Ik vroeg mijnen geachten reisgenoot wat dit beteekende. »»Het is
eene oproeping tot eene meeting, om een verbond te sluiten tegen de
eentweeërs."" Natuurlijk begreep ik daar niets van. Met zijne mij reeds
zoo dikwerf betoonde welwillendheid lichtte Baco echter op mijn verzoek
de zaak nader toe. Om mij op de hoogte te brengen, moest hij evenwel
eenen langen omweg maken. Men had dan,--zoo luidde ongeveer zijne
toelichting,--al reeds sedert lang het algemeene stemrecht ingevoerd,
niet enkel voor mannen, maar ook voor vrouwen. Aanvankelijk had men
dit echter alleen gegeven aan de meerderjarigen. Maar toen had men de
zeer gegronde opmerking gemaakt, dat men dit doende zich aan groote
inconsequentie schuldig maakte. De census toch was afgeschaft, omdat
er geene enkele voldoende reden bestond, waarom men het stemrecht
zoude geven aan iemand, die f 20 belasting betaalt en het onthouden
aan een ander, die voor f 19,99 is aangeslagen. Wordt de census tot
f 19,99 verlaagd, waarom dan niet tot f 19,98, enzv. tot 0 toe. Toen
echter nog de meerderjarigheid als een vereischte behouden was om het
stemrecht te mogen uitoefenen, zagen velen daarin toch eigenlijk weder
een soort van census. Hoe,--zeide men,--gij schenkt het recht, om zijne
stem uit te brengen en daardoor invloed uit te oefenen op de welvaart
van stad en land, aan suffende grijsaards, alleen omdat zij oud zijn,
en gij onthoudt het aan krachtige jongelieden, alleen omdat zij nog
niet den leeftijd bereikt hebben, waarop de wet hen meerderjarig
verklaart! Gij neemt hunne diensten wel aan, om het vaderland te
verdedigen tegen buitenlandsche vijanden, en zij zouden geen recht
hebben om mede te stemmen, waar het hunne eigene belangen geldt! Wat
heeft een jong man van 23 jaren vooruit boven een van 22 jaren en
11 maanden? Was Pitt niet reeds minister op 21-jarigen ouderdom? Is
het geen dwaasheid te beweren, dat ooit bij eene wet een bepaalde
leeftijd kan worden vastgesteld, waarop iemand voor verstandig genoeg
verklaard wordt, om hem de uitvoering van een recht toe te vertrouwen,
dat hem als burger van een vrij land aangeboren is! Zulk eene wet
berust op louter willekeur, zij past niet meer voor onzen tijd, zij
is eene logische inconsequentie, zij is in lijnrechten strijd met het
groote beginsel, dat alle burgers en burgeressen van een land gelijke
rechten hebben,--zij is nog een laatste overblijfsel uit den tijd van
die vaderlijkheid, waarmede men reeds voor twee eeuwen den spot begon
te drijven. Tegen eene zoo klemmende redeneering viel nu wel is waar
niet veel in te brengen, dat even klemmend was. Zij die het beproefden
werden voor beginsellooze personen uitgekreten, die altijd hinkten op
twee gedachten, die het er voor hielden dat een deur tegelijk dicht
en open kon zijn, enzv. Aanvankelijk werd een soort van compromis
gesloten; het tijdstip der meerderjarigheid werd vervroegd. Natuurlijk
was dit echter geheel onvoldoende om de voorstanders van het groote
beginsel en van logische consequentie te bevredigen. Wederom werd de
meerderjarigheid vervroegd,--en eindelijk geheel afgeschaft. Alle
burgers en burgertjes, burgeressen en burgeresjes, hoe jong ook,
zelfs de kindertjes op moeders schoot, hadden nu het stemrecht
en konden er desverkiezende van gebruik maken. Dit had nu in de
praktijk wel eenige moeielijkheden,--maar het beginsel was gered,
en--leven de beginselen! Nu, zoo meende men, was men eindelijk,
den kiesladder afdalende, op vasten bodem gekomen. Voortaan zoude
er ongestoorde rust in den lande heerschen, want immers nu was er
niemand meer die zich met eenigen schijn van recht beklagen kon,
dat zijne aangeboren rechten niet erkend werden. Doch ziet!--daar
ontstond eene beweging onder de vrouwenpartij. Er verhieven zich
eenige stemmen, aanvankelijk zwak en weifelend,--want zij vreesden
het wapen van den spot,--maar die allengs luider en luider werden
en klaagden, dat de vrouwen in hare rechten verkort waren. Zij toch
onder haar die in eene interessante positie verkeerden, waren geen
enkelwezens meer, maar dubbelwezens, en,--zoo beweerden zij,--zij
moesten dus ook eene dubbele stem hebben, eene voor haar zelve en
eene voor het nog ongeboren burgertje of burgeresje. Ja sommigen
gingen zelfs zoo ver van te eischen, dat, aangezien er ook wel twee-
of drielingen geboren worden, men een zeker daaraan beantwoordend
getal stemmen voor de vrouwenpartij moest beschikbaar stellen. De
statistiek zoude wel de noodige gegevens daarvoor leveren, om uit
te maken hoe groot het aandeel was, waarop elke der interessante en
geïnteresseerde dames recht had. Hoe dwaas nu deze redeneering en de
daarop steunende eischen ook schijnen mogen, zij had toch bij velen
ingang gevonden. De zaak was reeds in verscheidene dagblad-artikelen
en brochures uitvoerig besproken. De geleerden van beide partijen
hadden er zich mede ingelaten en op physiologische en psychologische
gronden er zich voor of tegen verklaard. Het was inderdaad een zeer
ingewikkeld vraagstuk. Het gold uit te maken of 1 = 2 of wel 2 = 1
is. De heeren mathematici beweerden dat dit op hetzelfde neêrkwam en
in beide gevallen onzin was, maar de vrouwen dachten er anders over,
en lachten de mathematici in hun gezicht uit. Zoo werden die beide
cijfers, al naar de 1 voor de 2 of de 2 voor de 1 kwam, tot twee
leuzen. Zij die eene dubbele stem eischten voor elke vrouw, welker
dubbelwezigheid door eene Medicinae universae Doctrix behoorlijk
geconstateerd was, noemden zich eentweeërs, zij die dien eisch
bestreden werden tweeëeners genoemd. Hiermede was dus het opschrift
boven het aanplakbiljet verklaard. Nooit,--voegde Baco er bij,--was
een strijd met meer warmte, ja vinnigheid gevoerd. En geen wonder,
want wanneer de vrouwenpartij in deze zaak zegevierde, dan zoude deze
een bepaald en blijvend overwicht boven de mannenpartij verkrijgen.
»Mannenpartij en vrouwenpartij! Zijn dit dan tegenwoordig de twee
groote staatkundige partijen in den lande?"
»»Zoo is het,--luidde het antwoord. Het ontstaan dier twee partijen
was het even natuurlijk als noodzakelijk gevolg van de volkomene
emancipatie der vrouw en van het aan haar toekennen van alle rechten,
welke de man in vroegere eeuwen alleen bezat.""
Ik kon niet nalaten van mijne bevreemding daarover te kennen te geven
en mijne vrees uittedrukken, dat daardoor de verhouding tusschen de
beiden seksen niet verbeterd zoude zijn.
Op het anders zoo ernstige gelaat van Baco vertoonde zich eene
spottende uitdrukking, en hij antwoordde alleen: »daarin kondt
gij wel gelijk hebben". Maar Phantasia, die al dien tijd naar ons
gesprek geluisterd had, nam nu het woord op en zeide: »»Ik zal u de
waarheid zeggen. Wat mij betreft, ik ben den tegenwoordigen toestand
hartelijk moede, en ik weet dat vele mijner zusteren het even als
ik zijn. Toen onze grootmoeders en overgrootmoeders die fraaie,
zoogenaamde emancipatie bewerkten en de vrouwen in allen opzichte met
de mannen gelijk werden gesteld, bedachten zij niet wat daarvan het
onvermijdelijk gevolg moest wezen. Gelijke rechten leggen gelijke
plichten, gelijke lusten gelijke lasten op. De vrouw die als recht
eischte, wat haar tot dusverre door den man ontzegd was, verbeurde
daardoor haar voorrecht, dat haar vroeger door den man vrijwillig was
toegekend. In de oude romans, welke voor ons de bronnen zijn, waaruit
wij de zeden van een vroeger tijdperk leeren kennen, treden de mannen
op als beschermers der vrouwen; elke man, die eenige aanspraak maakte
op den naam van gentleman, behandelde eene vrouw steeds met achting en
voorkomende beleefdheid; in de zamenleving werd haar de beste plaats
ingeruimd; zij werd tegelijk geëerbiedigd en geliefd, geëerbiedigd
juist uit hoofd harer zwakheid, geliefd omdat zij zich eenvoudig
nevens den man stelde als zijne hulpe, maar er niet naar streefde om
hem te verdringen. Thans is dit geheel anders geworden. Wij hebben
ons zelve willen beschermen en zijn minder beschermd dan ooit. Wij
hebben ons niet naast, maar tegenover de mannen geplaatst en zij
zich tegenover ons. Onze zwakheid, die vroeger onze kracht was,
wordt door het naijverige mannelijke geslacht in niets meer ontzien,
en wij gevoelen haar nu eerst recht. Wat vroeger gaarne en vrijwillig
gegeven werd, moet thans worden afgedwongen. Lompheid heeft de vroegere
ridderlijkheid vervangen. Beleefdheid is een woord dat nog wel in onze
woordenboeken staat, maar jegens vrouwen zelden meer wordt in acht
genomen. Gij hebt er u van kunnen overtuigen, hoe onze tegenwoordige
heeren haar verstaan, toen wij zoo straks den trap opklommen en zij
de dames op zijde duwende zich dadelijk van de beste plaatsen meester
maakten. Dit is een klein staaltje van hetgeen thans overal in de
maatschappij gebeurt. Tegenover het mannelijk geweld stelt zich de
vrouwelijke list, en de kans voor beide partijen op de zegepraal staat
tamelijk gelijk, maar het is een dure zegepraal, die verkregen wordt
ten koste van huiselijken vrede en geluk, ten koste van die edelere
hoedanigheden, welke zich alleen behoorlijk ontwikkelen kunnen, wanneer
elke sekse binnen den haar door de natuur en haar bijzonderen aanleg
aangewezen kring blijft. Wat wij aan rechtstreekschen staatkundigen
invloed gewonnen hebben, hebben wij aan macht op het hart des mans en
daardoor aan middellijken invloed verloren, en het is zeer de vraag
of het verlies niet grooter geweest is dan de winst. Neen, Stuart
Mill, die, voor ruim twee eeuwen, aan het in het brein van sommigen
rondspokende denkbeeld om aan de vrouwen het stemrecht te geven, het
eerst een lichaam gaf en het met het gezag van zijnen naam steunde,
moge een groot wijsgeer en staathuishoudkundige geweest zijn, hij was
een slecht kenner van het menschelijk hart en heeft inzonderheid ons
vrouwen een jammerlijken dienst bewezen.""
Dat het Phantasia ernst was met die klacht, bleek uit de
opgewondenheid, waarmede zij sprak. Toch kwam het mij voor, dat zij
Mill wel wat te hard was gevallen. Hij en zijne aanhangers hadden
immers slechts voorgesteld aan ongehuwde vrouwen van eenen zekeren
leeftijd en eigenaressen van een zeker eigendom het stemrecht te
verleenen. Zij konden het immers niet helpen, dat men later tot
zulke uitersten was vervallen. Maar toen herinnerde ik mij wederom
den kiesladder, die, eenmaal betreden, dwingt om al verder en verder,
al dieper en dieper te dalen, en ik begreep dat ook hier allengs alle
tegenwerpingen hadden moeten zwichten voor zoogenaamde beginselen en
logische consequentiën.
Wij hadden onder dit gesprek Oroemiah met zijn sterrenwacht uit
het gezicht verloren. Tevens bespeurde ik, dat ook de voorwerpen
onder ons al kleiner en kleiner werden, terwijl de barometer, die in
een beugel in het midden van het salon hing, aanmerkelijk daalde,
waaruit ik afleidde dat wij sterk rezen, waarschijnlijk om eenen
gunstigeren luchtstroom in de hoogere streken des dampkrings op
te zoeken. Het gevolg hiervan was echter, dat de oorden, waarover
wij heen togen, al onduidelijker en onduidelijker werden, zoodat er
weinig van hetgeen zich aan de oppervlakte bevond, meer afzonderlijk
herkenbaar was. Na eenigen tijd werd die oppervlakte gelijkmatig
groenachtig blauw. Ik besloot hieruit, dat wij ons boven de Indische
zee bevonden. Het werd nu tamelijk vervelend in ons salon. De meeste
passagiers waren ingedommeld. Daarbij merkte ik op, dat bij allen,
ook bij mij, de ademhaling versneld was, hetgeen ik aan de ijlere
lucht toeschreef, waarin wij ons thans ophielden. De dikke heer
ronkte op eene zeer onaangename, stootende wijze. Zelfs de levendige
Phantasia, die zich tot hiertoe met eene aardige française over hare
lievelings-onderwerpen, de schoone kunsten en de poësie, onderhouden
had, zat te sluimeren. Baco was verdiept in een boek, waarin de vraag
behandeld werd: in hoeverre het mogelijk zoude zijn de aardbewoners
door optische telegraphische seinen in gemeenschap te stellen met de
bewoners der overige hemelbollen. Wat mij betreft, ik recapituleerde
in mijne gedachte al het vreemde en wonderbare, dat ik in den loop
dier twee dagen gezien had, en dacht er bij: wanneer reeds twee eeuwen
zoovele veranderingen hebben teweeg gebracht, wat zullen dan vier,
tien, honderd eeuwen doen!
Eindelijk waagde ik het Baco in zijne lectuur te storen door de vraag:
»Waarheen meent gij dat wij ons nu begeven?"
»»Ik denk dat wij niet ver meer van Nieuw-Zeeland zijn,"" ontving
ik ten antwoord. »»Wij hebben een grooten omweg door de hoogere
lucht gemaakt, om partij te trekken van den tusschen de keerkringen
opstijgenden en zich dan noord- en zuidwaarts en vervolgens oostwaarts
wendenden luchtstroom, maar zijn thans weder aan het dalen. Zie
slechts hoe de barometer rijst.""
Dit zeggen noopte mij weder eens door een der teleskopen te zien,
en op eenigen afstand ontwaarde ik twee groote eilanden, die slechts
door een nauwe straat gescheiden waren.
»»Wij zijn thans bij onze tegenvoeters, vervolgde Baco. Nieuw-Zeeland
is het Groot-Brittanje van de Zuid-zee.""
»Maar toch nog verre van een zoo rijke, machtige en beschaafde
bevolking te hebben."
»»Niet zoo ver als gij denkt. Reeds telt Nieuw-Zeeland verscheidene
groote steden, met al de inrichtingen voor onderwijs, wetenschap en
kunst, die wij in Europa gewoon zijn daar aan te treffen. Het bezit
eene aanzienlijke handelsvloot, rijke ertsaderen, steenkolenlagen,
een uitgestrekten landbouw, eenen grooten veestapel, eene bloeijende
nijverheid en eene krachtige bevolking van meerendeels engelsche
afkomst.""
»Wat is er dan van de Maori's geworden?"
»»Die zijn verdwenen, men weet niet waar. Volgens sommige
Nieuw-Zeelandsche oudheidkenners zouden zij uitgestorven zijn; anderen
beweren dat de laatsten verhuisd zijn, ofschoon het moeielijk zou
te zeggen zijn waarheen; nog anderen willen dat een gedeelte der
landelijke bevolking min of meer rechtstreeks van de oude Maori's
afstamt. Is dit zoo, dan zijn hunne nakomelingen zeer veranderd;
want het is nu een zeer vreedzaam volkje. Wanneer gij echter eens
weder te Londinia komt, vergeet dan niet op het Nationaal Museum de
ingebalsemde Maori's te gaan zien, een man en eene vrouw, de eerste
prachtig getatoueerd. Gij zult in die zelfde zaal nog een aantal
andere ingebalsemde oorspronkelijke bewoners van andere streken
vinden, Nieuw-Hollanders, Amerikaansche Roodhuiden enz., die allen
thans spoorloos verdwenen zijn.""
»Geldt dit van alle bewoners van landen, waar zich de Europeanen
gevestigd hebben?"
»»Neen, alleen van die welke buiten de keerkringen gelegen zijn, want
de heete keerkringsgewesten zijn op den duur voor het Kaukasische ras
onbewoonbaar, met uitzondering der koelere bergstreken. De binnenlanden
van Afrika hebben nog hunne oorspronkelijke negerbevolking,
Nieuw-Guinea wordt nog bewoond door de Papoes, en ook vele andere
eilanden der tropische zeeën hebben nog bewoners, welke van de vroeger
daar levende afstammen, ofschoon hun getal over het algemeen eer af-
dan toegenomen is.""
»Zijn die volkeren, welke tot de zoogenaamde lagere menschenrassen
behooren, in beschaving vooruit gegaan?"
»»Niet veel. Vooruitgang is bij hen allen langzaam, zeer
langzaam. Sommigen zijn zelfs van meening, dat de vooruitgang eigenlijk
meer schijnbaar dan wezenlijk is en meer bestaat in een bloot aannemen
van eenige Europeesche zeden en gebruiken, en van deze juist niet
altijd de beste. Intusschen meen ik voor mij toch grond te hebben
om te gelooven, dat de beschaving ook onder hen vorderingen maakt,
maar dat de zich bij hen ontwikkelende in haren aard verschillen zal
van die van het Kaukasische ras.""
Zoo pratende waren wij het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland zoo
nabij gekomen, dat ik de bergtoppen en zelfs de dichtst bewoonde
plekken reeds door het teleskoop onderscheiden kon.
Ons reisgezelschap was weder wakker geworden, en Phantasia vroeg
mij, of ik met hen in hetzelfde logement te Melbourne mijn intrek
nemen wilde.
»»Wij logeeren in het Hotel van Oud-Engeland, vervolgde zij, en zullen
vooraf ons diner bestellen.""
Ik antwoordde, zoo als van zelf sprak, dat ik mij niet van een zoo
aangenaam gezelschap scheiden wilde.
De hofmeester werd geroepen en ontving bevel, om, zoodra wij boven
kaap Maria van Diemen waren gekomen, de noodige seinen te doen,
die dan door den telegraaf naar Melbourne zouden worden overgebracht.
Weldra dreven wij boven Nieuw-Zeeland, en ik overtuigde mij, dat Baco
er niet te veel van had gezegd. Weinige landen ter wereld zijn zoo
door de natuur begunstigd. In de groote baaien en inhammen zagen wij
talrijke schepen liggen, van welker masten de vlaggen van allerlei
natiën, ook onze driekleur, wapperden. Steden en dorpen waren over
de oppervlakte verbreid, en alles openbaarde eene groote mate van
welvaart der bevolking.
Onder de vlaggen der schepen was er eene veel talrijker dan de
overige. Zij vertoonde twaalf zonnen op een blauw veld. Die vlag niet
kennende, vroeg ik: aan welken staat zij behoorde?
»»Dat is de vlag der twaalf Vereenigde Staten van Nieuw-Holland,
die te samen eene gefedereerde republiek vormen.""
»Eene republiek! Ik meende dat Nieuw-Holland aan de Britsche kroon
behoorde."
»Zoo was het eertijds,--hernam Baco. Nu echter zoude dat niet meer
gaan. Het kind is grooter dan de moeder geworden. De Nieuw-Hollanders
besturen sedert lang hunne eigene zaken. Zij zijn, zoo als gij
weet geheel van oorspronkelijk Europeesche afkomst. Dat is het
groote verschil tusschen Nieuw-Holland en het vroeger aan uwen staat
behoord hebbende Java en naburige eilanden. Ook zijn wij in de beste
vriendschap gescheiden, en de eenige band, die ons nog verbindt, is
het wederzijdsche handelsbelang. Het groote Zuidland is een machtig
rijk geworden, en wanneer immer, hetgeen echter niet waarschijnlijk
is, de beschaving uit ons oud Europa verdwijnen mocht, dan zoude zij
hier nog haren zetel vinden. Gij zult er u van kunnen overtuigen,
wanneer wij daar zijn aangeland.""
Wij vorderden snel. Reeds verdween Nieuw-Zeeland aan den gezichteinder,
en aan den tegenovergestelden doemde uit de zee land op, dat zich
weldra langs den geheelen horizon uitbreidde. Het was Nieuw-Holland,
het groote Zuidland, het doel onzer reis!
Elk der reizigers begon zich gereed te maken en zijne bagaadje bijeen
te zoeken.
Daar hadden wij de lange kustlijn onder ons. Wij daalden langzaam,
in eene zeer schuinsche richting. De voorwerpen aan de oppervlakte der
aarde werden al duidelijker en duidelijker, al grooter en grooter. Wij
naderden eene aanzienlijke stad. Het was Melbourne. Spoedig waren wij
er boven en konden de straten, pleinen, huizen, en zelfs de menschen
onderscheiden. Nog eenige oogenblikken, en wij vernamen een geweldig
geraas op het dek boven ons als van het nedervallen van zeilen en
touwen. Daarop hoorden wij schreeuwende stemmen onder ons en zagen
dat touwen uit ons vaartuig naar beneden werden geworpen. Toen volgde
een schok, en.... ik ontwaakte in mijn leuningstoel.