Hij ging, hoewel het dier met de pooten sloeg, dicht naast hem staan.

—Nu maar!—zeide hij.

Ik liet de lasso los, het muildier kreeg lucht en sprong op, maar even

snel had Sam zich op zijn rug geslingerd. Het dier bleef eenige

oogenblikken onbeweeglijk staan, als van schrik verstijfd, toen begon

het geweldige sprongen te maken, maar de kleine Sam bleef zitten.

—Hij krijgt er mij niet af!—riep hij mij toe.—Nu zal hij wel een

laatste poging wagen en er met mij van doorgaan. Wacht hier op mij, ik

breng hem getemd terug.

Maar nu had hij zich vergist. Het beest ging er niet van door, maar

wierp zich op den grond en wentelde zich heen en weer. De kleine Sam

moest uit den zadel, wilde hij zijn ribben niet breken. Ik sprong

eveneens uit mijn zadel, greep de op den grond sleepende lasso en

slingerde haar snel tweemaal om een sterken boomstam. Nu had het

muildier zijn ruiter afgeworpen en sprong op. Het wilde wegloopen, maar

de lasso spande zich opnieuw en voor de tweede maal stortte het dier

ter aarde.

Sam Hawkins had zich een weinig teruggetrokken, betastte zijn ribben en

beenen, trok een gezicht, alsof hij zuurkool met pruimenmoes gegeten

had, en zeide:

—Laat dat beest loopen, geen mensch kan het temmen!

—Nooit van mijn leven, ik laat mij niet beschaamd maken door zoo’n

muildier. Let eens op! het zal mij gehoorzamen, voor wij tien minuten

verder zijn.

Ik maakte de lasso van den boomstam los, en ging met de beenen, wijd

van elkander, over het dier heen staan. Zoodra het lucht kon krijgen,

sprong het op. Nu kwam het er maar op aan, de beenen stijf in de lenden

te drukken en dat kon ik beter dan Sam.

Terwijl het muildier pogingen deed om mij, evenals Sam, uit den zadel

te lichten, nam ik de lasso, die, van den hals afhangend, op den grond

sleepte, bij elkaar en hield hem juist boven den strop vast. Zoodra ik

merkte, dat het dier wilde gaan liggen, trok ik aan, en door deze

behandeling en door den druk mijner knieën, hield ik het op de beenen.

Het was een moeilijke strijd, durf ik zeggen, ik begon uit al mijn

poriën te zweeten, maar het muildier zweette nog veel meer, het zweet

droop hem van het lichaam en groote vlokken schuim vlogen uit zijn bek.

Zijn bewegingen werden zwakker en zwakker, zijn eerst woedend gesnuif

ging over in een kort hoesten, en eindelijk stortte het onder mij neer,

niet uit willekeur, maar van vermoeidheid en uitputting. Met verdraaide

oogen bleef het onbeweeglijk liggen. Ik haalde diep, diep adem, het was

of al mijn spieren en zenuwen verscheurd waren.

—Jongen, wat zijt ge toch voor een mensch?—riep Sam.—Gij zijt sterker

geweest dan dit dier! Als gij uw gezicht kondt zien, zoudt gij er van

schrikken!

—Dat wil ik wel gelooven.

—Uw oogen puilen uit het gezicht. Uw lippen zijn gezwollen en uw wangen

zijn letterlijk blauw.

—Dat komt er van, als men een „greenhorn” is en zich niet uit den zadel

wil laten werpen, terwijl een ander, die een meester in het

mustangvangen heet, een buiteling maakt, zijn eigen paard aan het

muildier koppelt en ze samen een wandeling laat maken.

Hij trok een jammerlijk gezicht en zeide op klagenden toon:

—Houd u toch stil sir, ik zeg u, zoo iets overkomt den besten jager wel

eens. Gij hebt gisteren en vandaag een paar mooie dagen gehad.

—Ik hoop nog meer zulke dagen te beleven, maar voor u zijn ze erg

genoeg. Hoe staat het met uw ribben en andere beenderen?

—Ik weet het niet, ik zal later eens tellen of ik ze nog alle heb, maar

nu beven ze in mijn lichaam. Dat is een beest, zooals ik er nog nooit

een onder mij gehad heb. Ik hoop, dat het tot bezinning gekomen zal

zijn!

—Zie het dier eens aan, het ligt daar om medelijden mee te krijgen. Wij

zullen zadelen en dan kunt gij er op naar huis rijden.

—Dan begint hij natuurlijk weer te springen!

—Geen sprake van, die heeft vooreerst genoeg, het is een verstandig

dier, en gij zult er veel plezier van hebben.

—Ja, dat geloof ik ook, ik had het dadelijk op dit paard gemunt, gij op

den schimmel, wat een groote dwaasheid was.

—Weet gij dat zeker?

—Natuurlijk was het een dwaasheid.

—Dat bedoel ik niet, maar of ik het op den schimmel gemunt had.

—Op wat dan anders?

—Ook op het muildier!

—Werkelijk?

—Ja, al ben ik ook een „greenhorn” ik weet toch wel, dat een schimmel

niets waard is voor een prairiejager. Het muildier beviel mij dadelijk,

toen ik het zag.

—Ja, gij hebt een goed verstand van paarden, dat moet ik toestemmen.

—Dank u voor ’t compliment, Sam, maar help mij nu het dier eens op de

been brengen.

Wij deden dit, het arme beest stond stil en sidderde over al zijn

leden. Het verweerde zich ook niet, toen wij den zadel vastgespten en

den teugel aanlegden, en toen Sam opgestegen was, gehoorzaamde het

gewillig als een goed gedresseerd paard.

—Deze heeft reeds eenmaal een meester gehad,—zeide Sam,—dat kan ik

merken, het is zeker weggeloopen. Weet ge, hoe ik het zal noemen?

—Welnu?

—Mary. Ik heb vroeger eens een muildier gehad, dat ook Mary heette en

dan behoef ik niet de moeite te doen een anderen naam te bedenken.

—Dus het paard Mary en het geweer Liddy.

—Ja, twee allerliefste namen, vindt ge niet? En nu heb ik een ernstig

verzoek aan u.

—Welk?

—Spreek niet over wat hier gebeurd is, ik zal er u erg dankbaar voor

zijn.

—Dat is niet noodig, ik beloof u te zullen zwijgen.

—Goed; wat zouden ze daarginds in de legerplaats lachen, als ze wisten

hoe Sam Hawkins aan zijn Mary gekomen was. Als gij u stil houdt, zal

ik...

—Och kom! viel ik hem in de rede,—het is immers de moeite niet waard,

daarover nog meer woorden te verspillen. Gij zijt immers mijn leeraar

en mijn vriend, meer behoef ik u niet te zeggen.

Toen werden zijn kleine, schrandere oogjes vochtig en riep hij vol

geestdrift uit:

—Ja, uw vriend ben ik en als ik wist, dat gij ook maar een heel klein

beetje van mij hieldt, zou dat mijn arm hart oneindig veel genoegen

doen.

Ik reikte hem de hand en antwoordde:

—Gij kunt verzekerd zijn, Sam, dat ik veel van u houd, ja, zooveel

ongeveer als men van een braven, goeden oom houdt. Is u dat genoeg?

—Zeker, sir, zeker! Ik ben er zoo blij mee, dat ik u wel gaarne

dadelijk een groot genoegen zou willen doen. Zeg mij, wat ik doen zal!

Zal ik—zal ik—bij voorbeeld, deze nieuwe Mary voor uw oogen met huid en

haar verslinden? Of zal ik, als ge dit beter vindt, me zelf opeten? Of

zal ik...

—Zwijg toch!—lachte ik.—In beide gevallen zou ik u verliezen, in ’t

eerste zou er niets van u overblijven, en in het tweede zoudt gij

sterven aan een indigestie, want uw maag zou uw pruik nooit kunnen

verteren. Gij hebt mij bovendien reeds zoo dikwijls een dienst bewezen

en zult daartoe nog wel eens in de gelegenheid komen. Blijf dus

voorloopig met uw Mary maar in leven en maak dat wij spoedig weer in de

legerplaats komen, ik moet aan ’t werk.

—Werk? Gij hebt vandaag genoeg werk gedaan, als ik mij niet vergis!

Ik bond Dick Stone’s paard met de lasso aan het mijne vast en wij reden

weg. De mustangs waren natuurlijk alle reeds lang uit het gezicht

verdwenen, het muildier luisterde gewillig naar de bevelen van zijn

meester en Sam riep zoo nu en dan verheugd uit:

—Zij heeft een uitstekenden meester gehad, deze Mary! Ik voel en merk

bij iederen tred, dat ik voortaan een voortreffelijk paard zal hebben.

Zij herinnert zich langzamerhand, wat zij vroeger geleerd en onder de

mustangs vergeten heeft. Ik hoop, dat zij niet alleen temperament, maar

ook karakter bezit.

—Als zij dat nog niet heeft, kunt gij ’t haar nog leeren, zij is nog

niet oud!

—Hoe oud denkt gij, dat zij is?

—Vijf jaar, ouder niet.

—Dat is ook mijn meening. Ik zal later eens nauwkeurig onderzoeken, of

’t werkelijk zoo is. Ik heb dit paard alleen aan u te danken, alleen

aan u, sir! Dit waren twee leelijke dagen voor mij, maar voor u zeer

eervolle. Hadt gij wel gedacht, dat gij de buffel en de paardenjacht

zoo spoedig achter elkaar zoudt meemaken?

—Och, waarom niet? Men moet hier in ’t Westen op alles voorbereid zijn.

Ik hoop aan nog meer dergelijke jachten deel te zullen nemen.

—Hm ja, ’t is te hopen, dat gij er dan even eervol afkomt. Gisteren

vooral hing uw leven aan een zijden draadje. Gij hebt te veel gewaagd,

gij moogt nooit vergeten, dat gij nog „een greenhorn” zijt! Laat ge me

daar niet den buffel kalm tot u komen en schiet hem dan recht in de

oogen! Heeft men wel ooit zoo iets gehoord! Gij zijt nog onervaren en

hebt de bisons onderschat. Neem u later beter in acht en heb niet al te

veel zelfvertrouwen. De jacht op buffels is zeer gevaarlijk. Er is maar

één die nog gevaarlijker is.

—Welke dan?

—De jacht op beren.

—Meent gij de jacht op den zwarten beer met gelen snuit?

—Op den Baribal? Neen, dat is een zeer goedig en vreedzaam dier, dat

men allerlei kunstjes kan leeren. Neen, ik bedoel den Grizzly, den

grijzen beer uit het rotsgebergte. Gij hebt zeker wel over hem gelezen?

—Ja.

—Wil maar hopen, dat gij hem nooit ontmoet. Als hij op zijn

achterpooten staat, is hij twee voet langer dan gij, met één knauw

heeft hij uw hoofd verbrijzeld en als hij aangevallen wordt en kwaad

gemaakt wordt, rust hij niet, voor er van zijn vijand geen stukje meer

over is.

—Kom, kom!

—Zie, daar hebt ge nu weer uw groote lichtzinnigheid! Gij spreekt van

den grooten, onoverwinnelijken grijzen beer met een geringschatting,

die kant noch wal raakt.

—Wel neen, ik acht hem ook zeer gevaarlijk, maar onoverwinnelijk,

zooals gij daar zegt, is hij toch niet. Geen roofdier is

onoverwinnelijk, ook de Grizzly niet.

—Hebt gij dat misschien ook gelezen?

—Ja zeker.

—Hm, ik geloof, dat de boeken, die gij hebt gelezen u zoo lichtzinnig

hebben gemaakt. Gij zijt toch anders zulk een verstandig mensch, als ik

mij niet vergis! Gij zoudt in staat zijn, om op den grijzen beer op

dezelfde manier los te trekken, als gisteren op de bisons.

—Als ik niet anders kon, zeker!

—Niet anders kon! Onzin! Wat bedoelt ge met deze woorden? Ieder mensch

kan anders, als hij wil!

—Dat wil zeggen, hij kan op de vlucht trekken, als hij laf is, bedoelt

ge dat?

—Ja, maar van lafheid is daarbij geen sprake. Het is geen lafheid voor

den Grizzly te vluchten, integendeel, het is zelfmoord hem aan te

vallen.

—Dan verschillen wij van meening. Wanneer hij mij verrast en mij geen

tijd laat te vluchten, moet ik mij verdedigen. Als hij een van mijn

makkers aanvalt, moet ik hem te hulp komen. Dat zijn twee gevallen,

waarin ik niet kan of mag vluchten. En bovendien kan ik mij zeer goed

denken, dat een dapper prairiejager lust krijgt eens den strijd met den

grijzen beer te wagen, om zijn moed te toonen, een gevaarlijk roofdier

onschadelijk te maken en eens lekker te smullen van de ham en de

klauwen.

—Gij zijt een onverbeterlijk mensch, en ik word waarlijk bang voor u!

Bid God, dat gij nooit met die ham en die klauwen kennis maakt, al wil

ik niet ontkennen, dat er niets op de geheele wereld is, dat lekkerder

smaakt.

—Waarschijnlijk behoeft ge vooreerst nog niet bezorgd over mij te zijn.

Of zijn hier in deze streek ook grijze beren?

—Zeker waarom niet? De Grizzlybeer vindt men in ’t geheele gebergte,

hij volgt den loop der rivieren en komt soms tot in de prairiën! Wee

dengene, dien hij daar aantreft. Laat ons er niet verder over spreken.

Hij vermoedde evenmin als ik, dat reeds den volgenden dag dit thema

opnieuw ter sprake zou komen en wij dit gevreesde dier op onzen weg

zouden ontmoeten. Er was geen tijd meer het gesprek verder voort te

zetten, want wij waren nu bij de legerplaats aangekomen. Men had in

dien tusschentijd flink gewerkt, Bancroft had eens willen toonen, dat

hij, als ’t moest, ook nog wel iets kon.

Toen men ons zag aankomen, riep men reeds van verre:

—Een muildier, een muildier, waar haalt ge dat vandaan?

—Over de post gekregen!—antwoordde Hawkins met den grootsten ernst.

—Niet mogelijk en van wien dan?

—Onder kruisband, voor twee cent, wilt gij het omslag zien?

Eenigen lachten, anderen scholden, maar Sam had zijn doel bereikt, men

vroeg niet verder. Of hij tegen Dick Stone en Willy Parker iets

mededeelzamer was, kon ik niet zien, daar ik dadelijk aan ’t werk ging.

Wij vorderden goed en tegen den avond waren wij zoover, dat wij den

volgenden morgen beginnen konden, het dal op te meten, in ’t welk wij

den vorigen dag de bisons gejaagd hadden. Toen ik daarover met Sam

sprak, vroeg ik hem, of het niet mogelijk was, dat wij in onzen arbeid

door de buffels gestoord zouden worden, daar zij waarschijnlijk door

dit dal wilden trekken. Wij hadden slechts met de voorhoede te doen

gehad en konden ons dus voorbereiden op de komst van den hoofdtroep.

Sam antwoordde evenwel:

—Wees daarvoor niet bang, sir. De bisons zijn even slim als de

mustangs. De door ons verjaagde voorposten zijn teruggekeerd en hebben

de kudde gewaarschuwd, deze neemt nu een anderen weg en zal zich wel

wachten door dit dal te komen.

Toen de morgen aanbrak, verlegden wij onze legerplaats. Hawkins, Stone

en Parker hielpen ons daarbij niet, want de eerste wilde zijn „Mary”

inrijden en de beide anderen waren met hem meegegaan naar de prairie,

waar dit kunststuk zou worden vertoond.

Wij, opzichters, hadden het druk met het aanbrengen der meetstangen,

waarbij eenige ondergeschikten van Rattler ons hielpen; deze zelf

slenterde met de anderen wat in de omgeving rond. Daarbij kwamen wij,

en hij ook, dicht bij de plek, waar ik de beide buffels had

doodgeschoten. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat de oude buffel er

niet meer lag. Wij gingen er naar toe, en zagen dat, van de plek, waar

hij gelegen had, een breed spoor leidde tot aan het kreupelhout, het

gras was geheel platgetreden.

—Wel duivels! hoe is dat mogelijk—riep Rattler—Ik heb toen wij het

vleesch haalden, de stieren toch goed onderzocht, zij waren dood en

toch heeft deze nog leven in zich gehad.

—Meent gij dat?—vroeg ik.

—Zeker, of denkt gij dat een doode buffel aan den haal kan gaan.

—Moet hij zelf aan den haal zijn gegaan, kan een ander hem niet hebben

gehaald?

—Zoo, en wie zou dat dan kunnen zijn?

—Indianen bijvoorbeeld! Wij hebben daarginds hun voetspoor gezien.

—Zoo, wat kan zulk een „greenhorn” toch verstandig praten. Waar zouden

de Indianen vandaan zijn gekomen?

—Wel van hier of daar.

—Dat is natuurlijk, uit den hemel misschien, want anders zou men hier

toch hun sporen zien. Neen, er is nog leven in den buffel geweest, en

toen hij bijkwam, heeft hij zich voortgesleept tot in het kreupelhout,

waar hij natuurlijk gestorven is. Laat ons maar eens gaan zien!

Hij volgde met zijn lieden het spoor. Misschien had hij gedacht, dat ik

mee zou zijn gegaan, ik deed dit echter niet, want de hoonende wijze,

waarop hij met mij sprak, ergerde mij en ik had nog te werken,

bovendien was het mij ook tamelijk onverschillig, waar het lijk van den

ouden stier gebleven was. Ik keerde dus naar mijn werk terug, maar

nauwelijks had ik de maatstang weer ter hand genomen, of ik hoorde een

vreeselijk angstgeschreeuw tusschen de boomen, twee, drie schoten

knalden en toen hoorde ik Rattler roepen:

—In de boomen, vlug, in de boomen, anders zijt gij verloren, hij kan

niet klimmen.

Wien bedoelde hij daarmee? Ik zag iemand uit het kreupelhout komen met

sprongen, zooals men die slechts in doodsangst kan maken.

—Wat is er, wat is er?—riep ik hem toe.

—Een beer, een groote beer, een grijze Grizzly!—hijgde hij, terwijl hij

mij voorbij rende.

Tegelijkertijd schreeuwde een stem:

—Help, help, hij heeft mij beet. Oh, oh!

Zóó kon slechts een mensch brullen, die den dood voor oogen ziet. De

man moest zich in groot gevaar bevinden, hij moest gered worden, maar

hoe? Ik had mijn geweer bij de tent laten liggen, omdat het mij bij ’t

werk hinderde. Dit was geen onvoorzichtigheid geweest, want wij,

opzichters, hadden immers de prairiejagers tot onze bescherming bij

ons. Indien ik eerst naar de tent liep, werd de man in dien

tusschentijd door den beer verscheurd, ik moest dus naar hem toe,

zooals ik was, alleen met mijn mes en de revolvers in den gordel. Maar

wat zijn dit voor wapens tegen een Grizzlybeer! Dit dier is verwant aan

den nu uitgestorven holenbeer, en behoort meer tot den voortijd dan tot

den tegenwoordigen tijd. Hij wordt negen voet lang en ik heb exemplaren

gezien, die even zooveel duizenden ponden wogen. Zijn spierkracht is

zoo groot, dat hij met gemak met een hert, een veulen, of een bisonkalf

in den bek wegloopt. Een ruiter kan hem slechts dan ontkomen, wanneer

hij een bijzonder sterk paard heeft, anders haalt de grijze beer hem

zeker in. Het spreekt dus vanzelf, dat, wegens zijn reusachtige sterkte

en onvermoeide kracht, de overwinning op den Grizzlybeer, bij de

Indianen voor een ongehoord dappere daad geldt. Ik ijlde dus naar het

kreupelhout. Het spoor liep nog verder, tot daar, waar de boomen

begonnen. Tot hierheen had de beer den dooden stier gesleept.

Het was een vreeselijk oogenblik. Achter mij riepen de opzichters, die

naar de tent snelden om hun wapens te halen, vóór mij schreeuwden de

prairiejagers en daartusschen klonk het onbeschrijfelijke angstgehuil

van den man, die in de klauwen van den beer was gevallen.

Met elken sprong kwam ik nader, nu hoorde ik de stem van den beer, of

liever dat eigenaardig snuiven en brommen, dat dit dier kenmerkt.

Eindelijk was ik er. Vóór mij lag het ontvleeschde lijk van den bison,

rechts en links schreeuwden de prairiejagers, die in de boomen waren

geklommen en die zich daar vrij veilig voelden, daar men zelden of

nooit een Grizzlybeer ziet klimmen. Recht voor mij, aan den anderen

kant, had een der prairiejagers in een boom willen klimmen, maar was

daarbij door den beer overvallen. Hij lag met het bovenlichaam, zich

met beide armen aan den stam vasthoudende, op de laagste takken en de

Grizzly had hem de groote slagtanden in buik en beenen geboord. De man

was reddeloos verloren, ik kon hem niet helpen en niemand zou, wanneer

ik weer weggeloopen was, het recht hebben gehad, mij daarvan een

verwijt te maken, maar bij dit gezicht nam ik een heel ander besluit.

Ik raapte een der weggeworpen geweren op, het was helaas afgeschoten.

Toen sprong ik over den buffel heen en gaf den beer met de kolf van ’t

geweer een geweldigen slag op den kop. Belachelijk! Het geweer brak als

glas in mijn handen; zulk een harde kop geeft zelfs niets om een bijl,

maar ik had in elk geval de voldoening, dat de beer zijn slachtoffer

een oogenblik met rust liet. Hij keerde den kop naar mij toe, niet

snel, zooals een roofdier van het katten- of hondengeslacht zou hebben

gedaan, maar langzaam, alsof hij zeer verwonderd was over mijn dommen

aanval. Mij met zijn kleine oogen metend, scheen hij bij zichzelf te

overleggen, of hij bij zijn tegenwoordig slachtoffer zou blijven, of

mij zou aanpakken;—deze weinige oogenblikken redden mijn leven. Ik

haalde de eene revolver uit den gordel, sprong tot zeer dicht bij den

beer, die mij wel den kop, maar voor ’t overige, den rug toekeerde en

schoot hem een, twee, drie, viermaal in de oogen, juist zooals ik een

paar dagen te voren, den buffel in de oogen had geschoten. Dit gebeurde

natuurlijk zoo snel mogelijk, toen sprong ik ter zijde en bleef

wachtend staan, terwijl ik het bowiemes te voorschijn haalde.

Was ik staan gebleven, dan had ik dit waagstuk met mijn leven moeten

betalen, want het blinde roofdier wierp zich neer op de plaats, waar ik

mij een oogenblik van te voren had bevonden. Ik was evenwel niet meer

daar en nu begon de beer, onder woedend gesnuif en slaan met de pooten,

naar mij te zoeken. Hij deed als een waanzinnige, rolde over den grond,

wroette in de aarde, maakte dan weer sprongen naar alle kanten, om mij

te zoeken, maar kon mij tot mijn geluk niet vinden. Misschien had zijn

reuk hem op mijn spoor kunnen brengen, maar hij was razend van woede,

en dit verhinderde hem zijn instinct te volgen.

Eindelijk schonk hij zijn opmerkzaamheid meer aan zijn verwondingen dan

aan dengene, die ze hem bezorgd had, hij ging zitten, richtte zich een

weinig op en streek snuivend en tandenknarsend met de voorpooten over

de oogen. Snel stond ik naast hem, hief mijn mes op en stiet het hem

tweemaal tusschen de ribben. Hij greep onmiddellijk naar mij, maar ik

was reeds weer verdwenen. Ik had echter het hart niet getroffen en het

zoeken naar mij begon opnieuw met verdubbelde woede. Dit duurde wel

tien minuten lang, hij verloor veel bloed en werd moede. Hij ging dus

weer zitten en streek zich over de oogen. Hierdoor was ik in de

gelegenheid opnieuw twee op elkaar volgende messtooten toe te brengen

en ditmaal had ik beter getroffen, het kolossale dier viel voorover,

terwijl ik snel weer op zij was gesprongen, liep waggelend en snuivend

eenige stappen verder, wilde zich weer oprichten, maar had daartoe niet

meer de kracht; het slingerde heen en weer, deed vergeefsche moeite om

op de pooten te blijven en viel eindelijk uitgeput op den grond. Hier

bleef hij onbeweeglijk liggen.

—God zij dank!—riep Rattler van zijn boom.—Het beest is dood, dat was

een vreeselijk gevaar, waarin wij ons bevonden.

—Ik zou niet weten waarin het vreeselijke gevaar voor u

bestond—antwoordde ik,—gij hadt goed voor uw veiligheid gezorgd, kom nu

maar naar beneden.

—Neen, neen, nog niet, zie eerst eens goed na of de Grizzly werkelijk

dood is.

—Hij is dood.

—Dat kunt gij wel beweren, maar gij hebt er geen begrip van, welk een

taai leven zulk vee heeft. Onderzoek dus eerst!

—Voor u zeker? Als gij wilt weten of hij nog leeft, onderzoek hem dan

zelf. Gij zijt immers beroemde prairiejagers en ik maar een

„greenhorn”.

Ik wendde mij nu tot hun kameraad die nog altijd in den zooeven

beschreven toestand tegen den boom hing. Hij gaf geen geluid en bewoog

zich niet meer. Zijn gezicht was geheel verwrongen, en zijn verglaasde

oogen stonden wild open. Het vleesch was hem tot op het been van de

dijen gescheurd en de ingewanden hingen uit zijn lijf. Ik overwon mijn

afgrijzen en riep hem toe:

—Laat dien boom los, sir! Ik zal u helpen!

Hij antwoordde niet en geen enkele beweging verried, dat hij mij

begrepen had. Ik verzocht zijn kameraden uit de boomen te komen en mij

te helpen, maar deze ervaren prairiejagers waren daartoe niet te

bewegen, vóór ik den beer eenige malen had bevoeld en betast en hen

daardoor had bewezen, dat hij werkelijk dood was. Eerst toen kwamen zij

naar beneden en hielpen mij den zoo gruwelijk verminkten kameraad uit

den boom te krijgen. Dit ging niet gemakkelijk want hij hield de armen

zóó stijf om den stam geklemd, dat wij ze slechts met geweld konden

losmaken.

Dit verschrikkelijke einde scheen echter zijn kameraden niet in ’t

minst aan ’t hart te gaan, want zij wendden zich onverschillig van hem

af, en keken naar den beer, terwijl de aanvoerder zeide:

—Nu wordt het omgekeerd, eerst heeft de beer ons willen opeten en nu

zullen wij hem opeten. Komt kameraden, laat ons de huid afnemen, opdat

wij de klauwen en de ham kunnen meenemen.

Hij nam zijn mes en ging op de knieën liggen, om de daad bij het woord

te voegen, maar nu kwam ik tusschenbeide:

—Het zou eervoller voor u zijn geweest, als gij uw mes op hem hadt

beproefd, toen hij nog in leven was, nu is het te laat, doe geen

moeite.

—Wat?—spatte hij op,—wilt gij mij misschien verhinderen een stuk

vleesch af te snijden?

—Zeker, dat wil ik, Mr. Rattler.

—En met welk recht?

—Met een onbetwistbaar recht van den man, die het dier heeft

neergeveld.

—Dat is niet waar, gij zult toch niet willen beweren, dat een

„greenhorn” een Grizzly met het mes kan dooden? Wij hebben toen wij hem

zagen, op hem geschoten.

—En u toen snel op de boomen teruggetrokken, ja, dat is waar, zeer

waar.

—Maar onze kogels hebben getroffen, daaraan is hij gestorven en niet

aan een paar speldeprikken, welke gij hem, toen hij reeds halfdood was,

hebt toegebracht. De beer is van ons en wij zullen met hem doen wat wij

willen, begrepen?

Hij wilde zich opnieuw aan het werk zetten, maar ik waarschuwde hem:

—Laat dat Mr. Rattler, of anders moet ik u leeren, mijn woorden goed op

te vatten, begrepen?

Daar hij, ondanks mijn bevel, toch met het mes in den pels stak, nam ik

hem, zooals hij daar op zijn knieën lag, met beide handen in de zijde

beet, en wierp hem tegen den naasten boom, dat zijn ribben kraakten.

Het was mij op dit oogenblik werkelijk onverschillig of hij iets brak

of niet. Onmiddellijk nam ik mijn tweede nog geladen revolver uit den

gordel, om mogelijke aanvallen te voorkomen. Hij stond snel weer op,

zag mij met van woede fonkelende oogen aan, trok zijn mes en riep:

—Dat zal ik u betaald zetten! Gij hebt mij reeds eens geslagen en ik

zal zorgen, dat gij u niet voor de derde maal aan mij kunt vergrijpen!

Hij kwam op mij toe, maar ik hief mijn revolver op en dreigde:

—Nog één stap, en ik jaag u een kogel door den kop! Weg met dat mes!

Bij „drie” schiet ik, als gij het in de hand houdt. Dus:—een—twee—drie!

Hij hield het mes vast en ik zou werkelijk geschoten hebben, al was het

niet in zijn hoofd dan in zijn hand, maar ik behoefde het niet zoover

te laten komen, want op dit kritieke oogenblik klonk een stem:

—Menschen, zijt gij dwaas! Wat moet dat beteekenen, dat blanken

elkander bevechten. Wapens neer!

Wij keken in de richting van waar deze woorden kwamen en zagen een man

van achter de boomen te voorschijn komen. Hij was klein, mager en

gebocheld en bijna als een roodhuid gekleed en bewapend; men kon niet

recht zien, of hij een blanke of een Indiaan was. Zijn scherp geteekend

gezicht wees op het laatste, terwijl de kleur van zijn door de zon

verbrand aangezicht waarschijnlijk vroeger blank was geweest. Zijn

hoofd was onbedekt en het lange, zwarte haar hing hem tot over de

schouders. Zijn kleeding bestond uit een Indiaansche broek, een

jachthemd en eenvoudige mokassins en hij was enkel gewapend met een

geweer en een mes. Zijn oogen hadden een zeer verstandige uitdrukking

en ondanks zijn mismaaktheid, maakte hij geenszins een belachelijke

indruk. Het zijn trouwens alleen ruwe en bekrompen menschen, die voor

een lichaamsgebrek den neus optrekken.

Rattler evenwel behoorde tot dit soort, en lachend riep hij:

—Hallo, wat komt daar voor een dwerg of misbaksel aan! Zijn er hier in

de Far-West ook zulke lui?

De vreemdeling mat hem van het hoofd tot de voeten en antwoordde op

kalmen, bezadigden toon:

—Dank God, dat gij gezonde ledematen hebt, voor ’t overige komt het

niet op het lichaam maar op het hart en den geest aan en dit zeg ik u,

in dat opzicht, durf ik een vergelijking met u best te wagen!

Hij maakte een minachtende beweging met de hand en wendde zich tot mij.

—Gij hebt kracht in uw handen, sir! Het was een lust dien zwaren kerel

zooeven als een veer te zien oplichten.

Toen schopte hij met zijn voet tegen den Grizzly en ging op spijtigen

toon voort:

—Dus dat is de kerel, dien wij wilden hebben, wij zijn helaas te laat

gekomen, dat is jammer genoeg!

—Gij hadt hem dus ook willen dooden?—vroeg ik.

—Ja, wij vonden gisteren zijn spoor en zijn het gevolgd, door dik en

dun, door bosch en weide en nu we hem eindelijk vinden, moeten wij

zien, dat het werk reeds gedaan is.

—Gij spreekt het meervoud, zijt gij dus niet alleen?

—Neen, er zijn nog twee anderen bij mij.

—Wie zijn dat?

—Dat zal ik u zeggen, als gij mij eerst verteld hebt, wie gij zijt. Gij

weet wel, dat men in deze streek niet voorzichtig genoeg zijn kan. Men

ontmoet hier meer slechte, dan goede menschen.

Hij zag bij deze woorden even naar Rattler en zijn kameraden, en ging

op vriendelijken toon voort:

—Men ziet het trouwens dadelijk, of men de menschen kan vertrouwen. Ik

heb uw laatste gesprek gehoord en weet dus ongeveer met wien ik te doen

heb.

—Wij zijn landmeters, sir,—verklaarde ik hem.—Een hoofdingenieur, vier

landmeters, drie gidsen, en twaalf prairiejagers, die ons tegen

mogelijke overvallen hebben te beschermen.

—Hm, nu wat dat betreft, gij schijnt u wel alleen te kunnen verdedigen.

Dus gij zijt landmeters. Zijt gij hier aan ’t werk?

—Ja.

—Wat meet gij op?

—Een weg.

—Die hier zal worden aangelegd?

—Ja.

—Hebt gij dan deze streek gekocht?

Zijn oog was bij deze vragen somberder en zijn gezicht ernstiger

geworden. Hij scheen recht te hebben deze vragen te doen, daarom

antwoordde ik:

—Ik heb de opdracht gekregen, deze opmetingen te doen en om het overige

bekommer ik mij dus niet.

—Hm ja, maar ik denk toch, dat gij wel weet, wat gij doet. De grond,

waarop gij u bevindt, behoort aan de Indianen en wel aan de Apachen,

van den stam der Mescaleros. Ik weet zeer beslist, dat zij dezen grond

noch verkocht noch aan iemand afgestaan hebben.

—Wat gaat u dat aan?—riep Rattler hem nu toe.—Bemoei u niet met de

zaken van een ander, maar met uw eigen.

—Dat doe ik ook, sir, dat doe ik, want ik ben een Apache, ja zelfs een

Mescalero.

—Gij? kom, laat u niet uitlachen, men moest wel blind zijn als men niet

zag, dat gij een blanke zijt.

—Gij vergist u toch! Oordeel niet naar mijn huid, maar naar mijn naam,

ik word Kleki-Petra genoemd.

Deze naam beteekent in de taal der Apachen, wier dialecten ik destijds

nog niet kende, zooveel als: „blanke vader”. Rattler scheen dezen naam

vroeger gehoord te hebben, want hij deed verwonderd een stap achteruit

en zeide:

—Zoo, Kleki-Petra, de beroemde schoolmeester der Apachen. Jammer, dat

gij een bochel hebt, want de roode bengels zullen u wel geducht

uitlachen.

—O, dat is niets, sir, want ik ben er al aan gewend door bengels te

worden uitgelachen, verstandige menschen doen het niet. En nu ik weet,

wie gij zijt en wat gij doet, kan ik u ook zeggen, wie mijn geleiders

zijn. Het is maar ’t beste, dat ik ze aan u voorstel.

Hij riep een Indiaansch woord, dat ik niet verstond en weldra kwamen

twee buitengewoon interessante persoonlijkheden met langzamen en

waardigen tred op ons toe. Het waren Indianen en wel vader en zoon, wat

men op het eerste gezicht duidelijk zag.

De oudste was van iets meer dan middelbare lengte en daarbij zeer

krachtig gebouwd, zijn houding had iets voornaams en edels en uit zijn

bewegingen kon men opmaken dat hij handig en sterk was. Zijn ernstig

gezicht was echt Indiaansch, maar niet zoo scherp geteekend, als bij de

meeste roodhuiden. Zijn oog had een kalme, bijna zachte uitdrukking,

welke hem bij zijn stamgenooten bemind moest doen maken. Zijn hoofd was

onbedekt, en het donkere haar was in een soort van helmvormigen knoop

opgebonden, waarin een adelaarsveer, het teeken zijner waardigheid als

hoofdman, prijkte. De kleeding bestond uit mokassins, leggins met

franjes, een lederen jachthemd, alles zeer eenvoudig en gelijk gemaakt.

In den gordel stak een mes, en hingen verscheidene buidels, welke

allerlei kleinigheden bevatten, noodig voor een prairieman. De

medicijnbuidel hing om zijn hals, daarnaast de vredespijp met den uit

heilige klei gesneden kop. In de hand hield hij een geweer met dubbelen

loop, waarvan de kolf met zilveren spijkertjes was beslagen. Dit was

het geweer, hetwelk later door zijn zoon Winnetou onder den naam van

zilverbuks, zoo beroemd zou worden.

De jongste was op dezelfde wijze gekleed als zijn vader, maar alleen

was alles een weinig sierlijker. Zijn mokassins waren met

stekelvarkensborstels en de naden van zijn leggins en van zijn

jachthemd met fijne, roode draadjes afgewerkt. Ook hij droeg den

medicijnbuidel om den hals en het calumet. Zijn wapens bestonden ook

uit een dubbelloopsgeweer en een mes. Hij droeg eveneens geen hoed of

muts en had het haar opgestoken, zonder het evenwel met een veer te

versieren, maar het was zoo lang en dik, dat menige dame hem daarom zou

hebben benijd. Zijn gelaat was bijna nog schooner en edeler dan dat van

zijn vader, en de kleur was lichtbruin met gebronsde tint. Hij was,

naar ik toen reeds vermoedde en later zeker kwam te weten, ongeveer

even oud als ik, en maakte reeds bij deze eerste ontmoeting een diepen

indruk op mij. Ik voelde dat hij een goed mensch was en bovendien zeer

begaafd moest zijn. Wij zagen elkander met een langen, onderzoekenden

blik aan, toen meende ik te zien, dat in zijn donkere oogen een

vriendelijk licht glansde, als een groet, welke de zon door de wolken

werpt.

—Dat zijn mijn vrienden en metgezellen,—zeide Kleki-Petra, terwijl hij

eerst op den vader en toen op den zoon wees.—Deze is „Intschu Tschuna”

(goede zon), het opperhoofd der Mescaleros, ook door alle andere

Apachenstammen als opperhoofd erkend. En hier staat zijn zoon Winnetou

[1], die ondanks zijn jeugd, reeds meer dappere daden heeft uitgevoerd,

dan tien oude krijgers in hun geheele leven. Zijn naam zal eens bekend

en beroemd worden, tot in de verste savannen en prairiën.

Dit klonk wel wat overdreven, maar was toch, naar ik later ondervond,

niet te veel gezegd. Rattler evenwel lachte hoonend en riep:—Zulk een

jong man zou reeds zoovele heldendaden hebben gedaan? Het zullen wel

niet veel anders zijn geweest, dan dieverijen en rooverijen, de

roodhuiden stelen en rooven altijd.

Dit was een grove beleediging, maar de drie vreemdelingen deden, alsof

ze deze woorden niet gehoord hadden. Zij gingen naar den beer en

bezagen dien, terwijl Kleki-Petra daarbij op zijn knieën ging liggen.

—Hij is aan de messteken en niet aan de kogels gestorven,—zeide hij,

zich tot mij wendend. Hij had den twist tusschen Rattler en mij mee

aangehoord en wilde nu openlijk zeggen, dat ik gelijk had gehad.

—Dat zal nog moeten blijken,—meende Rattler.—Hoe zou zulk een

gebochelde schoolmeester verstand hebben van de berenjacht. Als wij zoo

aanstonds de huid hebben afgestroopt, zullen wij duidelijk zien, welke

wonde doodelijk geweest is. Ik laat mij door geen „greenhorn” mijn

recht betwisten.

Nu bukte Winnetou zich ook over den dooden beer heen, betastte hem op

de plaatsen waar hij bloedde en vroeg mij, toen hij zich weer

oprichtte:

—Wie heeft dit dier met een mes aangevallen?

Hij sprak daarbij zuiver Engelsch.

—Ik—antwoordde ik kort.

—Waarom heeft mijn jonge, blanke broeder niet op hem geschoten?

—Omdat ik geen geweer bij mij had.

—Hier liggen toch geweren?

—Die zijn niet van mij. De eigenaars wierpen ze weg en klommen in de

boomen.

—Toen wij het spoor van den beer volgden, hoorden wij in de verte een

vreeselijk angstgeschreeuw, waar was dat?

—Hier.

—Zoo. De eekhoorntjes en stinkdieren klimmen in de boomen, wanneer de

vijand nadert. De man evenwel moet strijden, want wanneer hij moed

bezit, is hem ook de macht gegeven zelfs het sterkste dier te

overwinnen. Mijn jonge, blanke broeder heeft dien moed bezeten. Waarom

wordt hij dan een „greenhorn” genoemd?

—Omdat ik voor ’t eerst en nog maar kort in ’t Westen ben.

—De blanken zijn zonderlinge menschen. Bij hen wordt een jongeling, die

met een mes den verschrikkelijken Grizzly aanvalt, een „greenhorn”

genoemd, terwijl zij, die uit vrees in de boomen klimmen of van angst

schreeuwen, voor flinke prairiemannen worden aangezien. De roodhuiden

zijn rechtvaardiger. Bij hen kan een dapper man nooit een lafaard en

een lafaard nooit een dapper man worden genoemd.

—Mijn zoon heeft zeer goed gesproken,—stemde zijn vader toe, in iets

minder zuiver Engelsch.—Deze moedige, jonge blanke is geen „greenhorn”

meer. Wie den Grizzly op deze wijze neerlegt, is een groote held. En

wie het daarenboven doet om anderen te redden, die in de boomen

klimmen, die mag van dezen dank, maar geen schimpwoorden verwachten.

Howgh! Laat ons nu eens gaan zien, waarom de blanken zich hier in deze

streken bevinden.

Welk een verschil tusschen mijn blanke metgezellen en de door hen

verachte Indianen! De aangeboren rechtvaardigheidszin der roodhuiden

noopte hen, ongevraagd ten mijnen gunste te spreken. Het was zelfs

eenigszins gewaagd, dit te doen. Zij waren slechts met hun drieën en

wisten niet hoeveel man wij sterk waren, en het was dus voor hen

gevaarlijk, zich het ongenoegen van onze prairiejagers op den hals te

halen. Zij schenen zich daaraan echter niet te storen. Langzaam en met

fiere schreden, gingen zij ons voorbij naar de vlakte. Wij volgden hen.

Daar zag Intschu Tschuna de meetpalen staan, en zich tot mij wendend,

vroeg hij:

—Wat wordt hier gedaan? Willen de blanken dit land misschien opmeten?

—Ja.

—Met welk doel?

—Om een spoorweg aan te leggen.

Zijn oog begon te fonkelen en met eenige haast vroeg hij mij:

—En behoort gij tot die lieden?

—Ja.

—Hebt gij ook opgemeten?

—Ja.

—En wordt gij daarvoor betaald?

—Ja.

Toen wierp hij mij een minachtenden blik toe en even minachtend klonk

zijn stem, toen hij tot Kleki-Petra zeide:

—Uw leerredenen klinken mooi maar in werkelijkheid zijn zij niets

waard. Daar ontmoet men nu eindelijk eens een jongen blanke met een

dapper hart, en een eerlijk gezicht, maar als men hem vraagt, wat hij

hier komt doen, dan hoort men, dat het is om ons land te stelen. De

gezichten der blanken mogen goed zijn of boos, innerlijk zijn zij toch

allen gelijk!

Eerlijk gezegd zou ik geen woorden hebben kunnen vinden om mij te

verdedigen, ik gevoelde mij veel te beschaamd. De hoofdman had gelijk,

kon ik, christen, trotsch zijn op mijn beroep?

De hoofdingenieur was met de andere drie opzichters in de tent gebleven

uit vrees voor den beer. Toen zij ons aan zagen komen, waagden zij het

naar buiten te gaan, niet weinig verbaasd dat zij de Indianen bij ons

zagen. Hun eerste vraag was natuurlijk, hoe wij ons tegen den beer

hadden verdedigd. Snel antwoordde Rattler:

—Wij hebben hem doodgestoken en vanmiddag krijgen wij berenklauw en van

avond ham.

Onze drie gasten zagen mij aan, of ik mij dit liet welgevallen, daarom

maakte ik de opmerking:

—En ik beweer, dat ik hem doodgestoken heb. Hier staan drie

deskundigen, die mij gelijk hebben gegeven, maar dat is niet voldoende.

Als Hawkins, Stone en Parker zoo aanstonds terugkomen, kunnen ook zij

hun oordeel zeggen en daaraan zullen wij ons houden, tot zoolang

evenwel blijft de beer onaangeroerd liggen.

—Wat geef ik om het oordeel van die drie!—bromde Rattler.—Ik ga met

mijn kameraden heen, om den beer te stroopen en wie mij dat wil

verhinderen, dien jaag ik een kogel door den kop.

—Niet zulke groote woorden, Mr. Rattler! Ik ben niet zoo bang voor uw

kogels, als gij voor den beer. Gij jaagt mij niet in een boom! Ik heb

er niets tegen, dat gij er heengaat, maar ik verwacht dat gij dit doet

om uw dooden makker te begraven, gij zult hem toch zeker zoo niet laten

liggen?

—Is er een doode?—riep Mr. Bancroft verschrikt.

—Ja, Rollins,—antwoordde Rattler,—die arme drommel heeft zijn leven

moeten laten, door de domheid van een ander.

—Hoe dat, wiens domheid?

—Welnu, hij deed net als wij en wilde in een boom klimmen, maar daar

kwam die „greenhorn” in eens aan en maakte den beer boos, die zich toen

woedend op Rollins wierp.

Dat was dan toch wat al te kras, ik was sprakeloos van verbazing. De

zaak zoo voor te stellen en dat nog wel, terwijl ik er zelf bij was,

dat kon ik toch niet dulden!

—Meent gij dat in ernst Mr. Rattler?—vroeg ik.

—Yes,—knikte hij vastberaden, en meteen haalde hij een revolver voor

den dag, daar hij een aanval van mij scheen te verwachten.

—Zou Rollins zich hebben kunnen redden, als ik niet gekomen was?

—Yes.

—Maar ik meende, dat de beer hem reeds beet had, toen ik kwam.

—Dat is niet waar!

—Wel, dan zult ge nu de waarheid hooren of liever voelen.

Bij deze woorden sloeg ik hem met de linkerhand de revolver uit de hand

en gaf hem met de rechter zulk een geweldige oorvijg, dat hij wel zes

of acht pas weg stoof en daar op den grond viel. Hij stond evenwel

dadelijk op en kwam, als een woedend dier, brullend op mij aan. Ik

pareerde den messteek met de linkerhand en sloeg hem met de

rechtervuist op den slaap, dat hij bewusteloos aan mijn voeten viel.

—Oef, oef!—riep Intschu Tschuna verbaasd, terwijl hij van bewondering

over dezen forschen slag zijn gewone Indiaansche terughoudendheid

vergat.

—Dat was weer Shatterhand,—zeide de landmeter Wheeler.

Ik lette niet op deze woorden, maar hield mijn oog gericht op Rattler’s

kameraden, zij waren woedend, maar geen van hen waagde het voor hun

kameraad op te komen. Zij bromden en vloekten onder elkaar, maar dat

was ook alles, wat zij deden.

—Neem Rattler toch eens ernstig onderhanden,—zoo wendde ik mij tot den

hoofdingenieur,—ik heb hem niets misdaan en toch heeft hij het altijd

op mij begrepen. Ik vrees, dat er nog eens moord of doodslag van komt.

Stuur hem weg en wilt ge dit niet doen, welnu, dan ga ik.

—Kom, kom, zoo ernstig is de zaak toch niet!

—Ja zeker, zoo ernstig is zij wel. Hier hebt gij zijn revolver en zijn

mes. Geef hem deze wapens niet terug, voor hij kalm is geworden. Want

ik zeg u, ik zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen, en als hij

weer met een wapen op mij aankomt, schiet ik hem neer. Gij noemt mij

wel een „greenhorn”,—maar ik ken de wetten der prairie. Wie mij met mes

of kogel dreigt, dien heb ik het recht, neer te schieten.

Deze woorden waren natuurlijk evengoed bestemd voor al Rattler’s

kameraden en geen van hen zeide een woord. Nu wendde zich de hoofdman

Intschu Tschuna tot den hoofdingenieur:

—Mijn oor heeft nu gehoord, dat gij onder de blanken degene zijt, die

hier het opperbevel voert. Is dit werkelijk zoo?

—Ja,—antwoordde Bancroft.

—Ik heb dus met u te spreken?

—Waarover?

—Dat zult gij vernemen. Gij staat, maar mannen, die met elkander zullen

beraadslagen, moeten gaan zitten.

—Wilt gij onzen gast zijn?

—Neen, dat is onmogelijk, hoe kan ik uw gast zijn, terwijl gij u op

mijn bodem, in mijn bosch, in mijn dal en mijn prairie bevindt. De

blanke mannen kunnen gaan zitten. Wat zijn dat voor blanken, die daar

nog aan komen?

—Zij behooren tot ons gezelschap.

—Zij kunnen dus ook gaan zitten.

Sam, Dick en Will kwamen namelijk nu van hun rit terug. Zij, als

ervaren prairiejagers, verwonderden zich niet bijzonder over de

aanwezigheid der Indianen, maar toen zij hoorden, wie dit waren,

gevoelden zij zich toch niet erg op hun gemak.

—En wie is de derde?—vroeg Sam mij.

—Hij heet Kleki-Petra en Rattler noemde hem den schoolmeester.

—Kleki-Petra, de schoolmeester? Wel, ik heb dikwijls van hem gehoord,

als ik mij niet vergis. Dat is een zeer geheimzinnig mensch, een

blanke, die reeds jaren onder de Apachen leeft en een soort van

zendeling schijnt te zijn. ’t Verheugt mij zeer, hem te zien.

’k Zal hem eens op den tand voelen, hihihihi!

—Als hij dat ten minste toelaat.

—Hij zal mij toch niet in den vinger bijten? Is er anders nog iets

gebeurd?

—Ja.

—Wat dan?

—Iets zeer gewichtigs.

—Vertel dan op.

—Ik heb iets gedaan, waarvoor gij mij hadt gewaarschuwd.

—’k Weet niet, wat gij bedoelt. ’k Heb u voor zooveel gewaarschuwd.

—De Grizzlybeer.

—Wat-wat-wa-at? Is hier een grijze beer geweest?

—En nog wel een groote!

—Waar dan, waar, kom, gij houdt mij voor den gek.

—Waarachtig niet, hij was daarginds in het bosch, hij had den ouden

stier meegesleept.

—Werkelijk, ach waarom moest dat nu juist gebeuren, terwijl wij er niet

waren. Zijn er dooden gevallen?

—Een, Rollins.

—En gij, wat hebt gij gedaan? Gij zijt toch op een afstand gebleven?

—Ja.

—Goed zoo, maar ik kan het haast niet gelooven.

—Geloof het gerust, ik ben op zulk een afstand gebleven, dat hij mij

niets kon doen, maar ik hem viermaal met mijn mes tusschen de ribben

kon stooten.

—Wees toch wijzer, hebt gij hem met het mes aangevallen?

—Ja, ik had mijn geweer niet bij mij.

—Wat een echte „greenhorn” zijt gij toch nog! Die heeft me een extra

zwaren berendooder meegenomen en nu de beer komt, doodt hij hem met het

mes, in plaats van met het lood. Hoe is ’t mogelijk, hoe kwam dat toch?

Ik vertelde hem hoe alles gebeurd was, en ook dat ik weer eens voor een

enkelen keer ruzie met Rattler had gehad.

—Mensch, gij zijt werkelijk ongelooflijk lichtzinnig!—riep hij

uit.—Heeft nog nooit een Grizzlybeer gezien en gaat er op los, alsof ’t

een oude poedelhond was. Ik moet dat dier dadelijk eens in oogenschouw

gaan nemen, komt mee Dick en Will, gij moet toch ook eens zien, wat

voor dommen streek die „greenhorn” weer uitgehaald heeft. Hij wilde

weggaan, maar daar Rattler intusschen weer bijgekomen was, wendde hij

zich eerst tot dezen:

—Hoor eens, Mr. Rattler ik heb u iets te zeggen, gij hebt weer ruzie

gemaakt met mijn jongen vriend. Als dit nog eens gebeurt, zal ik zorgen

dat het voorgoed gedaan is. Mijn geduld is ten einde, onthoud dat!

Hij verwijderde zich met Stone en Parker. Rattler zette een woedend

gezicht maar zeide niets.

De beide Indianen en Kleki-Petra waren intusschen in het gras gaan

zitten. De hoofd-ingenieur zat tegenover hen, maar het gesprek scheen

niet te willen vlotten, zij wachtten blijkbaar op de terugkomst van

Sam. Toen deze na eenige oogenblikken verscheen, riep hij reeds van

verre:

—Wat dom om op den Grizzlybeer te schieten en dan te vluchten, als men

hem niet aandurft, doet men beter in ’t geheel niet te schieten en hem

met rust te laten, dan doet hij niets. Die Rollins is vreeselijk

toegetakeld. En wie heeft nu eigenlijk de beer gedood?

—Ik!—riep Rattler haastig.

—Gij, waarmee dan?

—Met mijn kogel.

—Wel, dat komt uit, dat is waar.

—Zoo, dat dacht ik ook.

—Ja, de beer is door een kogel gestorven.

—Dus behoort hij mij. Hoort ge ’t nu kameraden. Sam Hawkins heeft mij

gelijk gegeven,—schreeuwde Rattler triomfantelijk.

—Dat wil zeggen. Uw kogel is zijn kop voorbijgegaan en heeft een puntje

van zijn oor meegenomen. En aan zulk een wondje sterft zoo’n Grizzly

zeker dadelijk, hihihihi! Als er meer zijn geweest die geschoten

hebben, dan zijn hun kogels hem eveneens voorbijgegaan, want er is

anders geen spoor van een kogelwond te vinden. Maar wel zie ik vier

geduchte messteken, twee naast het hart en twee er juist in. Wie heeft

die steken gedaan?

—Ik,—was mijn antwoord.

—Gij alleen?

—Ik alleen.

—Dan behoort de beer aan u. Dat wil zeggen, daar wij één gezelschap

vormen, is de pels voor u en het vleesch behoort aan ons allen te

zamen, maar gij hebt te zeggen, hoe het verdeeld zal worden. Zoo is het

gebruik in de Far-West. Wat zegt gij nu daarvan, Mr. Rattler?

—Loop naar den duivel!

Hij liep bij deze woorden al vloekend naar den wagen, waarop het

brandewijnvat lag, ik zag dat hij den brandewijn in den beker liet

loopen en wist dat hij nu zoolang zou drinken, tot hij niet meer kon.

Deze aangelegenheid was dus geregeld en nu noodigde Bancroft het

Opperhoofd der Apachen uit, zijn wenschen kenbaar te maken.

—Ik kom niet met wenschen maar met bevelen,—antwoordde Intschu Tschuna

trotsch.

—Wij nemen geen bevelen aan,—verzekerde de hoofd-ingenieur even

trotsch.

Een oogenblik verduisterde het gezicht van den Apache, maar hij

beheerschte zich en vervolgde op kalmen toon:

—Mijn blanke broeder moet mij eenige vragen naar waarheid beantwoorden.

Heeft hij een huis, waarin hij woont?

—Ja.

—En een tuin daarbij?

—Ja.

—Wanneer nu een buurman een weg wil aanleggen door dien tuin, zou mijn

broeder dit dulden?

—Neen.

—De landen aan gene zijde van het Rotsgebergte en ten oosten van den

Mississippi hooren aan de blanken. Wat zouden zij er van zeggen,

wanneer de Indianen kwamen en daar wegen wilden maken?

—Zij zouden ze wegjagen.

—Mijn broeder heeft de waarheid gesproken. Maar nu komen de blanken

hier in het land, dat ons behoort, zij vangen onze mustangs, zij dooden

onze buffels, zij zoeken bij ons goud en edelgesteenten. Nu willen zij

zelfs een langen, langen weg aanleggen, waarop hun ijzeren ros zal

gaan. Langs dezen weg komen dan telkens meer bleekgezichten, die ons

overvallen en ons langzamerhand nog zullen berooven van het weinige,

dat men ons nog gelaten heeft, wat zullen wij dan doen?

Bancroft zweeg.

—Hebben wij misschien minder rechten dan gij? Gij noemt u Christen en

hebt den mond vol van Liefde. Daarbij echter besteelt en berooft gij

ons, terwijl wij eerlijk moeten zijn tegenover u. Is dat Liefde? Gij

zegt, uw God is de Vader van alle blanken en roodhuiden. Is hij nu onze

stiefvader en uw eigen vader? Behoorde niet het geheele land aan ons?

Men heeft het ons ontnomen, en wat heeft men er ons voor in de plaats

gegeven? Ellende en nog eens ellende! Gij jaagt ons steeds verder, tot

dat wij eindelijk nergens meer plaats zullen hebben. Waarom doet gij

dat? Uit nood? Omdat gij zelf ruimte noodig hebt? Neen, enkel uit

hebzucht, want in uw landen is nog plaats voor millioenen. Ieder van u

zou wel een staat voor zich willen hebben, maar men gunt den Roodhuid

wiens land dit is, geen plek, waar hij zijn hoofd rustig kan

neerleggen. Kleki-Petra, die hier naast mij zit, heeft mij van uw

heilig boek verteld. Daarin staat te lezen, dat de eerste mensch twee

zonen had, van wien de een den ander versloeg. Hoe gaat het nu met den

rooden en den blanken broeder? Zijt gij niet Kaïn en wij Abel, wiens

bloed ten hemel schreit? En dan verlangt gij nog, dat wij ons zullen

laten ombrengen, zonder ons te verweren. Neen, wij zullen ons verweren!

Wij zijn verjaagd van de eene plaats naar de andere. Nu wonen wij hier.

Wij meenden hier te kunnen uitrusten en rustig te kunnen ademen, maar

daar komt gij weer, om een spoorweg aan te leggen. Hebben wij dan niet

hetzelfde recht gelijk gij? Wilden wij naar onze wetten handelen, dan

moesten wij u allen dooden, maar wij willen alleen, dat uw wetten ook

voor ons zullen gelden. Doen zij dat? Neen, uw wetten zijn voor twee

uitleggingen vatbaar, en men legt ze uit, zooals men wil. Gij wilt hier

een weg maken, hebt gij ons om verlof gevraagd?

—Neen, want wij hebben uw permissie niet noodig.

—Waarom niet? behoort dit land aan u?

—Ik geloof van ja.

—Neen, het behoort ons, hebt gij het van ons gekocht?

—Neen.

—Hebben wij het u geschonken?

—Neen, niet aan mij ten minste.

—En ook aan niemand anders. Als gij een eerlijk man zijt en hierheen

zijt gezonden, om een weg voor uw ijzeren ros te leggen, dan moet gij

eerst aan den man, die u zendt, vragen of hij het recht heeft dit te

doen en u dat kan bewijzen. Dit hebt gij niet gedaan, ik verbied u dus

verder te gaan met uw opmetingen!

Dit laatste zeide hij met zooveel nadruk, dat ik den Indiaan met

verbazing aanstaarde. Ik had vele boeken gelezen over dat ras, en ook

vele redevoeringen gelezen door Indianen gehouden, maar zoo één als

deze nooit. Intschu Tschuna sprak tamelijk zuiver Engelsch, zijn wijze

van redeneeren, was die van een beschaafd man. Zou hij dit alles van

Kleki-Petra hebben geleerd?

De hoofdingenieur gevoelde zich zeer in het nauw gebracht. Als hij

eerlijk en oprecht wilde zijn, kon hij tegen deze beschuldigingen niets

inbrengen. Hij wilde weliswaar eenige tegenwerpingen maken, maar

gevoelde dat dit eigenlijk maar nietswaardige praatjes waren. Toen de

hoofdman nu weer begon en hem hoe langer hoe meer in ’t nauw dreef,

wendde hij zich tot mij:

—Maar sir, hoort gij dan niet waarover gesproken wordt? Zeg toch ook

eens een woordje.

—Dank u wel, Mr. Bancroft, ik ben hier als landmeter en niet als

advocaat. Red u zelf er maar uit, ik heb met deze zaak niets te maken.

Toen vervolgde de hoofdman op zeer beslisten toon:

—Het is niet noodig verder over deze zaak te redetwisten, ik heb u

gezegd, dat ik u niet hier duld. Ik eisch, dat gij nog vandaag van hier

vertrekt, overlegt met elkaar of gij zult gehoorzamen of niet. Ik ga nu

met mijn zoon Winnetou weg en zal terugkomen na den tijd, dien de

blanken een uur noemen. Dan moet gij mij het antwoord geven. Gaat gij,

dan zijn wij broeders, gaat gij niet, dan wordt de oorlogsbijl tusschen

u en ons opgegraven. Ik ben Intschu Tschuna, het opperhoofd der

Apachen, ik heb gezegd! Howgh!

Howgh is een Indiaansch woord, en beteekent zooveel als Amen. „basta”

„daarbij blijft het,” „zoo zij het”, en anders niet.

Hij stond op en Winnetou volgde zijn voorbeeld, en weinige oogenblikken

later waren zij uit het gezicht verdwenen. Kleki-Petra was blijven

zitten en de hoofdingenieur wendde zich tot hem, om raad. De

zonderlinge man gaf hem ten antwoord:

—Doe wat gij wilt, sir, ik ben het geheel met het opperhoofd eens. Er

wordt een groot onrecht begaan aan het roode ras. Maar als blanke weet

ik ook, dat de Indiaan zich tevergeefs tegen de overmacht verzet. Als

gij vandaag weggaat, zullen er morgen anderen komen, die uw werk

voortzetten, maar waarschuwen wil ik u toch, de hoofdman meent het

ernstig.

—Waar is hij nu naar toe gegaan?

—Hij zal onze paarden zijn gaan halen.

—Hebt gij die dan bij u?

—Natuurlijk, wij hebben ze verborgen, toen wij bemerkten, dat er een

beer in de nabijheid was. Men zoekt toch geen beer te paard op.

Hij ging opstaan en slenterde heen, klaarblijkelijk om verdere vragen

te ontgaan.

Ik liep hem na en vroeg toch:

—Sir, staat gij mij toe, met u te gaan? Ik beloof u, niets te zullen

zeggen of doen, wat u onaangenaam kan zijn, maar ik stel zoo oneindig

veel belang in Intschu Tschuna en in zijn zoon Winnetou.

Dat ook hij mij groote belangstelling inboezemde, wilde ik niet zoo

rechtuit zeggen.

—Ja, kom dan maar mee, sir,—antwoordde hij.—Ik heb mij van de blanken

afgescheiden, ik wil niets meer met hen te maken hebben, maar gij

bevalt mij en ik wil gaarne een wandeling met u doen. Gij schijnt mij

de verstandigste van al deze menschen te zijn, heb ik gelijk?

—Ik ben de jongste en volstrekt niet „smart,” en ik zal dit ook wel

nooit worden.

—Niet? „Smart” dat is toch meer of minder ieder Amerikaan?

—Ik ben geen Amerikaan.

—Wat dan, als ik niet onbescheiden ben?

—Zeker niet. Ik heb volstrekt geen reden om den naam van mijn

vaderland, dat ik zeer liefheb, te verzwijgen. Ik ben een Duitscher.

—Een Duitscher?—vroeg hij, terwijl hij mij even aanzag.—Dan heet ik u

welkom, wij zijn landgenooten en dat was het dus, dat mij zoo in u

aantrok. Wij Duitschers zijn eigenaardige menschen. Onze harten

gevoelen zich verwant, nog vóór dat wij weten, dat wij tot één land

behooren. Een Duitscher, die een echte Apache geworden is, lijkt u dat

niet vreemd?

—Zoo heel vreemd niet, Gods wegen zijn somtijds zoo ondoorgrondelijk.

—Gods wegen? Waarom spreekt gij van God en niet van de Voorzienigheid,

het Noodlot, Fatum of Kismet?

—Omdat ik een christen ben en mij mijn God niet laat ontnemen.

—Goed zoo, gij zijt een gelukkig mensch. Ja, gij hebt gelijk, God leidt

ons soms langs vreemde wegen; maar altijd volgens natuurlijke wetten.

Een Duitscher, een gestudeerde, een geleerde van naam, en nu een echte

Apache, dat lijkt vreemd, maar de weg, die mij tot dit doel heeft

gevoerd, was zeer geleidelijk.

Hoewel Kleki-Petra mij eerst, een weinig tegen zijn zin, had

meegenomen, scheen hij nu blij te zijn, zich eens vrij te kunnen

uitspreken.

Ik bemerkte weldra, dat hij een man van bijzonder karakter was, maar ik

wachtte mij wel, ook maar de geringste toespeling te maken op zijn

verleden. Hij evenwel was minder bescheiden dan ik, en met de grootste

vrijmoedigheid, vroeg hij mij naar mijn omstandigheden. Ik antwoordde

hem zoo uitvoerig mogelijk, en dit scheen hem zeer te bevallen. Wij

waren intusschen niet ver van de legerplaats onder een boom gaan

zitten. Ik kon zijn gezicht goed opnemen. Het leven had diepe voren in

zijn voorhoofd gegrift, twijfel, zorg, armoede en ontbering waren hem

niet gespaard gebleven. Hoe dikwijls moest hij niet somber, dreigend,

toornig, angstig, misschien ook wanhopend om zich heen hebben gezien,

nu evenwel was zijn oog helder en kalm als het meer, dat door geen

windje wordt bewogen, maar toch zoo diep is, dat men niet kan zien wat

op den bodem verborgen ligt. Toen hij alles, wat hij wilde weten, van

mij had gehoord, knikte hij zachtjes en sprak:

—Gij staat aan het begin van het leven, dat ik heb doorgemaakt, maar

gij zult niet den innerlijken strijd hebben, die ik gehad heb. Gij hebt

God, den Heer, die u nooit zal verlaten. Ik had mijn God verloren, toen

ik mijn vaderland verliet, en nam in plaats van een vast geloof, dat

steunt en sterkt, het ergste mee wat een mensch kan bezitten een—kwaad

geweten.

Hij zag mij bij deze woorden onderzoekend aan, maar toen mijn gezicht

kalm bleef vroeg hij:

—Schrikt gij daar niet van?

—Neen.

—Maar een kwaad geweten, denk eens na!

—Wel, gij zijt toch geen dief, geen moordenaar geweest? tot lage daden

waart gij niet in staat.

Hij drukte mij de hand en vervolgde:

—Ik dank u hartelijk! En toch vergist gij u, ik was een dief, want ik

heb veel, zelfs zeer veel gestolen! en wel kostbare goederen! En

moordenaar was ik ook! Hoevele zielen heb ik niet vermoord! Ik was

leeraar aan een school, waar, dat doet er niet toe. Mijn grootste trots

bestond hierin, een vrijdenker te zijn, God te hebben afgezworen, te

kunnen bewijzen dat het geloof aan God onzin was. Ik was een uitstekend

redenaar en sleepte mijn hoorders mee. Het onkruid, dat ik zaaide,

groeide welig op, geen korreltje ging verloren en zoo werd ik de dief,

de moordenaar, die aan de menigte haar geloof ontnam en in haar het

vertrouwen op God doodde. Toen kwam de revolutie. Wie geen God meer

erkent, dien is ook geen koning of overheid heilig. Ik wierp mij op als

leider der ontevredenen, zij dronken mij letterlijk de woorden van de

lippen, dat bedwelmende gif, dat ik helaas voor heilzame artsenij

hield. Zij grepen naar de wapenen, ach, hoevelen zijn er in den strijd

gevallen! Ik was hun moordenaar en niet alleen van dezen, maar nog van

vele anderen die achter kerkermuren stierven. Natuurlijk vervolgde men

mij, ik ontkwam. Ik verliet het vaderland, geen levende ziel weende om

mij, ik had vader noch moeder meer, evenmin broeders of zusters of

andere bloedverwanten. Den dag vóór ik de grenzen bereikte, zat de

politie mij op de hielen. Ik bevond mij in een klein fabrieksdorpje en,

op het toeval vertrouwend, liep ik door een klein tuintje een armoedig

huisje binnen, bescherming vragend aan een oud moedertje en haar

dochter. Zij gaven mij een schuilplaats, ter wille van hun mannen, wier

kameraad ik geweest was en onder tranen vertelden zij mij, wat hun was

overkomen. Zij waren arm maar tevreden geweest, de dochter was pas een

jaar geleden getrouwd. Haar man hoorde een van mijn redevoeringen en

kwam geheel onder den indruk daarvan. Hij nam zijn schoonvader mee naar

de eerstvolgende vergadering en het gif werkte ook op dezen. Ik had

dezen vier braven menschen hun levensgeluk ontnomen. De jonge man viel

op het slagveld, dat geen veld van eer was, en de oude vader werd tot

tuchthuisstraf veroordeeld. Dit vertelden de vrouwen aan mij, dien zij

gered hadden en die de schuld droeg van hun ongeluk. Zij noemden mijn

naam, als dien van den verleider. Ik zat naast hen, als door den

bliksem getroffen, en van dit oogenblik af had ik geen rust meer. De

vrijheid had ik behouden maar innerlijk leed ik, zooals zelden een

mensch heeft geleden. Ik zwierf van het eene land naar het andere, maar

zonder ergens rust te vinden. Mijn geweten pijnigde mij onophoudelijk

en meermalen stond ik op het punt zelfmoord te plegen—een onzichtbare

hand hield mij steeds terug,—Gods hand. Zij leidde mij na jaren van

ellende en berouw naar een Duitschen predikant in Kansas, die mijn

zielelijden begreep en mij overreedde, mijn hart voor hem uit te

storten. Gelukkig deed ik dit en, eerst na langen tijd van twijfel,

vond ik mijn geloof en vertrouwen terug. Mijn God, hoe zal ik U

daarvoor danken!

Hij hield even op, vouwde de handen en sloeg de oogen ten hemel, toen

vervolgde hij:

—Om mij zelf op de proef te stellen, nam ik afscheid van de wereld en

de menschen en ging in de wildernis. Maar geloof alleen maakt niet

zalig, de daden moeten daarvan een uitvloeisel zijn. Ik wilde werken.

Toen zag ik het roode ras zich wanhopig verzetten tegen den ondergang;

ik zag zijn moordenaars aan het werk, en het hart vloeide mij over van

toorn, medelijden en erbarmen. Zijn lot was beslist; ik kon het niet

redden, maar één ding was mij mogelijk: ik kon zijn dood verzachten en

zijn laatste oogenblikken verhelderen met het licht der Liefde en der

Verzoening. Ik sloot mij aan bij de Apachen en leefde en werkte onder

hen. Het is mij gelukt hun vertrouwen te verwerven. Ik wilde dat gij

Winnetou kondet leeren kennen, hij is, om zoo te zeggen, het resultaat

van mijn werk. Deze jongeling is bijzonder begaafd, ware hij de zoon

van een Europeesch staatshoofd, hij zou een groot veldheer en een nog

grooter vredevorst zijn; als erfgenaam van een Indiaansch Opperhoofd,

zal hij ondergaan, evenals zijn geheele ras ondergaat! Mocht ik toch

den dag beleven waarop hij zich een Christen zal noemen! En mocht ik

dat niet beleven, dan wil ik toch tot aan mijn dood bij hem blijven, om

hem te steunen in oogenblikken van gevaar en verleiding. Hij is mijn

geesteskind, ik heb hem lief meer dan mij zelf, en mocht mij het geluk

beschoren zijn, den kogel, die voor hem bestemd was, in mijn hart op te

vangen, dan zou ik met vreugde voor hem sterven en denken, dat deze

dood tegelijk een laatste boetedoening was voor mijn vroegere zonden!

Hij zweeg en boog het hoofd. Ik was diep geroerd en zeide niets, want

ik had het gevoel, dat elke opmerking na zulk een bekentenis triviaal

moest klinken, maar ik nam zijn hand in de mijne en drukte die

hartelijk. Hij begreep mij en knikte mij toe.

Eerst na geruimen tijd ging hij voort:

—Hoe het komt, dat ik u dit alles heb verteld? Ik zie u vandaag voor

het eerst van mijn leven en zal u waarschijnlijk nooit weerzien. Of is

het Gods wil, dat ik u hier ontmoet? Ge ziet het, de vroegere

godloochenaar wil nu alles op dien Hoogeren Wil terugbrengen. Ik ben

zoo zonderling te moede, ik gevoel iets van de stemming welke over

iemand komt wanneer in den herfst de bladeren vallen. Hoe zal het blad

mijns levens vallen? Of zal het afgescheurd worden, nog voor de

natuurlijke tijd is gekomen?

Hij zag als in stil verlangen naar beneden in het dal. Van dien kant

zag ik Intschu Tschuna en Winnetou komen. Zij zaten te paard en voerden

dat van Kleki-Petra aan den teugel mee. Wij stonden op om naar de

legerplaats te gaan, waar wij tegelijk met hen aankwamen. Rattler stond

met een vuurrood opgezet gezicht bij den wagen en staarde ons verwoed

aan. Hij had zooveel gedronken, dat hij nauwelijks op de beenen kon

staan, een type van een verdierlijkt mensch. Zijn blik was schuw en

verradelijk en ik besloot hem in ’t oog te houden.

De hoofdman en Winnetou waren van hun paarden gestegen en kwamen nu op

ons toe.

—Welnu, hebben mijn blanke broeders overlegd, of zij weg willen gaan of

niet?—vroeg Intschu Tschuna.

De hoofdingenieur, die te midden der zijnen stond, antwoordde:

—Al wilden wij zelf ook weggaan, zoo moeten wij toch wel hier blijven,

tot de bode, dien ik vandaag nog naar Santa-Fé zal zenden, terug is,

dan kan ik u antwoord geven.

Dat was zoo kwaad niet bedacht, want tegen den tijd dat de bode terug

kon komen, zouden wij reeds met ons werk gereed zijn.

De hoofdman zeide evenwel op beslisten toon:

—Zoolang kan ik niet wachten. Mijn blanke broeders moeten dadelijk

zeggen wat zij willen.

Rattler had intusschen een beker met brandewijn gevuld en kwam op ons

toe. Ik dacht, dat hij ’t op mij begrepen had, maar hij wendde zich tot

de beide Indianen.

—Wanneer gij beiden met mij wilt drinken, zullen wij uw zin doen en van

hier gaan, anders niet. De jongste mag eerst proeven, hier hebt gij

vuurwater, Winnetou!

Deze ging echter met een afwerend gebaar achteruit.

—Wat? wilt gij geen dronk met mij wisselen, dat is een grove

beleediging. Hier, daar hebt gij den brandewijn in ’t gezicht,

vervloekte roodhuid; lik het af, als gij het dan niet wilt drinken!

Eer een van ons het kon verhinderen, wierp hij den jongen Apache den

beker met den inhoud in ’t gezicht. Dit was naar Indiaansche begrippen

een doodelijke beleediging, die ook onmiddellijk werd gestraft, want

Winnetou sloeg den valschaard met de vuist op het hoofd, dat hij op den

grond viel. Met moeite stond deze weer op. Reeds maakte ik mij gereed,

om tusschenbeide te treden, want ik dacht, dat men tot verdere

handtastelijkheden zou overgaan, maar Rattler zag den jongen Apache

slechts dreigend aan, en waggelde toen weer naar den wagen terug.

Winnetou droogde zich af en toonde, evenmin als zijn vader, iets van

hetgeen in zijn binnenste moest omgaan.

—Ik vraag nog eens, en nu voor de laatste maal,—zeide het

opperhoofd—zullen de blanken nog vandaag dit dal verlaten?

—Wij mogen niet,—luide het antwoord.

—Dan verlaten wij het, en is er geen vrede meer tusschen ons.

Ik deed nog een poging om een bemiddeling tot stand te brengen,

tevergeefs; de drie mannen gingen zwijgend naar hun paarden.

Daar klonk opeens Rattler’s stem:

—Weg met u, roode honden! Maar dien slag in ’t gezicht zal ik dien

jongen betaald zetten!

Tienmaal vlugger, dan men ’t van hem in dezen toestand zou hebben

verwacht, had hij een geweer uit den wagen genomen en legde op Winnetou

aan. Deze stond op dat oogenblik vrij en zonder dekking. De kogel moest

hem treffen, want alles ging zoo snel in het werk, dat geen beweging

hem kon redden. Eensklaps echter schreeuwde Kleki-Petra in doodsangst:

—Weg, Winnetou, weg!

Meteen stond hij voor den jongen Apache. Het schot knalde, Kleki-Petra

greep met beide handen naar zijn borst, wankelde en viel. In hetzelfde

oogenblik evenwel viel ook Rattler, door mijn vuist getroffen, neer.

Een kreet van ontzetting weerklonk, alleen de beide Apachen hadden geen

enkel geluid geuit. Zij knielden naast hun vriend, die zich had

opgeofferd, neer, en onderzochten zwijgend zijn wond. De kogel zat

dicht bij ’t hart, het bloed kwam met kracht te voorschijn. Kleki-Petra

had de oogen gesloten, zijn gezicht werd vaalbleek.

—Neem zijn hoofd in uw schoot,—verzocht ik Winnetou,—als hij de oogen

opent en u ziet, zal dit zijn dood verzachten.

Winnetou voldeed zwijgend aan mijn verzoek, zonder een spier te

vertrekken, maar zijn blik bleef rusten op het aangezicht van den

stervende. Langzaam opende deze de oogen, hij zag Winnetou aan, en

terwijl een gelukkige glimlach over zijn lippen gleed, fluisterde hij:

—Winnetou, schi ija Winnetou!—Winnetou! O, mijn zoon Winnetou!

Toen was het of zijn brekend oog nog iemand anders zocht; het bleef op

mij rusten en in het Duitsch verzocht hij mij:

—Blijf bij hem... hem trouw... mijn werk voltooien...

Hij hief zijn hand op, ik nam die in de mijne en antwoordde:

—Ik zal het doen, zeker, ik zal het doen.

Toen kreeg zijn gelaat een bijna bovenaardsche uitdrukking en met

stervende stem bad hij:

—Daar valt mijn blad... afgescheurd... niet zacht... het is de laatste

boete... ik sterf zooals... als ik het... gewenscht. Mijn God,

vergeef... vergeef!... Genade... Genade... Ik kom... ik kom...

genade!...

Hij vouwde de handen... nog een bloedgolf uit de wonde en zijn hoofd

zonk achterover... hij was dood!

Hij had gewenscht, voor Winnetou te kunnen sterven; hoe spoedig was

deze wensch vervuld geworden! Dit was de laatste boete geweest, welke

hij kon brengen. God is Liefde en Barmhartigheid. Hij vergeeft den

zondaren.

Winnetou legde het hoofd van den doode op het gras, stond langzaam op

en zag zijn vader vragend aan.

—Daar ligt de moordenaar, ik heb hem op den grond geworpen,—zeide

ik;—doe met hem wat ge wilt.

—Vuurwater!

Dit was het eenige korte antwoord, dat het opperhoofd mij gaf, maar op

welk een bitter minachtenden toon werd dat uitgesproken.

—Ik wil uw vriend zijn, uw broeder, ik ga met u!—klonk het uit mijn

mond.

Toen spuwde hij mij in ’t gezicht en zeide:

—Schurftige hond, dief, stinkende coyote, als gij het waagt ons te

volgen, verpletter ik u!

Had een ander mij dat gezegd, ik zou hem met de vuist hebben

geantwoord. Waarom deed ik het nu niet? Had ik, als indringer, deze

tuchtiging verdiend? Ik weet het niet, ik liet mij deze woorden

welgevallen; mij echter nogmaals aanbieden, kon ik toch ook niet.

De blanken stonden allen zwijgend daarbij, vol spanning wat de Apachen

nu zouden doen. Deze verwaardigden ons echter met geen enkelen blik.

Zij tilden het lijk op het paard en bonden het vast, toen stegen zij

zelf in den zadel en reden langzaam weg. Geen woord van wraak of

bedreiging kwam over hun lippen, zij keerden zelfs het hoofd niet naar

ons om, maar juist dit stilzwijgen was zoo onheilspellend.

—Dit was verschrikkelijk en kan nog verschrikkelijker worden!—zeide Sam

Hawkins.—Daarginds ligt de schurk, nog bewusteloos van uw slag, wat

moeten wij met hem doen?

Ik gaf geen antwoord, ik zadelde mijn paard en reed weg; ik moest

alleen zijn na dit vreeselijke uur.—Het was reeds laat in den avond,

toen ik moe en afgemat, geestelijk en lichamelijk geheel verslagen, in

de legerplaats terugkwam.

Winnetou · 第 7 / 24 题