De herfst die in Noord-Amerika zoo mooi kan zijn, liep ten einde; wij
waren reeds meer dan drie maanden bezig geweest en nog was onze taak
niet afgeloopen, terwijl de andere secties meest allen reeds naar huis
waren teruggekeerd. Daarvoor bestonden twee redenen.
Ten eerste hadden wij een zeer moeielijke streek te bewerken. De weg
moest den loop van de Canadian-rivier volgen, de richting was dus tot
aan het brongebied van deze rivier voorgeschreven, terwijl hij van
Nieuw-Mexico uit, door de ligging der dalen en passen was bepaald. Onze
sectie evenwel, lag tusschen de Canadian-rivier en Nieuw-Mexico in, en
wij moesten zelf de geschiktste richting zoeken. Daarom moesten wij
vele tijdroovende ritten, vele inspannende zwerftochten en vele
opmetingen doen, voor wij met het eigenlijke werk konden beginnen.
Bovendien bevonden wij ons in een gevaarlijke streek, want er zwierven
in deze buurt gedurig Indianenstammen rond, die van een spoorweg, door
een terrein, dat zij als het hunne beschouwden, niets wilden weten. Wij
moesten dus steeds op onze hoede zijn en dit maakte ons werk zooveel
moeilijker. Met het oog op deze rondzwervende stammen, moesten wij er
ook van afzien op jacht te gaan, want dit zou hen op ons spoor kunnen
brengen. Alles wat wij noodig hadden moest met ossenwagens uit Santa-Fé
worden aangevoerd. Jammer genoeg was dit transport zeer ongeregeld en
wij konden dikwijls niet met onze opmetingen voortgaan, omdat wij op de
aankomst der wagens moesten wachten.
De tweede reden was deze. Ik heb reeds gezegd, dat ik in Sint-Louis
zeer vriendelijk was ontvangen door den hoofdingenieur en de drie
opzichters. Deze ontvangst deed mij verwachten, dat wij prettig samen
zouden werken, maar daarin had ik mij vergist.
Mijn collega’s waren echte Yankees, die in mij den „greenhorn”, den
onervaren Duitscher zagen. Zij wilden veel geld verdienen zonder er
naar te vragen, of zij hun taak ook werkelijk naar behooren vervulden.
Ik was als eerlijk man een doorn in hun oog, maar ik stoorde mij niet
aan hen en deed, wat ik mijn plicht achtte. Reeds heel spoedig had ik
opgemerkt, dat hun kennis niet heel groot was, zij lieten mij het
moeielijkste werk doen en namen het zelf zoo gemakkelijk mogelijk op.
Ik had daar niets tegen, want ik wist, dat men van werken beter wordt.
Mr. Bancroft, de hoofdingenieur, was de knapste van allen, jammer
genoeg bleek het, dat hij duchtig de brandewijnflesch kon aanspreken.
Sedert er eenige vaatjes van dit nat uit Santa-Fé waren meegebracht,
hield hij zich daarmee meer bezig, dan met zijn meetinstrumenten. Het
kwam wel voor, dat hij dagen aaneen dronken was en Rigss, Marcy en
Wheeler, de drie opzichters, die met mij dezen snaps hadden moeten
betalen, dronken, om niet aan het kortste eind te komen, met hem mee.
Men kan dus denken dat deze heeren ook niet altijd in staat waren hun
werk te doen. Daar ik nooit een droppel nam werkte ik alleen, terwijl
zij afwisselend zich bedronken, of hun roes uitsliepen. Wheeler was nog
de beste, want hij zag ten minste in, dat ik alles voor hem deed zonder
daartoe verplicht te zijn. Dat het werk onder deze omstandigheden
weinig vorderde, zal ieder kunnen begrijpen.
Het overige gezelschap liet niet minder te wenschen over. Wij hadden
bij onze aankomst aan de sectie twaalf op ons wachtende prairiejagers
gevonden. Ik, als nieuweling, koesterde in den eersten tijd, diepen
eerbied voor hen, maar ik zag maar al te spoedig in, dat ik met lieden
van zeer weinig zedelijk gehalte te doen had. Zij moesten ons
beschermen en ons bij het werk behulpzaam zijn. Gelukkig kwam volle
drie maanden lang niets voor, dat mij aanleiding kon geven, mij onder
deze twijfelachtige bescherming te stellen en wat hun hulp bij het werk
betreft, zoo kon ik met volle recht beweren, dat hier de twaalf
grootste luiaards van de Vereenigde Staten bijeen waren gekomen. Hoe
treurig moest het dus onder zulke omstandigheden, met tucht en orde
gesteld zijn!
Bancroft was in naam het hoofd, hij deed ook, alsof hij dit was, gaf
bevelen, maar niemand gehoorzaamde. Als hij iets zeide, lachte men hem
uit, dan vloekte hij, zooals ik zelden een mensch heb hooren vloeken en
ging naar het brandewijnvat om een kleine belooning voor deze
inspanning. Rigss, Marcy en Wheeler deden niet veel anders. Ik had dus
alle reden om de teugels in handen te nemen en ik deed dit ook, maar
zoo, dat men het niet bemerkte. Zulk een jong en onervaren mensch kon
door zulke lieden onmogelijk voor vol worden aangezien. Indien ik eens
beproefd had op gebiedenden toon te spreken zou ik natuurlijk
uitgelachen zijn geworden. Neen, ik moest voorzichtig te werk gaan, en
hen met een zacht lijntje leiden, zoodat zij, denkende hun eigen zin te
doen, per slot van rekening den mijnen volgden. Ik werd door deze half
wilde, moeilijk te regeeren prairiejagers wel tienmaal daags een
„greenhorn” genoemd, maar daaraan stoorde ik mij niet meer en werd er
zelfs niet eens kregelig onder.
Hierbij had ik een voortreffelijke steun aan Sam Hawkins en zijn
makkers, Dick Stone en Willy Parker. Deze drie mannen waren door en
door eerlijk en bovendien wat ik den kleinen Sam bij onze eerste
ontmoeting niet had aangezien, ervaren, verstandige, dappere jagers,
wier namen een goeden klank hadden. Zij bemoeiden zich enkel met mij en
lieten de anderen links liggen, evenwel zoo, dat deze zich niet
beleedigd konden gevoelen. Vooral Sam Hawkins verstond de kunst, om,
ondanks zijn dwaze eigenaardigheden, aan de anderen eerbied in te
boezemen, en meestal wanneer hij op half strengen, half gekscherenden
toon iets doorzette, geschiedde dit om mij behulpzaam te zijn in ’t
geen ik wilde, dat gebeuren zou.
Er was tusschen hem en mij een soort van verhouding geboren geworden,
die ik het beste met den naam van suzereiniteit, zou kunnen betitelen.
Hij had mij onder bescherming genomen, en wel als iemand, wien men niet
behoeft te vragen, of hem dit welgevallig is. Ik was een „greenhorn” en
hij een ervaren prairiejager, wiens woorden en daden voor mij
onfeilbaar dienden te zijn. Hij gaf mij zoo dikwijls zich daartoe de
tijd en gelegenheid aanbood, theoretisch en practisch onderricht in
alles, wat men in de Far-West moet weten en kennen, en wanneer ik heden
ten dage moet erkennen, dat ik aan Winnetou’s zijde de hoogeschool
doormaakte, zoo moet ik zeggen, dat Sam Hawkins mijn eerste onderwijzer
is geweest. Hij maakte zelfs eigenhandig een lasso voor mij gereed en
stond mij toe, mij in het werpen op zijn persoon en zijn paard te
oefenen. Toen ik het daarmede zoover had gebracht, dat de strop bij
iederen worp het doel greep, verheugde hij zich hartelijk met mij en
riep:
—Mooi zoo, jongeheer, zoo gaat het goed. Maar trek u niet te veel aan
van mijn goedkeuring. Een schoolmeester moet zelfs den domsten leerling
zoo nu en dan eens een prijsje geven. Ik heb reeds menig jongmensch
deze kunst geleerd en allen hebben het veel spoediger beetgehad, dan
gij, maar wanneer gij u zoo vlijtig oefent, bestaat er kans, dat men u
na zes of acht jaar, geen „greenhorn” meer behoeft te noemen. Tot
zoolang moogt gij u troosten, met het spreekwoord, dat Hans wel eens
door zijn domheid voortkomt.
Hij zeide dit met den grootsten ernst en ik hoorde het ook met
denzelfden ernst aan, hoewel ik zeer goed wist, dat hij het anders
meende.
Van al zijn lessen waren mij de practische het aangenaamste, want mijn
eigen werk nam mij zoo in beslag, dat ik, wanneer Sam Hawkins er niet
geweest was, er niet den tijd zou hebben afgenomen om mij nog te
oefenen in de vaardigheden, die noodzakelijk zijn voor een goed
prairiejager. Trouwens, wij deden deze oefeningen in ’t geheim en
gingen steeds op zulk een afstand van de legerplaats, dat men ons niet
kon zien. Sam was daarop gesteld en toen ik hem eens naar de reden
vroeg, antwoordde hij:
—Dat gebeurt alleen om u, sir. Gij hebt zoo weinig aanleg, dat ik mij
tot in mijn ziel zou schamen, als die kerels het zagen. Nu weet ge het,
hihihihi! Steek die in je zak!
Het gevolg daarvan was, dat het geheele gezelschap mij, wat betreft
hanteering der wapenen en lichamelijke kracht, voor een nul aanzag, wat
mij echter niet in het minste hinderde. Niettegenstaande alle zooeven
genoemde feiten, waren wij eindelijk toch zoover gekomen, dat wij de
aansluiting aan de volgende sectie, na verloop van een week tegemoet
konden zien. Om dit mee te deelen, moest een bode worden afgezonden.
Bancroft verklaarde, dat hij deze boodschap zelf wilde brengen en een
der jagers als gids wilde medenemen. Het was niet de eerste keer, dat
er een boodschap moest worden gedaan; wij hadden, zoowel met de sectie
voor als achter ons, steeds de gemeenschap onderhouden; daarvan wist ik
dan ook, dat de ingenieur, die over de sectie vóór ons het bevel had,
een flinke man was.
Het was op een Zondag, dat Bancroft den tocht wilde gaan aanvaarden.
Hij vond het echter noodig eerst een afscheidsdronk aan te bieden. Ik
alleen werd daarbij niet uitgenoodigd en Hawkins, Stone en Parker gaven
aan de hun gedane uitnoodiging geen gevolg. Zooals ik wel gedacht had,
hield men niet op met drinken voor Bancroft niet meer op de beenen kon
staan en ook de anderen niet minder dronken waren dan hij. Van den
voorgenomen tocht kon voorloopig niets komen. De kerels deden wat zij
in dezen toestand altijd deden; zij gingen onder de boomen liggen om
hun roes uit te slapen.
Wat nu te doen? De boodschap moest gedaan worden, en deze kerels zouden
in elk geval niet voor laat in den middag wakker worden. Het was het
beste, dat ik den tocht ondernam, maar kon ik wel weg? Ik wist zeker,
dat er tot aan mijn terugkomst, die minstens vier dagen zou duren, van
werken geen sprake zou zijn. Terwijl ik met Sam Hawkins stond te
overleggen, wees deze met de hand naar het westen en zeide:
—’t Is niet noodig, sir, dat gij gaat, gij kunt de boodschap meegeven
aan die twee, die daarginds aankomen.
Toen ik in de aangeduide richting keek, zag ik twee ruiters die snel
naderden. Het waren blanken en in den eenen herkende ik den ouden scout
(spoorzoeker), die reeds meermalen als boodschapper tusschen ons en de
andere secties dienst had gedaan.
Naast hem reed een jonge man, die niet als prairiejager was gekleed, en
dien ik niet kende. Ik ging hen tegemoet en toen ik hen bereikt had,
hielden zij de paarden in en vroeg de jonge onbekende naar mijn naam.
Ik zeide hem dien, hij zag mij met een vriendelijken blik aan en begon:
—Zoo, zijt gij de jonge Duitscher, die hier al het werk doet, terwijl
de anderen op hun rug liggen? Ik zal u ook mijn naam zeggen, sir, ik
heet White.
Dit was de naam van den ingenieur der westelijk aan ons grenzende
sectie, aan wien de boodschap moest worden gericht. Er moest een
bepaalde reden voor zijn, dat hij persoonlijk hier kwam. Hij steeg van
zijn paard, stak mij de hand toe en liet zijn oog gaan over onze
legerplaats. Toen hij de slapenden onder de boomen gewaar werd, gleed
een veelbeteekenend, maar geenszins vriendelijk lachje over zijn
gezicht.
—Zijn zij dronken?—vroeg hij.
Ik knikte toestemmend.
—Allen?
—Ja. Mr. Bancroft wilde naar u toe, en gaf eerst een klein
afscheidsfeestje. Ik zal hem wekken en...
—Halt!—viel hij mij in de rede.—Laat hen slapen! Ik ben blij, dat ik
met u kan spreken, zonder dat zij het hooren. Laat ons een weinig ter
zijde gaan. Wie zijn de drie mannen, die daar bij u stonden?
—Sam Hawkins, Willy Parker en Dick Stone, onze drie vertrouwbare
gidsen.
—Ah, Hawkins, de kleine zonderling, een flinke kerel, ’k heb wel van
hem gehoord. Die drie mogen wel met ons gaan.
Ik wenkte hen en zeide intusschen tot Mr. White:
—Gij komt zelf hier, Mr. White, is er iets bijzonders aan de hand?
—Niets, dan dat ik zelf hier eens poolshoogte wilde nemen en met u,
juist met u, wilde spreken. Wij zijn met onze sectie gereed, gij nog
niet met de uwe.
—Dat komt van de moeilijkheden van het terrein, en ik wil...
—Ik weet het wel, ik weet het wel!—viel hij mij in de rede.—Ik weet
helaas alles! Als gij niet werk voor drie hadt gedaan, stond Mr.
Bancroft nog daar, waar hij moest beginnen.
—Dat is volstrekt het geval niet, mr. White. Ik weet niet, wie u
verteld heeft, dat ik alleen vlijtig zou zijn geweest en het is mijn
plicht—
—Zwijg, sir, er zijn telkens boden tusschen u en ons heen en weer
gereden, en ik heb hen uitgehoord, zonder dat zij ’t merkten. Het is
zeer edelmoedig van u, dat gij deze dronkaards in bescherming neemt,
maar ik wil de waarheid weten. En daar ik zie en hoor, dat gij te
eerlijk zijt, om haar mij te zeggen, zal ik het maar aan Sam Hawkins
vragen. Laat ons gaan zitten!
Wij waren naar onze tent gegaan. Hij ging in ’t gras voor de tent
zitten en noodigde ons uit ’t zelfde te doen. Toen wij goed en wel
gezeten waren, begon hij Sam Hawkins, Stone en Parker uit te vragen.
Zij vertelden hem alles, zonder een enkel woord te veel te zeggen, maar
toch wierp ik zoo nu en dan een woordje in ’t midden, om mijn collega’s
te verschoonen of te verdedigen.
Deze opmerkingen maakten evenwel niet den gewenschten indruk op Mr.
White, integendeel verzocht hij mij herhaalde malen, niets tot hun
verschooning in te brengen, daar hen dit toch niet zou helpen.
Eindelijk, toen hij alles wist, eischte hij van mij, dat ik hem onze
teekeningen en het dagboek zou laten zien; ik behoefde dit niet te
doen, maar ik deed het, omdat ik hem anders zou hebben gekrenkt en
omdat ik zag, dat hij ’t goed met mij meende. Hij zag alles nauwkeurig
na, en toen hij mij op den man af vroeg, kon ik niet loochenen, dat ik
alleen de teekenaar en schrijver was geweest, want geen der anderen had
een pennestreek gedaan of een letter geschreven.
—Maar aan dit dagboek kan men niet zien, hoeveel arbeid ieder voor zich
heeft gedaan, gij zijt veel te ver gegaan in uw collegialiteit.
Toen merkte Hawkins met een guitig gezicht op:
—Zoek zijn borstzak eens na, Mr. White. Daar zult gij een blikje
vinden, waarin sardinen zijn geweest. In plaats van de vischjes zitten
er papieren in. Dat zal zijn eigen dagboek zijn, als ik mij niet
vergis, en daarin zult ge heel wat anders lezen, dan in dit officieele
bericht, waarin hij de luiheid van zijn makkers verbergt.
Ik vond het volstrekt niet aangenaam, dat Sam mijn geheim vertelde,
maar Mr. White verzocht mij hem ook dit dagboek te laten zien. Wat zou
ik doen? Verdienden mijn collega’s, dat ik voor hen werkte en dit ook
nog verzweeg? Bovendien kon ik ook niet onbeleefd zijn tegenover Mr.
White. Ik gaf hem dus mijn dagboek, evenwel onder voorwaarde, dat hij
van den inhoud aan niemand iets zou vertellen. Hij las het door, gaf
het mij toen terug en zei:
—Eigenlijk moest ik deze bladen meenemen en ze brengen waar ze
behoorden te komen; uw collega’s zijn onwaardige menschen, aan wie geen
dollar meer moest worden uitbetaald, u echter moest men drievoudig
betalen. Maar, gij moet zelf weten, wat gij wilt. Alleen wil ik u dit
nog zeggen, dat het voor u van belang zal zijn, deze aanteekeningen
goed te bewaren, zij kunnen u later van veel nut zijn. En nu zullen wij
de brave lieden eens wakker maken.
Hij ging opstaan en begon lawaai te maken, waarop de „heeren” met
waterige oogen en booze gezichten van achter de boomen te voorschijn
kwamen. Bancroft kwam direct op mij toe, om mij een standje te maken,
dat ik hem in zijn slaap gestoord had, maar toen ik hem vertelde, dat
Mr. White van de volgende sectie hier gekomen was, hield hij zich stil.
De beide ingenieurs hadden elkander nog nooit ontmoet en het eerste wat
Mr. Bancroft deed, was den ander een beker brandewijn aanbieden.
Hiermee kwam hij echter aan het verkeerde adres, Mr. White bedankte,
maar gaf in plaats daarvan een boetpredikatie, welke lang niet malsch
was. Bancroft was buiten zichzelf van woede, greep den spreker bij den
arm en schreeuwde:
—Mijnheer, wilt gij mij dadelijk zeggen, hoe gij heet?
—Ik heet White, dat hebt gij immers gehoord?
—En wat zijt gij?
—Hoofdingenieur van de naburige sectie.
—Heeft iemand van ons u daar iets te bevelen?
—Ik zou denken van niet.
—Welnu! Ik heet Bancroft en ben hoofdingenieur van deze sectie. Niemand
heeft mij iets te bevelen en allerminst Mr. White.
—Wij staan geheel gelijk,—antwoordde deze kalm.—Geen van ons beiden
behoeft bevelen van den ander aan te hooren; maar wanneer de een ziet,
dat de ander de onderneming, voor welke beiden moeten werken,
benadeelt, dan is het zijn plicht, dezen daarop opmerkzaam te maken. Uw
taak schijnt te zijn het brandewijnvat leeg te maken. Ik tel hier
zestien menschen, die allen dronken waren, toen ik twee uren geleden
aankwam, en dus...
—Twee uur geleden?—viel Bancroft hem in de rede,—zijt gij reeds zoolang
hier?
—Zeker, ik heb alle opmetingen nagezien en geïnformeerd, wie ze gedaan
heeft. Gij hebt hier een lui leventje geleid, terwijl een, en nog wel
de jongste van u, alleen het werk heeft gedaan.
Bancroft wendde zich nu tot mij:
—Dat hebt gij gezegd en geen ander,—wierp hij mij toe.—Ontken het maar
niet, gij leugenaar en verrader!
—Neen,—antwoordde White—uw jonge collega heeft als een gentleman
gehandeld, en alleen goeds van u gezegd. Hij heeft u in bescherming
genomen en ik raad u aan, hem verschooning te vragen, dat gij hem een
leugenaar en een verrader genoemd hebt.
—Om verschooning vragen? Ik denk er niet aan!—lachte Bancroft
hoonend,—dit jongmensch weet geen driehoek van een vierhoek te
onderscheiden en verbeeldt zich toch nog opzichter te zijn. Wij zijn
niet verder gekomen, omdat hij alles verkeerd had gedaan en wij alles
moesten overdoen, en wanneer hij nu, in plaats van dit in te zien en te
erkennen, ons bij u zwart maakt, dan...
Verder kwam hij niet. Ik was maanden lang geduldig geweest en had deze
lieden over mij laten denken, wat zij wilden, maar nu was het oogenblik
gekomen, om hen te toonen, dat zij zich in mij vergist hadden. Ik nam
Bancroft bij den arm, hield hem zóó stijf vast, dat hij van pijn
ineenkromp, en zeide tot hem:
—Mr. Bancroft, gij hebt te veel brandewijn gedronken en niet kunnen
uitslapen, ik wil aannemen dat gij dronken zijt en dus maar doen, alsof
gij niets hebt gezegd.
—Ik dronken? gij zijt gek!—antwoordde hij.
—Ja, zeker, dronken! Want, wanneer ik wist, dat gij nuchter waart en
deze beschuldigingen met opzet hadt uitgesproken, dan zou ik gedwongen
zijn, u als een hond neer te schieten, begrepen? Hebt gij nu nog den
moed te ontkennen, dat gij dronken zijt?—Ik hield zijn arm nog altijd
stevig vast. Hij had zeker niet gedacht, dat hij ooit bang voor mij zou
behoeven te zijn, maar, hoewel hij geen zwakke man was, scheen de
uitdrukking van mijn gezicht hem toch eerbied in te boezemen, Hij wilde
niet erkennen dat hij dronken was, evenmin wilde hij zijn
beschuldigingen intrekken daarom wendde hij zich om hulp tot den
aanvoerder der twaalf prairiejagers.
—Mr. Rattler,—begon hij—duldt gij, dat deze kerel zich aan mij
vergrijpt? Zijt gij niet hier om ons te beschermen?
Deze Rattler was een lange, breed gebouwde kerel, een ruw schepsel,
oogenschijnlijk zoo sterk als drie of vier man, en tegelijk Bancroft’s
trouwe kameraad in het drinken.
Hij mocht mij niet lijden en greep daarom dankbaar deze gelegenheid aan
om lucht te geven aan zijn haat tegen mij. Snel kwam hij nader, greep
mijn arm, zooals ik nog altijd dien van Bancroft vasthield en
antwoordde:
—Neen, dat kan ik niet dulden, Mr. Bancroft. Dit kind heeft zijn eerste
kousen nog niet doorgeloopen en durft hier bedreigingen te uiten tegen
volwassen menschen. Laat den arm los, knaap, of ik zal u toonen, wat
een „greenhorn” gij zijt.—Hij schudde mij heftig heen en weer, maar dit
was mij des te liever, omdat hij een sterkere tegenpartij was, dan de
hoofdingenieur. Als ik hem mores leerde, zou ik meer succes hebben, dan
wanneer ik dezen toonde, dat ik geen lafaard was. Ik rukte den arm los
en antwoordde:
—Ik, een knaap, een greenhorn? Trek uw woorden onmiddellijk in, mr.
Rattler, anders werp ik u op den grond!
—Gij mij?—lachte hij.—Zulk een „greenhorn” is werkelijk zoo dom te
gelooven, dat...
Hij kon niet verder spreken, want ik gaf hem met de vuist zulk een
geweldigen slag tegen de slapen, dat hij als een zak in elkaar zonk en
bewusteloos bleef liggen. Eenige oogenblikken heerschte diep
stilzwijgen, toen riep een van Rattler’s kameraden:
—Wat drommels! Moeten wij kalm toezien, dat zulk een verloopen
Duitscher onzen aanvoerder neerslaat. Grijpt den schurk!
Hij sprong op mij toe. Ik ontving hem met een schop in de maagstreek.
Dit is een zeker middel, om de tegenpartij van de been te brengen, men
moet evenwel daarbij zelf vast op het andere been blijven staan. De
kerel viel en in ’t zelfde oogenblik, zat ik op hem en gaf hem eveneens
een vuistslag op den slaap. Toen sprong ik haastig overeind, nam mijn
beide revolvers uit mijn gordel en riep:
—Wie nu nog? Kom maar op!
Rattler’s bende scheen grooten lust te hebben, de nederlaag hunner
beide kameraden te wreken; de een zag den ander aan, ik waarschuwde
echter:
—Luistert naar mij! wie een stap doet of met de hand naar zijn wapen
grijpt, krijgt oogenblikkelijk een kogel door den kop! Denkt voor mijn
part, wat gij wilt, van den „greenhorn” in ’t algemeen, maar wat een
Duitschen „greenhorn” betreft, zal ik u toonen, dat één enkele, het
tegen twaalf prairiejagers, als gij zijt, durft opnemen.
Toen kwam Sam Hawkins op mij toe en zeide:
—En ik, Sam Hawkins, wil u ook waarschuwen, als ik mij niet vergis.
Deze jonge, Duitsche „greenhorn” staat onder mijn bijzondere
bescherming. Wie het waagt, hem een haar te krenken, krijgt het met mij
te kwaad, denkt er om, hihihihi!
Dick Stone en Willy Parker hielden het voor noodig, ook naast mij te
komen staan, ten teeken, dat zij het geheel met Sam Hawkins eens waren.
Dit maakte indruk op de tegenstanders. Zij keerden zich om, bromden en
vloekten wat voor zich heen, en knielden naast de beide gevallenen neer
om te beproeven hen weer tot bewustzijn te brengen; Bancroft scheen het
’t verstandigste te vinden, naar zijn tent te gaan en stilletjes van
het tooneel te verdwijnen.
White had mij al dien tijd met groote, verwonderde oogen aangestaard,
nu schudde hij eindelijk het hoofd en zeide op een toon van ongeveinsde
verbazing:
—Maar, sir, dat is vreeselijk! Voor geen geld zou ik in uw handen
vallen, men moest u Shatterhand noemen, omdat gij een reuzensterken man
met een enkelen vuistslag nederwerpt. Zoo iets heb ik nog van mijn
leven niet gezien!
Dit voorstel scheen den kleinen Hawkins te bevallen. Vroolijk riep hij
uit:
—Shatterhand, hihihihi! Een „greenhorn” nog, en reeds een krijgsnaam,
en dan wel zulk een! Ja, als Sam Hawkins zijn oog op een „greenhorn”
laat vallen, dan steekt daar iets meer in, als ik mij niet vergis.
Shatterhand, Old-Shatterhand! Evenals Old-Firehand, die ook een
prairiejager was en sterk als een beer. Wat zegt gij wel van dezen
naam, Dick en Will?
Ik hoorde niet, wat zij antwoordden, want White nam mij bij den arm,
voerde mij een weinig ter zijde en vroeg:
—Hebt gij geen lust, met mij mee te gaan?
—Lust of niet, Mr. White, ik mag niet.
—Waarom niet?
—Omdat mijn plicht mij hier houdt.
—Kom, dat neem ik op mijn verantwoording.
—Dat helpt mij niet. Ik ben hierheen gezonden, om deze sectie te helpen
opmeten, en kan niet weggaan, voor wij daarmee gereed zijn.
—Bancroft zal het werk met de drie andere wel ten einde brengen.
—Ja, maar wanneer en hoe! Neen ik moet blijven!
—Maar bedenk, dat dit gevaarlijk voor u is!
—Waarom?
—Kunt ge mij dat vragen? Gij moet toch inzien, dat gij deze lieden
tegen u hebt gemaakt.
—Ik heb hen immers niets misdaan.
—Dat is waar, of liever, dat was tot vandaag toe waar. Nu gij echter
twee van hen zoo hebt getracteerd, is het geheel uit tusschen u en hen.
—’t Kan zijn, maar ik ben niets bang. En juist deze beide vuistslagen
hebben hen ontzag voor mij ingeboezemd; ik denk dat niemand zich zoo
licht aan mij zal wagen. Bovendien zullen Hawkins, Stone en Parker mij
trouw ter zijde staan.
—Welnu, zooals gij wilt, eens menschen zin is eens menschen leven, maar
het kan ook wel eens zijn dood zijn. Ik had u wel kunnen gebruiken.
Maar gij wilt mij toch zeker wel een eind weegs terugbrengen?
—Wanneer?
—Dadelijk.
—Wilt gij dadelijk weggaan, Mr. White?
—Ja, ik heb den toestand hier zóó gevonden, dat ik volstrekt geen lust
gevoel, hier langer te blijven, dan noodzakelijk is.
—Maar gij moet toch eerst iets eten, voor gij den terugtocht aanvaardt.
—Dat is niet noodig. Wij hebben eetwaren in onze zadeltasschen
meegebracht.
—Wilt gij geen afscheid nemen van Mr. Bancroft?
—Daartoe heb ik geen lust.
—Maar gij waart immers gekomen, om met hem over zaken te spreken!
—Zeker, maar ik kan u dit evengoed zeggen, ik wilde hem voornamelijk
waarschuwen voor de roodhuiden.
—Hebt gij er eenigen gezien?
—Neen, dat juist niet, maar wel hun sporen. Wij zijn in den tijd, dat
de wilde mustangs en buffels zuidwaarts trekken, dan verlaten de
roodhuiden hun dorpen, om te jagen en hun vleeschvoorraad te
verzamelen. Van de Kiowas hebben wij niets te vreezen; met hen zijn wij
het eens geworden over den aanleg van den weg, maar de Comanchen en
Apachen weten er niets van en dus mogen wij ons niet door hen laten
zien. Wat mij betreft, ik ben met mijn werk gereed en ga deze streek
verlaten. Maak ook, dat gij klaar komt. Deze bodem wordt van dag tot
dag gevaarlijker voor u. Zadel uw paard nu en vraag Sam Hawkins, of hij
lust heeft mee te rijden.
Natuurlijk had Sam lust.
Eigenlijk had ik dien dag moeten werken, maar het was Zondag, de dag
des Heeren, waarop de Christen, zelfs al bevindt hij zich in de
wildernis, zich met zijn geestelijke plichten moet bezighouden.
Bovendien had ik wel eens een rustdag verdiend. Ik ging dus naar de
tent van Mr. Bancroft en zeide hem, dat ik vandaag niet meer zou
werken, maar Mr. White een eind weg zou brengen.
—Ga voor mijn part met hem mee en breek uw nek!—antwoordde hij en ik
kon toen niet denken, dat deze ruwe wensch, binnenkort bijna vervuld
zou zijn geworden.
Ik had sedert eenige dagen niet te paard gezeten en mijn schimmel
hinnikte vroolijk, toen ik hem zadelde. Het dier had zich buitengewoon
goed gehouden en ik verheugde mij er reeds bij voorbaat op, dit aan
mijn ouden „gunsmith” te kunnen vertellen.
Wij reden welgemoed uit, spraken over de grootsche plannen, om hier een
spoorweg aan te leggen en verder over alles, wat ons op het hart lag.
White gaf me de noodige wenken, over de aansluiting aan de volgende
sectie en tegen den middag maakten wij halt, om bij een beekje een
eenvoudig maal te gebruiken. Na verloop daarvan reed White met zijn
gids verder, en wij bleven nog een poosje liggen, om over godsdienstige
onderwerpen te spreken.
Hawkins was namelijk een vroom man, al liet hij dit tegenover anderen
nooit blijken.
Even voordat wij opstonden om terug te keeren, bukte ik mij om met mijn
hand water uit het beekje te scheppen. Door het kristalheldere nat, zag
ik op den bodem een indruk, welke veel op een voetspoor geleek.
Natuurlijk maakte ik Sam daarop opmerkzaam. Hij onderzocht den indruk
nauwkeurig en zeide toen:
—Mr. White had wel gelijk, toen hij ons voor de Indianen waarschuwde.
—Meent gij dan, Sam, dat dit het spoor van een Indiaan is?
—Ja zeker, hoe gevoelt gij u daarbij?
—Ik gevoel niets.
—Kom. Gij moet toch iets denken of gevoelen?
—Wat moet ik anders denken, dan dat hier een roodhuid geweest is?
—Gij voelt dus geen angst?
—Volstrekt niet.
—Of ongerustheid?
—Evenmin.
—Ja, maar gij kent de roodhuiden ook niet.
—Ik hoop ze evenwel te leeren kennen. Zij zullen wel niet anders zijn
dan andere menschen, de vijanden van hun vijanden en de vrienden van
hun vrienden, en daar het niet mijn plan is, vijandig tegen hen op te
treden, denk ik, dat ik niets van hen te vreezen heb.
—Gij zijt nu eenmaal een „greenhorn” en zult het wel altijd blijven. Al
neemt gij u nog zoo vast voor, de roodhuiden zus of zoo te behandelen,
het komt toch anders uit, dan gij denkt. De gebeurtenissen zijn niet
afhankelijk van uw wil. Gij zult dit ervaren, en ik hoop maar, dat deze
ervaring u niet een duchtig stuk vleesch uit uw lichaam of uw geheele
leven kost.
—Wanneer zou deze Indiaan hier geweest zijn?
—Ongeveer twee dagen geleden. Wij zouden hetzelfde spoor in het gras
hebben kunnen vinden, als dit zich sedert dien tijd niet weer had
opgericht.
—Zou ’t een spion zijn?
—Dat wil zeggen, een spion voor de buffels, want daar het tegenwoordig
vrede is tusschen de stammen, die hier verblijf houden, kan het geen
gewone spion zijn. De kerel was bovendien zeer onvoorzichtig en dus
waarschijnlijk zeer jong.
—Hoe dat?
—Een ervaren krijgsman zet nooit den voet zóó in ’t water, dat het
spoor op den vochtigen bodem dagenlang zichtbaar blijft. Zoo’n domheid
begaat slechts een domkop, die nog even „greenhorn” is, als gij zijt,
hihihihi.
Hij grinnikte zachtjes en stond toen op om zijn paard te bestijgen. De
goede Sam mocht mij gaarne zoo nu en dan eens een steek onder water
geven.
Wij hadden evengoed denzelfden weg terug kunnen keeren, maar als
opzichter was ik verplicht de streek goed te leeren kennen, daarom
reden wij een eind linksaf om langs een omweg weer op den eersten weg
terug te komen.
Daarbij kwamen wij in een tamelijk breed dal, dat met sappig gras
begroeid was; de heuvels, welke het omgaven, waren beneden met
kreupelhout, verder naar boven met hooge boomen bedekt. Het dal was
misschien een half uur lang en zoo recht, dat men er van ’t begin tot
het einde door kon zien. Wij waren nog slechts enkele passen in dit
vriendelijk dal, toen Sam zijn paard plotseling inhield en opmerkzaam
voor zich uit zag.
—Heijh-daij!—riep hij.—Daar zijn zij, daar zijn zij, de allereersten!
—Wat? vroeg ik.
Ik zag in de verte misschien achttien of twintig donkere stippen, die
zich langzaam voortbewogen.
—Wat?—herhaalde hij, terwijl hij in den zadel heen en weer schoof.
Schaamt gij u niet, zulk een vraag te doen? Maar och, gij zijt ook
zoo’n „greenhorn”. Zulke kerels als gij, zien zelfs met open oogen
niet. Wees toch zoo goed, eens te raden, wat voor dingen het zijn,
welke gij daar in de verte ziet!
—Raden? Wel ik zou ze voor reeën houden, als ik niet wist, dat dit
soort wild in troepen van niet meer dan tien stuks bijeen leeft. Ook
moet ik zeggen, dat de dieren daar, hoe klein zij van hier ook lijken,
veel grooter schijnen te zijn dan reeën.
—Reeën, hihihihi!—lachte hij.—Reeën, hier bij de bronnen van de
Canadian-rivier, dat is net wat voor u! Maar wat gij daar ’t laatst
zegt, was niet zoo slecht bedacht, ja, grooter zijn zij, deze dieren,
veel, veel grooter dan reeën!
—Maar beste Sam, het zijn toch geen buffels?
—Ja, natuurlijk, buffels! Bisons zijn het, echte bisons, die aan het
trekken zijn, de eerste, die ik zie. Nu weet ge, dat Mr. White gelijk
had: bisons en Indianen. Van de roodhuiden zagen wij enkel de
voetsporen, de buffels hebben wij echter in levenden lijve vóór ons.
Wat zegt ge daar wel van, als ik mij niet vergis?
—Wij moeten er heen!
—Natuurlijk!
—Ze nader bezien?
—Bezien, werkelijk?—vroeg hij, terwijl hij mij verbaasd van ter zijde
aanzag.
—Ja, ik heb nog nooit bisons gezien, en zou ze gaarne willen begluren.
—Begluren, alleen begluren?—vroeg Sam,—zooals een kleine jongen, door
de reten van een deur gluurt, om zijn konijntjes te zien? O,
„greenhorn” wat moet ik niet van u beleven. Niet beschouwen en begluren
wil ik ze, maar er jacht op maken!
—Vandaag, op Zondag!
Dit ontviel mij eigenlijk, maar Sam werd werkelijk boos en begon:
—Houd toch uw mond, sir! Wat geeft een echte prairiejager om den
Zondag, wanneer hij de eerste buffels voor zich ziet. Dat geeft
vleesch, en wat voor vleesch, als ik mij niet vergis! Een stuk
bisonlende is heerlijker dan het hemelsche ambrozius of ambrozijn, of
hoe dat goed mag heeten, waarvan de Grieksche goden leefden. Ik moet
een buffellende hebben, al zou het mij mijn leven kosten! De
omstandigheden zijn ons gunstig. Hier aan den linker, noordelijken kant
van het dal schijnt de zon, rechts echter is schaduw, laat ons daar
heengaan, dan merken de dieren ons niet op. Kom mee!
Hij zag zijn geweer na en stuurde zijn paard naar den zuidelijken rand
van het dal. Ik volgde zijn voorbeeld en zag ook naar mijn berendooder.
Toen hij dit zag, bleef hij een oogenblik staan en vroeg:
—Gij wilt toch niet deelnemen aan de jacht?
—Natuurlijk!
—Laat dat alsjeblieft, als ge ten minste niet binnen tien minuten tot
brij gestampt wilt zijn! Een bison is geen kanarievogel, dien men op
den vinger neemt en laat zingen. Voor gij u aan zulk gevaarlijk wild
waagt, moet gij nog veel onweerswolken over de rotsen zien trekken.
—Maar ik wil toch...
—Zwijg en gehoorzaam!—viel hij mij in de rede, op een toon, dien hij
nog nooit van te voren tegen mij had aangeslagen.—Ik wil uw dood niet
op mijn geweten hebben. Doe later wat ge wilt, nu duld ik geen
weerspannigheid!
Had er niet zulk een goede verstandhouding tusschen ons bestaan, dan
zou ik een scherp antwoord hebben gegeven, nu evenwel zweeg ik en reed
langzaam in de schaduwzijde achter hem aan.
—Er zijn twintig stuks,—vervolgde Sam nu op veel vriendelijker
toon—maar kom eens hier als er duizend en nog meer over de Savanna
jagen. Ik heb vroeger wel kudden van meer dan tien duizend gezien. Zij
leverden het voedsel voor de Indianen, maar de blanken hebben het hun
ontnomen. De roodhuid spaarde het wild, omdat hij het noodig had, de
blanke evenwel, heeft onder de ontelbare kudden huisgehouden, als een
wild roofdier, dat ook al is het verzadigd, nog voortmoordt, enkel uit
lust om bloed te vergieten. Het zal niet lang meer duren, of er is geen
enkele buffel meer en dan na korten tijd, ook geen enkele Indiaan. ’t
Is God geklaagd. En zoo gaat het ook met de paarden. Er waren troepen
van duizend mustangs, nu is men al blij, als men er eens een honderd
bij elkaar ziet.
Wij waren intusschen tot op een afstand van ongeveer vierhonderd pas
van de buffels gekomen, zonder dat zij ons opgemerkt hadden en nu hield
Sam zijn paard in. De dieren graasden langzaam het dal in. Het verst
vooruit was een oude stier, wiens reuzenlichaam ik met verbazing
beschouwde. Hij was zeker twee meter hoog en wel drie meter lang;
destijds kon ik het gewicht van een bison niet goed taxeeren, en zou ik
wel zeggen, dat dit dier wel 3000 pond woog. Hij lag zich genoegelijk
in een soort van poel te wentelen.
—Dat is de aanvoerder,—fluisterde Sam—de gevaarlijkste van den geheelen
troep. Wie het met hem te kwaad krijgt, kan zijn testament wel maken.
Ik neem die jonge koe rechts voor mijn rekening. Let er op, waar ik
haar den kogel geef. Achter het schouderblad, van de zijde schuin in
het hart, dat is het beste, ja het eenige zekere schot, behalve dat in
het oog, maar wie zou een bison van voren aanvallen! Blijf hier en
kruip wat tusschen ’t kreupelhout. Als zij mij zien en dan vluchten,
komt de wilde troep hierlangs. Krijg het niet in uw hoofd, deze plaats
te verlaten, voor ik terugkom en u roep!
Hij wachtte, tot ik mij tusschen de boomen had verborgen en reed toen
aanvankelijk langzaam en zacht verder. Het was mij zonderling te moede.
Ik had dikwijls gelezen, hoe men den bison jaagt, maar er is een groot
verschil tusschen het papier, waarop men zulke beschrijvingen drukt en
de wildernis, waarin men zulke jachten beleeft.
Vandaag zag ik voor ’t eerst in mijn leven buffels. Wat voor wild had
ik tot nu toe geschoten? In verhouding tot deze reusachtige,
gevaarlijke dieren, niets. Men zou dus denken, dat ik zeer ingenomen
zou zijn met Sam’s bevel, om niet aan deze jacht deel te nemen, maar
juist het tegendeel was waar. Eerst had ik slechts willen beloeren,
bestudeeren, nu voelde ik een onweerstaanbaren drang om mee te doen.
Sam wilde een jonge koe voor zijn rekening nemen, wel dacht ik, dat is
niets waard, een dapper man kiest juist den sterksten stier!
Mijn paard was buitengewoon onrustig geworden, het stampte met de
hoeven, was bang en wilde vluchten, en ik had nauwelijks de kracht, het
in toom te houden. Was het niet beter, hem te dwingen, den strijd met
den buffel te aanvaarden? Ik overlegde, innerlijk zeer kalm, tusschen
ja en neen, toen besliste de indruk van ’t oogenblik.
Sam was den bison tot op driehonderd pas genaderd, toen gaf hij zijn
paard de sporen en galoppeerde op de kudde toe, den grooten stier
voorbij, naar de koe, die hij mij gewezen had. Het dier bleef een
oogenblik staan. Ik zag, dat Sam op haar mikte en schoot. Wat er verder
gebeurde, weet ik niet, want mijn oog werd geboeid door een ander
schouwspel.
De reuzenstier was opgesprongen, hij keerde zich naar Sam Hawkins! Welk
een kolossaal dier! Deze dikke kop met gewelfden schedel, de wel is
waar korte, maar sterke gekromde horens, de dichte manen om den nek en
op de borst! het volmaakte beeld van oorspronkelijke, ruwe kracht. Ja,
dit was een hoogst gevaarlijk schepsel, maar dat gezicht prikkelde
letterlijk mijn verlangen, mijn menschelijke kracht te meten met deze
ongebonden dierlijke sterkte.
Wilde ik, of wilde ik niet? Ik weet het niet. Of ging mijn schimmel er
met mij van door? Hij vloog uit de boomen, wilde links gaan, maar ik
drong hem naar rechts en vloog op den stier aan. Deze hoorde mij
aankomen en boog den kop om ros en ruiter met de horens te ontvangen.
Ik hoorde Sam uit alle macht schreeuwen, maar ik had geen tijd om naar
hem om te zien. Op den bison schieten was onmogelijk, want ten eerste
zou ik hem niet treffen, en ten tweede wilde mijn paard mij niet
gehoorzamen, want van louter angst liep het recht op de horens toe. De
buffel had zijn achterpooten een weinig gebogen, en richtte nu den kop
omhoog, maar met inspanning van al mijn krachten gelukte het mij mijn
paard een weinig te zwenken en met een vervaarlijken sprong vloog het
over het achterdeel van den buffel, terwijl diens horens bijna mijn
beenen raakten. Wij kwamen juist in de slijkmassa terecht, waarin de
buffel zich zooeven gewenteld had; ik zag het en trok onmiddellijk de
voeten uit den stijgbeugel, tot mijn geluk, moet ik zeggen, want het
paard gleed uit en wij vielen. Hoe dat zoo snel kon gebeuren, weet ik
nog heden niet, maar ik stond in het volgende oogenblik naast den poel,
met het geweer vast in de hand. De buffel had zich naar ons toegekeerd
en sprong in ongelijke sprongen op het paard toe, dat zich ook had
opgericht en stond op het punt er van door te gaan. Nu was de tijd
gekomen om mijn berendooder op de proef te stellen. Nog een oogenblik
en de bison zou mijn schimmel hebben bereikt, ik legde aan en
schoot—het dier bleef staan; of het van schrik was, of dat mijn schot
getroffen had, wist ik niet, ik gaf hem dadelijk een tweeden kogel. Hij
hief langzaam den kop op, stiet een gebrul uit, dat den grond deed
trillen, wankelde eenige malen en viel op dezelfde plaats neer.
Ik had van louter vreugde over deze overwinning wel luidkeels willen
jubelen, maar ik had wel iets anders te doen. Mijn paard zette het op
een loopen en ginds bij den rand van het dal, zag ik Sam Hawkins
galoppeeren, achtervolgd door een anderen stier, die niet veel kleiner
was dan de mijne.
Men moet weten, dat de bison, eenmaal geprikkeld, niet van zijn
tegenstander aflaat, en daarbij in snelheid zich met het paard kan
meten.
Zoo was ook deze stier den ruiter dicht op de hielen. Om hem te ontgaan
moest Sam allerlei wendingen maken, welke het paard afmatten, hij zou
het niet lang meer kunnen volhouden en hulp was dus dringend noodig. Ik
had geen tijd, na te zien of mijn stier werkelijk dood was of niet, ik
laadde snel mijn berendooder en liep zoo hard ik kon, naar de andere
zijde van het dal. Sam zag dit, en zwenkte zijn paard, om naar mij toe
te komen. Dit was een groote fout, want de stier die dicht achter hem
was, kreeg daardoor het paard dwars voor zich; ik zag dat hij de horens
omlaag boog, één stoot, en paard en ruiter werden opgenomen en een eind
verder neergeworpen. Maar ook nu nog liet de stier niet van hen af en
verwoed boorde hij de horens in de arme slachtoffers. Sam schreeuwde om
hulp, zoo hard hij kon. Ik was nog wel honderdvijftig pas van hem
verwijderd en mocht geen oogenblik weifelen. Het schot zou dichterbij
zekerder zijn geweest maar wanneer ik aarzelde, kon Sam verloren zijn,
en mocht ik niet treffen, dan zou het schot het ondier waarschijnlijk
doen schrikken en van mijn vriend afwenden. Ik bleef dus staan, legde
aan achter het linkerschouderblad en schoot. De buffel hief den kop op,
als wilde hij luisteren en keerde zich langzaam om. Toen zag hij mij,
en onmiddellijk vloog hij op mij toe, evenwel met steeds verminderde
vaart: daardoor gelukte het mij, het afgeschoten geweer met
koortsachtige haast opnieuw te laden en ik was daarmee gereed, toen het
dier nog hoogstens dertig schreden van mij verwijderd was. Het kon niet
snel meer loopen, zijn bewegingen werden moeilijker, maar met gebogen
kop en met uitpuilende oogen kwam het langzaam nader en nader, als een
niet af te wenden gevaar. Nu knielde ik neer, en legde aan. Deze
beweging had voor gevolg dat de bison staan bleef, en den kop een
weinig ophief, om mij beter te kunnen zien. Daardoor kwamen de beide
groote oogen voor den loop van mijn geweer, ik schoot eerst op het
rechter, toen op het linker—een korte siddering voer door het lichaam,
toen stortte het dier neer.
Ik sprong op om naar Sam te gaan, maar dit was niet noodig, want ik zag
hem reeds aankomen.
—Halloo!—riep ik hem toe.—Leeft gij nog? Zijt gij niet zwaar gewond?
—In ’t geheel niet—antwoordde hij.—Alleen mijn rechterheup doet mij
pijn van den val, of is het de linker, ik weet het niet zoo precies.
—En uw paard?
—Heeft gedaan; het leeft nog wel, maar de buffel heeft het geheele
lichaam opengereten. Wij moeten het doodschieten, om het te verlossen
uit zijn lijden. Is de bison dood?
—Ik hoop het, maar we moeten eens gaan zien.
Wij deden dit en kwamen tot de overtuiging, dat alle leven geweken was.
Toen zeide Hawkins met een diepen zucht:
—Deze oude brutale bison heeft mij wat te doen gegeven. Een koe zou mij
wat zachter hebben behandeld, maar men kan van zoo’n beest ook geen
damesmanieren verwachten, hihihihi!
—Hoe kwam hij er toe u aan te vallen?
—Hebt gij dat niet gezien?
—Neen.
—Wel, ik schoot de koe dood, maar kon dat, daar mijn paard galoppeerde,
niet eerder doen, dan op het oogenblik, dat de buffel voorbijrende. Hij
nam mij dit schot kwalijk en kwam regelrecht op mij af. Wel gaf ik hem
den tweeden kogel, dien ik in mijn Liddy had, maar dat maakte het niet
beter. Hij joeg mij zoo achterna, dat het mij onmogelijk was, mijn
geweer opnieuw te laden, ik heb het weggeworpen, omdat ik er toch niets
meer mee doen kon en ik daardoor de handen vrij kreeg, om mijn paard
beter te besturen, als ik mij niet vergis. Het arme dier heeft zijn
best gedaan, maar het heeft zich niet kunnen redden en werd door den
stier gegrepen.
—Omdat gij de laatste, noodlottige zwenking maaktet. Gij had in een
boog moeten rijden, dan was het paard gered geweest.
—Gered geweest? Gij spreekt als een ervaren jager, dat zou men van een
„greenhorn” niet verwachten.
—Kom, „greenhorn” hebben ook wel eens iets goeds.
—Ja, want wanneer gij er niet geweest waart, lag ik daar evengoed dood
als mijn paard. Laat ons eens naar het arme dier gaan zien.
Wij vonden het dier in een treurigen toestand. De ingewanden hingen uit
het opengereten lijf, het kreunde van de pijn. Sam haalde zijn
weggeworpen geweer, laadde het en gaf hem het genadeschot. Daarop nam
hij de teugels en het zadel af en zeide:
—Nu kan ik zelf voor paard spelen en het zadel op mijn rug nemen. Dat
heeft men er van, als men bisons jaagt.
—Ja, waar zult ge nu een ander paard vandaan halen?—vroeg ik.
—Dat is het minste, ik vang er een, als ik mij niet vergis.
—Een Mustang?
—Ja, de buffels zijn er, zij zijn op trek naar het zuiden, de mustangs
zullen zich dus niet lang laten wachten, dat weet ik.
—Mag ik er bij zijn, als gij er een vangt?
—Natuurlijk, gij moet dat ook leeren. Maar kom nu mee, wij willen den
ouden stier eens gaan bekijken, misschien leeft hij nog. Zulke
Methusalems plegen een taai leven te hebben.
Wij zagen dat het dier dood was. Nu het zoo stil daar neerlag, kon men
de kolossale vormen nog beter zien dat te voren. Sam bezag hem
nauwkeurig aan alle kanten, schudde het hoofd en zeide:
—Het is onverklaarbaar, werkelijk onverklaarbaar, weet gij wel waar gij
hem geraakt hebt?
—Waar dan?
—Juist op de rechte plaats. Het is een aartsvader, en ik zou mij wel
tienmaal hebben bedacht, voor ik er toe had besloten, hem aan te
vallen. Weet gij, wat gij zijt, sir?
—Wat dan?
—De lichtzinnigste mensch, die er op Gods aardbodem loopt.
—Oho!
—Zeker, dat meen ik!
—Lichtzinnig ben ik nooit geweest.
—Dan zijt gij ’t nu geworden, begrepen? Ik had u immers bevolen, uw
handen van de buffels af te houden en in het kreupelhout te blijven.
Waarom hebt gij mij niet gehoorzaamd?
—Dat weet ik zelf niet!
—Zoo, gij handelt dus, zonder u zelf rekenschap te geven van uw
handelingen, is dat niet lichtzinnig?
—Dat geloof ik niet, er zal wel een andere reden voor te vinden zijn.
—Dan moest gij die toch weten!
—Misschien, omdat gij mij een bevel hadt gegeven en ik laat mij nu
eenmaal niets bevelen.
—Zoo! als men u in uw eigen belang waarschuwt, zijt gij dan zoo dwaas
die waarschuwing in den wind te slaan?
—Ik ben niet naar ’t Westen gekomen om de gevaren, die daar dreigen te
ontloopen.
—Goed, maar gij zijt toch een „greenhorn” en moet oppassen. En als gij
mij dan volstrekt niet wilt gehoorzamen, waarom hebt gij u dan niet aan
een koe gewaagd, in plaats van juist aan dit reusachtig beest.
—Omdat het ridderlijker was!
—Ridderlijker! die „greenhorn” wil hier den ridder spelen, als ik mij
niet vergis, hihihihi!
Hij lachte, dat hij schudde en vervolgde toen nog steeds lachend:
—Dat zou ik nu maar laten. Als een echte prairieman iets doet, vraagt
hij er niet naar, of het ridderlijk is, maar alleen of het nuttig is.
—Dat is hier toch ook het geval.
—Hier, hoe dat?
—Ik koos den buffel uit, omdat hij veel, veel meer vleesch heeft dan
een koe.
Hij zag mij een oogenblik aan en riep toen:
—Veel meer vleesch? Deze jonge man heeft den stier om zijn vleesch
geschoten, hihihihi! Ik geloof zelfs, dat gij aan mijn moed hebt
getwijfeld, toen ik mij met een koe tevreden stelde.
—Dat niet, hoewel ik het voor moediger hield, een sterk dier uit te
zoeken.
—Om stierenvleesch te eten? Wat zijt gij toch een verstandig mensch,
sir! Deze stier is zeker achttien of twintig jaar oud, hij bestaat uit
een vel, veel beenderen en zenuwen. En het vleesch, dat hij heeft is
eigenlijk geen vleesch meer te noemen, want het is zoo hard als gelooid
leer en al braadt en kookt gij het ook dagen lang, gij kunt het toch
niet kauwen. Ieder ervaren prairiejager verkiest een koe boven een
stier, omdat het vleesch malscher en sappiger is. Nu ziet ge eens weer
wat een „greenhorn” ge zijt. Ik had geen tijd om naar u te kijken;
vertel mij eens hoe uw lichtzinnige aanval op den buffel in zijn werk
is gegaan.
Ik vertelde het hem. Toen ik geëindigd had zag hij mij met groote oogen
aan, schudde wederom het hoofd en zeide niets dan:
—Ga heen en haal uw paard! we zullen het vleesch, dat wij mee willen
nemen er op laden.
Eerlijk gezegd, voelde ik mij een weinig teleurgesteld over zijn
behandeling. Ik had gehoopt een woord van goedkeuring en aanmoediging
van hem te hooren en in plaats daarvan, zeide hij niets, maar zond mij
weg om mijn paard te halen. Ik was evenwel niet boos want ik ben nooit
iemand geweest, die iets doet om een prijsje te verdienen.
Toen ik met het paard terugkwam, lag Sam reeds op zijn knieën bij de
buffelkoe, had reeds het vel afgestroopt en sneed nu de lende uit.
—Ziezoo,—zeide hij;—nu zullen wij van avond eens heerlijk eten. Deze
lende is alleen voor ons, Dick en Willy. Als de anderen ook iets willen
hebben, moeten zij hier maar heenrijden om de koe te halen.
—Als zij ten minste in dien tusschentijd niet door de gieren of andere
wilde dieren is opgegeten.
—Zoo! wel, wat zijt ge weer verstandig. Het spreekt vanzelf, dat we het
dier met takken bedekken en dan steenen er boven opleggen. Het moet al
een beer of een ander groot roofdier zijn, dat er aankomt.
Ik sneed dus dikke takken uit het nabijzijnde kreupelhout en sleepte
zware steenen aan. Wij legden deze op de koe en laadden toen het
vleesch op mijn paard.
—Wat zullen we met den stier doen? kunnen wij er niets van
gebruiken?—vroeg ik.
—Niets.
—Ook niet de huid?
—Zijt gij leerlooier? Ik niet.
—Ik heb echter toch gelezen dat de buffelhuiden in zoogenaamde cachés
worden bewaard.
—Zoo, hebt gij dat gelezen? Welnu, als gij ’t gelezen hebt zal ’t wel
waar zijn, want alles wat men over de Far-West leest is waar,
onomstootelijk waar, hihihihi! Zeker, er zijn prairiejagers, die de
dieren vangen om de huid, ik heb het ook wel eens gedaan, maar nu
zullen wij ons wel wachten deze zware huid mee te sleepen.
Wij braken op en kwamen, hoewel wij moesten loopen, reeds na ongeveer
een half uur in de legerplaats aan, want verder was deze niet
verwijderd van de plaats, waarin ik mijn eerste of liever mijn eerste
twee buffels had geschoten.
Allen zagen verbaasd op, dat wij te voet kwamen en Sam’s paard niet
meebrachten.
—Wij zijn op de buffeljacht geweest en mijn paard is door een stier
gedood geworden,—was Sam’s antwoord op de aan ons gedane vragen.
—Buffels, buffels?—klonk het uit aller mond.—Waar hebt ge ze gezien?
—Een klein half uurtje van hier; wij hebben een lende meegebracht, gij
kunt ook wel een stuk vleesch gaan halen, als ge wilt.
—Dat zullen we doen,—riep Rattler, die deed alsof er tusschen hem en
mij nooit iets was voorgevallen.—Waar ligt het dier?
—Rijdt terug op ons spoor dan komt gij vanzelf op de plaats, gij hebt
zelf ook wel oogen als ik mij niet vergis.
—Hoeveel stuks waren er?
—Twintig.
—En hoeveel hebt gij geschoten?
—Een koe.
—Niet meer? Waar zijn de andere gebleven?
—Weg natuurlijk, ik heb niet gevraagd waar zij heengingen, hihihihi!
—Maar één koe. Twee jagers en dan maar één te schieten!—zei Rattler op
een minachtenden toon.
—Doe het ons na, als gij kunt, gij hadt al zeker alle twintig geschoten
en misschien nog eenige meer. Gij zult bovendien, als gij er komt, nog
twee oude twintigjarige stieren zien liggen die deze jonge gentleman
heeft neergelegd.
—Stieren, oude stieren, wie schiet daar nu op!—riepen allen,—dat kan
alleen zulk een „greenhorn” doen.
—Lacht hem voor mijn part uit, maar ziet de dieren eerst eens goed aan.
Ik zeg u, dat hij mij daardoor het leven gered heeft.
—Het leven gered? hoe zoo?
Zij waren nieuwsgierig het avontuur te hooren, maar Sam vervolgde:
—Ik heb geen lust daarover te praten. Laat het u door hem zelf
vertellen, als gij het tenminste beter vindt, het vleesch eerst te
halen als het donker is.
Hij had gelijk. De zon begon reeds onder te gaan. Allen stegen dus te
paard en reden heen. Ik zeg met opzet allen, want geen enkele wilde
achterblijven, omdat de een den ander niet vertrouwde. Onder
fatsoenlijke jagers behoort elk stuk wild, dat in de wildernis wordt
geschoten, aan al de leden van ’t gezelschap, maar hier waar de
verhouding niet zeer vriendschappelijk was, eerbiedigde men deze wet
niet. Toen zij terugkwamen, hoorde ik dan ook wel, dat zij zich als
wilden op de koe hadden geworpen en ieder onder gevloek en getwist,
zijn best had gedaan om een zoo groot mogelijk stuk voor zich zelf te
bemachtigen.
In den tijd dat zij weg waren, had ik het vleesch van mijn paard
genomen, en bracht nu mijn schimmel in orde. Ik haastte mij daarbij
volstrekt niet, ten einde Sam in de gelegenheid te stellen, ons
avontuur aan Parker en Stone mede te deelen. Zij stonden zoo, dat de
tent tusschen hen en mij lag en zij mij dus niet konden zien toen ik
nader kwam.
—Gelooft mij, ’t is, zooals ik u zeg,—hoorde ik Sam zeggen— —Neemt me
die kerel niet den grootsten en sterksten stier en schiet hem neer als
een oude, ervaren buffeljager! Ik heb gedaan alsof ik ’t voor
lichtzinnigheid hield en heb hem duchtig de les gelezen maar ik heb hem
nu leeren kennen.
—Ik ook,—stemde Stone toe,—hij zal een uitstekende prairieman worden.
—En ook zeer spoedig,—hoorde ik Parker zeggen.
—Yes,—bevestigde Hawkins,—weet gij, makkers, hij is er als voor
geboren! En dan die kracht! Heeft hij gisteren niet onzen zwaren
ossenwagen geheel alleen voortgetrokken, ja, ja, hij kan er wat mee!
Maar wilt ge me één ding beloven?
—Wat dan?—vroeg Parker.
—Laat hem nooit merken, hoe wij over hem denken.
—Waarom niet?
—’t Kon hem eens naar ’t hoofd gaan.
—Wel neen!
—Zeker. Hij is nu nog zeer bescheiden, maar men moet een mensch nooit
prijzen, daarmee bederft men ’t karakter. Noemt hem maar gerust „een
greenhorn”, hij is ’t ook nog werkelijk, want al bezit hij ook alle
eigenschappen, welke een prairiejager moet bezitten, zij zijn nog niet
ontwikkeld en hij moet nog veel leeren en zich nog oefenen.
—Hebt gij hem bedankt, dat hij u ’t leven heeft gered?
—Wel neen, ik heb er geen oogenblik aan gedacht.
—Niet? Wat moet hij dan wel van u denken.
—’t Is mij totaal onverschillig wat hij van mij denkt, als ik mij niet
vergis. Natuurlijk houdt hij mij voor een ondankbaren schurk, maar dat
is bijzaak, de hoofdzaak is, dat hij zoo bescheiden blijft als hij nu
is. Ik had hem wel gaarne willen omarmen en willen kussen!
—Foei!—riep Stone uit,—u kussen! Omarmen is nog wat anders, maar
kussen!
—Zoo, waarom niet?—vroeg Sam.
—Waarom? Hebt gij dan nog nooit een spiegel in de hand gehad of uw
eigen conterfeitsel in het heldere water gezien? Dat gezicht, dien
baard en dien neus! Mensch, wie op de onzinnige gedachte komt, om zijn
lippen te plaatsen, waar men de uwe moet zoeken, heeft zeker zijn
verstand verloren!
—Zoo, zoo, wel, dat klinkt vriendelijk! Ben ik zulk een leelijke kerel?
Waarvoor ziet gij u zelf dan aan? Voor een knappen man? Nu verbeeldt u
maar niet, dat ge dat zijt. Ik verzeker u, dat, wanneer wij beiden op
een tentoonstelling zouden staan, ik een prijs zou krijgen en gij niet,
hihihihi! maar laat ons daarover nu maar zwijgen. Wij spreken over
onzen „greenhorn”. Ik heb hem niet bedankt en ik ben ook niet van plan
het te doen, maar als zoo aanstonds onze lende gebraden is, krijgt hij
het lekkerste en sappigste stuk, hij heeft het eerlijk verdiend. En
weet ge, wat ik morgen doe?
—Nu?—vroeg Stone.
—Ik zal hem een plezier doen.
—Waarmee?
—Hij mag meegaan een mustang te vangen.
—Wilt gij op de jacht gaan?
—Ja, ik moet toch een ander paard hebben, gij zult mij voor morgen het
uwe wel willen leenen. Vandaag hebben wij buffels gezien, de mustangs
zijn dus ook op komst. Ik denk, dat ik niet verder behoef te rijden dan
tot aan de prairie, welke wij eergisteren hebben opgemeten. Daar moeten
zeker mustangs zijn.
Ik luisterde niet verder, maar trok mij terug, om langs een omweg de
jagers van een anderen kant te naderen. Zij behoefden niet te weten,
dat ik gehoord had, wat niet voor mijn ooren was bestemd. Er werd een
vuur aangelegd, naast ’t welk twee gevorkte takken in den grond werden
gestoken. Zij vormden het onderstel voor een braadspit, dat uit een
sterken rechten tak bestond. De lende werd daaraan bevestigd en nu
begon Sam Hawkins het spit langzaam en met overleg te draaien. Ik moest
inwendig lachen om het verheugde gezicht, dat hij daarbij trok.
Toen de anderen met het vleesch terugkwamen, volgden zij ons voorbeeld.
Wel ging het bij hen niet zoo kalm toe, want daar ieder zijn eigen stuk
op hetzelfde vuur wilde braden was er voor allen geen plaats genoeg en
’t gevolg was, dat zij hun voorraad half rauw opaten.
Ik kreeg werkelijk het beste stuk, ’t was wel drie pond zwaar en ik at
het op. Men houde mij daarom niet voor een veelvraat, ik heb
integendeel, altijd minder gegeten dan anderen in mijn omstandigheden
zouden doen, maar het is voor iemand, die het zelf niet heeft gezien en
mee doorleefd heeft, niet te gelooven, welk een vleeschmassa een
prairieman eten kan en ook eten moet, wil hij gezond blijven.
De mensch heeft voor zijn voedsel, behalve de anorganische stoffen, een
zekere hoeveelheid eiwit en koolstof noodig, en kan deze in de juiste
verhouding tot zich nemen, wanneer hij in een beschaafde streek woont.
De prairie-bewoner daarentegen, die maandenlang in geen bewoonde streek
komt, leeft alleen van vleesch, dat weinig koolstof bevat, hij moet dus
groote porties eten om de noodzakelijke hoeveelheid koolstof te
krijgen. Dat hij daarbij onnoodig meer eiwit tot zich neemt dan zijn
lichaam noodig heeft, daaraan kan hij zich niet storen. Ik heb een
ouden Trapper acht pond vleesch achter elkaar zien opeten en toen ik
hem vroeg, of hij genoeg had, antwoordde hij lachend:
—Ik moet wel genoeg hebben, want ik heb niet meer, maar als gij nog een
stukje van ’t uwe overhebt, zal ik het nog met genoegen opeten.
Onder den maaltijd spraken de prairiejagers druk over onze buffeljacht,
en ik merkte, dat zij, toen zij de groote stieren hadden zien liggen,
toch nog wel eenig ontzag voor ons hadden gekregen.
Den volgenden morgen deed ik, alsof ik gewoon aan mijn werk wilde gaan,
maar Sam kwam naar mij toe en zeide:
—Laat die instrumenten nu maar liggen, sir, wij hebben iets anders te
doen.
—Wat dan?
—Dat zult ge wel zien. Zadel uw paard, wij gaan er op uit.
—Waarheen? ’t werk gaat toch voor!
—Neen, hoor, gij hebt genoeg gedaan, bovendien, ik denk, dat wij tegen
den middag reeds terug zijn en dan kunt gij wat mij betreft, nog
zooveel rekenen en meten, als gij maar wilt!
Ik deelde Bancroft mee, wat hij moest weten en wij reden weg. Sam deed
onderweg zeer geheimzinnig en ik liet hem niet merken, dat ik iets van
zijn plannen afwist. Na een korten rit, bereikten wij de prairie,
waarover Sam gisteren gesproken had. Zij was ongeveer twee Engelsche
mijlen breed, dubbel zoolang en omgeven door boschrijke heuvels. Een
tamelijk breede beek gaf vochtigheid in overvloed en het gras was
dientengevolge hoog opgeschoten. Van het noorden kon men, tusschen twee
tamelijk hooge bergen door deze prairie bereiken, terwijl zij ten
zuiden in een dal eindigde. Toen wij hier aangekomen waren, hield
Hawkins zijn paard in en overzag de vlakte met een vorschend oog,
daarna reden wij verder naar het noorden langs de oevers der beek.
Plotseling pareerde hij zijn paard, dat van een der anderen geleend
was, steeg af, sprong over de beek en ging naar een plek waar het gras
was platgetreden. Hij onderzocht deze plaats nauwkeurig, kwam terug,
klom weer in den zadel en reed verder, doch niet, zooals te voren, in
noordelijke, maar nu in westelijke richting, zoodat we spoedig den rand
der prairie bereikten. Hier steeg hij weer af en liet zijn paard
grazen, evenwel niet zonder het vooraf goed vastgebonden te hebben.
Sedert hij het spoor had onderzocht, had hij nog geen woord gezegd,
maar zijn zonderling gezicht, toonde een uitdrukking van volkomen
tevredenheid. Nu begon hij eindelijk:
—Stijg ook af, sir en bind uw paard stevig vast, wij zullen hier
wachten.
—Waarom moet ik het paard vastbinden?—vroeg ik, hoewel ik het zeer goed
wist.
—Omdat gij het anders licht zoudt verliezen. Ik heb dikwijls genoeg
gezien, dat de paarden er bij dergelijke gelegenheden van doorgingen.
—Welke gelegenheden?
—Vermoedt gij niet, wat ik bedoel?
—Hm!
—Raad dan eens!
—Mustangs?
—Hoe komt gij daaraan?—vroeg hij, terwijl hij mij verwonderd aanzag.
—Omdat ik daarvan wel eens iets gelezen heb.
—Wat dan?
—Dat de tamme paarden, wanneer zij niet goed zijn vastgebonden, er wel
eens met de wilde mustangs van doorgaan!
—Loop naar den duivel, gij hebt ook alles gelezen en ’t is niet
mogelijk u met ’t een of ander te verrassen. Neen, dan houd ik meer van
menschen, die in ’t geheel niet kunnen lezen.
—Hadt gij mij dan willen verrassen?
—Natuurlijk.
—Met een jacht op mustangs?
—Ja.
—Maar gij hadt mij toch een en ander er van moeten vertellen, vóór de
mustangs kwamen.
—’t Is waar, welnu, luister dan, de mustangs zijn er reeds geweest.
—Was dat daar zooeven hun spoor?
—Ja, zij zijn gisteren hierlangs getrokken, dat wil zeggen, een klein
troepje, de verkenners, weet ge. Deze dieren zijn namelijk bijzonder
verstandig. Zij zenden altijd kleine troepen vooruit. Zij hebben hun
officieren, en de bevelhebber is altijd een ervaren, sterke en moedige
hengst. Als zij weiden of zich in beweging stellen, altijd is de
buitenste rij door hengsten gevormd, dan volgen verder naar binnen de
merries en eindelijk de veulens. Dit gebeurt, opdat de hengsten de
andere kunnen verdedigen. Ik heb u reeds herhaalde malen gewezen, hoe
men een mustang met de lasso vangt, hebt gij dat nu goed begrepen?
—Zeker.
—Hebt gij lust er een te vangen?
—Ja.
—Dan zult gij vanmiddag daartoe in de gelegenheid zijn, sir!
—Dank u, ik zal er geen gebruik van maken.
—Niet? wat duivel waarom niet?
—Omdat ik geen paard noodig heb.
—Maar een prairiejager vraagt er niet naar of hij een paard noodig
heeft of niet!
—Dan beantwoordt hij niet aan mijn ideaal van een prairiejager.
—Hoe moet hij dan zijn?
—Wel, gij hebt gisteren van aasjagers gesproken, van blanken, die de
buffels in massa dooden, zonder dat zij het vleesch noodig hebben. Ik
houd dat voor een onrecht, gepleegd aan de dieren en aan de roodhuiden,
die daardoor van hun voedsel worden beroofd. Gij toch ook?
—Zeker.
—Nu zoo is het ook met de paarden. Ik wil geen van deze heerlijke
dieren van zijn vrijheid berooven, zonder mij daarmee te kunnen
verontschuldigen, dat ik een paard noodig had.
—Dat is braaf gezegd, sir, braaf gezegd. Zoo moest ieder Christen
spreken en handelen. Maar wie heeft u gezegd, dat gij een mustang van
zijn vrijheid zoudt berooven? Gij hebt u geoefend in het gebruik van de
lasso, gij moet nu een proef leveren. Ik wil zien of gij door uw examen
komt, weet ge?
—Dat is iets anders, ja, dan doe ik mee.
—Goed. Bij mij evenwel is ’t natuurlijk ernst. Ik heb een paard noodig
en zal er een nemen. Ik heb het u reeds zoo dikwijls gezegd, let er dus
op: ga recht in den zadel zitten en houd uw paard in, op het oogenblik
dat de lasso aantrekt en de ruk volgt. Als gij dat niet doet, wordt gij
omvergehaald; de mustang vliegt weg en sleurt uw paard aan de lasso
mee. Dan hebt gij geen paard meer en kunt te voet gaan, evenals ik nu.
Hij wilde verder gaan, maar wees eensklaps met de hand naar de reeds
genoemde twee bergen aan den noordkant van de prairie. Daar verscheen
een paard, een enkel paard. Het liep langzaam en zonder te grazen
voort, wierp den kop dan eens naar deze, dan eens naar gene zijde en
snoof de lucht in.
—Ziet gij het?—fluisterde Sam zacht, hoewel het paard ons op dezen
afstand onmogelijk had kunnen hooren:—heb ik u niet gezegd, dat zij
zouden komen? Dit is de spion, die rondziet, of de streek veilig is.
Wat een slim dier! Zie eens, hoe hij zich naar alle richtingen keert en
wendt. Hij zal ons niet bemerken, want de wind komt van zijn kant,
daarom heb ik deze plaats gekozen.
Nu begon de mustang te draven, nu naar rechts dan naar links, keerde
eindelijk om en verdween in de richting, van waar wij hem hadden zien
komen.
—Hebt gij goed opgelet? vroeg Sam.—Hoe verstandig, nietwaar, om elk
kreupelboschje tot dekking te nemen. Een Indiaansche verkenner zou het
hem niet kunnen verbeteren.
—Werkelijk, ik sta er verbaasd van.
—Nu is hij heengegaan om zijn vierbeenigen generaal te melden, dat het
terrein veilig is. Hij heeft zich evenwel vergist, hihihihi! Ik wed,
dat zij binnen tien minuten hier zijn, let er eens op. Weet ge, wat wij
doen?
—Nu?
—Gij rijdt vlug tot aan den uitgang der prairie en wacht daar. Ik
echter rijd tot dicht bij den ingang en verberg mij in het bosch. Komt
de kudde, dan laat ik haar voorbijtrekken, en jaag achter haar aan. Zij
vlucht dan natuurlijk naar uw kant, gij komt te voorschijn en zij keert
terug. Zoo drijven wij haar heen en weer, tot wij de twee beste paarden
hebben uitgekozen, die vangen wij en van die twee behoud ik het beste
en het andere laten wij loopen. Vindt gij dat goed?
—Hoe kunt gij dat vragen? Ik weet niets van de paardenjacht, waarin gij
een meester zijt en zal mij dus geheel naar uw aanwijzingen gedragen.
—Wel, gij hebt gelijk. Ik heb reeds menigen wilden mustang getemd, en
gij zijt dus niet zoover mis, als gij mij een „meester” in de kunst
noemt. Dus, vooruit maar, anders zijn wij niet op tijd op de juiste
plaats.
Wij stegen weer op en reden ieder een verschillenden kant uit, hij naar
’t noorden en ik tot daar, waar wij de prairie hadden betreden. Daar
mijn zware berendooder mij wel wat hinderen zou, had ik grooten lust
hem zoolang ergens neer te leggen, maar ik had gelezen en gehoord, dat
een voorzichtig prairiejager alleen dan het geweer neerlegt, wanneer
hij zeker weet, dat hij veilig is en het niet noodig zal hebben. Dit
was echter nu niet het geval, ieder oogenblik kon hier een Indiaan of
een roofdier te voorschijn komen en ik bevestigde dus het oude geweer
maar stevig aan den zadelknop. Nu wachtte ik vol spanning op de komst
der paarden. Ik stond tusschen de eerste twee boomen van het bosch, dat
aan de prairie grensde, bond het ééne einde van de lasso eveneens aan
den zadelknop en legde den riem opgeschoten zóó voor mij, dat ik dien
gemakkelijk kon grijpen.
Het benedeneinde van de prairie was zoover van mij verwijderd, dat ik
de paarden, wanneer ze daar verschenen, niet kon zien. Eerst wanneer
Sam ze zou hebben opgejaagd, zouden ze voor mij zichtbaar worden. Ik
was nog geen kwartier op mijn plaats, toen ik daarbeneden een menigte
donkere stippen zag, welke, naarmate zij dichter bij kwamen, al grooter
werden. Eerst geleken het musschen, toen katten, honden, kalveren,
totdat ik eindelijk duidelijk hun vorm kon onderscheiden. Het waren de
mustangs, die in een wilde jacht naar mij toe kwamen! Welk een heerlijk
gezicht! De manen zwierden om hals en schouders, de staarten wapperden
als vederbossen in den wind. Er waren niet meer dan driehonderd stuks
en toch scheen de grond onder hun hoeven te dreunen. Vooraan draafde
een schimmelhengst, een prachtig dier, dat ik gaarne had willen vangen,
maar het zal geen prairiejager in ’t hoofd komen, een schimmel te
berijden. Zoo’n lichtgekleurd dier zou hem reeds van verre aan elken
vijand verraden!
Nu was het voor mij tijd, te voorschijn te komen. Ik sprong tusschen de
boomen uit: de leidende schimmel deinsde achteruit, alsof hij een kogel
in zijn lichaam had gekregen, de kudde bleef staan; een luid, angstig
snuiven, toen was het, of het bevel luidde: „omgekeerd marsch”, en
onmiddellijk vlogen de dieren terug, vanwaar zij gekomen waren.
Ik volgde hen zonder de minste haast, want ik wist dat Sam Hawkins ze
weer dezen kant uit zou drijven. Daarbij had ik een oogenblik tijd te
denken aan een omstandigheid, welke mij was opgevallen. Hoewel de
paarden slechts één oogenblik voor mij hadden stilgestaan, had ik toch
meenen te zien, dat een van de dieren geen paard, maar een muildier
was. Ik kon mij vergist hebben maar ik meende goed gezien te hebben. De
tweede maal wilde ik beter oppassen. Dit muildier bevond zich in de
voorste rij, en wel dadelijk achter den schimmel, het werd dus door de
paarden niet alleen als een van huns gelijken aangezien, maar bekleedde
zelfs een bijzonderen rang.
Na eenigen tijd kwam de kudde terug en keerde bij mijn verschijnen
andermaal om. Dit herhaalde zich eenige malen en zoo had ik gelegenheid
te zien, dat ik mij niet vergist had; er was een muildier onder hen,
een lichtbruin muildier met een donkere streep over den rug. Het was
een mooi dier, niettegenstaande zijn grooten kop en zijn lange ooren.
Muildieren hebben dit boven gewone paarden voor, dat zij ’t langer
kunnen volhouden, een zekerder tred hebben en bij afgronden niet
duizelig worden. Dit zijn voordeelen, welke niet over ’t hoofd dienen
te worden gezien. Wel is waar zijn die dieren ook koppig. Ik heb
muildieren gezien, die zich liever dood lieten ranselen, dan dat zij
een stap verder gingen en toch had men geen te zwaren last opgeladen en
was de weg prachtig.
Het kwam mij voor, dat dit muildier fier en moedig was, dat zijn oogen
helderder en verstandiger rondzagen, dan die van de andere paarden en
ik besloot dit dier te vangen. Het was zeker bij ’t voorbijjagen van
een kudde wilde paarden, aan zijn meester ontvlucht, en zoo bij de
mustangs gebleven.
Sam en ik waren intusschen zóó dicht bij elkaar gekomen, dat wij
elkander konden zien en in deze beperkte ruimte konden de mustangs noch
voor noch achteruit, zij weken dus naar den kant. Wij volgden hen, de
kudde deelde zich nu in tweeën, ik zag, dat het muildier bij de
hoofdafdeeling bleef, en steeds naast den schimmel galoppeerde. Ik
bepaalde mij dus tot dezen troep, en Sam scheen het op denzelfden te
hebben gemunt,
—Tusschen ons in nemen, ik links, gij rechts,—riep hij mij toe.
Wij gaven onzen paarden de sporen, en hadden de mustangs ingehaald,
vóór zij het bosch bereikten. Hier keerden zij om en wilden tusschen
ons door vluchten. Om dit te verhinderen joegen wij naar elkander toe,
toen stoven zij uit elkaar als een troep jonge kuikens, waarop de havik
is neergestreken. De schimmel en het muildier werden van de andere
gescheiden, wij joegen hen achterna. Daarbij riep Sam, die zijn lasso
reeds gereed had, mij toe:
—Een „greenhorn” zijt ge, en dat zult gij wel eeuwig blijven!
—Waarom?
—Wie jaagt er nu op een schimmel, hihihihi.
Ik antwoordde, maar hij hoorde mij niet. Hij dacht dus dat ik ’t op den
schimmel had begrepen! Welnu, mij goed! Ik liet het muildier aan hem
over en week uit naar de zijde waar de mustangs snuivend en hinnikend
door elkaar liepen. Sam was zoo dicht bij het muildier gekomen, dat hij
de lasso uit kon werpen; de strop pakte goed om den hals van het dier.
Nu moest Sam blijven staan en, zooals hij mij zelf had geraden, zijn
paard naar achteren werpen, om den schok te kunnen weerstaan, welke
volgen moest, wanneer de lasso zich spande. Hij deed dit ook, maar
helaas, een oogenblik te laat; zijn paard werd door den geweldigen ruk
omvergeworpen. Sam Hawkins maakte een prachtige buiteling door de lucht
en kwam over den kop van ’t paard een eind weegs verder op den grond
terecht. Het paard was dadelijk opgestaan en vloog verder, daardoor
verloor de lasso de spanning, en het muildier dat was blijven staan,
kreeg lucht, het galoppeerde ook weg en sleurde het paard dat de lasso
om den zadelknop had, mee de prairie in.
Ik snelde op Sam toe, om te zien, of hij letsel had gekregen, maar hij
was reeds opgestaan en riep mij verschrikt toe:
—Wel, alle drommels, daar gaan warempel Dick Stone’s ros en het
muildier alle twee er van door, zonder fatsoenlijk adieu te zeggen, als
ik mij niet vergis!
—Hebt gij u pijn gedaan?
—Neen, stijg af en leen mij uw paard, ik moet het gebruiken!
—Waarvoor?
—Ik wil natuurlijk de beide vluchtelingen nazetten. Stijg gauw af!
—Ik denk er niet aan! Gij kondt eens weer zulk een buiteling maken en
dan waren allebei de paarden naar de maan.
Bij deze woorden dreef ik het mijne aan en joeg het muildier na. Dit
was reeds een heel eind vooruitgekomen, maar nu kwam het met het paard
in conflict. De een wilde namelijk dezen kant uit, de andere dien en
daar zij met de lasso verbonden waren, hielden zij elkaar tegen, en ik
kon ze gemakkelijk inhalen. Ik dacht er niet aan mijn eigen lasso te
gebruiken, maar ik greep naar de andere, welke beide dieren verbond,
wond deze eenige keeren om mijn hand, en nu was ik zeker het muildier
in bedwang te kunnen houden. Ik liet het eerst een eindje verder
loopen, en galoppeerde met de beide paarden achter hem aan, maar trok
daarbij den riem steeds sterker aan, zoodat de strop steeds nauwer
werd. Zoo kon ik het dier ook een weinig sturen, en door schijnbaar
toegeven, liep het in een boog naar den kant, waar Sam Hawkins stond.
Toen trok ik het touw plotseling zoo strak aan, dat het muildier den
hals werd toegeknepen, het verloor den adem en viel op den grond.
—Houd vast tot ik den rakker vastheb en laat dan los!—riep Sam.