niet op een druppeltje bloed zien.
Heb maar geen vrees! De Apachen zullen als ’t mogelijk is, hun eigen
leven sparen, daarom zullen zij wel wachten, tot wij gaan slapen. Wij
laten dan het vuur uitgaan en trekken ongemerkt naar het eiland.
—En wat doen wij nu, kunnen wij gaan werken?
—Ja, alleen moet gij zorgen, dat gij op tijd hier zijt!
—Laat ons dan geen tijd verliezen. Komt heeren, we kunnen nog heel wat
uitvoeren!
Zij volgden mij, hoewel zij er weinig lust toe hadden. Ik was
overtuigd, dat allen gaarne waren weggeloopen, maar dan kwam het werk
niet af en volgens contract werd dan geen geld uitbetaald. En namen zij
de vlucht, dan liepen zij nog kans door de Apachen te worden
achterhaald. Neen, zij zagen in, dat zij hier nog ’t veiligst waren en
daarom bleven zij.
Wat mij betreft, ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij volstrekt niet op
mijn gemak gevoelde. Ik bevond mij in een toestand welke zich moeielijk
laat beschrijven. Was het vrees, of angst voor wat er waarschijnlijk
zou gebeuren? Neen, daartoe had ik veel meer reden gehad, toen ik den
buffel of den beer neervelde. Vandaag ging het om menschenlevens en dat
was het, wat mij zoo onrustig maakte. Aan mijn eigen leven dacht ik
niet, dat zou ik wel verdedigen, maar Intschu Tschuna en Winnetou! Ik
had in de laatste dagen zooveel aan Winnetou gedacht, dat ik steeds
meer belang in hem stelde, zonder dat ik hem nog nader gezien had. En,
zonderling! Ik heb later van Winnetou gehoord, dat ook hij in die dagen
dikwijls met zijn gedachten bij mij was geweest. Mijn innerlijke onrust
verdween niet onder den arbeid, maar toch wist ik, dat ik in het
beslissende oogenblik kalm zou zijn, daarom hoopte ik maar, dat dit
niet te lang op zich zou laten wachten. Mijn wensch werd vervuld, want
het was kort na den middag, dat wij Sam Hawkins op ons toe zagen komen.
De kleine man was blijkbaar vermoeid, maar de listige oogjes fonkelden
boven den donkeren baard.
—Is het gelukt?—vroeg ik,—me dunkt ik zie het aan uw gezicht, goeie,
oude Sam!
—Zoo?—lachte hij,—wel, wel, wat een verbeelding!
—Verbeelding? neen, uw oogen verraden u!
—Zoo, goed dat ik dat weet voor een volgenden keer. Maar, gij hebt
gelijk. Het is gelukt, veel beter dan ik had durven hopen.
—Hebt gij de verkenners gezien?
—Verkenners gezien? veel meer nog, niet alleen de verkenners, maar den
geheelen troep, en niet alleen gezien, maar gehoord, beluisterd heb ik
ze.
—Beluisterd? vertel ons gauw wat gij gehoord hebt.
—Nu niet en niet hier. Neemt uw instrumenten en gaat naar de
legerplaats. Ik kom achter u aan, maar eerst moet ik naar de Kiowa’s om
hun te zeggen, wat ik weet en hoe zij zich hebben te gedragen.
Hij liep opwaarts om den vijver op de beek toe, sprong er over en
verdween toen tusschen de boomen van het bosch. Wij pakten onze
instrumenten bijeen en gingen naar de legerplaats om daar Sam’s
terugkomst af te wachten. Wij hadden hem niet zien komen en evenmin
gehoord, maar plotseling stond hij weder voor ons en zeide op
overmoedigen toon:
—Daar hebt ge mij, heeren! Hebt gij ooren noch oogen? U kan een ieder
overrompelen, zelfs een olifant, wiens stappen men op een kwartier
afstands hoort!
—Maar gij stapt in elk geval niet als een olifant—antwoordde ik.
—Dat is zoo, ik wilde u maar eens toonen, hoe men dicht bij de menschen
kan komen, zonder dat zij ’t bemerken. Gij hebt kalmpjes gezeten, hebt
niet gesproken, u doodstil gehouden en hebt toch niet gehoord, dat ik
naderbij kwam. Ziet ge, zoo ging het gisteren ook toen ik de Apachen
beloerde.
—Vertel ons nu alles!
—Goed, gij zult het hooren! Maar laat mij dan gaan zitten, want ik ben
erg moe, mijn beenen zijn gewend aan rijden en niet aan loopen, ’t is
ook voornamer om tot de cavalerie te behooren, dan tot de infanterie,
als ik mij niet vergis.
Hij ging naast mij zitten, zag ons allen beurtelings aan en begon toen,
veelbeteekenend met het hoofd knikkend:
—Dus vanavond begint de grap!
—Vanavond reeds?—vroeg ik, half verrast en half verheugd,—dat is maar
goed!
—Hm, gij schijnt er zin in te hebben, in de handen der Apachen te
vallen. Maar gij hebt gelijk, ’t is maar goed en ik verheug er mij ook
over, dat wij niet langer behoeven te wachten. ’t Is nooit prettig op
iets te moeten wachten, dat nog wel eens anders uit kan loopen, dan men
denkt.
—Dan men denkt! Bestaat er reden tot bezorgdheid?
—Wel neen, in ’t geheel niet. Juist het tegendeel! Ik ben nu eerst
recht overtuigd, dat alles goed zal afloopen. Een ervaren mensch weet
echter, dat uit den braafsten knaap later een schelm kan groeien en zoo
gaat het ook met andere dingen, men kan ’t nooit weten, niet waar? en
het een of ander toeval kan ons den boel nog bederven.
—Zou dit mogelijk zijn?
—Ik ben vrij gerust, na alles wat ik gehoord heb.
—Wat hebt gij dan gehoord? Vertel dan toch wat!
—Kalm, mijn jongeman, alles op zijn tijd, wat ik gehoord heb kan ik nu
nog niet zeggen, want gij moet eerst weten, wat er aan is vooraf
gegaan. Ik ging midden onder de regenbui weg; ik behoefde het einde
niet af te wachten, want zelfs de dichtste regen dringt niet door mijn
jasje, hihihihi!—lachte hij hartelijk.—Ik liep bijna tot aan de plek
waar wij legerden, toen de beide Apachen bij ons kwamen; toen evenwel
moest ik mij verbergen, want ik zag drie roodhuiden, die daar
rondsnuffelden. Dat zijn verkenners der Apachen, zeide ik bij mij zelf,
zij zullen niet verder gaan. Zoo was het. Zij zochten den omtrek af,
zonder mijn spoor te vinden en gingen toen onder de boomen zitten,
omdat het in het gras te nat was. Daar bleven zij wel bijna twee uur
lang zitten. Ik zat eveneens onder een boom en wachtte geduldig af, ik
moest toch weten, wat dit beteekende. Eindelijk zag ik een troep
ruiters naderen, met de oorlogskleuren beschilderd; ik herkende onder
hen dadelijk Intschu Tschuna en Winnetou.
—Met hoevelen waren zij?
—Ik heb ongeveer vijftig man geteld. De verkenners waren opgestaan en
deelden hun ervaringen aan de opperhoofden mee. Daarop gingen zij
wederom vooruit en de anderen volgden langzaam. Gij kunt begrijpen,
heeren, dat Sam Hawkins achter hen aansloop. De regen had de gewone
sporen uitgewischt, maar uw palen in den grond geslagen, dienden als
wegwijzers. De Apachen kwamen echter langzaam vooruit, zij moesten zeer
voorzichtig zijn, want bij iederen hoek en bij ieder boschje konden zij
immers onverwachts op ons stuiten. Ik heb mij verbaasd over hun overleg
en ben meer dan ooit tot de overtuiging gekomen, dat de Apachen ver
boven de andere roode stammen staan.
Intschu Tschuna is een flinke kerel en Winnetou eveneens. Elke beweging
was berekend, en er werd geen woord gesproken, men wisselde slechts
blikken van verstandhouding. Toen de avond aanbrak, stegen allen af en
verdwenen met hun paarden in het bosch, om daar den ochtend af te
wachten.
—En hebt ge hen daar beluisterd?—vroeg ik.
—Ja. Als verstandige lieden maakten zij geen vuur aan, maar aangezien
Sam Hawkins even verstandig is als zij, begreep ik ook dat zij mij
daardoor minder gemakkelijk zouden ontdekken. Daarom kroop ik eveneens
onder de boomen en schoof op mijn buik vooruit, tot ik zoo dicht in hun
nabijheid was, dat ik alles kon hooren wat zij spraken.
—Verstondt gij alles?
—Wat een vraag! Ik kon toch hooren wat er gezegd werd?
—Ja, maar ik bedoel of zij hun eigenaardig Engelsch-Indiaansch
gebruikten?
—Zij spraken in het dialect der Mescalero’s, dat ik tamelijk goed ken.
De beide opperhoofden zeiden weinig, maar wat zij zeiden was
kernachtig. Ik weet wat wij te wachten hebben.
—Vertel ons dat dan,—verzocht ik, toen hij een oogenblik wachtte.
—Welnu, zij hebben het op ons gemunt, zij willen ons levend vangen.
—En niet dooden?
—O ja, dooden willen zij ons ook, maar niet zoo dadelijk. Zij willen
ons eerst gevangennemen en ons naar de dorpen der Mescalero’s aan den
Rio Pecos brengen, waar wij aan den martelpaal gebonden en levend
gebraden zullen worden. ’t Zal mij eens verwonderen wat lekker hapje
Sam Hawkins zal opleveren, vooral wanneer men verzuimt mij mijn
jachtrok uit te trekken, hihihihi!
Hij lachte op zijn eigenaardige wijze en ging toen voort:
—Zij hebben het vooral op Mr. Rattler begrepen, die daar nu zoo stil in
ons midden zit en mij aanziet, alsof hij zoo naar den hemel zal varen.
Ja, Mr. Rattler, gij hebt u zelf wat op den hals gehaald, ik zou niet
graag in uw schoenen willen staan. Gij wordt gebraden, vergiftigd,
doodgeschoten, geradbraakt en opgehangen, alles achter elkaar en van
alles een beetje, zoodat ge in ’t leven blijft. En als gij dan dit
alles hebt doorstaan, wordt gij met Kleki-Petra, dien gij doodgeschoten
hebt, in één kuil gelegd en levend begraven.
—Mijn hemel! zeiden zij dat?—vroeg Rattler, wiens gezicht doodsbleek
was geworden.
—Zeker, dat zeiden zij. Gij hebt dit alles verdiend en niemand kan u
helpen. ’k Wil maar hopen, dat gij, wanneer gij uw straf hebt
ondergaan, nooit weer zoo’n slechte daad zult doen. Maar dat zult ge
ook wel laten. Het lijk van Kleki-Petra is door een medicijnman naar
huis gebracht. Gij moet weten, dat de roodhuiden hun dooden zoo weten
te behandelen, dat zij nog lang goed blijven; ik heb mummiën gezien,
die na honderd jaar er zoo frisch uitzagen, alsof zij gisteren nog
geleefd hadden. Als wij allen gevangen worden genomen, zal men ons het
genoegen gunnen te zien, hoe zij Mr. Rattler in zulk een mummie
veranderen.
—Ik wil hier niet blijven!—riep Rattler uit.—Ik ga weg, zij krijgen mij
niet.
Hij wilde opspringen, maar Sam hield hem terug en waarschuwde:
—Doe dat niet, als uw leven u lief is. Ik verzeker u, dat de Apachen
reeds den ganschen omtrek hebben bezet, gij zoudt onmiddellijk in hun
handen vallen.
—Denkt ge dat werkelijk, Sam?—vroeg ik.
—Ja, het is geen valsche bedreiging, maar ik heb werkelijk reden om dit
te veronderstellen. Ook in een ander opzicht heb ik mij niet vergist.
De Apachen zijn werkelijk ook reeds tegen de Kiowa’s opgetrokken, en
wel met een groot leger, waarbij de beide opperhoofden zich willen
aansluiten, zoodra zij hier met ons hebben afgerekend. Alleen daardoor
was het mogelijk, dat zij zoo spoedig weer tot ons terug konden keeren.
Zij behoefden om krijgslieden te halen, niet geheel naar hun dorpen te
rijden, maar zij ontmoetten de tegen de Kiowa’s opgetrokken scharen
onderweg, gaven het lijk van Kleki-Petra aan den medicijnman en zochten
vijftig ruiters uit om ons te overvallen.
—Waar zijn de troepen, die tegen de Kiowa’s optrekken?
—Dat weet ik niet, er is geen woord over gesproken, en dat kan ons ook
tamelijk onverschillig zijn.
Ditmaal had de kleine Sam toch ongelijk. Het was ons lang niet
onverschillig, waar deze talrijke schare zich bevond; dat werden wij
eenige dagen later gewaar. Sam ging voort:
—Toen ik genoeg had gehoord, had ik wel dadelijk naar u terug kunnen
gaan, maar het is moeielijk ’s nachts het spoor te verbergen. Ik bleef
dus tot aan den morgen in het bosch en ging eerst heen, nadat ook zij
opgebroken waren. Ik volgde hen tot op ongeveer zes mijlen van hier,
toen maakte ik een omweg om ongemerkt hier bij u te komen. Dat is
alles, wat ik u zeggen kan.
—Zij hebben u dus niet gezien?
—Neen.
—En ook uw spoor niet ontdekt?
—Neen.
—Maar gij zeidet toch, dat gij u wildet laten zien en....
—Ja, ja, dat weet ik wel, ik zou het ook hebben gedaan, maar ’t was
niet meer noodig, want.... halt, hebt gij dat gehoord?
Duidelijk hoorde men driemaal het krijschen van een adelaar.
—Dat zijn de spionnen der Kiowa’s,—zeide Sam,—zij zitten daarboven in
de boomen. Ik heb met hen afgesproken, dit teeken te geven, wanneer ze
Apachen zagen aankomen. Volg mij, sir, wij zullen zien of gij goede
oogen hebt!
Dit laatste was tot mij gericht. Hij stond op om heen te gaan en ik nam
mijn geweer, en wilde hem volgen.
—Halt,—zeide hij,—laat dat geweer hier. De prairiejager moet zich wel
is waar nooit van zijn geweer scheiden, maar elke regel heeft een
uitzondering. Wij moeten doen alsof wij aan geen gevaar denken, en
kalmpjes wat hout willen gaan zoeken. Daaruit zullen de Apachen
opmaken, dat wij hier ons nachtverblijf willen opslaan.
Wij slenterden, schijnbaar geheel zonder eenig kwaad te vermoeden,
tusschen de boomen en struiken door, naar de grasvlakte, welke op de
savanna uitliep. Daar verzamelden wij de dorre takjes, welke op den
grond lagen, terwijl wij onder de hand heimelijk om ons heen zagen, of
wij ook den een of anderen Apache konden ontdekken. Waren zij in de
nabijheid, dan moesten zij verborgen zijn tusschen de struiken en
boomgroepen, welke min of meer van ons verwijderd, over de savanna
verspreid stonden.
—Ziet ge er een? vroeg ik aan Sam.
—Neen,—antwoordde hij.
—Ik ook niet.
Wij spanden nogmaals onze oogen in, maar konden niets ontdekken. En
toch hoorde ik later van Winnetou zelf, dat hij hoogstens vijftig pas
van ons af, in een kreupelboschje had gelegen en ons had gadegeslagen.
Het is niet genoeg, dat men goede oogen heeft, maar zij moeten ook
geoefend zijn en dat waren de mijne destijds nog niet. Thans echter zou
ik Winnetou dadelijk kunnen ontdekken, al zou mijn eenige aanwijzing
zijn de muggen, die, door zijn persoon aangetrokken, dichter boven het
boschje zwermden, dan ergens anders.
Wij keerden dus onverrichter zake naar de anderen terug en hadden nu
meer hout voor het legervuur dan noodig was.
—Dat is uitstekend,—meende Sam,—wij moeten een hoopje laten liggen voor
de Apachen, want zij moeten, wanneer zij ons willen vangen en bemerken
dat wij verdwenen zijn, gauw een vuurtje kunnen maken.
—Intusschen was het donker geworden. Sam, als de oudste, strekte zich
uit aan den uitersten grasrand, daar, waar de eigenlijke savanna een
aanvang nam. Hij wilde de spionnen beloeren, die wij met zekerheid
konden verwachten. Het vuur werd aangestoken, de vlammen stegen weldra
op en verlichtten de savanna tot op grooten afstand. Hoe onvoorzichtig
moesten de Apachen ons wel vinden! Dit vuur was immers een wegwijzer
voor elken vijand!
Wij gebruikten ons avondeten en gingen toen liggen, hier en daar
verspreid, alsof wij in ’t minst niet aan een overval dachten. De
geweren lagen een eind van ons af, en wel naar den kant van het
schiereiland, opdat wij ze later gemakkelijk konden meenemen. De
toegang tot het schiereiland zelf, was op Sam’s aanwijzing, door onze
paarden gebarricadeerd.
Er waren meer dan drie uur voorbijgegaan, toen Sam zoo stil als een
schaduw bij ons terug kwam en zachtjes vertelde:
—Ik heb twee verkenners gezien, de een komt van dezen, de andere van
dien kant. Ik heb hen zelfs hooren spreken.
Hij ging kalm bij ons zitten, en vroeg met luider stem naar iets, dat
hem toevallig in den zin kwam. Wij antwoordden en zoo ontspon zich een
gesprek, dat door zijn levendigheid er op berekend was, de verkenners
op een dwaalspoor te brengen. Wij wisten, dat zij er waren en ons
scherp gadesloegen, maar wij wachtten ons wel, ook maar een enkelen
wantrouwenden blik in het kreupelhout te werpen.
Nu was het de eerste vraag, wanneer zij zich weder verwijderden! Hooren
konden wij dit niet en zien evenmin, en toch mochten wij, wanneer zij
eenmaal weg zouden zijn, geen oogenblik verliezen; want reeds spoedig
daarop kon de geheele troep hier zijn. In dien tusschentijd evenwel
moesten de Kiowa’s het schiereiland bezetten. Het was dus het beste,
niet te wachten tot zij weggingen, maar hen daartoe te dwingen. Daarom
stond Sam op, deed alsof hij hout wilde zoeken, en drong aan den eenen
kant het kreupelboschje in, terwijl ik het van den anderen kant
naderde. Wij konden nu zeker zijn, dat de verkenners zouden wegsluipen.
Nu hield Sam de beide handen voor den mond en liet driemaal het geluid
van een kikvorsch hooren. Dit was voor de Kiowa’s het teeken, dat zij
konden komen. Daarop ging hij naar zijn eersten post terug, om ons de
aankomst van den geheelen troep te kunnen melden.
Nauwelijks twee minuten later, kwamen de Kiowa’s aangeslopen, de een
achter den ander aan. Zij hadden niet in het bosch het teeken
afgewacht, maar waren reeds tot aan de beek vooruitgedrongen, om bij
den eersten roep daarover te springen. Als slangen kropen zij over den
bodem naar het schiereiland en zoo snel en handig ging dit, dat binnen
drie minuten de laatste ons voorbij kroop.
Wij wachtten nu op Sam. Spoedig kwam deze en fluisterde ons toe:
—Zij komen en wel van twee kanten. Legt geen hout meer op het vuur;
want wij moeten zorgen, dat, als de vlam dooft, er nog genoeg
overblijft, waarmee de roodhuiden opnieuw het vuur kunnen doen
opvlammen.
Wij stapelden onzen houtvoorraad zóó rondom het vuur, dat ons
verdwijnen door het schijnsel niet kon worden verraden. Toen dit
geschied was, moest ieder van ons meer of minder de rol van
tooneelspeler op zich nemen. Wij wisten, dat er een vijftigtal Apachen
in onze nabijheid was, doch wij mochten het niet laten merken. Het
volgende oogenblik kon over veel, ja zelfs over ons leven beslissen.
Wij hadden nu eenmaal uitgemaakt, dat zij zouden wachten, tot wij
zouden zijn ingeslapen, maar hoe, wanneer zij dit nu eens niet deden?
Dan hadden wij wel is waar tweehonderd Kiowa’s die ons te hulp zouden
snellen, maar het zou tot een gevecht komen, waarbij zeker menig man
van onze zijde het leven zou moeten inboeten. Het beslissende oogenblik
was gekomen en ziet, wat ik had gedacht, bleek waarheid te zijn, ik was
kalm, zóó kalm, alsof ik een partij schaak of domino zou spelen. ’t Was
interessant de overigen gade te slaan. Rattler lag languit op den
grond, met zijn gezicht naar de aarde, en deed alsof hij sliep. Zijn
beroemde metgezellen zagen elkaar met doodsbleek gelaat aan en
stamelden slechts eenige onverstaanbare klanken. Will Parker en Dick
Stone zaten zoo gemoedelijk naast elkaar, alsof er in de geheele wereld
geen Apache was. Sam Hawkins verkocht den eenen kwinkslag na den
anderen en ik lachte luidkeels over zijn grappen. Toen er op deze wijze
een half uur was verstreken, konden wij gerust zijn, dat de overval
eerst zou geschieden, wanneer wij sliepen, anders was zij nu reeds lang
gebeurd. Het vuur was bijna uitgedoofd en ik vond het dus geraden de
beslissing niet langer uit te stellen. Daarom gaapte ik enkele malen,
rekte mij uit en zeide:
—Ik ben moe en ’k zou wel willen slapen, gij ook niet, Sam Hawkins?
—Ik heb er niets tegen,—antwoordde hij.—Het vuur gaat uit, goeden
nacht!
—Goeden nacht!—zeiden ook Parker en Stone, en nu schoven wij zoover
mogelijk van het vuur af, en deden toen, alsof wij gingen slapen.
De vlam werd al kleiner en kleiner, tot zij eindelijk doofde, alleen de
asch gloeide nog, maar door het rondom opgestapelde hout konden wij dit
niet zien. Wij lagen allen in het donker, en nu was het de kunst, zoo
zacht mogelijk verder te kruipen en ons op deze wijze in veiligheid te
brengen. Ik greep mijn geweer en kroop langzaam verder. Sam bleef dicht
bij mij en de anderen volgden. Het gelukte ons werkelijk de Kiowa’s te
bereiken, die reeds als roofgierige panters op de loer lagen.
—Sam,—fluisterde ik,—als de beide hoofdmannen gespaard zullen worden,
dan moeten wij er voor zorgen, dat geen Kiowa hen aanraakt. Zijt gij
dat met mij eens?
—Ja.
—Ik neem Winnetou voor mijn rekening, gij, Stone en Parker moeten voor
Intschu Tschuna zorgen.
—Gij één alleen en wij één met ons drieën? dat gaat niet, als ik mij
niet vergis.
—Het is toch het beste, geloof mij. Ik ben met Winnetou spoedig klaar,
maar gij moet met uw drieën zijn, want wanneer zijn vader tijd en
gelegenheid krijgt, om zich te verdedigen, kan dit voor hem leelijke
gevolgen hebben.
—Gij hebt gelijk! Maar, dan moeten wij de eersten zijn, laat ons dus
een beetje vooruitgaan, kom mee!
Wij kropen iets nader bij het vuur en wachtten nu in de grootste
spanning op het krijgsgeschreeuw der Apachen, want wij wisten, dat zij
zonder dit geen aanval zouden doen.
Het is de gewoonte, dat de aanvoerder door een schreeuw het teeken
geeft en de anderen vallen dan met een helsch lawaai in. Dit huilen
geschiedt met het doel, de aangevallenen den moed te benemen, zich te
verdedigen.
De Kiowa’s waren, evenals wij, in spanning. Ieder van hen, wilde ook
gaarne de eerste zijn en daarom drongen zij naar voren, zoodat wij al
verder en verder vooruitgeschoven werden. Dit was gevaarlijk en daarom
hoopte ik vurig, dat de aanval niet te lang op zich zou laten wachten.
Deze wensch werd eindelijk vervuld. Daar weerklonk het bekende
hiiiiiiih! op zoo luiden en doordringenden toon, dat het mij door merg
en been ging en daarop volgde een gehuil, als uit duizend kelen
tegelijk.
Wij hoorden, ondanks den zachten bodem, snelle schreden en sprongen.
Toen was plotseling alles weder stil. Eenige oogenblikken bewoog zich
niets, men had, om zoo te zeggen, een muis kunnen hooren loopen. Toen
hoorden wij Intschu Tschuna het enkele korte woord „ko” roepen.
Dit woord beteekent vuur; er moest dus vuur aangemaakt worden. Onze
asch gloeide nog, en het dorre hout dat er omheen lag, zou gemakkelijk
branden. Het duurde dan ook maar enkele minuten of de vlam sloeg uit en
de geheele omgeving was verlicht.
Intschu Tschuna en Winnetou stonden naast elkaar en er vormde zich
spoedig een kring van krijgers om hen heen, toen de Apachen tot hun
verwondering zagen, dat wij verdwenen waren.
—Oef, oef, oef!—riepen allen verbaasd.
Winnetou toonde toen reeds, ondanks zijn jeugd, die omzichtigheid,
welke ik later zoo dikwijls in hem heb bewonderd. Hij maakte bij zich
zelf ongetwijfeld de opmerking, dat wij ons nog in de nabijheid moesten
bevinden en dat de om het vuur staande Apachen, zich bijzonder bloot
gaven, en licht door ons geweervuur zouden worden getroffen. Daarom
riep hij:
—Tatischa, tatischa!
Dit beteekent: „verwijdert u, verwijdert u.” Hij wilde zelf het
voorbeeld geven, maar ik was hem te vlug af. Met vier of vijf schreden
was ik bij den kring, welke zich om hem had gevormd. De mij in den weg
staande Apachen wegduwend, snelde ik op hem toe, op den voet gevolgd
door Hawkins, Stone en Parker. Juist toen Winnetou zijn luid: tatischa!
had geroepen, stond ik voor hem en wij zagen elkander een oogenblik
diep in de oogen. Zijn hand greep naar het mes, dat hij in den gordel
droeg, maar reeds had mijn vuistslag zijn slaap getroffen en
bewusteloos zonk hij neer. Tegelijkertijd hadden Sam, Will en Dick zijn
vader vastgegrepen.
De Apachen huilden van woede, maar hun gehuil werd overstemd door het
verschrikkelijke brullen der Kiowa’s, die zich nu op hen wierpen.
Ik stond, daar ik in de rij der Apachen was gedrongen, midden tusschen
het kluwen van strijdende en huilende menschen, die met elkander
worstelden. Tweehonderd Kiowa’s tegen vijftig Apachen, dus vier tegen
een! De brave krijgers van Winnetou weerden zich dapper. Ik had heel
wat moeite, ze van mij af te houden, en moest mij als een tol in het
rond draaien. Daarbij gebruikte ik alleen mijn vuisten, want ik wilde,
indien mogelijk, niemand verwonden of dooden. De overmacht was te
groot; na vijf minuten was de strijd ten einde. De hoofdman Intschu
Tschuna lag gebonden op den grond, naast hem lag Winnetou bewusteloos,
en ook hem werden handen en voeten gebonden. Geen enkele Apache was
ontkomen, vooral omdat het dezen dapperen lieden niet in het hoofd was
opgekomen, hun beide aanvoerders in den steek te laten.
Velen van hen waren gewond en ook enkelen der Kiowa’s en jammer genoeg
hadden deze drie en de Apachen vijf dooden. Dit had weliswaar niet in
ons plan gelegen, doch tengevolge van den krachtigen tegenstand der
Apachen, waren de slagen natuurlijk harder aangekomen.
De overwonnen vijanden werden allen gebonden, de lijken van de enkelen,
die helaas gedood waren, werden weggebracht en wij begonnen de gewonde
Apachen te onderzoeken en te verbinden. Wij ondervonden daarbij soms
heftig verzet, want de meesten van hen, waren te trotsch om een dienst
van den vijand aan te willen nemen. Toen dit werk was afgeloopen,
overlegden wij, hoe de gevangenen den nacht zouden doorbrengen. Ik
wilde het hen zoo gemakkelijk mogelijk maken, maar Tangua, het
opperhoofd der Kiowa’s, voer mij tegemoet:
—Deze honden behooren niet u, maar mij, en ik alleen heb te beslissen,
wat met hen zal gebeuren.
—En wat beslist gij dan?—vroeg ik.
—Wij zouden hen kunnen bewaken, tot wij in onze dorpen terugkomen, maar
daar deze zoo ver af zijn, en wij eerst nog de rest van hun troep
willen overvallen, zullen wij maar korte wetten met hen maken. Zij
komen aan den folterpaal.
—Allen?
—Allen!
—Dat geloof ik niet.
—Waarom niet!
—Omdat gij u vergist, gij zegt dat de Apachen u toebehooren, dat is
niet juist.
—Dat is juist!
—Neen.—Volgens de prairiewetten behoort de gevangene, aan hem, die hem
gevangengenomen heeft. Houd dus de Apachen, die gij overwonnen hebt,
daar heb ik niets tegen, maar die, welke wij gevangen hebben, behooren
ons.
—Oef, oef, wat praat gij verstandig. Gij wilt dus Intschu Tschuna en
Winnetou behouden.
—Natuurlijk.
—En als ik dat niet toesta?
—Dat moet gij!
Hij sprak op vijandigen toon, ik evenwel was kalm en bezadigd. Toen
trok hij zijn mes, stak het tot aan het heft in de aarde en zeide
terwijl hij mij met fonkelende oogen aanzag:
—Raakt gij met uw hand, ook maar een enkelen Apache aan, dan zal uw
lichaam zijn als deze plaats waarin ik mijn mes steek. Ik heb gezegd!
Howgh!
Hij sprak in vollen ernst, maar ik zou hem toch te kennen hebben
gegeven, dat ik mij niet door hem liet bedreigen, indien Sam Hawkins
niet zoo verstandig was geweest, mij een waarschuwenden blik toe te
werpen, die mij tot kalmte en voorzichtigheid aanmaande. Ik vond het
dus beter, te zwijgen.
De gebonden Apachen lagen rondom het vuur en het was dus het
eenvoudigste geweest, hen stil daar te laten liggen, waar zij zonder
eenige moeite bewaakt konden worden. Tangua evenwel, wilde mij
bewijzen, dat hij hen werkelijk als zijn eigendom beschouwde en naar
willekeur met hen kon handelen, daarom gaf hij bevel, hen staande aan
de nabijzijnde boomen vast te binden.
Dat geschiedde en wel, naar te begrijpen is, op niet al te zachte
wijze. De Kiowa’s waren ruw en spaarden de arme overwonnenen niet, maar
wat leed hun ook geschiedde, geen der Apachen vertrok daarbij het
gezicht. Het ruwst was men nog tegen de beide opperhoofden, wier banden
zoo stijf werden aangesnoerd, dat het bloed uit het opgezwollen vleesch
scheen te willen springen.
Het was bepaald onmogelijk, dat een der gevangenen zich zelf los kon
maken of ontvluchten, maar toch zette Tangua wachten om de legerplaats
heen.
Ons vuur, dat intusschen weer was aangewakkerd, brandde zooals reeds
gezegd, aan het verste einde van de grasstrook, welke naar het water
voerde. Wij gingen daar liggen en hadden afgesproken geen Kiowa in onze
nabijheid te dulden, daar hun tegenwoordigheid de bevrijding van
Winnetou en zijn vader onmogelijk zou kunnen maken, maar deze afspraak
was overbodig, want het scheen hun in ’t geheel niet in den zin te
komen, zich bij ons te voegen. Reeds van den aanvang af waren zij
allesbehalve vriendelijk tegen ons geweest, en na mijn laatste
woordenwisseling met hun hoofdman werd het er niet beter op. De koele,
bijna minachtende blikken, welke zij ons toewierpen, zeiden ons, dat
wij blij mochten zijn, indien wij zonder verderen twist van elkander
konden scheiden.
Zij ook hadden vuren aangelegd, een weinig verder de savanna in, en
lagen kalm daaromheen, terwijl zij met elkander spraken, niet in de
taal, welke gebruikelijk is tusschen blanken en roodhuiden, maar in de
taal van hun volk. Wij moesten hen niet kunnen verstaan en ook dit was
een ongunstig teeken. Zij beschouwden zich hier als meester van het
terrein en de houding welke zij aannamen, geleek op die van een leeuw,
die een hondje bij zich duldt.
Het was daarom juist zoo moeielijk, ons plan ten uitvoer te brengen,
omdat slechts vier personen daarvan mochten weten, namelijk Sam
Hawkins, Dick Stone, Will Parker en ik. De anderen wilden en mochten
wij niet in ’t geheim nemen, want waarschijnlijk zouden zij zich tegen
ons voornemen verzetten, ja ’t kon zelfs mogelijk zijn, dat zij dit aan
de Kiowa’s zouden verraden. Wij hoopten dus maar, dat zij spoedig in
slaap zouden vallen en daar wij daarop toch moesten wachten, ried Sam
ons aan, zelf ook maar eens een uiltje te knappen. Wij gingen dus
liggen, en ik was, ondanks den opgewonden toestand waarin ik verkeerde,
weldra ingeslapen. Een poos later wekte Sam mij. Ik wist destijds nog
niet den tijd te bepalen naar den stand der sterren, maar het moet kort
na middernacht zijn geweest. Onze metgezellen sliepen en het vuur was
uitgedoofd. De Kiowa’s brandden ook slechts één vuur. Wij konden
zachtjes met elkaar spreken en Sam fluisterde mij toe:
—Wij moeten een keus doen uit ons vieren, allen kunnen wij niet weg.
—Ik ga natuurlijk!—antwoordde ik zeer beslist.
—Oho, niet zoo haastig, sir, ’t kan u uw leven kosten!
—Dat weet ik.
—En wilt gij dit wagen?
—Ja.
—Komaan, gij zijt een brave kerel. Maar er is iets anders; het
welslagen van ons plan hangt af van den persoon, die het uitvoert.
—Natuurlijk.
—’t Verheugt mij, dat gij dit ook inziet, en daarom, denk ik, zult gij
er wel van afzien, dit op u te nemen.
—Ik denk er niet aan!
—Wees verstandig, sir! laat mij met Dick Stone gaan.
—Neen.
—Gij zijt er niet voor berekend, gij weet nog niet, hoe men dat
besluipen doet.
—’t Is mogelijk, maar laat mij vandaag u dan eens bewijzen, dat men ook
wel eens tot een goed einde kan brengen, wat men nog nooit van te voren
heeft gedaan, als men er maar lust in heeft.
—En handig is, sir, vergeet dat niet, en gij zijt niet geoefend.
—Mag ik een proef leveren?
—Wilt gij dat?
—Zeker.
—Welke proef?
—Welnu, weet gij of Tangua slaapt of waakt?
—Neen.
—En toch is het voor ons van groot belang dit te weten, niet waar Sam?
—Ja, ik zal zoo straks eens naar hem gaan zien.
—Neen, dat zal ik doen.
—Gij, waarom?
—Om u het bewijs te leveren, dat ik de kunst van besluipen ook versta.
—Zoo, maar als men u ontdekt?
—Dan is ’t nog niets, want dan zeg ik, dat ik mij heb willen
overtuigen, of de wachten op hun post waren.
—Dat is goed bedacht, maar waarom staat gij daar zoo op?
—Om uw vertrouwen te winnen en als dit goed afloopt, zult gij toch niet
weigeren mij mee te nemen naar Winnetou, niet waar, Sam?
—Nu, dat zullen wij dan later wel zien.
—Goed; kan ik dan nu naar den hoofdman gaan?
—Ja, maar wees voorzichtig. Als men u betrapt, zal later, wanneer
Winnetou weg is, de verdenking op u vallen, en men zal stellig
vermoeden dat gij hem hebt losgesneden!
—En dan niet ver van de waarheid zijn.
—Blijf steeds achter de boomen en struiken en pas op, dat gij niet op
een plaats komt, waar het schijnsel van het vuur valt, blijf steeds in
donker.
—Ik zal in het donker blijven, Sam!
—Ik hoop het, er zijn minstens dertig Kiowa’s, die waken, de wachten
niet meegerekend. Als gij het er goed afbrengt, zal ik u prijzen en
denken, dat er in een jaar of tien, wel een goede prairiejager uit u
zal te maken zijn, hoewel gij nu nog, ondanks al mijn lessen, een echte
greenhorn zijt, hihihihi.
Ik schoof het mes en de revolver zoo diep mogelijk in den gordel en
verwijderde mij al kruipende van het vuur. Heden, jaren nadat ik dit
beleefde, gevoel ik het gewicht van de groote verantwoordelijkheid,
welke ik destijds zoo gemakkelijk op mij nam, de groote brutaliteit van
het plan, dat ik had opgevat. Wilde ik namelijk den hoofdman niet
besluipen?
Ik had voor Winnetou genegenheid opgevat en wilde hem dit zoo mogelijk
bewijzen door een daad, waarbij ik mijn leven waagde. Daarvoor bood
zich nu de gelegenheid aan, ik kon hem bevrijden, maar ik wilde dit
zelf doen en geheel alleen. En nu kwam Sam dit plan verstoren, en wilde
dit doen met Dick Stone. Zelfs al gelukte het mij, den hoofdman te
besluipen, zonder opgemerkt te worden, dan nog zou Sam zijn bedenkingen
niet laten varen. Daarom was ik op de gedachte gekomen, er niet langer
met hem over te spreken en mijn eigen gang te gaan. Neen, ik wilde niet
naar den hoofdman, maar naar Winnetou!
Ik zette evenwel niet alleen mijn eigen leven op het spel, maar ook dat
van mijn makkers, want werd ik ontdekt, dan was het met ons gedaan. Ik
wist dit toen zeer goed, maar ging in jeugdigen overmoed, licht
daarover heen.
Ik had dikwijls van besluipen gelezen en sedert ik in het Westen was,
ook dikwijls daarvan gehoord. Sam had mij ook gezegd en voorgedaan, hoe
men dit moet aanleggen, maar hoewel ik het hem had nagedaan, was er
geen sprake van, dat ik er even vaardig in was als hij. Dit belette
echter niet, dat ik vol vertrouwen was op het welslagen van mijn
onderneming.
Ik lag in het gras en kroop voort naar het kreupelhout. Van onze
legerplaats, waar Winnetou en Intschu Tschuna ieder aan een boom waren
gebonden, was ik nu ongeveer vijftig schreden verwijderd. Ik had mij nu
eigenlijk zóó voort moeten schuiven, dat alleen mijn vingertoppen en
mijn teenen den grond raakten, maar om dit vol te houden, heeft men een
kracht en volharding noodig, welke men zich alleen door langdurige
oefening eigen kan maken, destijds bezat ik die nog niet. Daarom schoof
ik mij op de knieën en ellebogen vooruit, vooraf de plaats waar ik mijn
lichaamsdeelen neerzette, goed met de hand betastend, of er soms ook
een dor takje lag, waaraan het gekraak mij kon verraden, en langzaam,
zeer langzaam kwam ik vooruit.
De Apachen waren gebonden aan de boomen, welke aan weerskanten van de
smalle grasstrook groeiden. De beide aanvoerders bevonden zich, van
onze legerplaats gezien, aan den linkerkant. Vier of vijf passen van
hen af, zat, met het gezicht naar hen toegekeerd, een Indiaan, die hen
te bewaken had. Dit maakte mijn werk moeielijk, ja bijna onmogelijk, en
ik had al vooruit bedacht op welke wijze ik zijn opmerkzaamheid kon
afleiden, al was het dan ook slechts voor enkele seconden. Ik had
echter daartoe kleine steentjes noodig, en die waren, helaas! hier niet
te vinden.
Ongeveer de helft van den weg was afgelegd, en daarvoor had ik meer dan
een half uur noodig gehad! Daar zag ik iets wits schemeren en tot mijn
groote vreugde bemerkte ik een kleine, misschien twee meter breede
spleet, die met zand gevuld was. Ik vulde haastig mijn zakken daarmee
en kroop verder.
Na wederom een half uur bevond ik mij eindelijk achter Winnetou en zijn
vader, misschien vier pas van hen af. De boomen aan welke zij, met den
rug naar mij toe, waren vastgebonden, waren niet zeer dik en ik zou hen
niet hebben kunnen naderen, wanneer aan den voet niet eenig kreupelhout
had gestaan, dat mij voor de blikken van den schildwacht kon verbergen.
Bovendien stond, zijwaarts achter den wachter, een stekelige struik,
welke mij van dienst kon zijn.
Ik schoof mij voort, tot juist achter Winnetou en bleef hier eenige
minuten stilliggen, om den wachter nauwkeurig gade te slaan. Hij scheen
vermoeid te zijn, want hij had de oogen gesloten en opende ze slechts
van tijd tot tijd met groote moeite. Dit kwam mij goed van pas.
Eerst moest ik nu nazien, op welke wijze Winnetou gebonden was. Ik
reikte dus voorzichtig met mijn hand om den stam heen en betastte zijn
voet en scheenbeen. Hij moest dit natuurlijk voelen en ik was een
oogenblik bang, dat hij een beweging maken zou, welke mij verraden kon
hebben; dit geschiedde evenwel niet, hij was daartoe te bezonnen en had
te veel tegenwoordigheid van geest.
Ik bevond dat zijn voeten eerst aan elkaar waren gebonden en dan met
een riem aan den boom vastzaten. Hier waren dus twee messneden
noodzakelijk.
Toen zag ik naar boven. Bij het flikkerende vuur bemerkte ik, dat men
zijn handen om den boom had getrokken en daar met een riem had
samengebonden. Hier behoefde ik dus maar één snee te doen.
Nu echter kwam mij iets in den zin, waaraan ik nog niet gedacht had.
Als ik Winnetou lossneed, zou hij naar ik dacht onmiddellijk de vlucht
nemen en dit zou mij in groot gevaar kunnen brengen. Ik peinsde en
dacht, maar kon geen uitweg vinden, ik moest het er op wagen en mij,
indien de Apache dadelijk wegliep, ook uit de voeten zien te maken.
Hoe had ik mij echter in Winnetou vergist! Ik kende hem nog niet. Toen
wij later eens over zijn bevrijding spraken, deelde hij mij mee, wat
toen zijn gedachten waren geweest. Toen hij mijn tastende hand gevoeld
had, had hij gemeend, dat het die van een Apache was. Wel waren allen,
die hij bij zich had, gevangengenomen, maar het kon toch zijn, dat de
een of andere verkenner of bode hen ongemerkt gevolgd was. Hij had toen
begrepen, dat men hem wilde bevrijden en had kalm gewacht, tot men de
riemen zou doorsnijden. Hij dacht er niet aan zijn houding
oogenblikkelijk te veranderen, want hij zou in geen geval zijn
gevlucht, zonder zijn vader en bovendien wilde hij dengene, die hem
bevrijdde, niet in gevaar brengen.
Ik sneed eerst de onderste riemen los, de bovenste kon ik, zoo liggend,
niet bereiken. En zelfs al had ik dit kunnen doen, dan was nog de
grootste voorzichtigheid noodig, om Winnetou niet in de handen te
snijden. Ik moest dus wel opstaan, maar dan was ik bijna zeker dat de
wachter mij zou zien. Om zijn aandacht af te leiden, had ik het zand
meegebracht, ik nam dus een weinigje in de hand en wierp dit aan
Winnetou voorbij, tegen den stekeligen struik, waardoor eenig ritselen
ontstond. De roodhuid keerde zich om, en zag naar den struik, maar
maakte zich verder niet ongerust. Ik herhaalde, wat ik zooeven gedaan
had. Nu werd hij toch eenigszins wantrouwend, stond op en doorzocht het
struikje. Daarbij keerde hij ons den rug toe en van dit oogenblik
maakte ik gebruik, om op te staan en den riem, welke Winnetou’s handen
vasthield, los te snijden. Ik raakte daarbij het prachtige haar van
Winnetou aan, dat op het hoofd als een pluim was opgebonden en dan nog
zwaar en lang op den rug neerhing, en snel sneed ik met mijn mes een
lange lok af, voordat ik mij weer op den grond liet vallen. Waarom ik
dit deed? Om, indien ’t noodig was, een bewijs te hebben, dat ik het
was, dien hem had losgesneden.
Tot mijn groote blijdschap, maakte Winnetou niet de geringste beweging,
hij bleef stokstijf staan. Ik wond het haar om mijn vinger en stak het
bij mij. Toen kroop ik naar Intschu Tschuna, wiens banden ik eveneens
lossneed. Hij was op dezelfde wijze gebonden als Winnetou en bleef,
toen hij mijn aanraking voelde, evenals zijn zoon, onbeweeglijk staan.
Nu kwam het mij in de gedachte, dat het beter was, de op den grond
gevallen riemen niet te laten liggen. De Kiowa’s behoefden immers niet
te weten, op welke wijze de gevangenen bevrijd waren geworden. Vonden
zij de riemen, dan zouden zij zien, dat zij doorgesneden waren en de
verdenking zou op ons vallen. Ik nam dus eerst bij Intschu Tschuna de
riemen weg, kroop toen weer naar Winnetou om daar hetzelfde te doen,
stak ze bij mij en begaf mij toen op den terugweg.
Mochten de beide aanvoerders verdwijnen, dan zou de wachter
onmiddellijk alarm maken en dan moest ik mij niet in de nabijheid
bevinden. Zoo snel ik kon, kroop ik dieper in het kreupelhout, tot ik
niet meer gezien kon worden, toen stond ik uit mijn liggende houding op
en liep, wel zeer voorzichtig, maar toch veel sneller dan zooeven, naar
onze legerplaats terug. Eerst toen ik dicht in de nabijheid was, ging
ik weer op den grond liggen, om het laatste gedeelte van den weg
kruipend af te leggen. Mijn drie metgezellen waren zeer bezorgd over
mij. Toen ik weer veilig in hun midden lag, fluisterde Sam mij toe:
—Wij maakten ons zeer ongerust over u, sir! Weet gij wel hoelang gij
weg zijt geweest?
—Bijna twee uur.
—Dat komt uit, een half uur heen, een half uur terug en een uur daar
gebleven.
—Waarom moest gij zoolang daar blijven?
—Om te zien of de hoofdman sliep.
—En hoe hebt ge dat aangelegd?
—Wel, ik heb zoolang naar hem gekeken, en toen hij zich niet bewoog,
kon ik overtuigd zijn dat hij sliep.
—Zoo, zoo. Hoort ge dat, Dick en Will? Om te weten of de hoofdman waakt
of slaapt heeft hij hem een uur lang aangekeken, hihihihi! Hij is en
blijft toch een greenhorn, een onverbeterlijke greenhorn! Hebt gij dan
geen hersenen in uw hoofd, dat gij geen ander middel kondt bedenken!
Hebt gij dan onderweg geen kleine stukjes hout of zoo iets gevonden?
—Ja,—antwoordde ik.
—Wel, dan hadt gij immers, toen gij dicht bij hem waart, een klein
stukje hout of een kluitje aarde naar hem moeten werpen. Als hij wakker
was geweest, zou hij zich zeker oogenblikkelijk hebben bewogen. En gij
hebt hem een uur lang aangegaapt, hihihihi!
—Dat mag zijn, maar ik heb dan toch de proef glansrijk doorstaan!
Terwijl ik sprak, hield ik mijn oogen onafgewend gericht op de beide
Apachen. Ik verwonderde mij er over, dat zij nog altijd in dezelfde
houding tegen de boomen stonden, zij hadden reeds lang weg kunnen zijn.
Later vernam ik, wat het geval was geweest. Winnetou had gedacht, dat
ik hem eerst had losgesneden en daarop naar zijn vader geslopen was en
wachtte nu op een teeken van mij. Omgekeerd had zijn vader hetzelfde
gedacht. Toen geen van beiden evenwel een teeken van mij kreeg, wachtte
Winnetou een oogenblik af, dat de wachter de moede oogen een oogenblik
sloot en bewoog toen zijn arm, om zijn vader te toonen, dat hij niet
meer gebonden was; de hoofdman gaf hem hetzelfde teeken terug. Een
seconde later waren beiden van hun plaatsen verdwenen.
—Ja, gij hebt de proef doorstaan,—stemde Sam toe,—gij hebt den hoofdman
een uur lang aangekeken, zonder dat gij gezien zijt geworden.
—Dus vindt gij ’t goed, dat ik mee ga naar Winnetou?
—Hm. Denkt gij, dat gij de beide aanvoerders kunt bevrijden, door hen
ook een vol uur aan te kijken?
—Neen, wij moeten hen lossnijden.
—Dat zegt gij, alsof dit een kleinigheid is. Ziet gij dan niet, dat er
een wachter bij hen zit?
—Dat zie ik zeer goed.
—Die doet net als gij, hij staart hen ook aan, en ’t zal een geduchte
toer zijn, hen los te maken, zonder dat hij ’t ziet. Ik weet zelfs niet
of het mij zal gelukken. ’t Is al een meesterstuk op zich zelf, om daar
te komen en als men er dan is, da.... Good lack, wat is dat?
Hij had zijn oogen op de Apachen gericht en hield nu plotseling in zijn
redevoering op, want juist op dit oogenblik verdwenen de beide mannen
van het tooneel. Ik deed, alsof ik dit niet gezien had, en vroeg:
—Wat is er? Waarom spreekt gij niet verder?
—Waarom? Omdat.... omdat.... is het dan werkelijk zoo of bedrieg ik
mij?
Hij streek zich met de hand over de oogen en vervolgde:
—Ja, bij God ’t is waar. Dick, Will, ziet toch eens, ziet gij Winnetou
en Intschu Tschuna nog?
Zij keerden hun hoofd om en wilden juist hun verbazing in woorden lucht
geven, toen de wachter opsprong, de beide verlaten boomen een oogenblik
ontzet aanstaarde en daarop een luiden, doordringenden kreet uitstiet,
welke de slapers wekte. De wachter schreeuwde hun het gebeurde in zijn
taal toe en nu volgde een onbeschrijfelijk tumult.
Alles liep naar de boomen, de blanken evengoed als de roodhuiden. Ik
volgde hen ook, want ik moest doen, alsof ik van niets wist, maar
onderweg keerde ik mijn zak om en liet het zand op den grond vallen.
Jammer, dat ik alleen Winnetou en Intschu Tschuna had kunnen bevrijden.
Hoe gaarne had ik nog meerderen, liefst allen gered, maar het zou
krankzinnigenwerk geweest zijn, dat te beproeven!
Meer dan tweehonderd menschen verdrongen zich om de plaats, waar nog
zooeven de beide gevangenen hadden gestaan. Daarbij klonk een
geschreeuw of liever een gehuil van woede, dat mij duidelijk zeide wat
mij wachtte, wanneer de waarheid aan ’t licht mocht komen. Eindelijk
gebood Tangua stilte en deelde zijn bevelen uit, waarop ongeveer de
helft van zijn krijgers wegsnelden, om, ondanks de duisternis buiten op
de savanna naar de vluchtelingen te zoeken. Den hoofdman stond het
schuim op den mond van woede. Hij sloeg den wachter met de vuist in ’t
gezicht, scheurde hem den medicijnbuidel van den hals en vertrapte dien
onder zijn voeten; een daad, waarmee de arme man voor eerloos werd
verklaard. Men moet namelijk bij het woord medicijn niet bepaald aan
geneesmiddel denken. Dit woord is bij de Indianen eerst in gebruik
gekomen, nadat de blanken zich in hun streken hebben neergezet. De
geneesmiddelen der bleekgezichten waren hun onbekend, en zij hielden de
uitwerking daarvan, voor het gevolg van een toovermiddel of voor een
geheim, dat in verband stond met het bovennatuurlijke. Sedert dien tijd
betitelen zij alles wat zij voor tooverij houden, wat voor hen
onverklaarbaar is, of wat zij voor de gevolgen van een hooger ingeving
aanzien, met het woord medicijn.
Ieder volwassen man, ieder krijgsman heeft zijn medicijn. De jongeling
die onder de krijgers wenscht te worden opgenomen, verdwijnt plotseling
en zoekt de eenzaamheid op. Daar vast hij en lijdt zelfs honger en
ontzegt zich een teug water.
Hij peinst over zijn toekomst en wenschen. Deze geestesinspanning,
verbonden met de lichamelijke ontberingen, welke hij zich oplegt,
brengt hem in een overspannen toestand, waarin hij den schijn van de
werkelijkheid niet meer weet te scheiden. Hij meent hoogere ingevingen
en openbaringen te krijgen. Heeft hij dit stadium bereikt, dan wacht
hij op het eerste, het beste voorwerp, dat hem door zijn droom of wat
dan ook wordt voorgespiegeld, en dit voorwerp blijft hem zijn gansche
leven door „heilig”, het is zijn medicijn. Is dit voorwerp bijvoorbeeld
een vleermuis, dan rust hij niet, voor hij er een vangt. Gelukt hem
dit, dan keert hij naar zijn stam terug, en geeft het dier aan den
medicijnman, die het de een of andere bewerking laat ondergaan. Daarna
komt het in den eigenaardigen medicijnbuidel, welke altijd moet worden
gedragen en het kostbaarste kleinood is van den Indiaan. Medicijn
verloren, eer verloren. Zulk een ongelukkige wordt alleen dan in zijn
eer hersteld, wanneer hij een beroemd vijand doodt en diens
medicijnbuidel kan toonen. Men kan dus denken welk een straf het voor
den armen wachter was, dat hem zijn medicijn werd ontnomen. Hij zeide
geen woord tot zijn verontschuldiging, maar nam zijn geweer op en
verdween tusschen de boomen. Van dit oogenblik af was hij dood voor
zijn stam en kon alleen in het zooeven beschreven geval weer worden
opgenomen.
De woede van het opperhoofd keerde zich niet alleen tot dezen
schuldige, maar ook tot mij. Hij kwam op mij toe en schreeuwde:
—Gij wildet deze honden voor u hebben, welnu, loop ze na en vang ze!
Ik wilde mij afwenden, zonder hem te antwoorden, maar hij greep mij bij
den arm en vervolgde:
—Hebt gij gehoord, wat ik u bevolen heb! Achtervolgen zult ge ze!
—Bevolen? hebt gij mij te bevelen?
—Ja, want ik ben het opperhoofd van deze legerplaats en gij hebt mij te
gehoorzamen!
Nu haalde ik mijn sardinenbus te voorschijn en zeide:
—Moet ik u met al uw krijgers in de lucht laten springen? Spreek nog
een woord, dat mij niet bevalt, en ik verdelg u allen met deze
medicijn.
Ik was nieuwsgierig of deze grap de gewenschte uitwerking had. En zie!
Tangua week verschrikt achteruit en riep:
—Oef, oef! Houd uw medicijn voor u en wees een hond, evenals alle
Apachen!
Dit was een beleediging, die ik mij niet zoo kalm zou hebben laten
welgevallen, ware het niet verstandiger geweest, rekening te houden met
de overmacht zijner krijgers. Wij, blanken, keerden naar onze
legerplaats terug, waar deze gebeurtenis natuurlijk druk werd
besproken, zonder dat iemand eenige opheldering kon geven. Ik zweeg,
niet alleen tegen de anderen, maar ook tegen Sam, Dick en Will, want ik
had er heimelijk plezier in, dat ik de oplossing van ’t geheim in
handen had, terwijl alle anderen er tevergeefs naar zochten. De haarlok
van Winnetou heb ik op al mijn zwerftochten door ’t verre Westen bij
mij gedragen en nog heden is zij in mijn bezit....