Gedurende mijn afwezigheid was de legerplaats verlegd tot bij de
plaats, waar de beer was gevallen. Dit was gebeurd, omdat het dier zoo
zwaar was, dat tien sterke mannen al hun krachten hadden moeten
inspannen, om het doode dier uit het kreupelhout naar het in de vlakte
brandend vuur te sleepen.
Ondanks het vergevorderde uur waren, behalve Rattler, allen nog wakker.
Deze laatste sliep zijn roes uit en was als een zak meegesleept en in
het gras neergelegd. Sam had den beer gestroopt maar het vleesch
onaangeroerd laten liggen. Toen ik was afgestegen en op hem toetrad,
zeide hij:
—Maar waarom zwerft gij toch rond, sir? Wij hebben met verlangen op u
gewacht, omdat wij het berenvleesch zoo graag wilden proeven en het
toch niet zonder u konden aansnijden. Ik heb hem maar vast de jas
uitgetrokken, nu, die sloot hem zoo nauw om ’t lijf dat er geen
plooitje in was, hihihihi! Dat mocht ik toch wel doen, niet waar? En
zeg nu maar gauw, hoe ’t vleesch moet worden verdeeld, wij willen vóór
wij gaan slapen, een stukje er van braden.
—Verdeel gij het maar,—antwoordde ik,—het vleesch behoort ons allen te
zamen.
—Goed, dan zal ik u iets zeggen. De klauwen zijn het lekkerst, er is
niets wat boven berenklauwen gaat. Zij moeten echter een poosje liggen,
het lekkerst zijn zij eigenlijk als de maden er reeds uitkomen. Maar
tot zoolang kunnen wij niet wachten, want ik vrees, dat de Apachen wel
spoedig zullen komen en ons den eetlust benemen. Daarom willen wij er
vandaag maar van smullen, als gij er ten minste niets tegen hebt, sir?
—Wel neen.
—Komaan dan, mijn eetlust is groot genoeg.
Hij nam de klauwen en deelde ze in zoovele deelen als er personen
waren. Ik kreeg het beste stuk van een voorpoot, maar legde het op
zijde, terwijl de anderen zich haastten hun porties naar het vuur te
brengen. Ik had wel honger, maar geen eetlust, hoe tegenstrijdig dit
ook moge klinken. Tengevolge van den langen rit voelde ik wel behoefte
voedsel tot mij te nemen, maar het was mij onmogelijk te eten. Ik kon
dit moordtooneel maar niet vergeten. Ik zag mij steeds weer naast
Kleki-Petra zitten, ik hoorde zijn bekentenissen, die mij nu een soort
biecht toeschenen en moest steeds weer aan zijn slotwoorden denken,
welke hem schenen te zijn ingegeven door een voorgevoel van den
naderenden dood. Ja, het blad zijns levens was niet zacht afgevallen,
het was met geweld afgescheurd, en door welk een mensch en om welk een
reden! Daar lag de moordenaar, nog steeds dronken. Ik had hem wel
kunnen doodschieten, als ik niet zulk een afschuw van hem had gehad.
Dit gevoel van afschuw was het ook zeker, dat de Apachen gedwongen had,
hem zoo ongestraft te laten liggen.
„Vuurwater!” had Intschu Tschuna op verachtelijken toon gezegd; welke
aanklachten, welke verwijten lagen in dit ééne woord opgesloten!
Als er iets was, dat mij troost kon geven, dan was het dit, dat
Kleki-Petra in Winnetou’s armen was gestorven, dat zijn hart den voor
Winnetou bestemden kogel had opgevangen, want dat was immers zijn
laatste wensch geweest. Maar het verzoek aan mij, om bij Winnetou te
blijven en zijn werk te voltooien? Waarom had hij dit gedaan? Slechts
weinige minuten van te voren had hij gemeend, dat wij elkander wel
nooit zouden terugzien, en nu legde hij mij plotseling de taak op, mij
in betrekking te stellen met dezen stam der Apachen? Was deze wensch
een toevallig, los daarheen geworpen woord? Of is het den stervende
vergund, in zijn laatste oogenblikken een blik in de toekomst te
werpen? Bijna zou ik zeggen, dat dit zoo was, want het is mij later
mogelijk geworden zijn wensch te vervullen, hoewel het op dat oogenblik
den schijn had, alsof een ontmoeting met de Apachen slechts tot mijn
verderf kon leiden.
Waarom had ik eigenlijk den stervende zoo spoedig mijn woord nog
gegeven? Uit medelijden? Ja, waarschijnlijk. Of was er misschien een
andere reden, hoewel ik mij daarvan toen niet bewust was.
Winnetou had een diepen indruk op mij gemaakt; hij was even jong als ik
en stond zoover boven mij, ik had dit dadelijk opgemerkt. Hoe ernstig
en fier zagen zijn zachte oogen rond, hoe rustig en zeker was zijn
houding, was elke beweging. En daarbij die trek van diep verborgen leed
op dat schoone, jeugdige, maar weemoedige gelaat? Hoe eerbiedwekkend
was zijn gedrag en dat van zijn vader. Andere menschen, ’t zij blank of
rood van huid, zouden zich op den moordenaar hebben geworpen en hem
hebben gedood; deze beiden hadden hem met geen blik verwaardigd, en
geen spier van hun gelaat verried, wat er in hen omging. Wat waren wij
toch voor menschen, bij hen vergeleken! Ik zat hierover na te denken,
terwijl de anderen zich het vleesch goed lieten smaken, tot Sam Hawkins
mij uit mijn gepeins wekte:
—Wat hebt gij toch, sir? Hebt gij geen honger?
—Ik eet niet!
—Zoo! houdt gij liever nabetrachtingen? Ik zeg u, dat gij u dat niet
moet aanwennen. Ook ik erger mij geweldig, over wat er is voorgevallen,
maar een prairieman moet aan zulke dingen wennen. Bedenk dat de bodem,
waarop gij thans leeft, geheel met bloed is gedrenkt, en wie zoo
gevoelig is, dat hij dit niet ruiken kan, moet thuis blijven en
suikerwater drinken. Neem die geschiedenis niet zoo zwaar op, en geef
uw berenklauw hier, ik zal hem voor u braden!
—Dank u, Sam, ik eet werkelijk niet. Zijt gij ’t al samen eens, wat er
met Rattler zal gebeuren?
—Wij hebben er wel over gesproken.
—Welnu, wat zal zijn straf zijn?
—Straf? meent gij, dat wij hem moeten straffen?
—Ja, natuurlijk.
—Zoo, en hoe meent gij, dat wij dit moeten doen? Moeten wij hem naar
San Francisco, New-York of Washington brengen en daar als moordenaar
aanklagen?
—Onzin! Wij hebben over hem te oordeelen, hij is aan de wetten der
prairiën onderworpen.
—Wel ja, wat weet zulk een „greenhorn” van de wetten van ’t Westen!
Zijt gij uit Duitschland overgekomen, om hier voor rechter te spelen?
Was deze Kleki-Petra een bloedverwant of goede vriend van u?
—Neen, in ’t geheel niet.
—Dat is ’t nu juist. Ja, de Far-West heeft zijn vaste, eigenaardige
wetten. Zij verlangt: oog om oog, en tand om tand, bloed voor bloed. Is
er een moord gebeurd, dan kan hij, die daartoe het recht heeft, den
moordenaar dooden of er wordt een jury benoemd die het vonnis velt, dat
dan ook onmiddellijk wordt voltrokken. Op deze wijze ontdoet men zich
van de slechte elementen, welke anders de eerlijke jagers boven ’t
hoofd zouden groeien.
—Welnu, laat ons dan een jury vormen.
—Daartoe is eerst een aanklager noodig.
—Welnu, die ben ik.
—Met welk recht?
—Als mensch, die niet kan toestaan, dat zulk een misdaad ongestraft
blijft.
—Zoo, nu spreekt gij, evenals een „greenhorn” spreekt. Gij kunt slechts
in twee gevallen als aanklager optreden. Ten eerste, wanneer de
vermoorde uw bloedverwant of vriend is, en gij hebt reeds gezegd, dat
dit niet het geval was, ten tweede kunt gij ook dan als aanklager
optreden, wanneer gij zelf de vermoorde zijt, hihihihi! Zijt gij dat?
—Sam, de zaak is veel te ernstig, om mee te spotten.
—Weet ik wel, ik wilde dit er ook maar volledigheidshalve bijvoegen,
omdat, wanneer er een misdaad is gebeurd, de aangerande natuurlijk het
eerste en grootste recht bezit, te straffen. Gij kunt dus geen
aanklager zijn en wij evenmin. Waar evenwel geen aanklager is, daar is
ook geen rechter, wij hebben dus geen recht een jury samen te stellen.
—Dus moet Rattler ongestraft blijven?
—Geen sprake van, wind u maar niet zoo op! Ik geef u mijn woord, dat de
straf hem zal treffen, zoo zeker als een kogel uit mijn Liddy het doel
treft. De Apachen zullen daarvoor wel zorgen.
—En wij zullen met hem moeten boeten.
—Zeer waarschijnlijk, maar meent gij, dat wij dit kunnen verhinderen,
door Rattler te dooden? Meegevangen, meegehangen. De Apachen zien niet
hem alleen, maar ons allen voor de moordenaars aan en zullen ons ook
als zoodanig behandelen, indien wij in hun handen vallen.
—En als hij niet meer bij ons is?
—Dat doet er niets toe; zij schieten ons neer, zonder te vragen of hij
bij ons is of niet, en bovendien, waar zoudt ge hem willen brengen?
—Hem wegjagen.
—Ja, wij hebben daarover ook reeds gesproken, maar zijn tot het besluit
gekomen, dat wij ten eerste geen recht hebben, hem weg te jagen en al
hadden wij dit, zoo moeten wij het toch uit voorzichtigheid nalaten.
—Maar Sam, ik begrijp u niet. Als iemand mij niet bevalt, scheid ik van
hem! En dan een moordenaar, zijn wij gedwongen zulk een schurk, die
daarbij nog een dronkaard is en ons telkens in ongelegenheid kan
brengen, nog langer in ons gezelschap te dulden?
—Ja zeker, dat zijn wij, helaas, Rattler is evengoed als ik, Stone en
Parker, aangenomen en alleen degenen, die hem bezoldigen, kunnen hem
ontslaan. Wij moeten ons aan dit voorschrift houden.
—Aan dit voorschrift houden tegenover een mensch, die dag aan dag de
goddelijke en menschelijke wetten met voeten treedt?
—’t Is toch zoo; wat gij zegt is alles waar, maar men mag geen fout
begaan, omdat een ander een misdaad heeft bedreven. Ik zeg u, de
overheid moet rechtvaardig blijven en wij, die in de wildernis voor
rechters moeten fungeeren, moeten het recht hoog houden. Maar, dat
daargelaten, zou ik u toch wel eens willen vragen, wat Rattler zou
doen, wanneer hij door ons werd weggejaagd?
—Dat is zijn zaak!
—Maar ook de onze! Wij zouden ons elk oogenblik in gevaar bevinden,
daar hij zich zeer waarschijnlijk op ons zou trachten te wreken. Het is
beter hem onder ons toezicht te houden, dan dat wij hem wegjagen en hij
voortdurend om ons heen sluipt en een van ons onverhoeds een kogel door
den kop jaagt; me dunkt, dat zult ge wel met mij eens zijn.
Hij zag mij daarbij aan met een blik, dien ik zeer goed begreep, want
hij knipoogde naar den kant, waar Rattler’s kameraden zaten. Wanneer
wij tegen den een optraden, zoo was het te denken, dat de anderen
gemeene zaak met hem maakten. Ik antwoordde daarom ook:
—Ja, nu gij mij de zaak zoo hebt uitgelegd, zie ik wel in, dat wij
beter doen alles op zijn beloop te laten. Alleen maak ik mij wel wat
bezorgd over de Apachen, want er is geen twijfel aan, of zij komen
terug om zich te wreken.
—Zij zullen komen en wel des te zekerder, omdat zij geen bedreiging
hebben gedaan. Zij hebben zich niet alleen zeer trotsch, maar ook zeer
verstandig gedragen. Zij hebben zich beheerscht en zijn weggereden
zonder een vinger tegen ons op te heffen. Des te zekerder echter zullen
zij terugkeeren, om ons allen in handen te krijgen. Gelukt hun dat, dan
kunnen wij ons voorbereiden op een gruwelijken dood, want deze
Kleki-Petra stond bij hen hoog in aanzien en zijn dood eischt een
geduchte wraak.
—En dit alles om dien dronkaard! Zouden zij in grooten getale komen?
—Natuurlijk, ’t is nu de vraag, wanneer zij komen. Wij zouden wel tijd
genoeg hebben om te vluchten, maar dan moesten wij alles in den steek
laten en ons werk niet ten einde brengen.
—Dat moeten wij zoo mogelijk vermijden.
—Wanneer zoudt gij gereed kunnen zijn, als gij u haast?
—In vijf dagen.
—Hm. Voor zoover ik weet, is hier in de nabijheid geen legerplaats der
Apachen; ik zou de eerste Mescaleros drie dagreizen van hier zoeken.
Als ik mij niet vergis hebben Intschu Tschuna en Winnetou, omdat zij
het lijk met zich voeren, vier dagen werk voor zij hulp kunnen krijgen,
dan drie dagen naar hier terug, dat is zeven en daar gij meent in vijf
dagen klaar te kunnen komen, geloof ik, dat wij ’t wel kunnen wagen
voort te gaan met onze opmetingen.
—En als uw berekening nu eens valsch bleek te zijn? Het is immers
mogelijk dat de beide Apachen het lijk eerst voorloopig in veiligheid
brengen en dan terugkomen om uit een hinderlaag op ons te schieten? Ook
is het mogelijk, dat zij veel eerder hun stamgenooten ontmoeten, ja
eigenlijk ligt het voor de hand, dat er van hun vrienden in de buurt
zijn, want het zou mij toch zeer verwonderen, dat twee Indianen en nog
wel opperhoofden, zich zonder eenige begeleiding zoover van hun makkers
zouden begeven. Bovendien is het de tijd van de buffeljacht en dan
trekken de Indianen dezen kant uit.
Sam Hawkins kneep een van zijn beide kleine oogjes toe, trok een scheef
gezicht en riep:
—Good lack, wat zijt gij toch verstandig en wijs! Waarachtig
tegenwoordig zijn de kuikentjes wijzer dan de oude hen, als ik mij niet
vergis. Maar om u de waarheid te zeggen, wat gij daar hebt verkondigd,
is niet zoo gek. Gij hebt gelijk, wij moeten oogen en ooren open
hebben. ’t Is noodzakelijk te weten, waar de beide Apachen zijn
heengegaan. Ik zal hen dus bij ’t aanbreken van den dag achterna
rijden.
—Ik ga mee,—zeide Willy Parker.
—Ik ook verklaarde Stone.
Sam Hawkins dacht een oogenblik na en zeide:
—Gij blijft hier, gij kunt hier niet gemist worden, begrepen?
Hij zag daarbij even naar Rattler’s kameraden en werkelijk, hij had
gelijk. Wanneer deze onbetrouwbare menschen alleen bij ons bleven,
konden er, wanneer Rattler ontwaakte, minder aangename tooneelen
voorvallen. Het was daarom beter, dat Stone en Parker hier bleven.
—Maar gij kunt toch niet alleen gaan?—zeide de laatste.
—Ik zou het best durven wagen, maar ik wil niet,—hernam Sam.—Ik zal
zelf een geleider uitzoeken.
—Wien dan?
—Dien „greenhorn” daar.
—Neen, die kan niet mee—viel de hoofdingenieur in.
—Waarom, niet, Mr. Bancroft?
—Omdat ik hem noodig heb.
—Waarvoor, als ik vragen mag?
—Voor ’t werk natuurlijk, als wij in vijf dagen klaar zullen zijn,
moeten wij al onze krachten inspannen, ik kan geen enkelen man missen.
—Ja, alle krachten inspannen. Tot nu toe hebt gij dat niet gedaan,
integendeel, één heeft voor u allemaal alleen moeten werken, nu moet
gij allen eens werken voor hem.
—Mr. Hawkins, wilt gij mij soms de wet voorschrijven?
—Ik denk er niet aan. Een opmerking is nog lang geen wet.
—Gij zeidet het toch op een gebiedenden toon.
—’t Kan zijn, maar dat doet er niet toe. En wat uw werk betreft, ’t zal
wel niet zooveel verschil maken, of er morgen vier of vijf werken. Ik
had er juist een bepaald doel mee om dezen jongen „greenhorn”, ook wel
Shatterhand genoemd, mee te nemen.
—Mag ik vragen, welk doel?
—Waarom niet? Hij moet leeren hoe men Indianen besluipt, ’t zal hem
waarschijnlijk te pas komen, een spoor goed te kunnen lezen.
—Maar dit geeft mij niets.
—Dat weet ik wel, maar er is nog iets anders. De weg, dien ik volgen
moet is gevaarlijk en daarom is ’t goed zoowel voor mij als voor u, dat
ik iemand bij mij heb, die zoo sterk is als deze „greenhorn” en die met
zijn berendooder zoo buitengewoon goed kan schieten.
—Ik zie werkelijk niet in, wat mij dat zal helpen.
—Niet? Nu, dat verwondert mij, gij zijt toch anders nog wel een slimme
gast,—antwoordde Sam op half spottenden toon.—Wel, als ik nu eens
vijanden ontmoet, die hier heen willen en mijn levenslampje uitblazen?
Wie zal u waarschuwen, voor ’t gevaar, dat u dreigt? Gij wordt
overvallen en allen zonder pardon omgebracht. Heb ik evenwel dezen
„greenhorn” bij mij, die met zijn kleine dameshandjes den sterksten
kerel op den grond werpt, dan komen wij waarschijnlijk met den schrik
vrij. Begrijpt gij dat?
—Hm, ja.
—En dan nog ’t voornaamste, hij moet morgen niet hier wezen als Rattler
zijn roes heeft uitgeslapen, gij weet, dat die kerel ’t juist op hem
gemunt heeft en ik vrees, dat hij zich morgen zal willen wreken op mijn
jongen vriend, die hem zoo netjes op den grond heeft doen tuimelen.
Daarom moet de een, dien ik niet kan gebruiken, hier bij u blijven en
neem ik den andere mee. Hebt gij er nu nog iets tegen?
—Neen, laat hem meegaan.
—Ziezoo, wij zijn het dus eens,—en terwijl hij zich tot mij wendde,
voegde hij er bij:—gij hebt gehoord wat u morgen waarschijnlijk wacht,
het kan best mogelijk zijn dat wij geen oogenblik tijd kunnen vinden om
te eten of te rusten, daarom vraag ik u nog eens of gij niet eens een
klein stukje van uw heerlijken berenklauw wilt proeven.
—Nu, ik zal het dan maar eens probeeren.
—Goed zoo, probeer het eens, dan weet ik ’t overige wel, hihihihi! Als
men den smaak eerst maar beet heeft, scheidt men niet weer uit voor er
geen stukje meer over is. Geef het vleesch hier, ik zal ’t voor u
braden, zoo’n „greenhorn” heeft daar geen verstand van. Pas goed op,
dan kunt ge ’t leeren.
De goede Sam had werkelijk gelijk, nauwelijks had ik, toen het vleesch
gereed was, een klein stukje daarvan geproefd, of mijn eetlust keerde
terug, ik vergat voor een oogenblik wat mij zooeven had bezwaard en ik
at, ik at werkelijk tot er niets meer over was.
—Ziet ge wel!—lachte Sam,—het is werkelijk veel aangenamer een
Grizzlybeer te eten dan te dooden, dat hebt ge nu wel gezien. Nu zullen
we nog een paar flinke stukken van de ham afsnijden en die nog vanavond
braden, opdat we morgen proviand hebben, want op zulke
verkenningstochten heeft men gewoonlijk geen tijd en gelegenheid eenig
wild te schieten en in elk geval mag men geen vuur aanmaken, om het te
braden. Gij gaat echter nu op één oor liggen en slaapt maar flink, want
wij vertrekken morgen met het aanbreken van den dag en zullen wel al
onze krachten noodig hebben.
—Goed, ik zal gaan slapen, maar zeg mij eerst eens welk paard ge zult
berijden.
—Welk paard? Geen paard.
—Wat dan?
—Welk een vraag! Denkt ge dat ik op een krokodil of op een anderen
vogel kan gaan zitten? Natuurlijk zal ik mijn muildier, mijn nieuwe
Mary berijden.
—Dat zou ik toch niet doen.
—Waarom niet?
—Gij kent haar nog zoo weinig.
—Maar zij kent mij goed genoeg. Zij heeft een geducht respect voor mij,
hihihihi.
—Maar bij een rit zooals wij morgen zullen doen, moet men zeer
voorzichtig zijn en alles vooruit bedenken. Een paard, dat men niet kan
vertrouwen, kan alles bederven.
—Zoo? werkelijk? lachte hij.
—Ja,—hernam ik,—ik weet, dat het snuiven van een paard zijn berijder
het leven kan kosten.
—Zoo, weet ge dat? Knappe kerel, die gij zijt.—Hebt ge dat soms ook
gelezen, sir?
—Ja.
—Dat dacht ik wel, ’t moet toch werkelijk interessant zijn, zulke
boeken te lezen; als ik niet een prairiejager was, zou ik naar ’t
Oosten trekken, daar recht genoeglijk op de canapé gaan zitten en
dergelijke Indianengeschiedenissen lezen. Ik geloof, dat men daarbij
dik en vet kan worden, hoewel men de berenklauwen slechts op ’t papier
krijgt te proeven. Ik zou wel eens willen weten, of die brave heeren,
die zulke dingen schrijven, werkelijk den ouden Mississippi over zijn
geweest.
—De meesten van hen, zeker.
—Zoo meent gij?
—Ja.
—Ik geloof het niet, ik heb alle reden, daaraan te twijfelen.
—En welke reden dan?
—Ik zal ’t u zeggen, sir. Ik heb vroeger ook kunnen schrijven, maar ik
ben het geheel verleerd, zoodat ik nu nauwelijks mijn naam nog kan
krabbelen. Een hand, die zoolang den teugel heeft gevoerd en zoo
dikwijls de lasso heeft weggeslingerd, geweer en mes heeft gebruikt, is
niet meer geschikt, om allerlei letters op papier te teekenen. Wie een
goed prairieman is geweest, heeft het schrijven verleerd, en wie dit
niet is, moet niet schrijven over dingen, waarvan hij niets afweet.
—Hm. Men behoeft toch niet, om een boek over ’t Westen te schrijven, er
zoolang te blijven, tot men geen gevoel meer in zijn vingers heeft?
—Zeker, sir. Ik heb u zooeven reeds gezegd, dat alleen een echt
prairiejager goed en naar waarheid zou kunnen schrijven en zoo iemand
komt daar nooit toe.
—Waarom niet?
—Omdat hij ’t nooit in ’t hoofd zou krijgen, het Westen, waar geen
inktpotten zijn, te verlaten. De prairie is de zee, zij laat dengene,
die haar lief heeft gekregen, nooit weer los. Dat meen ik nu eenmaal en
ik geloof, dat ik gelijk heb.
—Neen, dat hebt ge niet, want ik ken iemand, die het Westen lief heeft
gekregen en een flink prairiejager wil worden en toch zoo nu en dan
naar de beschaafde wereld wil teruggaan, om over ’t Westen te
schrijven.
—Zoo? en wie is dat?—vroeg hij, terwijl hij mij nieuwsgierig aankeek.
—Dat kunt ge, dunkt me, wel raden.
—Raden, ik? Zou ’t mogelijk zijn, dat ge u zelf daarmee bedoelt?
—Ja.
—Alle drommels, behoort gij tot die boekenwormen?
—Als gij ze zoo wilt noemen.
—Laat dat sir, laat dat schrijven, ik verzoek het u dringend, gij zult
daarbij te gronde gaan. Weet ge dan niet, wat leven u dan te wachten
staat?
—Zeker wel.
—Nu?
—Ik maak reizen, om landen en volken te leeren kennen en keer van tijd
tot tijd naar mijn vaderland terug om mijn ervaringen ongestoord neer
te schrijven.
—Maar waarvoor in vredes naam? ik kan dat niet inzien.
—Om mijn lezers iets te leeren en zelf bovendien geld te verdienen.
—Zounds! De lezers te leeren! en geld verdienen, gij zijt een dwaas,
sir! Uw lezers kunnen niets van u leeren, gij weet immers zelf niets!
Ik verzeker u, dat gij geen enkelen lezer zult vinden, hoe komt gij er
bij. Zoo’n „greenhorn” zal zijn lezers iets leeren! Zijn er dan geen
schoolmeesters genoeg? wilt gij hun aantal nog vermeerderen?
—Hoor eens, Sam, een schoolmeester heeft een zeer gewichtige taak!
—Gekheid! zijn taak is niet half zoo gewichtig als die van een
prairiejager, dat weet ik nu beter dan gij, die hier pas komt kijken!
En dan wilt ge nog geld verdienen bovendien! Wat een dwaasheid, wat een
groote dwaasheid! Wat kost zulk een boek, zooals gij wilt schrijven?
—Een, twee, drie dollars, al naar de grootte!
—Goed en wat kost een bevervel? Hebt ge daar eenig begrip van? Wanneer
gij pelsjager wordt, kunt gij veel, veel meer verdienen. Geld, dat kan
men eerst hier in ’t Westen verdienen, het ligt hier in de prairie, in
de bosschen, tusschen de rotsen en op den bodem der rivieren! En wat
voor een leven krijgt gij, als boekenschrijver! Gij moet, in plaats van
het heerlijke bronwater, zwarten inkt drinken en op een ganzeveder
kauwen in plaats van op een heerlijke buffellende of berenklauw. Boven
u ziet ge een afgebrokkelden kalkmuur in plaats van den mooien blauwen
hemel en uw voeten rusten, in plaats van op het zachte mos, op een
harden vochtigen, houten vloer, waarvan ge rheumatiek krijgt. Hier hebt
ge een paard, daar een wrakken leuningstoel, om op te zitten. Hier kunt
ge bij iederen regen, Gods heerlijk water in uw handen opvangen, daar
steekt ge bij den eersten druppel die valt, een rood of groen scherm
boven uw hoofd. Hier zijt ge een vroolijke, gezonde, vrije man met het
geweer in de hand, daar zit ge aan de schrijftafel en verspilt uw
krachten aan een pennehouder, die.... maar laat mij uitscheiden en mij
niet meer opwinden. Maar, wanneer gij werkelijk van plan zijt boeken te
schrijven, dan beklaag ik u met geheel mijn hart!
Zijn oogen fonkelden, en zijn wangen gloeiden, ik vermoedde, wat hem
zoo opgewonden maakte, en daar ik dit uit zijn eigen mond wilde hooren,
wierp ik nog meer olie in het vuur, door te zeggen:
—Maar, beste Sam, ik weet zeker, dat gij u zeer zoudt verheugen,
wanneer ik mijn plan ten uitvoer bracht!
—Ik? Praat er niet van, gij moest nu toch eindelijk ook weten, dat ik
niet van gekheden houd.
—’t Is geen gekheid, maar ernst.
—Ernst? Loop naar den drommel, hoe zou ik er mij nu over verheugen?
—Wel, gij zoudt ook in mijn boeken staan.
—Ik.... ik?—vroeg hij, terwijl zijn oogen al grooter en grooter werden.
—Ja gij, ik zou natuurlijk ook over u schrijven.
—Over mij? wat ik doe, en wat ik zeg?
—Ja, ik vertel, wat ik beleefd heb en daar ik een tijdlang met u samen
ben geweest, komt gij natuurlijk ook in mijn boeken voor.
Toen greep hij zijn geweer, wierp de ham, die hij bezig was te braden
weg, sprong op, ging in dreigende houding voor mij staan en riep:
—Ik vraag u in allen ernst en in bijzijn dezer getuigen, of gij dit
werkelijk doen zult.
—Natuurlijk!
—Zoo, dan eisch ik van u, dat gij zweert, het na te zullen laten.
—En waarom?
—Omdat ik u anders oogenblikkelijk neerschiet of doodsla met mijn oude
Liddy, die ik hier in mijn handen heb. Dus, wilt ge of wilt ge niet?
—Neen.
—Dan sla ik toe!
—Ga uw gang!—antwoordde ik kalm.
De kolf zweefde eenige oogenblikken boven mijn hoofd, toen liet Sam den
arm zinken, wierp het geweer in het gras, sloeg wanhopig de handen in
elkaar en jammerde:
—Die man is gek, volkomen gek geworden. Ik dacht dadelijk wel, dat hij
boeken wilde schrijven en nu is ’t werkelijk zoo. Slechts een gek
blijft zoo kalm en koelbloedig zitten, wanneer mijn Liddy hem boven ’t
hoofd zweeft. Wat moet men toch met zoo’n mensch beginnen. Ik geloof,
dat er geen genezing voor hem is.
—Maar ik ben volkomen bij mijn verstand—, antwoordde ik.
—Waarom doet gij dan niet, wat ik van u vraag! Waarom laat gij u dan
liever doodslaan?
—Kom, Sam Hawkins slaat mij niet dood, dat weet ik wel beter.
—Weet gij dat? Zoo, zoo, weet ge dat, en ik moet zeggen, ’t is waar
ook, ik zou liever mij zelf doodslaan, dan u een haartje krenken.
—En bovendien, zweren doe ik niet. Mijn woord is zoo goed als een eed.
Die boekenschrijverij is niet zoo erg, als gij denkt. Ik zal u dat
later, als wij meer tijd hebben, wel eens beter uitleggen.
—Dank u!—zeide hij, terwijl hij de ham weer opnam,—ik heb verder geen
verklaring noodig. Belachelijk! Geld verdienen met boeken schrijven!
—En dan de eer, Sam!
—Welke eer?—vroeg hij, mij even aanziende.
—De eer, van door zooveel menschen gelezen te worden en beroemd te
worden.
Hij hief de rechterhand, waarin hij de ham had, op en riep:
—Sir, houd nu asjeblieft dadelijk op, of ik werp u deze twaalf ponds
berenham naar het hoofd! Gij zijt nog dommer dan de domste Grizzlybeer.
Door boeken schrijven beroemd worden! Heeft men wel ooit zoo’n dwaze
bewering gehoord? Wat weet gij van beroemdheid! Weet ge, hoe men
beroemd wordt? Daar ligt de berenhuid, snijd de ooren af en steek ze op
uw hoed, neem de nagels uit de klauwen en de tanden uit den muil en
maak daarvan een ketting, dien gij om uw hals hangt. Dat doet iedere
prairiejager en iedere Indiaan, die een Grizzlybeer heeft neergeveld.
Dan ziet ieder naar u en uw naam wordt overal genoemd. Zoo wordt men
beroemd, begrepen? Steek nu eens uw boeken op uw hoed en maak een
ketting van boeken, wat zal men dan zeggen? Dat gij een gekke kerel
zijt, dat is ’t eenigste, wat gij er van hebt.
—Maar Sam, waarom windt gij u zoo op? ’t Moet u toch volkomen
onverschillig zijn wat ik doe.
—Zoo? Onverschillig? Mij? wat een kerel! Ik heb hem lief als een zoon
en ’t zou mij onverschillig zijn, wat hij doet? De kerel heeft kracht
als een buffel, spieren als een mustang, een gehoor als van een muis,
een oog als een valk en tamelijk veel hersenen in zijn hoofd. Hij
schiet als de beste, rijdt als de geest der savanna [2] en gaat, hoewel
hij er nog nooit een gezien heeft, op den buffel en op den Grizzly los,
alsof hij met een varkentje te doen heeft. En zulk een mensch, zulk een
prairiejager, zulk een kerel, die nu reeds meer beteekent dan menig
jager, die twintig jaar lang in de prairie heeft rondgezworven, ik zeg,
zulk een mensch wil boeken schrijven! Is dat niet om gek te worden?
Moet men zich verwonderen, dat een eerlijke prairiejager woedend wordt?
Hij zag mij bij deze woorden uitdagend aan. Natuurlijk verwachtte hij
een antwoord, maar ik zweeg, trok mijn zadel naar mij toe, ging languit
liggen en sloot de oogen.
—Wel, wat zijn dat nu weer voor kuren?—vroeg hij,—ben ik dan geen
antwoord waard?
—O ja,—antwoordde ik.—Goeden nacht, beste Sam, slaap wel.
—Wilt gij gaan slapen?
—Ja, gij hebt mij dit immers aangeraden!
—Dat was zooeven, maar nu zijn we nog niet met elkaar klaar.
—O zeker!
—Neen, ik moet nog met u spreken.
—Ik echter niet met u, want ik weet nu, wat ik weten wilde.
—Weten wilde, wat dan?
—O verder niets, dan dat ik voor prairiejager geboren ben en reeds meer
beteeken, dan menig jager, die twintig jaar op de prairie heeft
rondgezworven.
Toen liet hij de hand met de berenham zinken, hoestte eenige malen zeer
verlegen, en zeide:
—Alle.... duivels....! Deze jonge kerel, deze greenhorn.... heeft
mij.... hm, hm!
—Goeden nacht, Sam Hawkins, slaap wel!—herhaalde ik en keerde mij om.
Toornig wendde hij zich tot mij en begon:
—Ja, ga maar slapen, leelijkerd, dat is beter voor u, dan waken, want
zoolang gij de oogen open hebt, is geen eerlijk man zeker, niet door u
voor den gek te worden gehouden. ’t Is uit tusschen ons, hoort ge, ik
heb u leeren kennen, gij, gij zijt een schelm, voor wien men zich in
acht moet nemen.
Naar zijn toon te oordeelen, had ik werkelijk moeten denken, dat het
hem volkomen ernst was en de vriendschap tusschen ons voorgoed uit was,
maar reeds een halve minuut later, hoorde ik er hem met een zachte
vriendelijke stem bijvoegen:
—Goeden nacht, sir, slaap wel, opdat gij uitgerust zijt, als ik u roep!
Het was toch een eerlijke, brave man, die oude Sam Hawkins!
Ik sliep werkelijk vast, tot hij mij wekte. Parker en Stone waren reeds
gereed; de andere sliepen nog, zelfs Rattler. Wij aten een stuk
vleesch, dronken water, voorzagen onze paarden en reden heen, nadat Sam
onzen beiden kameraden de noodige instructies had gegeven voor
mogelijke ongevallen. De zon was nog niet opgegaan toen wij dezen rit,
die zeer gevaarlijk kon worden, aanvaardden. Mijn eerste
verkenningstocht! Hoevele van die tochten heb ik later nog gemaakt!
Wij sloegen natuurlijk de richting in, welke de beide Apachen genomen
hadden. De sporen waren in het gras nog duidelijk te zien, zij voerden
naar ’t noorden, terwijl wij de Apachen toch in ’t zuiden moesten
zoeken. Toen wij achter de kromming van het dal gekomen waren, zagen
wij in het bosch, dat tegen de hoogte opgroeide, een opening,
waarschijnlijk gemaakt door een kudde buffels. Het spoor liep daar
doorheen. Daarna kwamen wij op een prairie, welke als een regelmatig,
langzaam stijgend dak naar ’t zuiden voerde. De Apachen waren, naar wij
bemerkten, om ons heen gereden. Toen wij ons boven op de nok van dit
dak bevonden, lag om ons een groote, met gras begroeide vlakte, welke
naar den zuidkant geen grenzen scheen te hebben. Hoewel er sedert het
verdwijnen der Apachen meer dan een halve dag was verloopen, zagen wij
hun spoor als een rechte lijn over de vlakte. Sam, die tot nu toe geen
woord gezegd had, schudde het hoofd en bromde:
—’t Bevalt mij niets dit spoor; ’t bevalt mij niets!
—En mij des te beter,—zeide ik.
—Omdat gij een greenhorn zijt, al wildet gij ’t mij gisteravond ook
bestrijden! Verbeeldt me zich dat jonge mensch, dat ik hem heb willen
prijzen en met een prairiejager heb willen vergelijken! Dat is immers
niet mogelijk! Men behoeft u maar te hooren spreken, om te weten, wat
men aan u heeft! Bevalt u dit spoor? Ja, dat wil ik wel gelooven, omdat
het zoo mooi, duidelijk voor u ligt. Maar mij, ouden prairielooper,
komt dat zeer verdacht voor!
—Mij niet.
—Houd uw mond, sir, ik heb u niet meegenomen, opdat gij mij met uw
opmerkingen ’t land zoudt opjagen. Als twee Indianen hun spoor zoo
laten zien, is dit zeer bedenkelijk, vooral wanneer ze, zooals hier ’t
geval is, vijandschap hebben gezworen. Het is mij duidelijk dat zij ons
in een val willen lokken, want zij hebben natuurlijk wel begrepen, dat
wij hen zouden volgen.
—En waarin bestaat die val?
—Dat kan men nu nog niet weten.
—En waar zou die dan moeten liggen?
—Natuurlijk, daarginds in ’t zuiden. Zij hebben het ons zeer
gemakkelijk gemaakt, hen tot daartoe te volgen. Als zij daarmee geen
bepaalde bedoeling hadden, zouden zij hun spoor hebben uitgewischt.
—Hm!—bromde ik.
—Wat?—vroeg hij.
—Niets.
—O zoo, het was, alsof gij iets wildet zeggen!
—Ik zal er wel voor oppassen!
—Waarom?
—Omdat gij anders misschien weer zoudt gaan denken, dat ik u ’t land
wil opjagen, waartoe ik, eerlijk gezegd, niet den minsten lust gevoel.
—Praat toch niet zoo onverstandig. Onder vrienden moet men de woorden
niet zoo nauw nemen. Gij wilt toch iets leeren, en daarom moet gij ook
spreken. Dus, wat beteekende dat gebrom van zooeven?
—Ik was van een geheel andere meening dan gij, ik geloof niet, dat zij
ons in een hinderlaag willen lokken.
—Zoo, waarom niet?
—De beide Apachen willen hun kameraden opzoeken. Zij willen met hen zoo
spoedig mogelijk tegen ons optrekken, en hebben bij deze warmte een
doode bij zich. Dit zijn twee redenen, welke hen nopen, zich zooveel
mogelijk te haasten en daarom ook hebben zij zich niet den tijd gegund,
hun spoor uit te wisschen.
—Hm!—bromde Sam nu op zijn beurt.
—En al had ik geen gelijk,—vervolgde ik,—wij kunnen hen toch gerust
volgen, want in deze groote vlakte kunnen wij elken vijand reeds van
verre zien aankomen en ons dus tijdig terugtrekken.
—Hm!—bromde hij opnieuw, terwijl hij mij van ter zijde aanzag. —Gij
spreekt daar over dien doode, denkt gij, dat ze dien in deze warmte
meenemen?
—Ja.
—Niet onderweg begraven?
—Neen, de doode stond bij hen in hoog aanzien en hun gewoonten eischen,
dat zij hem met Indiaansch prachtvertoon begraven. Op deze plechtigheid
zou de kroon worden gezet, indien het mogelijk was, de moordenaars op
datzelfde oogenblik te laten sterven. Zij zullen zich dus wel haasten,
om Rattler en ons allen, in handen te krijgen; als ik ze goed ken,
kunnen we ons daarop voorbereiden.
—Zoo, gij ze kennen? Zijt ge dan in dit land geboren?
—Dat niet!
—Hoe zoudt ge ze dan kennen?
—Wel uit de boeken, waarvan gij niets wilt weten.
—Kom,—knikte hij,—laat ons verder rijden!
Hij zeide niet, of hij ’t met mij eens was, maar een zekere trek om den
mond, zeide mij, dat hij moeite deed, zich stil te houden. Wij joegen
nu in galop over de vlakte, een van die savannas, met kort gras
begroeid, welke men tusschen het brongebied van de Canadarivier en dat
van den Rio Pecos vindt. Het spoor liep in drie rijen, alsof het met
een grooten drietand was getrokken. De paarden hadden dus hier nog
steeds zoo naast elkaar geloopen, als wij ze hadden zien vertrekken. Nu
achtte Sam den tijd gekomen, om mij iets te leeren. Hij verklaarde, uit
welke teekenen men kon opmaken, of de ruiters stapvoets, in draf of in
galop hadden gereden.
Een half uur verder was het of er een bosch vlak voor de prairie lag,
maar dit was slechts schijn, want de vlakte maakte hier een bocht en
weldra hadden wij het bosch weer links van ons. De boomen waren zoover
van elkaar, dat een ruiter alleen er doorheen kon komen, de Apachen
evenwel met de drie paarden dicht naast elkaar, waren genoodzaakt
geweest, een omweg te maken.
Een weinig verder vernauwde zich de vlakte tot een smallere, niet
geheel open weide, waarop enkele boomgroepen stonden. Bij een van deze
boomgroepen hadden de Apachen klaarblijkelijk een oogenblik halt
gehouden, en zeer voorzichtig onderzochten wij, wat ze hier hadden
kunnen uitvoeren. Wij kwamen daarbij tot de overtuiging, dat zij het
lijk van het paard hadden genomen en in het gras hadden gelegd en
vervolgens in het boschje waren gegaan, om eiketakken af te snijden.
Kleinere takjes lagen nog op den grond.
—Wat denkt gij, dat ze met deze takken hebben gedaan?—vroeg Sam,
terwijl hij mij aanzag als een schoolmeester zijn leerling.
—Een draagbaar of slede gemaakt voor den gestorvene,—antwoordde ik
kalm.
—Hoe weet gij dat?
—Uit mij zelf. Ik had reeds verwacht, dat zij zoo iets zouden doen. Het
lijk zoolang rechtop te houden, is geen kleinigheid geweest, en ik
vermoedde dus wel, dat zij bij de eerste halt er iets anders op zouden
trachten te vinden.
—Niet slecht bedacht. Staat zoo iets ook in uw boeken te lezen, sir?
—Niet woordelijk en juist van toepassing op dit bijzonder geval, maar
’t hangt er van af, hoe men een boek leest. Men kan werkelijk veel
daaruit leeren, en dan in de werkelijkheid op andere gevallen
toepassen.
—Hm, zonderling, die zoo iets kunnen schrijven, moeten toch zelf wel in
’t Westen zijn geweest! Overigens, ik geloof, dat gij gelijk hebt, wij
zullen zien.
—Ik denk, dat zij eerder een slede, dan een draagbaar hebben gemaakt.
—Waarom?
—Om een doode, of in ’t algemeen iets op een baar te dragen, heeft men
twee paarden noodig, die òf naast, òf achter elkaar loopen, bij een
slede kan men met één paard volstaan.
—Goed, maar de slede maakt een verduiveld breed spoor, dat zeer
gevaarlijk voor hen kan worden. We kunnen overigens gerust aannemen,
dat zij gisteravond hier zijn geweest, en dus zal ’t wel spoedig
blijken, of zij hier gelegerd hebben, of ’s nachts door zijn gereden.
—Ik zou denken, dat dit laatste het geval was, omdat zij zoo’n haast
hadden.
—Juist, dat denk ik ook.
Wij waren afgestegen, en volgden, met onze paarden achter ons, langzaam
het spoor. Dit zag er nu geheel anders uit dan te voren, want de
middelste, breede streep was gemaakt door paardenhoeven en de beide
zijsporen moesten door de slede zijn veroorzaakt. Deze slede moest dus
wel bestaan uit twee hoofdstangen, welke door dwarshouten aan elkaar
bevestigd waren, en daarop was zeker de doode neergelegd.
—Van hier zijn de beide ruiters achter elkander aan gereden,—meende
Sam.—Dat moet zijn reden hebben, want er was plaats genoeg om naast
elkaar te rijden, laat ons hen volgen.
Wij stegen weer op en reden in draf verder, ik kon niet nalaten er over
te denken, wat de reden kon zijn, maar eindelijk meende ik het gevonden
te hebben. Ik zeide daarom:
—Sam, zie eens goed toe! Dit spoor zal weldra een verandering
ondergaan, welke wij niet gemakkelijk zullen opmerken.
—Wat, een verandering?—vroeg hij.
—Ja, zij hebben de slede gemaakt, niet alleen om het hun zelf
gemakkelijk te maken, maar ook, om ongemerkt van elkander te kunnen
gaan.
—Hoe bedenkt ge het? van elkaar gaan? dat zullen ze nooit probeeren.
—Waarom niet?
—Zeg mij toch, hoe gij op dat denkbeeld komt, is dat ook weer de schuld
van uw boeken?
—Ja, werkelijk zij brachten mij op het denkbeeld.
—Hoe dan?
—Tot nu toe zijt gij mijn leermeester geweest, nu zal ik u eens wat
vertellen.
—’t Zal wel der moeite waard zijn!
—Luister, waarom plegen de Indianen heel veel achter elkaar te rijden?
Toch niet voor de gemakkelijkheid of voor de gezelligheid?
—Neen, maar opdat degene, die achter hen komt, niet zou kunnen weten,
hoeveel ruiters er voor hem waren.
—Juist; nu, ik geloof dat dit ook hier ’t geval is.
—Dwaasheid!
—Maar waarom rijden ze dan zoo in een ganzenmarsch, terwijl er plaats
genoeg is voor drie paarden naast elkaar?
—Wel, toeval of om den doode. De eene rijdt voor als wegwijzer, dan
komt het paard met het lijk en achteraan de andere, die moet oppassen
dat de slede niet uit elkaar valt.
—’t Kan zijn, maar vergeet niet, dat zij haast hebben en dat het
vervoeren van het lijk op deze manier zeer tijdroovend is, een van hen
zal dus wel vooruitrijden, om hun kameraden te waarschuwen.
—Kom, dat is fantasie van u, ik zeg u, dat vader en zoon niet van
elkaar zullen scheiden—
Waarom zou ik verder met mijn ouden vriend redetwisten? ’t Kon zijn,
dat hij gelijk had, hij was een ervaren prairiejager en ik nu eenmaal
een „greenhorn”. Ik zweeg dus, maar lette nauwkeurig op het spoor, dat
wij in draf volgden.
Niet lang daarna kwamen wij aan een niet diepe, maar breede, op dit
oogenblik geheel uitgedroogde rivierbedding, een van die, welke in het
voorjaar ’t water van de bergen tijdelijk opnemen en verder in den
zomer droog blijven. De bodem van deze bedding bestond uit door het
water fijngeslepen steengruis en zand. Het spoor liep dwars daar
doorheen.
Terwijl wij langzaam verder reden, bezag ik het gruis en het zand zeer
nauwkeurig. Als ik zooeven goed geraden had, dan moest dit voor de
Apachen het meest geschikte punt zijn, om zich van elkander te
scheiden. Wanneer zij hun paarden niet op het zand, maar steeds op het
steengruis lieten stappen, dan kon een van hen verdwijnen, zonder een
spoor achter te laten. Reed dan de andere verder, met de slede achter
zich aan, dan kon men het spoor van deze twee paarden, nog altijd voor
dat van drie houden.
Ik reed achter Sam Hawkins. Reeds was ik bijna over de beek, toen ik in
een zandlaag, die onmiddellijk naast een gruislaag lag, een rond gat
zag, ongeveer zoo groot als een schoteltje. Ik had destijds nog niet
die scherpzinnigheid en ervaring, die ik later kreeg, maar wat ik
achteraf beweerd en bewezen heb, dat vermoedde ik toen, namelijk dat
dit kleine gat, met ingevallen randen, van een paardenhoef afkomstig
was, welke van de hooge gruislaag in het zand was afgegleden. Toen wij
den anderen oever hadden bereikt, wilde Sam verder rijden, maar ik
riep:
—Kom eens even hier aan den linkerkant, Sam!
—Waarom?—vroeg hij.
—Ik wil u iets laten zien.
—Wat dan?
—Kom maar mee!
Ik reed langs den met gras begroeiden oever van de droge bedding en wij
waren geen honderd pas verder of wij zagen een paardenspoor uit het
zand opkomen en verdwijnen in zuidelijke richting.
—Wat is dat, Sam?—vroeg ik met trots op deze ontdekking.
Zijn kleine oogen schenen in hun holten te willen verdwijnen en zijn
gezicht werd steeds langer.
—Paardenhoeven—antwoordde hij verbaasd.
—Waar komen die vandaan?
—Uit de bedding natuurlijk.
—Juist, en wie zou de ruiter zijn?
—Weet ik dat?
—Neen, maar ik weet het wel.
—Nu, wie dan?
—Een van de beide Apachen.
Zijn gezicht werd zoo mogelijk nog langer en half boos riep hij uit:
—Een van die beiden, niet mogelijk!
—Zeker, zij zijn van elkaar gegaan, zooals ik reeds had vermoed. Kom nu
weer mee naar het vorige spoor, dan zult ge zien dat het slechts dat
van twee paarden is.
—Dat zou toch vreemd zijn, maar wij zullen zien, ik ben verbazend
nieuwsgierig.
Wij reden terug en keken nog eens opmerkzaam toe, werkelijk er konden
slechts twee paarden geweest zijn. Sam hoestte eenige malen, zag mij
met een wantrouwenden blik aan en vroeg:
—Hoe zijt ge eigenlijk op het denkbeeld gekomen, dat dat spoor uit de
droge bedding moest komen?
—Ik heb den indruk van een hoef in het zand gezien en heb daaruit mijn
gevolgtrekkingen gemaakt.
—Kom, wijs mij dien indruk dan eens.
Ik deed wat hij verlangde, maar nu zag hij mij nog wantrouwender aan en
vroeg:
—Sir, wilt gij mij de waarheid zeggen?
—Zeker, hebt gij mij ooit op een leugen betrapt?
—Hm, gij schijnt wel een waarheidlievend en eerlijk man te zijn, maar
in dit geval vertrouw ik u toch niet. Zijt gij nooit te voren in de
prairie geweest?
—Neen.
—Ook niet ergens anders in ’t Westen?
—Neen.
—Ook niet in de Vereenigde Staten?
—Nooit.
—Of is er misschien ook een ander land, waar men savannen of prairiën
vindt, zooals deze en waart ge daar dan soms?
—Neen, ik ben vroeger nooit buiten mijn vaderland geweest.
—Loop dan naar den duivel, gij onbegrijpelijk wezen.
—Oho, Sam Hawkins, is me dat nu een wensch van een vriend, zooals gij
beweert te zijn?
—Och, neem me ’t niet kwalijk, dat mij soms de gal overloopt. Daar komt
me zoo’n greenhorn voor ’t eerst in ’t westen, heeft nog geen gras zien
groeien en geen aardvloo hooren zingen, en jaagt, op zijn eersten
verkenningstocht, den ouden Sam een blos van schaamte naar de wangen.
Als men daarbij kalm kan blijven, moest men wel visschenbloed in zijn
aderen hebben. Toen ik zoo jong was als gij, was ik vrij wat knapper
dan gij, en nu op mijn ouden dag, ben ik wel tienmaal zoo dom. Is dat
niet treurig voor een prairielooper, die nog een weinig eergevoel
heeft?
—Nu gij behoeft het u niet zoo erg aan te trekken.
—Hoe zou ik niet, want ik moet bekennen, dat gij gelijk hebt, hoe komt
dat toch?
—Wel omdat ik logisch gedacht heb, en goede gevolgtrekkingen heb
gemaakt, daar komt het maar op aan.
—Dat begrijp ik niet.
—Wel ik heb zoo gedacht: als Indianen achter elkaar aanrijden, willen
zij hun spoor verbergen, de beide Apachen zijn achter elkaar
aangereden, dus wilden zij hun spoor verbergen, begrijpt ge dat?
—Natuurlijk.
—Door deze gevolgtrekking ben ik tot de ontdekking gekomen. Een
prairieman moet vóór alles, juist kunnen denken. Wil ik u nog zulk een
gevolgtrekking opnoemen?
—Ja, waarom niet?
—Gij heet Hawkins, dat woord beteekent „valk”, niet waar?
—Yes.
—Luister dan: de valk eet veldmuizen, is ’t niet zoo?
—Ja, als hij ze vangt eet hij ze op.
—Nu, de gevolgtrekking is dus: de valk eet veldmuizen, gij heet „valk”,
dus gij eet veldmuizen.
Sam sperde zijn mond en oogen wijd open, zag mij een tijdlang
sprakeloos aan en begon toen:
—Sir, steekt ge den gek met mij? Dat duld ik niet! Ge hebt mij
beleedigd, zwaar beleedigd, door te beweren, dat ik muizen eet, en nog
wel veldmuizen. Daarvoor eisch ik voldoening. Wat denkt gij van een
duel!
—Uitstekend.
—Ja wel, gij hebt gestudeerd, niet waar?
—Ja, maar gij niet en kan ik dus niet met u duelleeren. Hoor eens, ik
zal u een andere voldoening geven!
—En die is?
—Ik zal u mijn Grizzlyberenvel schenken!
Zijn oogen begonnen te fonkelen.
—Maar, dat hebt ge zelf noodig!
—Neen, ik geef het u!
—Is dat waar?
—Ja.
—Heigh-day, dat neem ik dadelijk aan! Dank sir, duizendmaal dank. Och,
wat zullen de anderen zich daarover ergeren. Weet ge, wat ik er van
maak?
—Wat dan?
—Een nieuwe jachtrok, een jachtrok uit Grizzlyleder! Wat een bezitting!
Ik zal hem zelf maken, ik ben een uitstekend kleermaker. Zie maar eens,
hoe knap ik dezen heb opgelapt.
Het was werkelijk een kunststuk, die oude jas, maar door het telkens
oplappen en verstellen, was zij zoo dik en stijf geworden, als een
plank.
—Maar,—voegde hij er verheugd bij:—de ooren, de klauwen en de tanden
krijgt gij, die heb ik niet noodig en gij hebt ze met levensgevaar
veroverd. Ik zal u daarvan een ketting maken, dat kan ik heel goed
doen, vindt ge dat goed?
—Uitstekend.
—Goed zoo, dan heeft ieder wat. Gij zijt werkelijk een flinke kerel,
gij geeft Sam Hawkins een berenvel! Nu moogt ge voor mijn part beweren,
dat ik niet alleen veldmuizen, maar ook ratten eet, ik geef er geen
sikkepit om. En wat de boeken betreft.... ik zie nu wel in, dat zij
niet zoo kwaad zijn, als ik eerst dacht, men kan er toch wel veel uit
leeren. Zult gij er werkelijk een schrijven?
—Misschien meer dan een.
—Over wat gij alzoo beleefd hebt?
—Juist.
—En kom ik daar ook in voor?
—Zeker, alleen mijn beste vrienden, die wil ik daarin, om zoo te
zeggen, vereeuwigen.
—Hm, hm, dat klinkt wel mooi. Dus ik kom er ook in?
—Als gij het ten minste wilt.
—Hoor eens sir, dat wil ik graag, ik verzoek er u zelfs om.
—Goed, dan zal het gebeuren.
—Maar doe mij dan één plezier. Vertelt gij alles, wat wij met elkaar
beleefd hebben?
—Ja.
—Och, schrijf dan niet, dat ik dit spoor niet heb gevonden; Sam Hawkins
en zoo iets niet vinden! Ik moet mij immers voor al uw lezers schamen!
Als gij zoo goed wilt zijn, dit te verzwijgen, moogt gij dat van de
ratten en muizenvreterij er voor mijn part wel inzetten. Wat de
menschen over mij denken, kan mij niets schelen, maar als zij mij voor
een prairiejager aanzien, die een Indiaan laat wegrijden, zonder dit
aan het spoor te zien, dat zou mij toch zeer hinderen.
—Maar dat gaat niet, beste Sam.
—Niet, waarom niet?
—Omdat ik iederen persoon beschrijven moet, zooals hij is. Dan laat ik
u maar liever heelemaal weg.
—Neen, neen, ik wil in ’t boek! Nu, zeg dan maar de waarheid, dat is
misschien ook beter. De lezers, die even dom zijn als ik, kunnen er van
leeren, en nu ik weet, dat het gedrukt wordt, wat ik gedaan heb, zal ik
mij voortaan alle moeite geven, om dergelijke fouten niet weer te
maken. Dus daarover zijn we ’t eens?
—Ja.
—Laat ons dan verder gaan.
—Welk spoor zullen we nu volgen? Het enkele?
—Neen, het andere.
—Dat zal wel van Winnetou zijn.
—Waaruit maakt ge dat op?
—Deze zal met de slede langzaam rijden, de andere zal vooruit zijn
gegaan, om zijn krijgers te verzamelen, dat zal dus wel het opperhoofd
zijn.
—Yes, ik ben ’t met u eens. Het opperhoofd gaat ons op ’t oogenblik
niets aan, wij rijden dus den zoon achterna.
—Waarom dezen?
—Omdat ik weten wil, of hij naar de legerplaats gaat, vooruit dus!
Wij reden verder, zonder dat er iets bijzonders voorviel. Ook de
beschrijving der landstreek, door welke wij reden, zou niet de moeite
loonen. Eerst om één uur ’s middags hield Sam zijn paard in en zeide:
—Nu is ’t mooi genoeg, wij keeren terug. Ook Winnetou heeft den
geheelen nacht doorgereden, zij hebben dus groote haast, wij kunnen hun
aanval spoedig verwachten, misschien nog binnen de vijf dagen, die gij
noodig hebt, om uw werk af te maken.
—Maar, dat zou niet aangenaam zijn.
—Neen, dat stem ik toe. Houdt gij op met werken en maakt u uit de
voeten, dan blijft het werk onafgedaan, blijven wij, dan worden wij
overvallen en het werk blijft eveneens liggen. Wij moeten de zaak
ernstig met Bancroft bespreken.
—Misschien is er nog een uitweg te vinden.
—Ik zou niet weten welken.
—Dat wij ons tijdelijk terugtrekken en dan wanneer de Apachen weer
vertrokken zijn, het werk afmaken.
—Dat zou misschien gaan, we moeten zien, wat de anderen er van zeggen.
Zullen we voor den nacht weer in onze legerplaats terug zijn, dan
moeten wij ons haasten.
Wij reden denzelfden weg terug, dien wij gekomen waren. Mijn
roodschimmel was nog onvermoeid en de nieuwe Mary deed, alsof zij zoo
pas van stal was gekomen. Wij legden in korten tijd een grooten afstand
af, tot wij aan een stroomend beekje kwamen, waar wij onze dieren
wilden laten drinken en een uurtje wilden uitrusten. Wij stegen dus af
en strekten ons tusschen de boomen in het zachte gras uit.
Wij hadden elkander weinig nieuws te vertellen en bleven dus zwijgen.
Ik dacht aan Winnetou en aan den strijd met hem en zijn Apachen, welke
ons waarschijnlijk wachtte en Sam Hawkins had de oogen gesloten en....
hij sliep: ik zag het aan het regelmatig op en neer gaan van zijn
borst. Hij had den laatsten nacht ook niet veel geslapen, en hier kon
hij gerust een klein tukje nemen; ik waakte en er was niets te zien,
dat aanleiding gaf tot bezorgdheid.
Nu zou ik voor ’t eerst ondervinden, hoe geoefend de zinnen van mensch
en dier in ’t verre Westen zijn. Het muildier was midden tusschen ’t
kreupelhout en knabbelde kalmpjes de bladeren van de twijgen, mijn
schimmel liep dicht bij mij en maaide met zijn scherpe tanden het gras
af. Sam sliep, zooals ik reeds gezegd heb.
Daar liet het muildier een kort, eigenaardig, ik zou haast zeggen,
waarschuwend snuiven hooren, en in een oogenblik was Sam wakker en
stond hij naast mij.
—Ik sliep, Mary snoof, dat heeft mij wakker gemaakt, er komt iemand.
Waar is mijn muildier?—zeide hij.
—Daar in het kreupelhout, kom mee.
Wij kropen nu in het boschje en zagen hoe Mary, voorzichtig achter de
takken verborgen, door de bladeren heen zag. Haar lange ooren bewogen
zich en de staart ging op en neer. Toen zij ons zag, werd zij kalm,
ooren en staart bleven in rust. Het dier was werkelijk vroeger in goede
handen geweest en Sam mocht zich wel gelukkig achten in plaats van een
paard deze Mary te hebben gevangen.
Toen wij zelf nu ook door de bladeren zagen, bemerkten wij zes
Indianen, die achter elkaar van het noorden kwamen langs het spoor, dat
wij gemaakt hadden. De voorste, een niet lange, maar gespierde
gestalte, hield het hoofd gebogen en scheen zijn oogen niet van den
grond af te wenden. Allen droegen lederen slobkousen en donkere wollen
hemden. Hun wapens bestonden uit geweren, messen en tomahawks, hun
gezichten glommen van vet, en waren geteekend met een blauwe en een
roode streep.
Ik begon reeds ongerust te worden, maar Sam zeide op luiden toon:
—Welk een ontmoeting sir, dat is onze redding!
—Redding, hoe zoo? Spreek toch wat zachter, die kerels zijn zoo
dichtbij, dat zij ons best kunnen hooren.
—Dat is niets, het zijn Kiowa’s. Vooraan rijdt Bao, een naam, die in
hun taal „vos” beteekent, een dapper en listig krijgsman. Het
opperhoofd dezer lieden is Tangua, een ondernemend Indiaan en mijn
vriend. Zij dragen de krijgsteekenen op hun gelaat en het zijn dus
waarschijnlijk verkenners. Ik heb evenwel niet gehoord, dat er stammen
met elkaar in onmin leven.
Het woord Kiowa wordt uitgesproken als Kiowé. Deze stam schijnt
gesproten te zijn uit een vermenging van Schoschonen en
Pueblo-Indianen; er is in het Indianengebied een bepaalde landstreek
als woonplaats aangewezen, maar er zwerven nog vele benden in de
Texaansche woestijnen rond. Deze benden zijn zeer goed gedrild en
bezitten vele paarden. Door hun roofzucht zijn zij zeer gevaarlijk voor
de nederzettingen der blanken in die streken. Ook met de verschillende
Apachenstammen staan zij op slechten voet, daar zij ook het leven en de
bezittingen hunner roode broeders niet schijnen te eerbiedigen. Het
zijn, met één woord, echte rooverbenden. Waardoor zij dit zijn
geworden, behoeft men niet te vragen.
De zes verkenners waren thans zeer dichtbij ons gekomen, hoe zij tot
onze redding moesten dienen, begreep ik niet. Zes Indianen konden ons
immers niet veel helpen. Ik zou evenwel spoedig zien, wat Sam had
bedoeld. Voor ’t oogenblik verheugde ik er mij maar in, dat zij Sam
kenden en wij dus waarschijnlijk van hen niets te vreezen hadden.
Zij hadden ons spoor gevolgd en zagen nu, dat dit in het boschje
voerde. Daaruit besloten zij natuurlijk, dat zich daar menschen
bevonden. Dadelijk wendden zij hun buitengewone sterke en beweeglijke
paarden en joegen terug om buiten de draagkracht van onze geweren te
komen. Nu trad Sam echter uit het kreupelboschje, hield beide handen
aan den mond en stiet een schrillen verklinkenden kreet uit, die hun
bekend scheen te zijn, want zij hielden hun paarden in en zagen om, Sam
riep nogmaals en bukte toen. Zij zagen den ouden man, wiens
eigenaardige gestalte gemakkelijk te herkennen was en kwamen in galop
terug. Ik stond naast Sam. Zij stormden op ons toe, alsof zij ons
wilden overrijden, maar op een el afstand van ons hielden zij met een
ruk de paarden in en sprongen uit den zadel.
—Is dat onze blanke broeder Sam?—vroeg de aanvoerder.—Hoe komt hij op
den weg zijner roode broeders en vrienden?
—Bao, de listige Vos, heeft mij gevonden, omdat hij mijn spoor heeft
gevolgd.
—Wij meenden dat dit het spoor was van de roode honden, die wij
zoeken,—meende de Vos in gebroken, maar tamelijk verstaanbaar Engelsch.
—Welke honden meent mijn roode broeder?
—De Apachen van den stam der Mescaleros.
—Waarom noemt gij ze honden? Is er een twist uitgebroken tusschen hen
en mijn broeders, de dappere Kiowa’s?
—De krijgsbijl is tusschen ons opgegraven.
—Zoo, dat verheugt mij. Mijn broeders moeten naast ons plaats nemen,
want ik heb hun iets gewichtigs mee te deelen.
De Vos zag mij vragend aan en zeide:
—Ik heb dezen jongen blanke nog nooit gezien, behoort hij tot de
krijgers der blanken? Heeft hij zich reeds een naam verworven?
Had Sam mijn Duitschen naam genoemd, dan had dit geen indruk gemaakt.
Hij herinnerde zich evenwel gelukkig den naam dien Wheeler mij eens
gegeven had en antwoordde:
—Deze, mijn liefste vriend en jongste broeder, is eerst kort geleden
over het groote water gekomen en is een groot krijgsman onder zijn
volk. Hij had nog nooit in zijn leven een buffel of een beer gezien, en
toch heeft hij eergisteren met twee oude buffelstieren gestreden en ze
overwonnen, om mij het leven te redden, en gisteren heeft hij den
grijzen Grizzlybeer in het rotsgebergte met een mes doodgestoken,
zonder dat hij zelf een enkele schram heeft gekregen!
—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, terwijl zij mij vol bewondering
aanzagen, en Sam ging op overdreven wijze voort:
—Zijn kogel mist nooit het doel, en in zijn hand heeft hij zooveel
kracht, dat hij iederen vijand met zijn vuist terneerslaat. Daarom
hebben de blanke mannen van het Westen hem den naam van Old-Shatterhand
[3] gegeven.
Daar had ik nu in eens, zonder dat ik daartoe mijn toestemming had
gegeven, een krijgsnaam gekregen, dien ik sinds dien tijd steeds
behouden heb. Dat is nu eenmaal zoo het gebruik in de Far-West.
Dikwijls kennen de beste vrienden wederkeerig elkanders werkelijke
namen niet.
De „Vos” reikte mij de hand en zeide op vriendelijken toon:
—Als Old-Shatterhand het goedvindt, zullen wij zijn vrienden en
broeders zijn. Wij houden van mannen, die hun vijanden met één slag
neervellen, daarom zult gij hartelijk welkom zijn in onze tenten.
Dit wilde dus met andere woorden zeggen: wij hebben schelmen noodig,
sterk als gij zijt, kom daarom bij ons. Als gij met ons wilt stelen en
rooven, zult gij het tamelijk goed bij ons hebben.
Ik antwoordde evenwel, met een waardigheid, welke ik mij later geheel
eigen heb gemaakt:
—Ik houd van de roode broeders, want ze zijn de zonen van den grooten
Geest, die ook de blanken tot zijn kinderen rekent. Wij zijn broeders
en zullen elkander bijstaan tegen alle vijanden, die ons bedreigen.
Een welgevallig lachje plooide zijn met vet en kleursel besmeerd
aangezicht, toen hij mij daarop verzekerde:
—Old-Shatterhand heeft goed gesproken, wij willen de vredespijp met hem
rooken.
Hierop gingen zij met ons bij de beek zitten. Bao haalde een pijp te
voorschijn, welke hij met een mengsel van gestampte roode rapen,
gesneden eikels en zuring stopte, stak er den brand in, stond op, deed
een trek en blies de rook ten hemel, zeggende:
„Daarboven woont de goede Geest, en hier op de aarde groeien de planten
en dieren, die hij voor de krijgers der Kiowa’s bestemd heeft.”
Hierop deed hij vier trekken aan zijn pijp, blies den rook naar het
noorden, zuiden, oosten en westen en vervolgde:
„In deze vier windstreken wonen de roode en blanke mannen, die zich
deze dieren en planten onrechtmatig hebben toegeëigend. Wij zullen hen
echter opzoeken en nemen, wat ons toebehoort. Ik heb gezegd, Howgh!”
Wat een toespraak! Hoe geheel anders, dan die ik tot nog toe had
gelezen of later nog zou lezen of hooren. Deze Kiowa toch, zeide hier
met ronde woorden, dat hij de gezamenlijke voortbrengselen der dieren-
en plantenwereld als het eigendom van zijn stam beschouwde en daarom
het stelen en rooven niet alleen zijn recht maar zijn plicht moest
rekenen. En ik zou de vriend van deze lieden worden! Maar men moet wel
eens met de wolven in ’t bosch huilen!
De „Vos” reikte Sam de vredespijp, deze deed zes trekken en zeide:
„De Groote Geest let niet op de verschillende huidskleur der menschen,
want die kunnen met kleursel besmeerd zijn, om hem om den tuin te
leiden, maar hij ziet alleen naar het hart. De harten der krijgers van
den beroemden stam der Kiowa’s zijn dapper en trouw, mijn hart hangt
hen aan als mijn muildier den boom, waaraan het is vastgebonden. Ik heb
gezegd. Howgh!”
Dit was juist iets voor den kleinen, slimmen Sam Hawkins, die van alles
de beste zijde wist op te zoeken. Zijn toespraak werd met een herhaald
„oef, oef,” beloond. Nu evenwel bood hij mij de vredespijp aan. Ik
moest dus wel in den zuren appel bijten en nam mij voor, mijn
waardigheid op te houden en mijzelf te beheerschen. Ik rook graag, en
geen sigaar is mij ooit in mijn leven te zwaar geweest. Ik heb zelfs de
zoogenaamde „driemanstabak” gerookt. Wie ze gebruikt heeft, moet, wil
hij niet omvallen, door drie mannen worden vastgehouden, ik had dus
alle reden te verwachten, dat deze Indiaansche vredespijp mij ook niet
van mijn stuk zou brengen. Ik stond dus op en deed den eersten trek.
Ja, waarlijk, ik proefde duidelijk de rapen, den hennep, de eikels en
de zuring, maar een vijfde stof was nog daaraan toegevoegd, namelijk
een stukje van een oude slof. Ik blies den rook naar den hemel en naar
de aarde en zeide toen:
„Van den hemel komt de zonnestraal en de regen, van daar komt elke
goede gave. De aarde ontvangt de warmte en den regen en geeft daarvoor
den buffel, den mustang, den beer en het hert, den kalebas, de maïs en
bovendien de edele plant, uit welke de geleerde roode mannen den
kinnikinnik bereiden, welks heerlijke geur ons uit de vredespijp
tegemoet stroomt.”
Ik had namelijk gelezen, dat de Indianen hun tabaksmengsel kinnikinnik
noemen, en geurde hier een weinig met mijn kennis. Toen zoog ik den
mond vol rook, blies dien naar alle vier windstreken en vervolgde:
„In het westen verheft zich het Rotsgebergte, in het oosten strekken
zich onafzienbare vlakten uit, in het noorden schitteren de meren en in
het zuiden klotsen de golven der groote zee. Was al het land, dat
tusschen deze vier grenzen ligt, het mijne, ik zou het schenken aan de
krijgers der Kiowa’s, want zij zijn mijn broeders. Mogen zij in dit
jaar tienmaal meer buffels en vijftig maal zooveel Grizzlyberen doen
vallen dan zij zelf sterk zijn. Mogen de korrels van hun maïs, zoo
groot zijn als kalebassen en hun kalebassen zoo groot, dat men uit een
enkele twintig kan snijden. Ik heb gesproken! Howgh!”
Het kostte mij niet veel moeite, hen al deze heerlijkheden toe te
wenschen, maar zij verheugden er zich over, alsof zij ze werkelijk
reeds gekregen hadden. Mijn sierlijke rede werd met luid gejubel
beantwoord. Zooveel had nog geen mensch, en wel allerminst een blanke,
hun willen schenken en er kwam geen einde aan het telkens herhaalde:
„oef, oef!” De „Vos” drukte mij de hand, verzekerde mij, dat hij mijn
vriend was en sperde bij zijn luid oef, oef, den mond zoo wijd open,
dat ik van deze gelegenheid gebruik maakte, om hem de vredespijp in den
mond te duwen. Hij zweeg onmiddellijk, om zwijgend te genieten van de
heerlijke geuren.
Dit was de eerste echt Indiaansche plechtigheid, welke ik bijwoonde,
want het rooken van de vredespijp wordt werkelijk als een „heilige
handeling”, beschouwd. Hoe dikwijls heb ik na dien tijd weder de
calumet gerookt en telkens was ik mij dan volkomen bewust van den ernst
en de beteekenis dezer handeling. Nu evenwel stond ze mij tegen en ik
was wat blij dat ik de pijp nu in den mond van den hoofdman zag
bengelen. Mijn hand stonk letterlijk en om den smaak te verdrijven, nam
ik een sigaar uit mijn zak en stak die aan. De oogen der roodhuiden
zagen mij begeerig aan. De „Vos” opende zelfs den mond zoo ver, dat
zijn pijp eruit viel, maar hij ving haar spoedig weer op en stak haar
tusschen de lippen, hoewel het duidelijk was te zien, dat één enkele
sigaar hem op dit oogenblik liever was geweest dan duizend pijpen.
Daar wij met Santa-Fé in verbinding stonden en van daar met ossenwagens
onze levensmiddelen kregen, was het mij niet moeilijk gevallen een
voorraad sigaren op te slaan. Zij waren tamelijk goedkoop en ik
veroorloofde mij deze weelde, terwijl de anderen zich aan brandewijn
bedronken. Dezen morgen had ik ook weer eenige meegenomen, en daar het
mogelijk was, dat wij eerst den volgenden morgen terug zouden keeren,
had ik mij dadelijk voor twee dagen voorzien, ik bood dus den
roodhuiden ieder een aan. De „Vos” stak de zijne dadelijk aan, de
overigen echter, staken haar geheel in den mond en kauwden er lustig op
los. Smaken verschillen. De formaliteiten waren nu afgeloopen en de
roodhuiden waren door dit alles recht in hun schik. Sam begon dus met
te vragen:
—Mijn broeders zeggen, dat de krijgsbijl is opgegraven tusschen hen en
de Mescalero-Apachen. Ik weet daarvan niets. Sedert hoelang is dit zoo?
—Sedert den tijd, dien de bleekgezichten twee weken noemen. Mijn
broeder Sam heeft zich zeker in een zeer afgelegen streek opgehouden,
dat hij dit niet weet.
—Dat is waar, maar uw stammen leefden toch altijd in vrede, wat is de
reden, dat mijn broeders de wapenen ter hand hebben genomen?
—De honden van Apachen hebben vier van onze krijgers gedood.
—Waar?
—Aan den Rio Pecos.
—Daar staan niet uw tenten?
—Neen, maar die van de Mescalero’s.
—Wat deden uw krijgers dan daar?
De Kiowa dacht een oogenblik na, en vervolgde toen:
—Er trok een schare van onze krijgers uit, om des nachts de paarden der
Mescalero’s te halen. Deze honden echter waakten goed, zij verweerden
zich en doodden onze dappere mannen. Daarom is tusschen ons de
krijgsbijl opgegraven.
De Kiowa’s hadden dus paarden willen stelen, waren verrast en
verdreven. Dat eenigen van hen hun leven daarbij hadden verloren, was
dus hun eigen schuld; maar de Apachen moesten daarvoor natuurlijk
boeten. Het liefst had ik den schelm dit eerlijk in zijn gezicht
gezegd, maar Sam zag mij waarschuwend aan en vroeg verder:
—Weten de Apachen, dat uw krijgers tegen hen zijn uitgetrokken?
—Denkt mijn broeder, dat wij hun dit hebben gezegd? Wij overvallen hen,
dooden zooveel van hen, als wij maar kunnen en nemen dan alle dieren en
verder alles mee, wat wij maar kunnen gebruiken.
Dat was eenvoudig verschrikkelijk! Ik kon dan ook niet nalaten te
vragen:
—Waarom wilden mijn dappere broeders de paarden der Apachen hebben? Ik
heb gehoord, dat de rijke stam der Kiowa’s, veel meer paarden bezit,
dan hij noodig heeft.
De Vos zag mij glimlachend aan en antwoordde:
—Mijn jonge broeder Old-Shatterhand is over de wijde zee gekomen, en
weet dus misschien nog niet, hoe de menschen aan deze zijde van het
water denken en leven. Ja, wij hebben vele paarden, maar er kwamen
blanke mannen bij ons, die paarden wilden koopen. Wij konden niet
zooveel missen, als zij wilden hebben, maar zij vertelden ons van de
kudden der Apachen en boden ons voor een Apachenpaard evenveel
brandewijn en koopwaren, als voor een Kiowapaard! Toen gingen onze
krijgers heen om Apachenpaarden te halen!
Dus wederom! Wie droegen de schuld van den dood der gevallenen en van
den strijd, die nu nog te wachten was? Blanke paardenhandelaars, die
met brandewijn wilden betalen en de Kiowa’s tot paardendieven hadden
gemaakt. Ik kon mij nauwelijks goed houden, maar Sam zag mij wederom
aan en vroeg:
—Is mijn broeder, de Vos, als verkenner uitgegaan?
—Ja.
—En wanneer komen uw krijgers?
—Zij zijn een dagrit achter ons.
—Door wien worden zij aangevoerd?
—Door Tangua, den dapperen hoofdman zelf.
—Hoeveel krijgers heeft hij bij zich?
—Tweehonderd.
—En denkt gij de Apachen te overvallen?
—Wij zullen hen overvallen gelijk de adelaar de kraaien.
—Mijn broeder vergist zich, de Apachen weten, dat zij door de Kiowa’s
zullen worden overvallen.
De Vos schudde ongeloovig het hoofd en antwoordde:
—Hoe zouden zij dit weten? Reiken hun ooren tot aan de tenten der
Kiowa’s?
—Ja.
—Ik begrijp mijn broeder Sam niet, hij moet mij zeggen, wat hij
bedoelt.
—De Apachen hebben ooren, die kunnen loopen en rijden. Wij hebben
gisteren een paar ooren gezien, die bij de tenten der Kiowa’s geweest
waren om hen af te luisteren.
—Oef, dus twee bespieders?
—Ja.
—Dan moet ik oogenblikkelijk terug naar den hoofdman, wij hebben
slechts tweehonderd krijgers meegenomen, omdat wij dachten, dat de
Apachen niets van onze komst wisten, maar nu hebben wij veel meer
noodig.
—Mijn broeders hebben alles niet rijpelijk overwogen. Intschu Tschuna,
het opperhoofd der Apachen, is een wijs man. Toen hij zag, dat zijn
lieden vier Kiowa’s hadden gedood, heeft hij begrepen, dat de Kiowa’s
zich zouden wreken en hij ging heen, om hun plannen af te luisteren.
—Oef, oef! deed hij dit zelf?
—Ja, met zijn zoon Winnetou.
—Oef, was deze er ook bij? Hadden wij dat geweten, dan zouden wij deze
beide honden gevangen hebben genomen. Nu zullen zij hun krijgers hebben
verzameld en ons opwachten. Ik moet dit aan mijn opperhoofd zeggen.
Gaan Sam en Old-Shatterhand met mij mee?
—Ja.
—Haalt dan dadelijk uw paarden?
—Niet te haastig! Ik heb vooraf nog meer met u te bespreken!
—Dat kunt gij onderweg doen.
—Neen. Ik zal met u meerijden, maar niet naar uw opperhoofd: ik zal u
naar onze legerplaats brengen.
—Dat kan mijn broeder Sam niet meenen.
—Ja, luister, naar wat ik u ga zeggen. Wilt gij Intschu Tschuna, het
opperhoofd der Apachen, levend in handen krijgen?
—Oef!—riep de Kiowa en zijn lieden spitsten de ooren.
—En zijn zoon Winnetou eveneens?
—Oef, oef, is dat mogelijk?
—Het is zeer gemakkelijk.
—Ik ken mijn broeder Sam, anders zou ik denken, dat hij in scherts
sprak.
—Wel neen, het is mij ernst, gij kunt den hoofdman en zijn zoon levend
in handen krijgen.
—En wanneer?
—Ik dacht in vijf, zes of zeven dagen, maar ik geloof nu, dat het veel
eerder kan gebeuren!
—En waar dan?
—Bij onze legerplaats.
—Ik weet niet waar die is.
—Gij zult haar zien, want ik denk, dat gij mij gaarne zult vergezellen,
wanneer gij hebt gehoord, wat ik u nu ga vertellen.
Hij vertelde hun nu van onze opmetingen, van het doel, waarmee deze
geschiedden, van de ontmoeting met de beide Apachen en voegde er toen
bij:
—Ik verwonderde mij de beide opperhoofden alleen te zien en dacht, dat
zij op de buffeljacht waren en van hun krijgers waren afgedwaald, maar
nu weet ik wat zij wilden. De beide Apachen zijn bij u geweest en dat
zij dezen tocht zelf hebben gedaan, is een zeker bewijs, dat zij de
zaak zeer ernstig opnemen. Nu zijn zij thuis. Winnetou kan slechts
langzaam vooruitkomen, daar hij het lijk van Kleki-Petra meevoert;
Intschu Tschuna is vooruitgereden en zal, wanneer het moet, zijn paard
doodrijden, om zijn krijgers zoo spoedig mogelijk te verzamelen.
—Daarom juist moet ik mijn opperhoofd onmiddellijk gaan waarschuwen.
—Mijn broeder moet mij laten uitspreken. De Apachen dorsten naar wraak,
maar niet alleen naar wraak op u, maar ook op ons, om den moord op
Kleki-Petra begaan. Zij zullen een groote schare naar u en een kleinere
naar ons zenden en bij deze laatste zullen zich ongetwijfeld het
opperhoofd en zijn zoon bevinden. Wanneer hij met ons heeft afgerekend,
zal hij zich bij de anderen aansluiten. Gij rijdt, nadat ik u onze
legerplaats heb gewezen, naar uw hoofdman en vertelt hem alles, wat ik
u gezegd heb. Dan komt gij met uw twee honderd krijgers bij ons, om
Intschu Tschuna met zijn kleine schaar op te wachten en gevangen te
nemen. Hij zal niet meer dan vijftig man meenemen. Gij zijt tweehonderd
sterk, wij blanken tellen twintig man en zullen u natuurlijk helpen,
het zal u dus zeer gemakkelijk vallen, de Apachen te overwinnen. Als
gij de beide opperhoofden in handen hebt, kunt gij verlangen en eischen
wat gij maar wilt. Ziet mijn broeder dit wel in?
—Ja, het plan van mijn broeder Sam is zeer goed overlegd, als het
opperhoofd dit hoort, zal hij zeker daarmee instemmen.
—Laat ons dan nu opbreken, opdat wij nog voor den nacht de legerplaats
bereiken.
Wij bestegen onze paarden, die voldoende uitgerust waren en vlogen in
galop weg. Ditmaal wachtten wij ons wel, hetzelfde spoor te volgen, wij
reden rechtuit en vermeden dus de omwegen.
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik werkelijk niet gesticht was over Sam’s
gedrag; integendeel, ik ergerde mij zeer. Winnetou, de edele Winnetou
zou met zijn schaar van vijftig krijgers in een hinderlaag worden
gelokt! Als dat gelukte waren zij immers verloren! Hoe had Sam Hawkins
daartoe kunnen meewerken! Hij wist immers, dat ik van den jongen man
was gaan houden en ik wist van hem, dat ook hij hem niet ongenegen was.
Al mijn pogingen om onderweg met hem te spreken waren tevergeefs. Ik
wilde hem tot andere gedachten brengen, maar hij scheen dit te
begrijpen en week niet van de zijde van den aanvoerder. Dit maakte mij
nog boozer en als ik ooit in een slechte luim ben geweest, dan was het
dien dag, toen wij tegen den avond in de legerplaats aankwamen. Ik
steeg van mijn paard, en ging mismoedig in het gras liggen, want ik zag
in, dat ik Sam dien avond niet te spreken zou krijgen. Hij stoorde zich
in ’t geheel niet aan mij en vertelde aan mijn kameraden, waar en hoe
wij de Kiowa’s hadden ontmoet en wat er nu zou gebeuren. Eerst
schrokken de blanken eenigszins bij ’t gezicht van de Indianen, maar
zij verheugden zich ten zeerste, toen zij hoorden, dat deze onze
vrienden en bondgenooten waren en wij niet bevreesd behoefden te zijn
voor de komst der Apachen. Wij konden door de tweehonderd Kiowa’s
beschermd, kalm ons werk afmaken en overtuigd zijn, dat ons niets zou
overkomen.
De Kiowa’s werden onthaald op berenvleesch en reden daarna weg. Eerst
toen zij vertrokken waren, kwam Sam naar mij toe en zeide op zijn
gewonen, bedaarden toon:
—Gij ziet er vanavond niet bijzonder opgewekt uit, sir. Hebt gij iets
op uw hart?
—Zeker,—antwoordde ik niet zeer vriendelijk.
—Zeg mij dan wat het is, misschien kan ik u helpen.
—Ik wilde, dat gij dat kondet, Sam, maar ik betwijfel het.
—Ik kan u helpen, zeker ik kan, wees maar gerust.
—Zeg mij dan eens, Sam, hoe Winnetou u is bevallen?
—Uitmuntend, u toch ook.
—En gij wilt hem in ’t verderf storten. Hoe rijmt ge dat?
—In ’t verderf? Ik, hem? Dat is mij geen oogenblik ingevallen.
—Maar hij zal gevangen genomen worden.
—Zeker.
—En dat zal toch zijn ondergang zijn.
—Maak u toch niet ongerust, sir. Ik houd zooveel van Winnetou, dat ik
mijn leven voor hem zou wagen.
—Waarom lokt gij hem dan in een hinderlaag?
—Om ons zelf tegen hem en zijn Apachen te verweren.
—En verder?
—Verder, hm! Gij zoudt dezen jongen Apache gaarne onder uw bescherming
nemen, sir?
—Ik zou dit niet alleen willen, maar ik zal het ook werkelijk doen. Als
hij gevangen wordt genomen, zal ik hem bevrijden, en als ’t moet voor
hem strijden ook, dat zeg ik u eerlijk.
—Zoo? Zult gij dat doen? Werkelijk?
—Ja, ik heb het aan een stervende beloofd en zulk een belofte is mij,
die zelfs nooit een eenvoudige afspraak vergeet, zoo heilig als een
eed.