1 Januari.

Mijne oogen niet vertrouwende, naderde ik den toren, met eenen blik,

waarin voorzeker bevreemding en nieuwsgierigheid waren uitgedrukt,

want een achtbaar heer, die vergezeld was van eene dame, trad op mij

toe, zeggende: »ik zie dat gij een vreemdeling zijt in Londinia; kan

ik u ook met eenige inlichting van dienst wezen?" Deze welwillende

woorden deden mij stilstaan en den man aanzien die voor mij stond,

wiens schrander en eerwaardig voorkomen dadelijk eenen diepen indruk

op mij maakten. Oogenblikkelijk herkende ik hem. Het was de man, met

wien ik mij zoo even nog in mijne gedachten had bezig gehouden. »Gij

zijt Roger Baco?" zeide ik. »»Die ben ik,"" was zijn antwoord, »»vergun

mij u tevens in deze dame mijne vriendin Phantasia voor te stellen.""

Ik verkeerde in eenen dier toestanden, waarop het Horatiaansche nil

mirari ten volle toepasselijk is. Niets van hetgeen ik zag verwonderde

mij. Zoo ook niet dat de voor meer dan vijf eeuwen gestorven Baco nu

levend voor mij stond. Ik nam derhalve zijn aanbod eenvoudig aan en

vroeg hem aanstonds: »wat beteekent dit opschrift?"

»»Dat op gindschen toren, boven de wijzerplaat? Wel niets anders dan

dat het heden de eerste dag van het jaar 2070 is.""

»Maar hoe laat is het? Op dat wijzerbord zie ik zoo velerlei wijzers

en cijfers, dat ik er geheel door verward word."

»»Welken tijd bedoelt gij?" was zijne wedervraag. »Waren, middelbaren

of Aleutischen tijd? Elk dier tijden heeft zijn eigen stel van cijfers

en wijzers.""

»Wat ware en middelbare tijd zijn, weet ik, maar Aleutische tijd,

wat moet deze beteekenen?"

»»Sedert de geheele aarde--zoo luidde het antwoord,--door

telegraaflijnen omsponnen is, en berichten daardoor rondgezonden,

hetzij in oostelijke of in westelijke richting, in een enkel oogenblik

de geheele aarde omloopen, is men, ten einde verwarring, vooral in

handelszaken, te voorkomen, waar het dikwijls op juiste tijdsbepaling

aankomt, wel genoodzaakt geweest eenen algemeen voor de geheele

aarde geldigen tijd aan te nemen. Met onderling goedvinden hebben de

verschillende natiën daartoe het grootste der Aleutische eilanden

als neutraal punt gekozen. Wanneer aan de oostkust van dat eiland

de zon opgaat, begint de werelddag. De keuze van dit eiland is geene

willekeurige geweest, want ten oosten en ten westen van den meridiaan

die over dit eiland loopt, liggen de streken waar de tijdverwarring het

grootst was, omdat, al naar gelang men haar van uit Europa het eerst in

oostelijke richting rondom Afrika of westwaarts rondom Amerika gaande

ontdekt heeft, men op de reis een dag verloren of gewonnen had. Het

gevolg hiervan was dat er in die streek eilanden lagen, waarvan de

bewoners van de oost- en van de westkust, die afkomstig waren van

vroeger daar aangelegde volkplantingen, met elkander voortdurend

een dag in de tijdrekening verschilden. Met het aannemen van den

Aleutischen meridiaan is ook aan die verwarring een einde gemaakt.""

Toen hij deze opheldering gegeven had, vervolgde hij: »»ga met ons,

wij zullen gelegenheid hebben u nog wel andere merkwaardigheden van

Londinia te toonen.""

»Londinia? Is dat hetzelfde als London?"

»»Niet geheel. Het London van vroegeren tijd maakt slechts een klein

gedeelte van het tegenwoordige Londinia uit, dat een aanmerkelijk

deel van zuid-oostelijk Engeland beslaat en thans omstreeks twaalf

millioenen inwoners telt.""

Terwijl wij onzen weg vervolgden, maakte ik de banale opmerking,

dat het heden voor den tijd des jaars buitengewoon zoel weder was.

»»Gij bedriegt u,--zeide Baco,--het is integendeel buitengewoon koud,

maar gij vergeet, dat wij binnen de stad zijn. Voel de warmte slechts

van den luchtstroom, die opstijgt uit de als een zeef doorboorde plaat

voor uwen voet, en gij zult u overtuigen, dat de Maatschappij tot

distributie van verwarmde lucht zich behoorlijk van hare verplichting

kwijt. Zie ook slechts naar boven. Indien de warmte niet groot genoeg

was, dan zoude op het glazen dak boven ons de sneeuw, die heden morgen

gevallen is, nog wel zichtbaar wezen.""

Ik zag naar boven en ontdekte inderdaad, dat de straat overwelfd was

met glazen platen van aanmerkelijke lengte en breedte, welke door dunne

spijlen verbonden waren, terwijl er openingen op zekere afstanden in

waren aangebracht, waardoor de ventilatie onderhouden werd.

»Wij zijn derhalve in eene zoogenaamde passage vitrée?"

»»Ja, indien gij namelijk het grootste gedeelte der stad met dien

naam wilt bestempelen. Wat in de negentiende eeuw slechts op eenige

weinige punten der groote hoofdsteden bestond, is in de eenentwintigste

algemeen ingevoerd, sedert de kunst gevonden is het goedkoope verre

sans fin te maken.""

»Voorzeker eene aangename verbetering van het stadsleven, zoolang

het winter is, maar des zomers moet het onder dit glasdak broeijend

heet zijn!"

»»Geenszins! Dezelfde maatschappij, die des winters verwarmde lucht

levert, zorgt des zomers voor eenen koelen luchtstroom. Niets is

eenvoudiger. Gij weet toch, dat reeds sedert een paar eeuwen in

den heetsten zomertijd ijs gefabriceerd wordt. Men laat des zomers

de lucht daarover strijken, vóórdat deze door de zeefplaten heen de

straat bereikt, en wanneer de warmte-opzichters behoorlijk hun plicht

doen, is de temperatuur gedurende het geheele jaar nagenoeg gelijk.""

»Waarschijnlijk zullen dan ook de huizen wel op eene dergelijke wijze

verwarmd worden, zoodat men geen kachels of haarden meer behoeft

te branden."

Over deze half vragend uitgesproken woorden, die blijk gaven van mijne

overgroote ouderwetsheid, konden mijne geleiders niet nalaten even

te glimlachen. Baco maakte echter eene toestemmende buiging, terwijl

hij zeide: »»Even als men een koudwaterbad naar believen verwarmt door

opening van de kraan, waaruit het warme water stroomt, evenzoo kan men

ook de lucht in zijne vertrekken verwarmen door eene kraan te openen,

waardoor warme lucht binnentreedt, hetgeen nog bovendien het voordeel

van luchtverversching op de aangenaamste wijze, zonder tocht, geeft.""

»»Ik begrijp waarlijk niet,--zoo mengde Phantasia zich in ons

gesprek,--hoe men het in die nog half barbaarsche tijden heeft kunnen

uithouden, wanneer het kachelstoken, zooals ik wel gehoord heb, rook,

asch en stof in de vertrekken bracht.""

»»En bovendien schoorsteenbranden daardoor ontstonden,--vulde

Baco aan, die thans onmogelijk zijn geworden, zoodat dan ook de

assurantie-maatschapppijen niet meer dan een vierde van de vroegere

premie laten betalen.""

»Nog eene vraag, vóór wij van dit onderwerp afstappen. Welk metaal is

het, waaruit de sierlijk bewerkte, dunne spijlen bestaan, waardoor

dat glazen dak in verband gehouden en gedragen wordt? Het schijnt

mij toe geen ijzer te zijn, hetgeen men eertijds voor dergelijke

oogmerken aanwendde."

»»Neen,--zoo luidde het antwoord,--ijzer zoude daarvoor wegens zijne

zwaarte minder goed voldoen dan het aluminium, dat in soortelijk

gewicht met het glas dat het draagt gelijk staat en bovendien veel

beter tegen den invloed der lucht bestand is. Gij zult weldra

ontwaren, dat voor eene menigte van andere doeleinden, waartoe

vroeger het ijzer uitsluitend in gebruik was, thans het aluminium is

in de plaats getreden. Ook hebben de oudheidkundigen op een onlangs

gehouden congres besloten, om bij de steen-, brons- en ijzerperioden,

die zij als het eigenlijk gebied hunner wetenschap beschouwen, eene

vierde te voegen, namelijk de aluminiumperiode, welke met het jaar

1950 begint, toen de nieuwe methode ontdekt is, om het aluminium op

groote schaal uit gewone klei, oude tichelsteenen, gebroken pannen,

potten en stukken van aardewerk en porselein te vervaardigen.""

»Zoo is dan het metaal, dat, nog langen tijd nadat het door Wöhler

ontdekt was, tot de zeldzaamheden behoorde, waarvan men eenige

korreltjes in de verzamelingen van scheikundige praeparaten bewaarde,

nu tot een algemeen goed geworden, tot eene weldaad voor de geheele

maatschappij, vooral in die landen waar klei, met andere woorden

aluminium-erts, bijna de eenige metaalrijkdom is! En zoo wordt dan op

nieuw bewaarheid, wat trouwens ook in vroegere tijden reeds zoo dikwerf

gebleken is, dat de ontdekkingen, langs zuiver wetenschappelijken

weg gedaan en alleen met het doel om onze kennis te vermeerderen,

dikwerf later het meest uitgebreide praktische nut stichten!"

»Denk aan den phosporus, door Brandt en Künckel reeds in 1669 ontdekt,

maar eerst bijna twee eeuwen later in de lucifers tot algemeen gebruik

gekomen,--aan het chloroform, waarvan men, toen Dumas het voor het

eerst daarstelde, weinig verwachten kon dat het eenmaal, door wegneming

van alle pijn gedurende de gevaarlijkste kunstbewerkingen, tot eene

weldaad voor de lijdende menschheid zoude worden,--aan de merkwaardige

proeven van Humpry Davy, waaruit het afkoelend vermogen van metaalgaas

bleek, hetgeen hem leidde tot de uitvinding der veiligheidslamp,

waardoor duizende menschenlevens behoed werden, terwijl diezelfde

eigenschap later de grondslag werd, waarop de vervaardiging steunt

der werktuigen, die door warme lucht worden gedreven en van andere,

waarmede ten allen tijde ijs bereid wordt. Herinner u de uitvinding

der photographie, die eerst mogelijk was geworden, nadat eene reeks

van zuiver wetenschappelijke ontdekkingen was voorafgegaan: aan de

camera obscura door Porta in de zestiende eeuw,--van de verkleuring van

zilverzouten door het licht, door Scheele twee eeuwen later,--van het

iodium, welks bestaan eerst in 1811 door Courtois werd aangewezen,--van

het schietkatoen en het daaruit vervaardigde collodion door Schönbein,

om nu niet te gewagen van verscheidene andere stoffen, die langs

scheikundigen weg gevonden zijn en tot te voorschijn roeping en

bestendiging der beelden dienen.

»Maar vooral is het de telegraphie, welke het duidelijkst bewijst,

dat de meest gewichtige uitvindingen, die het diepst hebben ingegrepen

in den geheelen maatschappelijken toestand van het menschdom, slechts

het uitvloeisel zijn van ontdekkingen, gedaan door wetenschappelijke

mannen, die daarvan in de verte niet de nuttige toepassing konden

voorzien. Of zoude Thales daaraan hebben kunnen denken, toen hij

voor vijfentwintig eeuwen bemerkte, dat een gewreven stukje barnsteen

lichte lichaampjes aantrekt, en daarmede het eerste dier verschijnselen

ontdekte, waarvan de oorzaak aan die geheimzinnige kracht, welke wij de

elektriciteit noemen, moet worden toegeschreven? Of zouden Galvani en

Volta daaraan gedacht hebben, toen de eerste zag, hoe de spieren van

kikvorschen zich onder den invloed der elektriciteit zamentrekken, en

de tweede, om den aard dier werking nader op het spoor te komen, eene

reeks van onderzoekingen deed, welke hem leidden tot de zamenstelling

van de naar hem genoemde kolom, die de jeugdige toestand is onzer

nog heden ten dage gebruikte batterijen, vanwaar de werking uitgaat,

die zich met de snelheid der gedachte door de metalen geleiddraden

voortplant? Of zoude Oerstedt gedroomd hebben van de toepassing

zijner ontdekking op de telegraphie, toen hij voor het eerst zag,

dat de magneetnaald afwijkt onder den invloed der elektriciteit, en

toen vervolgens Arago waarnam, dat ijzer magnetisch wordt, wanneer

een elektrische stroom door een metaaldraad daarom heen loopt?

»Neen, geen van die allen konden voorzien, waartoe de door hen

gevonden waarheden, waardoor de menschelijke kennis verrijkt werd,

eenmaal leiden zouden, evenmin als La Condamine kon vermoeden dat het

fleschje caoutchouc, door hem uit Amerika medegebracht,--waarheen hij

zich begeven had tot het doen eener graadmeting nabij den evenaar,--en

dat hij bij zijne medeleden der Akademie als eene curiositeit liet

rondgaan, uit eene stof bestond, die eene eeuw later de uitgestrekste

toepassing in allerlei nijverheidstakken zoude vinden, en zonder

welke de onderzeesche telegraphie eene onmogelijkheid zoude zijn."

»»Gij hebt volkomen gelijk, zeide Baco. Ik zelf zoude uit mijne kennis

van hetgeen in den loop der twee laatste eeuwen op het gebied der

nijverheid geschied is, daaraan nog verscheidene voorbeelden kunnen

toevoegen, waaruit u blijken zoude, dat menige ontdekking, in de

negentiende eeuw gedaan en die nog eenen geruimen tijd later slechts

eene wetenschappelijke beteekenis had, in onze dagen eene bron van

maatschappelijke welvaart is geworden. Ook twijfelt niemand in dezen

tijd meer aan het gewicht der zuivere wetenschap, en elke regeering

rekent het zich tot een duren plicht deze te bevorderen waar zij kan,

zonder te vragen of zij onmiddellijk reeds vruchten afwerpt, waardoor

de stoffelijke welvaart der maatschappij gebaat wordt. En zulks te

minder, daar elk verstandig man het voor een bekrompen en den mensch

onwaardig denkbeeld houdt, de bevordering van stoffelijk geluk als

het hoofddoel van het menschelijk streven te beschouwen. Er is immers

nog een ander en oneindig hooger geluk: dat hetwelk voortspruit uit

het genot van kennis te vergaderen, die het oorzakelijk verband doet

inzien tusschen de verschijnselen, welke de natuur ons aanbiedt,

of die de geschiedenis van den mensch en van alles wat bestaat ons

leert. Het eerste, het jagen naar stoffelijk genot, heeft de mensch

met elk dier gemeen. Het tweede, de zucht naar veredeling van zijn

geestelijk deel, is alleen den mensch eigen; in de voldoening daaraan

ligt het kenmerk der ware beschaving. De overtuiging van de waarheid

hiervan is dan ook te zeer in onze geheele maatschappij doorgedrongen,

dan dat eene regeering het wagen zoude iets te verzuimen wat strekken

kan om elke wetenschappelijke poging, waardoor die kennis vermeerderd

kan worden, te steunen, het overigens aan de mannen der wetenschap

geheel vrij latende te beoordeelen, hoe en in welke richting die

uitbreiding van kennis behoort te geschieden.""

»Dus hoort men tegenwoordig niet meer gewagen van eene officieele

wetenschap?"

»»Ik weet niet wat gij daarmede op het oog hebt, hernam Baco, maar

indien gij het woord »officieel" in den gebruikelijken zin bezigt,

als van iets dat niet meer kan betwijfeld worden, omdat het van de

regeering is uitgegaan en deze zich daarvoor aansprakelijk stelt, zoo

moet gij mij de opmerking ten goede houden, dat dan de uitdrukking

»officieele wetenschap" eene zeer ongepaste is en van een bekrompen

geest getuigt. De wetenschap kan wel door de regeering beschermd,

gesteund, bevorderd, maar nimmer als echt gestempeld worden. Dien

stempel drukt er alleen de waarheid op.""

Eenigzins beschaamd over mijne blijkbaar zeer verouderde en

mij zelven thans schier kinderachtig toeschijnende vraag, ging

ik stilzwijgend eenige schreden verder, totdat op eens Phantasia

uitriep: »»Ziedaar ons aan de tentoonstelling van Heliochromien,

laat ons er binnentreden. Zien wij of zij zooveel beteekent als de

met ellen lange gouden letters gedrukte biljetten aankondigen, en of

hier de hoogste kunst door de werkelijkheid geëvenaard wordt!""

Er lag eenige spijtigheid in de wijze, waarop Phantasia deze woorden

sprak. Op mijne vraag: wat men door heliochromien verstond, gaf zij

ten antwoord: »»O! niets anders dan photographien met de natuurlijke

kleuren der voorwerpen, door de zon zelve gepenseeld, zooals mijne

vriendin Realia het in haren hoogdravenden stijl gelieft te noemen.""

Dus heeft dan eindelijk de brave Niepce de Saint-Victor het doel

bereikt, waarnaar hij zijn leven lang heeft gestreefd, en heeft de

prix Trèmont, die de fransche Akademie hem toekende, vruchten gedragen?

Baco zag mij aan met een glimlach, waarin ik medelijden met mijne

onwetendheid las. Hij vergenoegde zich echter met te zeggen: »»Treed

binnen, en gij zult hier wel wat anders zien dan de ruwe en voor geene

bewaring geschikte eerste proeven van Niepce de Saint-Victor, die,

wanneer mijn geheugen mij niet bedriegt, voor omstreeks twee eeuwen

geleefd heeft.""

Wij traden binnen, en inderdaad ik wist niet of ik mijne oogen gelooven

moest. Langs de wanden der zaal hing eene onafzienbare menigte van

schilderijen: landschappen, portretten, genrestukken, sommige met

levensgroote beelden, ten voete uit, en al die schilderijen waren

photographien, maar photographien evenzeer verschillende van die

welke mij bekend waren, als eene schilderij in olieverw verschilt

van eene potloodteekening.

»Arme schilders! Arme kunst!--riep ik uit. Wat moet er van u geworden

zijn!"

Doch Phantasia, die met een zeker ongeduld mijne verrukking zag,

antwoordde op dien uitroep: »»Arme schilders! ja, indien gij den

naam van schilders geeft aan hen wien het slechts te doen is,

om de werkelijkheid zoo getrouw mogelijk na te bootsen, maar zeg

niet ook: armen kunst! Nog leven er kunstenaars, als de Raphaël's,

Correggio's, Rubensen en Rembrandts en van vroegere eeuwen, die de

natuur niet nabootsen maar haar idealiseeren. Dat is de roeping der

ware kunst. Eenvoudige nabootsing is fabriekwerk. En evenzoo leven

er nog beeldhouwers, die ware kunstenaars, scheppers van het ideale

zijn, al worden ook de standbeelden van levende personen geheel op

werktuigelijke wijze naar photographien vervaardigd, terwijl een

eenvoudig werkman, die niets van eigenlijke kunst weet, het werktuig

bestuurt.""

Ik nam die terechtwijzing deemoedig aan en verheugde mij in stilte

er over, dat dan toch vele dier kunstschatten, waarop ons vaderland

terecht trotsch is, hunne waarde niet verloren hadden, terwijl het

mij tamelijk onverschillig voorkwam, of middelmatige talenten, niet in

staat om zich tot een hooger peil dan dat der bloote werkelijkheid te

verheffen, voortaan, in de plaats van het penseel, de camera obscura

gebruikten tot daarstelling hunner tafereelen, die er in getrouwheid

zeker door winnen moesten.

Toen wij het tentoonstellingsgebouw verlieten, zag ik een grooten

wagen aankomen, die, niet door paarden getrokken, maar bestuurd door

een enkel man, zich met de grootste gemakkelijkheid voortbewoog en,

waar het noodig was, voor andere rijtuigen uitweek. Die wagen was

beladen met grootere en kleinere, zwart gekleurde cylinders, bijna

op vaten of tonnen gelijkende.

Ik wist dat men reeds voorlang in Engeland en elders tamelijk wel

geslaagde proeven had genomen met het vervaardigen van stoomwagens,

die bestemd waren om niet langs spoorstaven, maar over den gewonen

weg te loopen, en het verheugde mij zeer te zien, dat men daarin zoo

goed geslaagd was. Het trok echter mijne aandacht, dat die wagen er

geheel anders uitzag, dan de mij bekende locomotieven en locomobile's,

en dat er niets aan waarneembaar was, dat op eene voortbeweging door

stoom duidde.

Derhalve wendde ik mij weder tot mijnen vriendelijken geleider, niet

twijfelende of hij zoude mij eene voldoende opheldering geven. Hij

voldeed dadelijk aan mijn verzoek, doch ik moet verklaren, dat de zaak

mij niet volkomen helder werd. Ten deele was dit een gevolg daarvan,

dat Baco bij zijne uitlegging eenige namen noemde van werktuigen

en van stoffen, die mij volkomen onbekend waren. Ziet hier echter

ongeveer wat ik er uit begrepen heb.

Zoolang men nog steenkolen in overvloed had, was het gebruik hetzij

dan van stoom of van verhitte lucht gebleken geheel voldoende te zijn,

om allerlei soort van werktuigen, vaartuigen of wagens in beweging te

brengen. Maar sedert den aanvang van de eenentwintigste eeuw, was de

hoeveelheid steenkolen in de onderscheidene landen van Europa zoozeer

begonnen te verminderen, dat deze allengs te veel in prijs stegen,

om nog met blijvend voordeel te worden aangewend. Wel was de voorraad

in Noord-Amerika nog verre van uitgeput, doch door het vervoer werd

ook de prijs van deze zeer verhoogd. Ditzelfde bezwaar deed zich ook

gevoelen bij zulke werktuigen, waarin de drijfkracht werd voortgebracht

door zich telkens herhalende ontploffingen van een mengsel van lichtgas

en gewone dampkringslucht, want de prijs van het lichtgas steeg ook

met dien der steenkolen, waaruit het bij voorkeur vervaardigd werd.

Toen had men zijne toevlucht genomen tot de elektro-magnetische

werktuigen, die, zoolang de steenkolen goedkoop waren, niet met

voordeel konden worden aangewend, doch thans met de stoom- en

andere soortgelijke werktuigen wedijveren konden en daarboven zelfs

verscheidene voordeelen vooruit hadden, inzonderheid de geheele

afwezigheid van alle gevaar voor het springen van ketels.

Met dat al bleef het elektro-magnetisme, al had men ook verscheidene

verbeteringen in zijne aanwending uitgevonden en ingevoerd, toch eene

veel duurdere beweegkracht dan die welke eertijds aan de steenkolen,

toen deze nog in overvloed voorhanden waren, ontleend werd. Het

gevolg hiervan was eene geringere voortbrenging van die velerlei

zaken, welke tot eene behoefte der hedendaagsche maatschappij zijn

geworden, ja tot eene noodzakelijke voorwaarde van eene blijvende en

voortgaande beschaving.

Toen was het, dat men, door die behoefte zelve aangespoord, van alle

zijden bedacht werd op het uitvinden van nieuwe beweegmiddelen, en

dat men eindelijk, na eene lange reeks van teleurstellingen, slaagde

er een te vinden, dat volkomen aan het oogmerk voldeed en waarvan de

bron inderdaad onuitputtelijk mag heeten.

Reeds sedert overoude tijden had men zich namelijk bediend van de

beweegkracht van stroomend water en stroomende lucht of wind. Toen

de stoomwerktuigen in zwang kwamen, had men aan deze meer en meer de

voorkeur gegeven, eensdeels omdat snel stroomend of vallend water

niet overal voorhanden is, anderdeels omdat zijne hoeveelheid en

kracht veranderlijk zijn, al naar gelang er veel of weinig regen

in de hooger gelegen streken gevallen is. In nog veel grootere mate

deed laatst genoemd bezwaar, namelijk de veranderlijkheid der kracht,

zich bij het aanwenden van den wind gevoelen. In de lucht wisselt

volkomen stilte af met stormen, zoo hevig dat de schipper genoodzaakt

is al zijne zeilen te bergen en de molenaar gedwongen wordt zijn

molen te doen stil staan, wegens het gevaar, waaraan deze anders

zoude zijn blootgesteld. Staat nu een molen stil, dan is deze een

nutteloos werktuig. Ook de arbeiders staan dan stil en worden niet

alleen nutteloos maar zelfs schadelijk voor den fabrikant, die hun

dagloon betaalt. Veel tijd gaat alzoo vruchteloos verloren, en tijd

is geld. Voegt men nu nog hierbij, dat men met een stoomwerktuig

onverpoosd kan doorwerken, zoodat de fabrikant de zekerheid heeft

van een aangenomen werk in eenen vooraf bepaalden tijd ook te kunnen

afleveren, en de redenen liggen bloot, waarom de kracht vallend van

water of van wind plaats moest maken voor de stoomkracht, die boven

deze beide eene veel grootere regelmatigheid vooruit heeft.

Intusschen kon men nooit vergeten, dat men water en wind voor

niets heeft, en dat daarentegen stoom geld kost. Bovendien is de

hoeveelheid levende kracht of arbeidsvermogen, welke zetelt in het

aan de oppervlakte onzer aarde vallende water en in de stroomen des

dampkrings, zoo onmetelijk groot, dat, in vergelijking daarvan,

de beweegkracht van alle bestaande stoomwerktuigen bijna niets

is. Een enkele groote waterval heeft meer arbeidsvermogen dan alle

stoommachines van Europa te zamen. Een enkele storm kan verwoestingen

aanrichten zoo groot, dat het belachelijk ware deze in kilogrammeters

of paardenkrachten te meten.

Toen nu de stoom al duurder en duurder werd, zag men naar middelen uit,

om, met behoud van de aan de stoomkracht eigene voordeelen, namelijk

regelmatigheid en gestadigheid, zich de kracht van het vallende

water en van den wind meer dan vroeger ten nutte te maken. Het kwam

er dus op aan, om die kracht, welke dan eens groot, dan weder gering

is, gelijkmatig over een zeker tijdsbestek te verdeelen. Men moest

als het ware de kracht of het arbeidsvermogen van lucht en water

kunnen opgaren, opleggen, er, om zoo te spreken, een voorraad van

verzamelen, die in tijden van gebrek kon gebruikt worden. De natuur

had arbeidsvermogen opgelegd, toen zij de bosschen deed groeijen,

waaruit de steenkolenlagen ontstonden. De kunst deed het reeds bij

de bereiding van buskruid en van andere ontplofbare stoffen. Waarom

zoude zij het niet onder eenen anderen vorm kunnen beproeven, door

tijdelijke vastlegging van die levende kracht, waarvan een zoo

onuitputtelijke voorraad aanwezig is?

Ziedaar het vraagstuk. Hoe het werd opgelost, vermag ik niet

in bijzonderheden te verklaren. Maar van Baco vernam ik, dat

de zwarte cylinders, die op den zoo even vermelden wagen lagen,

den naam droegen van energeiatheken, d. i. van krachtbewaarders of

krachthouders, en dat de wagen, waarop zij lagen, door één daarvan

werd voortgedreven, terwijl de overige bestemd waren om aan de huizen

te worden rondgebracht, hetzij tot het ophijsschen van lasten naar

de hoogere verdiepingen, waartoe men vroeger menschenkrachten, later

hydraulische persen aanwendde, of voor smeden, draaijers en andere

kleine fabrikanten, die eene niet groote maar regelmatige beweegkracht

bij hun bedrijf behoefden. Groote fabrieken, die eene aanmerkelijke

beweegkracht vereischten, bezigden dergelijke energeiatheken,

maar van grooteren omvang en vermogen. Overigens bestonden er, op

verscheidene punten van Engeland en elders in Europa, fabrieken van

energeia. Sommige daarvan, die in de bergachtige streken gevestigd

waren, verzamelden de kracht van vallend water, andere, in de vlakte

gelegen, die van den wind.

Hoe nu echter de inrichting dier cylinders, en onder welken vorm

de energeia daarin bevat was, vermag ik niet te zeggen. Wel maakte

ik daaromtrent eenige hypothesen. Zoo dacht ik onder anderen aan

samengeperste lucht of eenig ander gas, b. v. koolzuur- of ammoniakgas,

dat door sterke drukking in eene vaste zelfstandigheid of in eene

vloeistof veranderd was en, later weder ontsnappende, de daarin

vastgelegde kracht terug kon geven. Doch ik geef deze hypothesen voor

beter en erken gaarne er eigenlijk niets zeker van te weten.

Terwijl Baco deze lange uitlegging gaf, waren wij een goed eind

weegs voortgewandeld, toen wij aan een groot, sierlijk bewerkt

aluminiumhek kwamen, waarop met groote letters de woorden: Nationale

Bibliotheek te lezen stonden. Natuurlijk verlangde ik daar binnen te

treden. Baco echter merkte op, dat het zien dezer inrichting zeer

veel tijd zoude vorderen, die ik wellicht op eene aangenamer wijze

elders besteden konde, en Phantasia zeide, dat, indien de heeren

die gebouwen vol geleerdheid ingingen, zij de voorkeur gaf aan eene

wandeling over het groote square, dat wij door het hek heen konden

zien, en waar, te midden van lanen en perken met voorjaarsbloemen,

zich de heerlijkste gewrochten van oudere en nieuwere beeldhouwkunst

aan het oog vertoonden, als om hare woorden van straks te bevestigen,

dat de ware kunst nog steeds in eere werd gehouden.

Toen wij aan de andere zijde van het square waren gekomen, begreep ik

de aarzeling van Baco. Voor ons breidde zich, zoo ver het oog zien kon,

eene reeks van gebouwen uit, die veeleer deed denken aan eene stad van

matige grootte dan aan eene voor het bewaren van louter boeken bestemde

plaats. »»Gij ziet, dat gij hier eene keus zult moeten doen, willen

wij mijne vriendin niet al te lang alleen laten, zeide Baco. Van welk

vak van menschelijke kennis verlangt gij de boekverzameling te zien?""

»Mij boezemen de geschriften over Natuur-wetenschap het meeste

belang in."

»»Aan eene bezichtiging van al de gebouwen, waarin deze bewaard worden,

kan niet gedacht worden. Gij moet u veel meer beperken.""

»Welnu, dan die over Dierkunde."

»»Nog veel te veel, om slechts eenen oppervlakkigen blik op de

inrichting te werpen. Alleen het doorwandelen der zalen zoude ons te

lang ophouden. Kies een klein onderdeel daaruit."

»Dan de werken over Entomologie?"

»»Het zal nog niet gaan, gij dient u tot eene enkele orde der insekten

te bepalen.""

»Kies dan wat gij wilt, zeide ik, ik ben bereid u te volgen."

Zoo traden wij dan een der gebouwen binnen. Onder weg trof mij de

menigte van beambten, waarvan eenigen zich beijverden om de in nog

veel grootere menigte aanwezig zijnde bezoekers terecht te wijzen en

te helpen, terwijl andere bezig waren met het maken van registers

en uittreksels ten behoeve van geleerden, wien de tijd ontbrak om

al de geschriften over het onderwerp te lezen, waarmede zij zich

op dat oogenblik bezig hielden. Ik vernam dat dit een uitnemende

leerschool voor jeugdige geleerden was, die aldus niet alleen boeken-

en zaakkennis opdeden, maar daardoor ook tot zelfstandige schrijvers

werden opgeleid.

Eenen der beambten zag ik bezig met de bladen van een boek, die bijna

tot stof uiteen vielen, met groote voorzichtigheid op collodionvellen

te plakken, waarbij ook de opgeplakte zijde nog leesbaar bleef. Ik

herinnerde mij de verbrande papyrusrollen van Pompeji en Herculanum,

die op eene dergelijke wijze voor verdere vernietiging bewaard werden,

doch kon mijne verwondering niet verbergen, toen ik op den titel zag,

dat het boek in 1860 te Amsterdam gedrukt was. »»Zoo gaat het met de

meeste boeken der negentiende eeuw, zeide Baco. Het papier, waarop men

toen drukte, was, ten gevolge van het bleeken door chloor, zoo zwak en

aan voortgaand bederf onderhevig, dat ons slechts weinige boeken uit

dien tijd zijn overgebleven. Het is jammer, want er werd in die eeuw

nog wel wat gedaan, dat de moeite waard was om bewaard te blijven.""

Ik kan niet ontveinzen, dat ik deze voor eenen schrijver uit die eeuw

weinig aangename tijding met eenig leedgevoel vernam, doch zweeg

natuurlijk en volgde mijnen geleider door lange rijen van zalen,

totdat wij eindelijk gekomen waren in eene groote zaal, welker

wanden van boven tot beneden met boeken bezet waren. Hier hield hij

stil, zeggende: »»Nu zijt gij in de boekenzaal der Tweevleugelige

insekten. Zeg nu welk werk gij verlangt in te zien."" Doch toen ik

die duizende banden, allen handelende over Vliegen en Muggen, in

dichte rijen voor mij zag staan, vreesde ik mijne onkunde te zeer te

zullen verraden, door eene keus te doen en een titel te noemen, waaruit

waarschijnlijk blijken zoude hoe weinig ik op de hoogte der wetenschap

van de een en twintigste eeuw was. Daarom betuigde ik volkomen voldaan

te zijn over hetgeen ik reeds gezien had, er bijvoegende, dat ik het

onbeleefd zoude achten eene dame langer op mij te laten wachten.

Zoo verlieten wij dus de bibliotheek, die wellicht juister met den

naam van bibliopolis, d. i. boekenstad, mocht bestempeld worden.

Toen wij het hek uitgingen, traden daardoor juist een aantal

mannen binnen, die ik, naar hunne kleeding, voor handwerkslieden of

fabriekarbeiders aanzag. Ik vroeg aan Baco, wat die lieden op die

plaats kwamen doen.

»»Zij zijn eenige der werklieden van eene naburige fabriek, die,

volgens hunne beurt, hier een uur lang dagelijks komen, om in gindsche

zaal, die daarvoor bijzonder is ingericht, de boeken te lezen, welke

het bestuur der bibliotheek, als het meest voor hunne behoeften

geschikt, daar geplaatst heeft. Op een groot aantal andere punten

der stad, inzonderheid in de volkrijkste wijken, waar de meeste

fabrieken zijn en het grootste aantal arbeiders woont, bestaan

dergelijke volks-bibliotheken.""

»En worden deze druk bezocht? Geven de meesters verlof aan hunne

werklieden om daarheen te gaan? Betalen zij hen dan niet minder? Zijn

zij niet bevreesd dat zulke werklieden te knap, te geleerd zullen

worden?"

»»Uwe beide eerste vragen kan ik met ja, de beide laatste met neen

beantwoorden. De ondervinding heeft aan de meesters geleerd, dat zij,

door dagelijks aan hunne werklieden een uur rust te gunnen, gedurende

hetwelk zij eenige kennis van hun vak kunnen opdoen en zich in het

algemeen door het lezen van nuttige werken hooger ontwikkelen, zich

zelven bevoordeelen. Dit is trouwens hand aan hand gegaan met de

gestadige invoering van nieuwe werktuigen, waardoor zeer veel van

hetgeen in vroegeren tijd door handenarbeid moest verricht worden,

thans op zuiver werktuiglijke wijze wordt voortgebracht. Daardoor is

de behoefte aan kennis en verstandsontwikkeling onder de arbeidende

klasse grooter geworden, naarmate het getal dergenen, die slechts in

lichamelijken arbeid een middel van bestaan vinden, afgenomen is.""

»Jammer,--zeide ik,--dat niet allen in staat zijn van zulk eene

voortreffelijke gelegenheid gebruik te maken."

»»Die gelegenheid staat voor allen open. Niemand is daarvan

buitengesloten.""

»Maar toch wel degenen die niet lezen kunnen."

»»Niet lezen! wij zijn in Europa, waarde heer! Niet in Nieuw-Guinea,

in het land der Papoes! Er is in onze tegenwoordige maatschappij

niemand die niet lezen en bovendien niet schrijven kan en ten minste

de beginselen van het rekenen verstaat. Dit zijn immers de allereerste

middelen die elk noodwendig behoeft, om een stap verder op het veld van

kennis en geestbeschaving te doen en een nuttig lid der maatschappij

te zijn!""

»Moet ik daaruit begrijpen, dat alle ouders tegenwoordig verplicht

worden hunne kinderen ter school te zenden?"

»»Wel zeker! Hoe kunt gij er aan twijfelen! Ouders zijn immers

verplicht voor de voeding van het lichaam hunner kinderen te zorgen,

en zouden zij dan niet evenzeer verplicht zijn te zorgen voor de

voeding van hunnen geest?""

»Ja, maar dat is eene zedelijke verplichting, terwijl, indien ik u

goed begrijp, de schoolplichtigheid thans bij de wet is voorgeschreven

en daardoor een groote inbreuk is gemaakt op de individueele vrijheid

en op de rechten der ouders."

»»Gij hebt mij zeer goed begrepen. Doch veroorloof mij u te zeggen,

dat gij de zaak op eene hoogst eenzijdige wijze voorstelt. Eene goed

geordende maatschappij kan immers niet bestaan, zonder dat elk burger

een gedeelte zijner individueele vrijheid opoffert in het belang

van het geheel, waarvan hij zelf een deel uitmaakt. Dit geschiedt in

vele andere gevallen, zonder dat iemand er aan denkt zich daartegen

te kanten, omdat die opoffering meer dan opgewogen wordt door de

vele voordeelen, welke aan het leven in eene geregelde maatschappij

verbonden zijn. En wat de rechten der ouders aanbelangt, zoo moet gij

niet uit het oog verliezen, dat ook de kinderen rechten hebben, die

zij mede ter wereld brengen. Een dezer rechten is: dat zij, te midden

eener beschaafde maatschappij geboren, welke domheid en onwetendheid,

als aan haar vreemde elementen, buiten stoot, in staat moeten worden

gesteld om zich een deel dier beschaving eigen te maken. Wanneer nu

de ouders misbruik maken van hun recht, en dit niet anders wordt dan

het recht des sterksten, dan moet de staat wel tusschen beide komen en

door wettelijke bepalingen de kinderen, wier toekomst daarvan afhangt,

in zijne bescherming nemen. Dit doende behartigt hij trouwens het

best zijne eigene belangen, want de ondervinding van vroegere eeuwen,

toen de schoolplichtigheid nog niet algemeen was ingevoerd, heeft

geleerd, dat de gevangenissen het meest bevolkt werden door hen,

die noch lezen noch schrijven konden.""

»Veroorloof mij nog ééne vraag. Heeft die invoering niet met zeer

groote, bijna onoverkomelijke bezwaren te kampen gehad?"

»»Dat die bezwaren niet zoo groot waren als gij schijnt te meenen,

kan u daaruit blijken, dat reeds in de negentiende eeuw in eenige

landen van Duitschland de schoolplichtigheid bestond, zonder dat de

bevolking zich daar eenigzins tegen verzette. Het spreekt wel van zelf,

dat, toen die maatregel ook elders werd toegepast, men aanvankelijk,

evenals bij alle andere nog ongewone zaken, op eenige moeijelijkheden

stuitte, en dat van tijd tot tijd de tusschenkomst van het gezag

noodig was om de bepalingen der wet te handhaven. Doch eenige weinige

jaren waren voldoende, om hare trouwe nakoming tot eene volksgewoonte

te maken, en het tegenwoordige geslacht, dat onder haren zegenenden

invloed is opgegroeid, is zoozeer doordrongen van de overtuiging der

onontbeerlijkheid van die eerste kundigheden voor elken burger der

maatschappij, dat men nu gerustelijk de wet zoude kunnen afschaffen,

zonder vrees dat er één kind minder de school bezoeken zoude.""

Hetgeen Baco mij daar had medegedeeld bracht mij tot nadenken. Het

kwam mij nu bijna vreemd en onverklaarbaar voor, dat in eene eeuw,

toen van zoo veler lippen het woord »vooruitgang" weerklonk, eene zoo

noodwendige, als van zelf sprekende voorwaarde van elken vooruitgang

nog bestrijders had kunnen vinden. Ik herinnerde mij daarbij echter,

dat het woord: »vooruitgang" in verschillende beteekenissen werd

gebruikt. Juist wilde ik Baco vragen, welke beteekenis men in de

eenentwintigste eeuw aan dat woord hechtte, toen mijne gedachten werden

afgeleid door het zien van eene nog uitgestrektere groep van gebouwen

dan die welke de bibliotheek bevatten, en die desgelijks een groot

geheel uitmaakten. »Het is het Nationaal Museum" was het antwoord

op mijne vraag, welke de bestemming dier gebouwen was. »»Daar wordt

alles bewaard, wat de kunst aan uitstekende gewrochten en de natuur

aan bezienswaardige voorwerpen oplevert.""

»Ik begrijp, zeide ik, dat een bezoek daarvan, al ware het slechts

in de qualiteit van toerist, verscheidene dagen vorderen zoude, doch

zoude ik er althans niet iets, als eene kleine proef, van mogen zien?"

»»Welnu,--hernam Phantasia, terwijl zij stil hield voor een der

gebouwen, boven welks ingang men de woorden Genealogisch Museum

las,--»»laat ons deze verzameling, die tot mijne bijzondere

liefhebberijen behoort, gaan zien.""

Ik wist niet of ik mijne ooren gelooven moest. Hoe, eene dame

eene liefhebster van genealogie, van oude perkamenten, stamboomen,

heraldiek! Ik volgde haar echter, doch, in de middelste groote zaal

gekomen, zag ik niets van dat alles, maar alleen lange, van een,

middelpunt uitgaande en zich vertakkende en weder vertakkende rijen

van geraamten, waaronder ik spoedig eenige weinige oude bekenden

ontdekte: olifanten, mammouthen, mastodonten, rhinocerossen,

paarden, hippotheriums, anchitheriums, palaeotheriums, lophiodons,

anoplotheriums enz. enz., maar daartusschen, in nog veel grooter

aantal, de overblijfselen van andere mij geheel onbekende wezens,

allen zoo gerangschikt, zoowel volgens hunne verschijning in den

loop des tijds, als overeenkomstig de verwantschappen van den

vorm, dat zij reeksen daarstelden van op elkander volgende termen,

waarvan de meest in elkanders nabijheid geplaatste onderling ook de

grootste gelijkenis hadden, terwijl de eindtermen der als een waaijer

uiteenloopende reeksen onderling de grootste verschillen aanboden.

Nu begreep ik wat men met het woord »genealogisch" hier bedoeld

had. Het was hier niet te doen om adellijke stamboomen, maar om aan

te toonen langs welken weg de verschillende diersoorten, die opvolgend

op aarde geleefd hebben, de eene uit de andere ontstaan zijn.

Ik kon echter niet nalaten aan Phantasia die buitengemeen met deze

rangschikking scheen op te hebben, te doen opmerken, dat zulk eene

wijze om de overblijfselen van uitgestorven diersoorten te plaatsen,

niet bewees wat men er mede bedoelde, want dat er nog ten huidigen

dage allerlei onderling verwante vormen en tusschenvormen leefden.

»»O,--hernam de levendige dame,--»gij zoudt niet meer twijfelen,

indien gij bekend waart met al de nieuwe ontdekkingen van onze eeuw!""

Daar het nu volkomen waar was, dat deze mij geheel onbekend waren,

zoo zweeg ik over dit onderwerp, maar richtte nog tot haar de vraag:

of zich in dit museum ook de voorouders van het menschelijk geslacht

bevonden? Zij wees op eene rij van gesluijerde gestalten, die in

den achtergrond der zaal stonden, en vatte mij bij de hand om mij

daarheen te geleiden. Doch toen kwam Baco tusschen beide, zeggende:

»»Laat u niet verleiden door mijne vriendin Phantasia; gij zoudt er

toch niets van zien, daar in dien donkeren hoek, want reeds begint

de avond te vallen, en wij moeten naar huis, en gij naar uw hotel.""

En inderdaad, het begon reeds zeer duister te worden in het gebouw,

waarin wij ons bevonden, doch toen wij de straat bereikt hadden, was

het alsof het daar nog helder dag was. Om mij heen ziende, zocht ik

naar de gas- of andere vlammen, die deze helderheid teweeg brachten,

doch zag niets. Eindelijk sloeg ik het oog naar boven en zag toen,

hoog boven de huizen, een verblindend licht, als eene zon, die zijne

stralen naar alle zijden uitzond, terwijl ik, op aanmerkelijken

afstand van elkander, in de verte nog andere dergelijke zonnen boven

de straat ontdekte. »»Kent gij het solaar-licht nog niet! zeide Baco;

dat verwondert mij, want reeds in de tweede helft der negentiende eeuw

is men begonnen alhier en te Parijs eenige openbare gebouwen op eene

dergelijke wijze te verlichten. Men heeft het reeds lang op de straten

ingevoerd, gelijktijdig namelijk met de overdekking door glas.""

»Maar dat licht is veel te schitterend en te wit om gaslicht te

kunnen zijn!"

»»Dat is het ook niet. Gaslicht wordt nog slechts in de veraf gelegen

buurten gebrand, waar de huizen niet dicht opeen gebouwd zijn, maar

de verlichting van het middengedeelte der stad geschiedt bij voorkeur

door verbranding van magnesium, hoewel men hier en daar ook elektrisch

licht bezigt of andere wijzen om een sterk licht voort te brengen,

waarvan men er tegenwoordig zeer vele kent. De toestel van spiegels

en lenzen, die het licht verzamelen en zijne stralen evenwijdig, met

andere woorden aan zonlicht gelijk maken, is voor al die verschillende

lichtsoorten dezelfde.""

»Eene dure straatverlichting!"--kon ik mij niet weêrhouden uit

te roepen.

»»Niet zoo duur, als gij schijnt te denken,--antwoordde Baco,--vooral

niet waar men magnesium brandt, want er is overvloedig magnesium-erts

in de wereld, onder den vorm van engelsch zout, dolemiet enz., waaruit

men, op eene dergelijke goedkoope wijze als bij de aluminium-bereiding

gevolgd wordt, het magnesium trekken kan. Hier komt bij, dat het

product der verbranding van dit metaal eene vaste stof is, die men,

door eene gepaste inrichting van den toestel, weder verzamelen en op

nieuw tot magnesium herleiden kan, zoodat, theoretisch gesproken,

eene zekere hoeveelheid magnesium eene voortdurende bron van licht

is, even goed als de oliekruik der weduwe van Zarphath, waarvan wij

in het Boek der Koningen lezen.""

Hoe meer ik zag, hoe meer ik tot de vernederende overtuiging kwam,

dat die hoog geroemde negentiende eeuw, waartoe ik nog steeds gevoelde

te behooren, zeer achterlijk was, ja dat Phantasia niet zoo geheel

ongelijk had, toen zij den toestand der maatschappij in dien tijd

eene nog half-barbaarsche noemde.

Het scheen alsof Baco deze gedachte op mijn gelaat las. Althans hij

vervolgde: »»Ik zie aan u, dat gij verlangt nog nader kennis te maken

met den toestand der hedendaagsche maatschappij. Welnu, indien u

ons gezelschap welgevallig is geweest, verzel ons dan morgen op een

luchttochtje, dat wij voornemens zijn te doen.""

Het spreekt wel van zelf, dat het vooruitzicht van zulk een tocht

mijne borst van vreugde deed tintelen. Ik nam derhalve de beleefde

uitnoodiging met graagte aan, maar kon desniettegenstaande niet

nalaten een klein bezwaar te opperen betreffende het weder. »O! wees

daaromtrent niet bezorgd,--antwoordde mijn vriendelijke geleider;--ik

heb mij reeds heden morgen naar het meteorologisch bureau begeven en

mij vergewist, dat wij in de eerste veertien dagen goed weder zullen

hebben. De berichten van alle meteorologische stations uit alle oorden

der wereld zijn gunstig. De lucht zal helder en de wind goed zijn,

zoodat de aeronaut slechts weinig gebruik van de uit voorzorg mede

te nemen energeiatheken zal behoeven te maken.""

Wij scheidden dus, nadat ik de plaats, waar wij ons den volgenden

morgen weder zouden ontmoeten, had opgeteekend. Ik sprong in een der

cabs, die op den hoek der straat gestationeerd waren, met last mij

naar mijn hotel te brengen. Onder het voortrijden trof het mij, dat ik

niets van het oorverdoovend geraas vernam, dat anders bij het rijden

door eene stad ontstaat en even hinderlijk is voor hen die in het

rijtuig zitten als voor de voorbijgangers en de bewoners der huizen

van druk bezochte straten. Ik hoorde slechts het aangenaam klinkend

geluid van vier schelletjes, die het paard droeg, en welker toonen

te zamen een accoord vormden. Het gelukte mij niet met zekerheid

te ontdekken of deze afwezigheid van alle geraas het gevolg was van

den aard van het plaveisel of wel van eene bedekking der wielen met

hoepels van eene andere stof dan ijzer. Waarschijnlijk was zoowel

het eene als het andere de oorzaak.

Aan mijn hotel gekomen trof mij de groote stilte die daar heerschte,

in weêrwil dat er verscheidene duizende gasten hunnen intrek

hadden genomen. Weldra vernam ik de reden daarvan, toen ik de

groote gezelschapszaal intrad en eene, wel is waar zwakke, maar

allerliefelijkste muziek mijn oor bereikte. Het geluid had iets

van eene menschelijke stem, maar toch het timbre was een geheel

ander. Nergens liet zich een muzikant, een zanger of eene zangeres

zien. Alleen op eene tafel in het midden der zaal stond een kleine

kast, en het was blijkbaar dat het geluid daaruit voortkwam. Ik

hield deze kast voor een soort van speelwerktuig, door een uurwerk

bewogen, en zag met bevreemding dat een groot aantal, zeer ernstig,

maar tevens opgetogen kijkende mannen, in ademlooze stilte, daarom

heen stonden te luisteren. Toen de muziek ophield, mengde ik mij in

hun gezelschap en vroeg: wat het voor een soort van muziekinstrument

was, dat hun blijkbaar zooveel belangstelling inboezemde?

Met groote verbazing, ja bijna met verontwaardiging vestigden

zich de oogen van velen op mij, en een hunner riep uit:

»Een muziekinstrument! Hoe, Mijnheer! Meent gij, dat ooit een

muziekinstrument zulke toonen zoude kunnen voortbrengen? Kent gij

dan den telephone niet!"

Nu schoot mij te binnen, dat een aldus genoemd werktuig in 1861 was

uitgevonden door zekeren Reis, zich grondende op de door Page ontdekte

eigenschap, dat, wanneer een elektrische stroom door een draadspiraal

rondom een ijzeren naald loopt, en de stroom telkens wordt afgebroken,

daarin een toon ontstaat, waarvan de hoogte afhankelijk is van het

aantal trillingen, te weeg gebracht door de meer of minder snel

elkander opvolgende afbrekingen des strooms.

Ik antwoordde derhalve, dat mij de telephone zeer wel bekend was,

en ten bewijze daarvan verhaalde ik de geschiedenis zijner eerste

uitvinding en eindigde met eene beschrijving van het werktuigje van

Reis, waardoor toonen der menschelijke stem van zeer groote afstanden

aldus konden worden overgebracht, er bijvoegende dat het wel van

zelf sprak, dat dit in den loop van ruim twee eeuwen aanzienlijke

verbeteringen had ondergaan.

Dadelijk bleek het mij, dat het door mij gesprokene eenen goeden indruk

had gemaakt, en rondom mij hoorde ik er meer dan een mompelen: »»dat

wist ik niet, dat de telephone al zoo oud was."" Eenigen maakten mij

een kompliment over mijne oudheidkennis, en nu kostte het mij dan ook

geen verdere moeite om te weten te komen, wat hier dan toch eigenlijk

geschiedde, daar allen het mij om strijd wilden verhalen.

De zaak was deze. In de Noord-Amerikaansche bladen was met grooten

ophef gewag gemaakt van eene zangeres, welke, volgens die berichten,

eene stem zoude bezitten, die in omvang en uitdrukking alles overtrof

wat het levende geslacht nog van eene menschelijke stem gehoord had,

ja in vergelijking van welke de grootste zangeressen van vroegere

eeuwen, eene Catalani, eene Malibran, eene Henriette Sonntag, eene

Jenny Lind, de Patti's, voor zoo ver men oordeelen kon naar hetgeen

de geschiedenis der kunst van haar vermeldde, niets meer waren dan

hetgeen de sijs is vergeleken met den nachtegaal.

De muzikale wereld in Londinia was door die berichten in rep en roer

gebracht. Van alle zijden waren de directeurs van opera's en concerten

aangespoord geworden om dit wonder van zangkunst te doen overkomen,

opdat ook de bewoners van Londinia haar hooren konden. Daar het nu

echter meermalen gebleken was, dat berichten uit Noord-Amerika, het

vaderland van den humbug, niet recht te vertrouwen waren, zoo hadden

de gezamenlijke directeurs besloten de zangeres eerst per telegraaf

te verzoeken een proefje van hare stem te geven door middel van

den telephone. Men kon dan althans oordeelen over zijnen omvang en

geoefendheid. De zangeres had daarin toegestemd, en toen hadden de

directeurs een der transatlantische telegraafkabels voor den avond,

waarop de proef zoude gegeven worden, afgehuurd.

Als een feitelijk blijk van den omvang harer stem, toonde men mij

eenige zwarte papierstrooken, met een groot aantal golvende witte

lijnen daarop, die zoo straks door den nevens den telephone staanden

phonautograaf daarop getrokken waren en den geheelen toonladder

der zangeres aanwezen. Van deze papierstrooken zoude den volgenden

morgen in het aan de muziek gewijde dagblad Panharmonia een afdruk

verschijnen: »»ten einde het geheele publiek van Londinia zich reeds

vooraf door de oogen zoude kunnen overtuigen van hetgeen later de

ooren hooren zouden."" Want, zoo voegde de redacteur der Panharmonia

er bij: »»elk kenner van muziek weet, wat die golvende streepjes

beteekenen. Men zal de handen van verbazing ineenslaan, wanneer

men dezen toon ziet!"" Hierbij wees hij op de laatste der lijntjes,

waarin de golfjes het dichtst bijeen stonden.

Natuurlijk verlangde ik zeer, om ook de inrichting van den telephone

van naderbij te leeren kennen. Ik verzocht dus eenen der heeren mij

dien te willen verklaren, doch nauwelijks was deze daarmede begonnen,

of het klonk van alle kanten: »chut! chut!" De Noord-Amerikaansche

zangeres liet zich wederom hooren. Zij zong ditmaal eene aria uit

Mozart's Don Juan. Het deed mij goed te vernemen, dat dit meesterstuk,

ruim drie eeuwen na den dood van dien grooten maestro, nog niet

vergeten was.

Toen het lied was geëindigd, besloten de directeurs eenstemmig, dat

de zangeres waardig was, door het kunstlievend publiek van Londinia

gehoord te worden, en men bracht haar eene fanfare, door eenen in

tegengestelde richting werkenden telephone. Verdere besluiten werden

er niet genomen, want het stond nu aan elk der directeurs vrij, te

trachten haar, door het aanbieden van voordeelige voorwaarden, aan

zijn belang te verbinden. Het was dan ook duidelijk in de houding

dier heeren te zien, dat elk zijn eigen geheim had, hetwelk hij

wel zorgen zoude aan geen zijner mededingers te verraden. Zij namen

desniettegenstaande zeer beleefdelijk afscheid van elkander en van mij,

en ik zocht mijne kamer op en begaf mij ter rust.

Den volgenden morgen was ik reeds vroegtijdig bij de hand, en,

na ontbeten te hebben, wandelde ik op mijn gemak naar de plaats,

waar ik mijnen medgezel en gezellin van den vorigen dag hoopte aan te

treffen. Ik had daartoe geen gids noodig, want niets was eenvoudiger

dan den weg te vinden in dien schijnbaar onmetelijken doolhof. De

straten, pleinen, enz. waren namelijk niet meer door namen, maar door

een eigen stelsel van cijfers aangeduid, zoodat men, met behulp van

een plan, gemakkelijk elk punt terug kon vinden, mits men slechts

twee cijfers wist, die zijne plaats aanduidden, ongeveer op eene

dergelijke wijze als de plaatsbepaling op zee geschiedt door middel

van breedte en lengte.

Reeds op eenen afstand viel mij een groot gebouw in het oog, aan welks

gevel, in reusachtige letters, de woorden: »Algemeene Aeronautische

Maatschappij" waren te lezen. Ik had mij voorgesteld, dat onze

tocht in het vrije veld of minstens op een plein zoude beginnen,

en het verwonderde mij daarom eenigzins, dat dit gebouw midden in

het dichtst bewoonde gedeelte der stad stond. Wellicht echter was

het slechts het veerhuis, waar men zijne plaatskaartjes nam. Doch

nader komende zag ik, dat het van de overige gebouwen verschilde

door een geheel plat dak, en dat daarop een gevaarte rustte, hetwelk

wel eenigzins naar een schip scheen te gelijken, doch waarvan ik de

omtrekken niet scherp onderscheiden kon, uithoofde van het glazen dak,

dat de straat overwelfde.

Baco en Phantasia kwamen nagenoeg gelijktijdig met mij aan, en,

na wisseling der gewone morgengroete, traden wij binnen, om onze

plaatsen te nemen. Daar de prijs der plaatsen verschilde naar

het lichaamsgewicht, moesten wij vooraf gewogen worden. Phantasia

betaalde natuurlijk het minst. Daarop begaven wij ons door eene deur

in een klein zijvertrek of wachtkamer, waar wij nog eenige andere

passagiers vonden. In het midden daarvan was een trap en daarboven

in de zoldering een luik te zien. Langs de wanden waren met kussens

bekleede zitbanken, als in een spoorwagen eerste klasse. Kort daarna

was het alsof dit geheele vertrek in beweging geraakte. Ik hoorde

een zacht schuifelen langs de wanden, alsof iets langs het behangsel

gleed. Doch schier eer ik tijd had om daarover na te denken, werd

het luik in de zoldering nedergelaten en klonk door de opening het:

»Welkom boven, heeren en dames!"

Wij beklommen den trap, en, door de opening naar buiten getreden

zijnde, bevonden wij ons op het plat van het gebouw, maar juist onder

den bodem van het luchtschip, waarin een geopend luik gezien werd,

waardoor wij, daar het vinnig koud was, ons haastten naar binnen

te gaan. Gelegenheid om nader kennis te maken met de gedaante,

de uitwendige inrichting en de drijftoestellen van dit luchtschip,

ontbrak dus. Des te beter was de gelegenheid om de inwendige inrichting

te zien. Zoodra wij in het ruim van het schip gekomen waren, maakte mij

Baco opmerkzaam op een langen maar dunnen cylinder, die door de geheele

lengte van het schip liep. »»Daarin, zeide hij, schuilt het voornaamste

geheim van de luchtscheepvaart. Om u dit duidelijk te maken, moet

ik u herinneren, dat het grootste bezwaar der luchtscheepvaart was,

dat men het niet in zijne macht had anders dan voor den wind uit te

drijven. Een gewoon schip, waarvan de kiel het water klieft, kan bij

halven of kwart wind zeilen, omdat het zich in twee middenstoffen,

het water en de lucht, beweegt, waarvan het eerste eenen grooteren

tegenstand dan de laatste biedt en daardoor het schip in zijne

bewegingen steunt. Hier komt bij, dat die tegenstand in eene bepaalde

richting werkt, namelijk in die waarin het schip zich voortbeweegt,

en dat men derhalve, door achter aan het schip een roer te plaatsen,

het in zijn macht heeft, om, dit tegen die richting in doende draaien,

het schip links of rechts te doen wenden.

»»Wanneer nu een vaartuig alleen door de lucht omringd is, wordt

dit anders. Het vindt, door den wind voortgestuwd, dat is met den

luchtstroom medegaande, nergens eenigen tegenstand, en derhalve

ontbreekt ook elk steunpunt om het te doen wenden. Het zal van zelf

altijd zijne grootste oppervlakte aan den daarop in een rechten hoek

invallenden wind aanbieden, even als een licht stuk papier of doek,

dat door den wind wordt voortgewaaid.

»»Het kwam er derhalve, wilde men de lucht-scheepvaart mogelijk

maken, in de eerste plaats op aan, dat men aan het vaartuig dien

noodzakelijken steun, dien tegenstand verschafte, en zie hier nu

hoe dit geschied is. Die lange cylinder, welke door het geheele

schip van voren naar achteren loopt, is een week-ijzeren staaf,

omgeven van een spiraal van koperdraad, die met eene isolerende stof

bekleed is. Laat men nu een galvanischen stroom door dien draad gaan,

dan wordt die staaf een zeer krachtige elektromagneet, welke, wanneer

zijne beweging vrij is, even als de naald van een kompas, eene richting

ongeveer van zuid naar noord, met eene geringe oostelijke miswijzing,

en bovendien eene zekere helling moet aannemen. Door eene andere

kracht uit die richting gedreven, zal hij steeds weder neigen haar

te hernemen. Daar nu de magneet en het schip vast onderling verbonden

zijn en een geheel uitmaken, zoo is het laatste zelve als het ware een

reusachtig kompas. Om de helling weg te nemen, doet men even als bij de

kompasnaald. Men verandert het zwaartepunt van het geheele vaartuig,

iets dat op onderscheidene wijzen geschieden kan. Zoo blijft alleen

de richting in den magnetischen meridiaan over.

»»Blaast nu de wind juist in de richting, waarheen men zich wenscht

te begeven, dan laat men den toestel buiten werking, dat is men laat

geen stroom door de spiraal gaan. Zoodra echter de wind niet vlak

voor het lapje is, wordt het schip in een magneet veranderd. Gesteld

b. v. dat de wind vlak west is en dat de zeilen juist loodrecht

tegenover den invallenden wind geplaatst zijn, dan zal het schip noch

naar het oosten, noch naar het noorden, maar naar een daartusschen

liggend punt gedreven worden, even als een schip op zee, dat door den

waterstroom noord- en door den wind westwaarts wordt voortgestuwd,

ook geene van beide richtingen bij uitsluiting, maar eene tusschen

beide inliggende volgen zal. Het laat zich nu gemakkelijk inzien,

dat de luchtschipper aldus, door eene behoorlijk vereenigde werking

der zeilen en van den elektro-magnetischen toestel, in staat is zijn

schip elke richting te doen aannemen, welke hij verkiest. Maar dit is

nog niet alles. Die toestel dient ook als roer. Zoodra men namelijk op

dezen sleutel drukt, wordt de stroom omgekeerd, en het gevolg hiervan

is, dat de vroegere noordpool nu zuidpool en de zuidpool noordpool

wordt. Het is duidelijk, dat dien ten gevolge het schip wenden zal

en wel juist zooveel als men verlangt, daar men elk oogenblik den

stroom kan afbreken, waardoor het schip ophoudt een magneet te zijn.

»»Nu komen er wel is waar gevallen voor, even trouwens als bij de

scheepvaart op zee, dat de wind te sterk en de kracht van den magneet

niet voldoende is om het luchtschip behoorlijk te besturen. Dan worden

de energeiatheken, waarvan ik reeds gisteren met een woord melding

maakte, te hulp geroepen en daardoor de op verschillende punten naar

buiten uitstekende vier-wiekige schroeven in eene ronddraaijende

beweging gebracht, steeds zoo na mogelijk loodrecht op de richting

waarin het schip dreigt af te drijven.

»»Zoo gelukt het meestal het vaartuig in de gewenschte richting te

houden. Mocht dit niet het geval zijn, dan heeft de luchtschipper

nog een ander hulpmiddel ter zijner beschikking, dat de zeevaarder

mist. Hij rijst of daalt met zijn vaartuig om eenen anderen en beteren

wind op te zoeken, en hij doet zulks niet geheel in den blinde, op goed

geluk af, want het Meteorologisch Instituut is reeds begonnen kaarten

uit te geven, waarop de richting der luchtstroomen staat aangeteekend,

die in de onderscheidene tijden des jaars, met waarschijnlijkheid,

op bepaalde hoogten zullen worden aangetroffen. Die kaarten zijn op

eene dergelijke wijze ingericht als diegene, welke reeds voor meer dan

twee eeuwen door dat instituut werden uitgegeven, doch toen slechts

de waarschijnlijke windrichting in de onmiddellijke nabijheid der

aardoppervlakte aanwezen.

»»Wat de wijze betreft, waarop de rijzing en daling geschiedt,

zoo is deze eenigermate verschillend naar gelang van den aard der

drijftoestellen. Ik zoude u deze laatste eerst in bijzonderheden

moeten verklaren om u zulks duidelijk te maken, maar daartoe zouden

wij op het dek moeten gaan, en het is te vinnig koud, dan dat ik ons

daaraan zoude durven wagen. Genoeg zij het voor u te weten, dat men

sedert lang heeft afgezien van de eertijds gebezigde, zeer ruwe manier,

namelijk van de rijzing door uitwerping van ballast te bewerkstelligen,

daar dit slechts een oogenblikkelijk hulpmiddel en bovendien voor de

bewoners der plaatsen, waarboven het vaartuig zich bevond, zeer lastig

was. De meest geschikte handelwijze is ontleend aan de natuur zelve;

zij bestaat in eene nabootsing van de werking der zwemblaas bij de

visschen. Deze rijzen en dalen in het water, door die blaas met de

daarin bevatte lucht meer of minder samen te drukken, waartoe sommigen

zelfs van bijzondere druktoestellen voorzien zijn. Gij gevoelt,

dat de toepassing daarvan op de luchtscheepvaart voor de hand ligt.""

Recht duidelijk gevoelde ik dit nog niet, en bovendien waren er in

de beschrijving, die Baco mij gaf, nog verscheidene andere duistere

punten, die mij eenige vragen op de lippen deden zweven. Doch ik

hield deze terug. Ik besefte dat ik, een kind der negentiende eeuw,

te weinig op de hoogte der wetenschap was, om alles te begrijpen,

wat in de eenentwintigste was tot stand gebracht, en dat ik groot

gevaar liep van vragen te doen, die mij in de schatting van mijnen

medgezel zouden doen dalen.

Phantasia, wie het aan geduld ontbrak om aan deze lange verklaring

het oor te leenen, was reeds het trapje opgegaan, dat naar het

salon geleidde, en wij volgden haar daarheen. Het zag er netjes uit,

doch was niet bijzonder op gemak ingericht. Men kon zien, dat het

hoofdstreven was geweest, om stoelen, tafels en verdere meubelen,

even als het vaartuig zelf, zoo licht mogelijk te maken, met behoud

van de noodige stevigheid. Het voornaamste materiaal scheen bamboes

te zijn, in dunne strooken gesneden en gevlochten. Waar metaal noodig

was, was uitsluitend aluminium gebruikt.

Reeds in de wachtkamer had ik opgemerkt, dat al de passagiers zich

onderling in eene en dezelfde taal onderhielden, eene taal waarvan

mij wel is waar vele woorden bekend schenen, doch waarvan andere mij

onbekend waren. Ik vroeg derhalve mijnen geleider: tot welke natie

onze medereizigers behoorden?

»»Tot allerlei natiën,--antwoordde hij. Die barsch uitziende heer,

daar in gindschen hoek, is een Rus; dat kleine winderige mannetje met

zijne opgestreken knevels, die naar al de dames van het gezelschap

gluurt, is zonder twijfel een Franschman; gindsche dikke heer, die de

hoogste vracht betaald heeft, is een landgenoot van u, een Hollander;

die twee blond- en langharige jongelieden zijn Duitschers; de overigen

zijn Engelschen.""

»Maar hoe komt het dan, dat allen dezelfde taal spreken?"

»»Zij spreken de reistaal. In onze eeuw, waarin de meeste menschen

een groot gedeelte van hun leven op reis doorbrengen, waarin eene

voortdurende vermenging der volken plaats grijpt, moest zulk eene taal,

waardoor het gemak van het verkeer bevorderd wordt, wel allengs als

van zelf geboren worden. Zij is trouwens nog in hare ontwikkeling,

maar over eenige eeuwen zal zij waarschijnlijk tot wereldtaal zijn

geworden.""

Ik luisterde nu scherper toe en bemerkte weldra, dat de rondom ons

gesproken taal eigenlijk eene mengeling van verschillende talen

was, waarin echter het Engelsch den boventoon voerde, hetgeen zich

daaruit liet verklaren, dat van het reizend publiek in het algemeen

ook Engelschen de meerderheid uitmaken.

Rondom mij ziende, werd nu mijne aandacht getrokken door eenige wijde

buizen, welke door openingen in de wanden en in den vloer van het schip

naar buiten staken. Ik zag die buizen eerst voor eene nieuwe soort van

kanonnen aan en vroeg dus: of dit vaartuig ten oorlog was uitgerust?

Phantasia glimlachte, maar op dien glimlach volgde een zucht en de

woorden: »»die ridderlijke tijd is ons slechts uit de geschiedenis

bekend; onze tegenwoordige mannen zijn fabrikanten, handelaars,

ingenieurs, geleerden, wetgevers, enz., maar soldaten zien wij nog

slechts op het tooneel, tenzij gij onze constabels, die zeker talrijk

genoeg zijn, voor soldaten mocht houden.""

»Hoe,--riep ik uit,--geen oorlog en geen staande legers meer! Dus

hebben dan eindelijk de vredevrienden, Bright, Cobden en hunne

geestverwanten, gezegevierd en is het tegenwoordige geslacht tot de

overtuiging gekomen dat de oorlog eene schande voor de menschheid

was, die menschen aan redelooze dieren gelijk maakte, welke elkander

in blinde woede vernielden, in plaats van in broederlijke liefde

en eendracht de schoone aarde te bewonen en het geluk der volken

wederkeerig te bevorderen!"

»»Ik betwijfel,--antwoordde Baco meesmuilende,--of die overtuiging er

veel deel aan heeft gehad. De menschen, mijn waarde heer! worden in

onze eeuw nog evenzeer door hartstochten gedreven als vroeger. Nog

steeds zijn zij, wat voorlang een onzer dichters hen noemde: »half

dier, half engel," en zij zullen dit in de toekomst ook wel blijven,

al moge de maatschappij als geheel beschouwd ook in een zedelijk

opzicht allengs vooruit gaan. Waren de omstandigheden nog dezelfde als

in vroegere eeuwen, dan zoude, vrees ik, er ook evenzeer als vroeger

oorlog zijn. Maar juist de omstandigheden zijn het, die veranderd

zijn en den oorlog bijna tot eene onmogelijkheid hebben gemaakt.

»»Vooreerst is de tegenwoordige toestand voorbereid door het

algemeene staten-bankroet op het laatst der negentiende eeuw,

toen de gezamenlijke schulden der zich beschaafd noemende volken,

ten gevolge van het kostbare onderhoud der groote staande legers,

de gezamenlijke nationale kapitalen te boven gingen.

»»In de tweede plaats heeft daartoe medegewerkt de verbazende

versterking der aanvalswapenen. Toen, voor omstreeks eene eeuw, in den

laatsten grooten oorlog, de marines van Engeland, Frankrijk, Rusland

en Noord-Amerika elkander wederkeerig geheel vernield hadden, toen,

bij eene kanonnade van de beide oevers van het kanaal, dat Engeland

en Frankrijk scheidt, de hoofdsteden der beide landen in brand waren

geschoten en de verliezen aan beide zijden onberekenbaar groot,

ten deele onherstelbaar waren, toen begon men te vragen of zelfs

eene overwinning zoo groote opofferingen waardig was? Toen werd het

allengs duidelijk, dat in een oorlog ook de winner een verliezer is.

»»Maar hetgeen inzonderheid er toe heeft bijgedragen om den oorlog

al zeldzamer en zeldzamer te doen worden en eindelijk, zoo wij hopen,

geheel verdwijnen, is het meer en meer toegenomen onderling verkeer der

volken, waardoor de overgeërfde nationale antipathien allengs verdwenen

zijn; voorts de toepassing van de beginselen van den vrijen handel,

de opheffing van alle slagboomen, die volken van volken scheidden, de

gelijkheid van maten, gewichten en munten, de voortdurende uitbreiding

der middelen van gemeenschap, de ineensmelting der belangen van

de verschillende natiën tot een groot gemeenschappelijk belang. De

natiën staan niet meer tegenover elkander, maar doordringen elkander;

door duizend draden hangen ze innig te samen, en, was de negentiende

eeuw getuige der invoering van het beginsel der nationaliteit, de

eenentwintigste eeuw is eene groote schrede verder gegaan, door de

erkenning van het beginsel der humaniteit.""

Deze laatste woorden vooral troffen mij door hunne juistheid. Ik

begreep nu eerst recht, hoe elke nieuwe spoorweg, elke nieuwe

telegraaflijn, elke opheffing van een hinderpaal, waardoor de vrije

in- en uitvoer belemmerd worden, niet alleen de algemeene welvaart

rechtstreeks bevorderen, maar ook even zoovele schakels in de keten

zijn, die de menschen moet omslingeren en hen tot broeders, tot leden

van één groot huisgezin vereenigen. Echter meende ik aan dit tafereel

eene schaduwzijde te bespeuren. »Indien er dan geen oorlog meer is,

indien, ten gevolge daarvan en van andere thans bestaande gunstige

omstandigheden, handel en nijverheid zich veel meer hebben uitgebreid

dan ooit te voren, dan moet de bevolking in eene verontrustende mate

zijn toegenomen. De voortbrenging van het noodige voedsel kan daarmede,

dunkt mij, niet meer in evenredigheid zijn."

»»Indien gij wilt zeggen, dat er ook thans armen zijn en zelfs lieden

die van tijd tot tijd gebrek lijden, voor een deel ten gevolge der

overbevolking van sommige streken, dan hebt gij gelijk, maar ik

geloof niet dat dit meer, veeleer dat dit minder het geval is dan in

vroegere eeuwen, in weerwil dat de bevolking van Europa in de laatste

tweehonderd jaar meer dan verdubbeld is. Maar vergeet niet dat door

de uitbreiding der vervoermiddelen ook het voedsel gelijkmatiger dan

vroeger verdeeld wordt, en dat heden ten dage althans niets verloren

gaat, maar alles zijn weg vindt daarheen waar de behoefte bestaat.

Ten gevolge van den geheel vrijen handel, brengt nu ieder land juist

datgene voort, waartoe zijn bodem en klimaat het meest geschikt

zijn. Voorts is men overal voortgegaan en gaat men nog steeds voort,

met de ontginning van woeste gronden, en eindelijk heeft ook de steeds

vooruitgaande wetenschap aan den landbouw gewichtige diensten bewezen

door de aanwijzing van nieuwe middelen, waardoor de opbrengst der

akkers vermeerderd wordt. Men kent namelijk met volkomen juistheid,

zoowel wat aard als hoeveelheid betreft, de stoffen die noodig

zijn, om elk voedselgewas het best te doen groeijen. Daardoor is

elk landbouwer een soort van fabrikant geworden. Voor hem zijn

de planten de werktuigen, door welker tusschenkomst de ruwe,

d. i. nog onbewerktuigde stoffen, die zich in den bodem en de lucht

bevinden, in bewerktuigde, d. i. voor voeding geschikte, worden

omgezet. Zijn streven is derhalve daarheen gericht, om, even als

elk ander fabrikant doet, de ruwe stoffen zoo goed en zoo goedkoop

mogelijk te verkrijgen. Onder die ruwe stoffen zijn er verscheidene

die in vroeger eeuwen nutteloos verloren gingen of zelfs wel, door

hare vermenging met het water of den bodem der steden, schadelijk

voor de gezondheid werden. Thans is men wijzer geworden. Alles wat

de opbrengst der velden vermeerderen kan wordt zorgvuldig verzameld,

en de algemeene gezondheid heeft ook daarbij gewonnen.""

Gedurende dit gesprek had ik reeds bemerkt, dat het vaartuig in eene

zacht schommelende beweging was gekomen, en toen Baco ophield met

spreken, riep Phantasia mij toe: »»houd nu eens uw oog voor een dier

pseudokanonnen en vertel ons dan waar wij zijn.""

Ik begreep nu, dat de buizen, die ik voor kanonnen had aangezien,

teleskopen waren; maar de vergissing was vergeeflijk, daar hunne

gedaante nog al van die der mij bekende verschilde. Bepaaldelijk waren

zij veel wijder, iets waardoor ik inzag, dat hunne lichtsterkte zeer

vermeerderd moest zijn. Toen ik er door zag, ontdekte ik aanstonds

dat die groote wijdte geen de minste schade deed aan de scherpte der

beelden, en trof mij bovendien niet alleen het vergrootend vermogen,

maar ook de uitgebreidheid van het gezichtsveld.

Daar ik, de vingerwijzing van Phantasia volgende, het eerst door het

teleskoop zag, dat achter het schip uitkwam, deelde ik haar mede dat ik

eene onmetelijke stad, die wel niet anders dan het door ons verlaten

Londinia kon zijn, reeds achter ons zag liggen. De zich heinde en ver

uitbreidende huizenmassa vertoonde zich helder en scherp afstekende op

den grauwen achtergrond, en geen spoor van rook verhief zich daarboven,

waaruit ik opmaakte, dat, waar nog steenkolen werden gestookt, men

ook al den rook wederom door den vuurhaard voerde, en dat dus de in

1850 uitgevaardigde parlements-acte, die zulks voorschreef, getrouw

werd nagekomen.

Nu beurtelings door dit, dan door dat teleskoop ziende, staarde ik met

bewondering naar het tooneel onder en om ons, dat als het ware voorbij

snelde, terwijl het scheen dat wij stil lagen. Klommen wij, dan had het

al den schijn alsof de aarde onder ons daalde. Al spoedig kregen wij

de zee in het gezicht, en in de richting vóór ons vertoonde zich aan de

overzijde de Belgische en Fransche kust. Over het nauwste gedeelte van

het kanaal scheen een zwarte draad gespannen te zijn, die beide oevers

verbond. Naderbij komende begon ik te vermoeden, of het ook een koker-

of traliebrug kon zijn, een vermoeden, dat door Baco bevestigd werd,

die er bij voegde, dat zich reeds eene maatschappij gevormd had, om

een tweede dergelijke te bouwen, daar deze enkele geheel onvoldoende

voor het drukke verkeer tusschen Engeland en het vasteland was.

Eene lichte noord-oostelijke wending voerde ons na korten tijd in

de nabijheid van ons vaderland, dat nu als eene landkaart voor mij

uitgespreid lag. Met schrik bemerkte ik echter, dat die kaart niet

geheel zijne oude, mij zoo wel bekende gedaante had. Er ontbrak een

stuk aan. Geheel Noord-Holland, op een paar kleine eilandjes na, was

weg. Mijne eigene oogen mistrouwende vroeg ik den dikken heer, dien

Baco mij als een landgenoot had aangewezen, of ik goed gezien had,

dat Noord-Holland onder de zee bedolven was.

»»Heel goed gezien, mijnheer!--was zijn antwoord. Dat komt er van, als

men den raad van verstandige, bezadigde lieden niet hooren wil. Een

klein hoopje hard schreeuwende Amsterdammers wilde een kanaal recht

door naar zee hebben. Zij hadden er reeds een, dat gemakkelijk kon

verbeterd worden, maar daarmede waren zij niet tevreden. Nu, na lang

tobben kregen zij hun kanaal. Hoe veel het recht gekost heeft, weet

ik niet, zeker meer dan aan velen aangenaam was. Maar toen het er

eenmaal was, werd er slechts bij fraai weder gebruik van gemaakt,

want zoodra de zee hol stond, en dat gebeurt nog al eens op onze

kust, waagden zich de schippers niet zoo dicht onder den wal. Bij den

eersten Novemberstorm liep de haven vol zand. Met uitbaggeren zoude

men dit wel weer klaren, maar het bleek al spoedig dat men wel aan

het uitbaggeren kon blijven. De scheepvaart werd dus niet veel gebaat

door dat kanaal. Maar het ergste gebeurde eerst vele jaren later, in

het noodlottige jaar 1980. Een springvloed viel samen met een storm,

zoo als er bij menschengeheugen nog nooit een gewoed had. Sluizen en

dijken bezweken daaronder, en Noord-Holland, waarvan het grootste

gedeelte van 1 tot 5 meters onder de gemiddelde oppervlakte der

zee lag, liep vol als een kom, die men onder een kraantje houdt. Te

Rotterdam werd kort daarna een nieuw tooneelstuk opgevoerd, getiteld:

Het paard van Troje.""

»Wel dat is verschrikkelijk, Mijnheer!"" kon ik mij niet weêrhouden uit

te roepen, in weêrwil dat de man die mij deze treurmare mededeelde,

er niet veel gevoel van scheen te hebben. Uit zijn laatste gezegde

maakte ik op, dat hij waarschijnlijk een Rotterdammer was, en dit

deed mij weder door het teleskoop zien en den blik wenden naar de

stad, die ook mijne geboorteplaats was en waar ik mijne allereerste

jeugd had doorgebracht. Doch aanvankelijk kon ik mij niet behoorlijk

orienteeren. De Maasstad had zich naar alle zijden zoozeer uitgebreid,

ja geheel dit gedeelte van Zuid-Holland was zoo dicht bebouwd geworden,

dat 's Gravenhage, Delft, Leiden, Schiedam en Rotterdam eigenlijk

slechts eene groote stad schenen uit te maken.

Ook Utrecht bleek mij zeer in omvang te zijn toegenomen. Mijne

aandacht viel op een sterk glinsterende, door de zon beschenen

stip, en, nieuwsgierig welk soort van voorwerp dit was, zette ik een

sterker oculair voor het teleskoop en herkende toen de gulden Zon der

Geregtigheid, het bekende wapen der Utrechtsche Akademie, prijkende

aan den geveltop van een groot en prachtig gebouw. Ik vermoedde dat

dit het Akademie-gebouw zoude zijn en vroeg zulks aan den dikken heer,

die mij zoo even had ingelicht.

»»Daar weet ik niemendal van, Mijnheer! Dat zijn dingen, waarvan

ik geen verstand heb,""--gaf hij ten antwoord. Baco echter die de

vraag gehoord had, zeide: »»uw vermoeden is juist. Toen eindelijk,

nadat men vele jaren lang te vergeefs gewacht had op eene nieuwe wet

op het Hooger onderwijs in Nederland, deze tot stand kwam, hebben

eenige vermogende inwoners van Utrecht op gemeenschappelijke kosten

dit inderdaad zeer fraai en voortreflijk ingericht gebouw gesticht

en daarmede een sprekend bewijs gegeven van hunne belangstelling in

de wetenschap en van hunne liefde voor de Hoogeschool, waaraan velen

hunner hunne eigene opleiding tot nuttige staatsburgers genoten.""

Ik dankte Baco voor deze voor mij werkelijk hoogst belangrijke

mededeeling en vroeg daarop: »of men in die nieuwe wet op het

hooger onderwijs ook het beginsel had opgenomen, dat het volmaakt

onverschillig is, waar en op welke wijze men zijne kundigheden heeft

verworven en dat het eenige hetgeen de staat recht heeft te vorderen

is: dat daarvan blijk worde gegeven in een in het openbaar voor eene

staatscommissie afgelegd examen!"

»»Gij roert daar een moeielijk punt aan,--antwoordde hij,--dat

aanleiding heeft gegeven tot zeer uiteenloopende beschouwingen en

waarover juist de minst bevoegden, dat is diegenen welke de geringste

ondervinding op het stuk van examina hadden, waanden met de grootste

zekerheid te kunnen spreken. Het beginsel vertoont zich op den eersten

blik als volkomen juist. Zij die het huldigen redeneeren ongeveer op de

volgende wijze: »Gegeven zijnde eene zekere hoeveelheid oliezaad, dan

zal men daaruit met dezelfde pers en bij gelijke drukking steeds eene

zekere hoeveelheid olie kunnen persen of slaan, en deze zal derhalve

de juiste betrekkelijke waarde van verschillende soorten van oliezaad

aangeven. Het komt er slechts op aan om eene goede pers te maken, eene

die altijd gelijkmatig werkt. Even zoo is het nu met een examen. Ook

dit is een soort van pers, waarin de te examineeren persoon wordt

gebracht, om uit hem het quantum van kundigheden te persen, waarvan

het bezit is voorgeschreven als vereischte tot toelating. Heeft men

een goede examen-pers, dan zullen de uitkomsten steeds vergelijkbaar

en derhalve billijk zijn."

»»Hier echter stuitte men al ras op een bezwaar. Het valt licht uit

hout en ijzer persen zamen te stellen, die steeds gelijk werken, maar

examen-persen, dat is eene andere zaak! Vooreerst ligt de stof daartoe

niet zoo overal voor de hand, vooral waar het examen-persen voor

de door hooger onderwijs verkregen kundigheden geldt. En ten tweede

bestaan examinatoren niet uit hout en ijzer en zijn de examinandi geen

oliezaad; maar beiden zijn menschen, d. i. bezielde wezens, door wier

onderlinge aanraking actien en réactien ontstaan, met duizendvoudige

wisseling, zoodat er van eene volstrekte gelijkmatigheid der uitkomsten

van een examen nimmer sprake kan zijn, en zulks te minder naar mate de

examinatoren en de geexamineerden elkander meer vreemd zijn. Dan toch

voegt zich bij de overige redenen, die tot ongelijkmatigheid leiden,

nog de zeer natuurlijke afstooting, die zulke heterogene deelen op

elkander uitoefenen, eene afstooting die dan eens grooter, dan eens

geringer zal zijn, al naar gelang van den aard van beide partijen.

»»Om aan dit bezwaar te gemoet te komen en het beginsel te redden,

dat allen die gelijke rechten zouden erlangen ook aan gelijke

voorwaarden behoorden te voldoen, werden nu van regeringswege

handboeken aangewezen, waaraan men zich voortaan te houden

had. Weldra deden zich toen personen op die, om die handboeken

toch recht bruikbaar en het examen zoo gemakkelijk mogelijk te

maken, werkjes samenstelden met vragen en antwoorden, in den vorm

van een catechismus voor elk vak van wetenschap. Velen meenden

dat men hiermede het toppunt van examinatorische gelijkmatigheid

had bereikt, maar toen er desniettegenstaande nog altijd klachten

werden aangeheven over onbillijkheid en willekeur der examineerende

commissiën, opperden sommigen het denkbeeld: of het niet mogelijk

zoude zijn het vraagstuk, hoe een volkomen goed examen interichten,

langs den physico-mechanischen weg op te lossen. Men had toch reeds

sedert lang oogspiegels, oorspiegels, keelspiegels enz., waarom

zoude het niet gelukken ook hersenspiegels te vervaardigen? Er

waren zelf-registreerende thermometers, barometers, magnetometers,

photometers enz., waarom zoude men niet ook zelf-registreerende

enkephalometers kunnen vervaardigen? Enkephalometers, die binnen

eenige oogenblikken, in eenige weinige cijfers, den juisten graad

van kennis aanwezen, welke het individu zich verworven had, op het

oogenblik dat het werktuig geappliceerd werd! Heerlijke uitvinding

voorwaar, zoowel voor examinandi als examinatoren! Jammer slechts

dat zij niet voor verwezenlijking vatbaar bleek en, met het perpetuum

mobile en de quadratuur van den cirkel, onder de hersenschimmen moest

worden gerangschikt.

»»Ondertusschen had men toch gedurende het bestaan van dit overdreven

examenstelsel eene nuttige ondervinding opgedaan, al was het ook

eene treurige. Het bleek namelijk, dat, naarmate de jonge lieden zich

meer toelegden op het verwerven van die kundigheden, welke gevorderd

werden voor het afleggen van een goed staatsexamen, de lust voor vrije

studie, voor eigenlijke wetenschap, die meer op een helder oordeel

dan op geheugen steunt, werd uitgedoofd. Zoo werd het hoofddoel van

het hooger onderwijs, dat niet bestaat in het africhten tot zekere

beroepen, maar in de zooveel mogelijk geheele ontwikkeling van alle

talenten, welke sluimeren bij elk die daaraan deel neemt, grootendeels

gemist. Men had het voorbeeld der Chinezen gevolgd, die alle andere

volken overtreffen in de veelheid en langdurigheid der examina,

en zag in dat de Hollanders groot gevaar liepen langs dien weg in

waarheid tot de Chinezen van Europa te worden. Men begon toen ook te

begrijpen, dat een op zich zelf goed beginsel door overdrijving tot

schadelijke gevolgen leidt, dat examina, hoewel onmisbaar, toch steeds

een noodzakelijk kwaad blijven en dat het streven om staats-examina

zoo interichten, dat zij eenen in alle opzichten billijken en

onbedriegelijken maatstaf aan de hand geven, ter beoordeeling, niet

van de mate van eenige door het geheugen opgegaarde kennis, maar

van de geheele mate van verstandelijke ontwikkeling en praktische

geschiktheid van den geexamineerden, eene onbereikbare hersenschim

is. Voorts erkende men ook gedwaald te hebben, toen men waande dat

examina voor staatscommissien een prikkel zouden zijn ter bevordering

der studie aan de hoogeschool, en dat er veeleer behoefte bestaat

aan aanmoedigende en opwekkende middelen dan aan nederdrukkende,

gelijk de vrees is. De menschelijke geest is als een voor gisting

vatbaar vocht. Zonder gist daarin, geene gisting. Warmte bevordert,

koude vertraagt haar. Bevorder den bloei van het hooger onderwijs door

daaraan uitstekende docenten te verbinden, door ruime middelen ter

hunner beschikking te stellen, om in elke richting mede te werken tot

uitbreiding en verspreiding van kennis, door aanmoediging van elke

poging om grondige wetenschap te kweeken, en de gunstige gevolgen

voor de geheele maatschappij zullen niet uitblijven. In de eerste

eeuwen van het bestaan der universiteiten kende men daaraan als

aan zedelijke lichamen zekere rechten, deels voorrechten, toe, die

allengs door den stroom des tijds werden medegesleept, daar zij niet

meer pasten in den nieuweren toestand der maatschappij. Slechts één

recht, of laat mij liever zeggen één plicht, was aan de universiteiten

verbleven. Het was dat van, na gehouden examina, graden toe te te

kennen aan hare kweekelingen. Ook van die examina gold hetzelfde als

van alle andere examina, dat zij namelijk geenen volkomen afdoenden

waarborg gaven. Maar terwijl de gebreken breed werden uitgemeten,

werden de daaraan verbonden voordeelen over het hoofd gezien, en

zoo werden zij allengs, het eene voor en het andere na afgeschaft

en door examina voor opzettelijk daartoe benoemde staatscommissiën

vervangen. Toen men echter, na eene lange reeks van proefnemingen,

bevond dat men, ten einde de Scylla te vermijden, telkens in de

Charybdis verviel, erkende men ook hier de waarheid van het »le mieux

c'est l'ennemi du bien," en keerde tot het oude stelsel, ofschoon

in eenige opzichten gewijzigd en verbeterd, terug. Tevens zocht men

eensdeels door de kosten der studie te verminderen, anderdeels door

ondersteuning van uitstekende jonge lieden, die door hunnen aanleg

beloofden die ondersteuning later aan de maatschappij met woeker te

zullen vergelden, het bezoek der universiteiten, als de beste plaatsen

tot het verkrijgen van kennis, te bevorderen. Zoo is dan ook het getal

der kweekelingen daaraan zoozeer toegenomen, dat er thans geene enkele

reden meer bestaat, om aan andere dan aan hen die hunne studiën aldaar

volbracht hebben, het recht tot uitoefening der zoogenaamde geleerde

beroepen toetekennen. Indien men daartegen mocht aanvoeren dat dit eene

onbillijkheid is tegenover hen, die de universiteit niet bezochten maar

zich elders op het verkrijgen van de voor zulk een beroep gevorderde

kundigheden toelegden, dan zoude ik daarop antwoorden dat het belang

der individu's wijken moet voor het belang der geheele maatschappij,

dat ten nauwste met den bloei der hoogescholen verbonden is.""

Thans wendde ik weder het oog naar andere streken van ons vaderland.

Het noordelijk en noordoostelijk gedeelte scheen zeer in volkrijkheid

te zijn toegenomen, te oordeelen naar de uitgebreidheid der aldaar

gelegen steden. Des te meer trof het mij, dat, toen ik den blik

naar Arnhem richtte, die stad mij ter nauwernood nog zoo groot als

tegenwoordig scheen te zijn. Ik herinnerde mij toch, dat in het

midden der negentiende eeuw die stad zeer in bloei was toegenomen,

inzonderheid ten gevolge van de velen, die hunne fortuin in Oost-Indië

gewonnen hadden, en zich nu te Arnhem hadden nedergezet, om in die

fraaie streek het leven te genieten.

Het schijnt dat mij een uitroep van verbazing over de kleinheid van

Gelderlands hoofdstad ontsnapte. Althans de dikke heer nam het woord,

zeggende:

»»Ja Mijnheer! Gij hebt gelijk Mijnheer! Arnhem is weer klein geworden,

na eerst groot geweest te zijn. Zoo gaat het, als kinderen er meer

van willen weten dan de oude lui.""

Ik begreep volstrekt niet, hoe die menschkundige opmerking hier te pas

kwam. Doch hij vervolgde; »»Ik zal u eens wat vertellen, Mijnheer! Er

was eens een heer, die een heel mooien vogel had, maar het mooiste

van dien vogel was, dat hij alle jaar een gouden ei legde. Natuurlijk

was die heer bang, dat die vogel zou wegvliegen of hem ontstolen

worden. Hij kortwiekte hem dus en zette hem toen in een stevigen

kooi. Maar toen de kinderen van dien heer groot waren geworden, dachten

zij, dat hun vader dien vogel eigenlijk niet goed behandeld had. De een

was van meening, dat de billijkheid vorderde dat een gedeelte van het

gouden ei gebruikt werd, om de kooi van den vogel te verfraaien. Een

ander was van oordeel, dat de kooi niet alleen verfraaid, maar vergroot

moest worden, om den vogel gelegenheid tot meer beweging te geven;

dan zoude deze, in plaats van één gouden ei, er wel meer leggen, en,

zoo dacht hij er in stilte bij, dan valt er misschien wel een daarvan

door de tralies in mijn spaarpot. Een derde ging nog een stap verder,

zeggende dat de kooi niet enkel vergroot, maar geheel vernieuwd en

van veel dunnere spijlen gemaakt moest worden, opdat de vogel meer

lucht en licht zoude hebben; dat kwam hem toe, want hij was geen dier,

dat geschapen was om in de duisternis zijn leven voort te slepen. Een

vierde eindelijk meende, dat het een schande voor den eigenaar van

zulk een vogel was, om dien gekortwiekt te houden. Dat was misbruik

maken van het recht des sterksten! Dat toonde hoe slecht hij zijne

roeping verstond, hij, aan wien zulk een dier was toevertrouwd!

»»De oude heer was verlegen met de zaak. Hij zag wel het gevaarlijke

van al die raadgevingen in, maar hij was een goed vader en wilde zijne

kinderen gaarne genoegen doen. Eerst werd dus de kooi verguld, later

vergroot, nog later vervangen door een splik-splinter nieuwe, die nu

zoo luchtig mogelijk was. Onderwijl waren de gekortwiekte vleugels

van zelf weder aangegroeid, en op een goeden dag had de vogel gedaan,

wat ieder vogel in zijn geval doen zoude. Hij had zich door de dunne

spijlen heengewrongen en was weggevlogen.

»»Die vogel heette Java! Begrepen Mijnheer?""

»Volkomen, antwoordde ik, maar wat werd er van den vogel?"

»»Ja Mijnheer! het was eigenlijk een domme streek van den vogel,

dat hij wegvloog, want hij had het waarlijk zoo kwaad niet in zijn

kooi, maar een vogel blijft altijd een vogel. Toen hij een eind ver

weggevlogen was, kwamen er twee groote roofvogels aanvliegen, die hem

elk met een klauw pakten, terwijl zij met de andere en met den bek

elkander duchtige slagen toebrachten. De arme vogel verloor daarbij

een goed deel van zijne veêren en was beurtelings in de macht van den

eenen en dan weder van den anderen roofvogel. Eindelijk lieten beiden

hem deerlijk gehavend vallen, om elkander met al hunne wapens aan te

grijpen, en toen het gevecht voorbij was, waren beiden zoo gewond en

afgemat, dat zij er niet aan denken konden den vogel te vervolgen!""

»Dus,--riep ik uit,--indien ik uwe beeldspraak recht versta, dan

hebben ook Frankrijk en Engeland van het bezit van Java afgezien en

zijn de Javanen thans een vrij volk!"

»»Och wat, vrij! De marmotten zijn ook vrij!"" luidde het antwoord

van dien Mijnheer Droogstoppel.

»Uwe vergelijking van zoo even was edeler," zeide ik.

»»Die gold alleen het land, maar de Javanen....""

»Welnu?"

»»Zullen wel altijd Javanen blijven. De tegenwoordige zijn nog maar

een graadje luier dan de vroegere. Java is sedert den laatsten

grooten oorlog tot neutraal gebied verklaard, waarop alle natiën

gelijkelijk handel mogen drijven, en wat denkt gij, dat er het gevolg

van geweest is? Dat er van het beetje koffij en suiker, die het eiland

nog voortbrengt, sedert jaren niets meer aan de Rotterdamsche markt

is gekomen. Het meeste gaat tegenwoordig naar Marseille en de overige

havens der Middellandsche zee.""

Hier mengde zich Baco in het gesprek, zeggende: »»Ik ben geen koopman,

Mijnheer! maar, indien mijne berichten juist zijn, dan voelen zich

de Javanen tegenwoordig gelukkiger, dan toen zij onder den dwang

eerst der Oost-Indische Compagnie en later van het kultuurstelsel

leefden. Het komt mij voor, dat zulke bezittingen, welke geene

eigenlijke volkplantingen zijn, op den bezitter ook zekere eigenaardige

verplichtingen leggen, en dat hij deze niet als een enkel in zijn

bijzonder voordeel te ontginnen mijn mag beschouwen. Waar een hooger

ras een lager overheerscht, rust op het eerste de taak het laatste

tot die hoogere ontwikkeling te brengen, waarvoor het vatbaar is. Uit

den aard der zaak is elke zoodanige overheersching eene tijdelijke. De

geschiedenis leert zulks. Eenmaal moet de band verbroken worden, maar

deze zal des te langer blijven bestaan en de verbreking zal met des

te minder moeielijkheden gepaard gaan, naar mate de overheersching

minder het karakter heeft van onderdrukking. Zedelijke overmacht

is op den duur de krachtigste, en deze wordt het best gehandhaafd

door billijkheid en rechtvaardigheid van den sterkeren tegenover den

zwakkeren. Ik voor mij ben overtuigd dat de reden waarom uw staat nog

zoo lang in het bezit van Java gebleven is, juist gelegen is in de

omstandigheid, dat voor twee eeuwen eenige noodzakelijke hervormingen

in het bestuur aldaar zijn ingevoerd. Waren deze nagelaten, dan zoude

het waarschijnlijk reeds vroeger voor u verloren zijn geweest. En wat

uwe opmerking aangaande de verplaatsing der markt betreft, zoude niet

ook het Suez-kanaal daaraan schuld hebben?'"

»»Wel mogelijk, Mijnheer!--antwoordde de Rotterdammer op een knorrigen

toon,--ik wil niet met u redeneeren, gij zijt een Engelschman, en

gijlieden meent het altijd beter te weten dan wij; maar dit is zeker,

dat, indien het zoo voortgaat, wij per telegraaf achteruitgaan.""

Ik verheugde mij in stilte, dat hetgeen ik door het teleskoop gezien

had, mij de overtuiging had gegeven, dat die achteruitgang nog niet

merkbaar was, en besloot daaruit, dat de Nederlanders de oude spreuk:

dat men, als het getij verloopt, de bakens moet verzetten, bij tijds

in toepassing hadden gebracht. Maar ik waagde het niet dit besluit in

woorden te kleeden, uit vrees, van onzen reisgenoot, die blijkbaar

slechts éénen gedragsregel kende, namelijk bevordering van het

eigenbelang, en van hoogere staathuishoudkundige en volkenrechtelijke

beginselen niets begreep, nog meer uit zijn humeur te brengen.

Terwijl dit gesprek voorviel, waren wij weder eenigzins van koers

veranderd. Wij dreven nu in eene zuid-oostelijke richting, en het

vaderland verdween allengs uit het gezicht. Naar het oosten ziende,

ontdekte ik een zwart vlekje, dat zich blijkbaar met groote snelheid

langs de aardoppervlakte voortbewoog en naar ons toekwam. Het werd

al grooter en grooter, breidde zich al meer en meer uit en stoof toen

onder ons door. Ik had echter tijd gehad om er een zeer langen trein

van groote wagens in te herkennen, zoo groot, dat zij veeleer op huizen

geleken. »Vanwaar kwam die spoortrein?" vroeg ik. Baco raadpleegde

zijn reiswijzer en zeide: »»Dat is de trein, die eergisteren morgen van

Pekin vertrokken is en langs de groote centrale oostwestbaan loopt.""

»Van Pekin? Dus dwars door of over de hooge gebergten van Midden-Azië

en den Oeral!"

»»Zulke hinderpalen worden in den tegenwoordigen tijd weinig

geteld. Het is immers al twee eeuwen geleden, dat men den Mont-Cenis

doorboord heeft. Gij zult zoo dadelijk zien, dat op dezelfde wijze,

waarop men toen de scheiding tusschen Frankrijk en Italië heeft

opgeheven, men dit later ook voor Zwitserland en Italië heeft gedaan.""

En inderdaad, allengs begonnen de besneeuwde toppen der Alpen aan den

horizon te dagen. Deze waren nog onveranderd dezelfde, die zij voor

eeuwen geweest waren, maar de weg liep nu niet meer over den Splügen,

over den Simplon of over den St. Bernard, maar onder het gebergte door,

zoodat wij de treinen, die wij aan de Zwitsersche zijde de tunnels

hadden zien binnengaan, na eenigen tijd weder aan de Italiaansche

zijde zagen te voorschijn komen, om hunnen weg in de vlakke, door de

Po bespoelde streek te vervolgen.

Reeds hoopte ik, dat wij ook in de nabijheid van Rome zouden komen,

zoodat er misschien gelegenheid zoude bestaan om te zien, wat er van

die oudste en eerwaardigste der steden geworden was; doch dit gebeurde

niet. Wij dreven over Venetië, waar de Italiaansche vlag boven den top

van St. Marcus gezien werd, maar ook eenige Oostenrijksche schepen,

herkenbaar aan den dubbelen adelaar, nevens vele andere in de haven

lagen. Beurtelings rijzende en dalende en daardoor niet altijd

even goed de oorden kunnende herkennen, waarboven wij ons bevonden,

kwamen wij na eenigen tijd boven Constantinopel, waar nergens meer

een halve maan te zien was, maar ook geen ander teeken, waaruit men

konde besluiten tot den staat, waartoe de hoofdstad van het voormalige

Oostersche Keizerrijk behoorde.

Vervolgens de Zwarte zee overstekende en den Kaukasus achter ons

latende, zagen wij de vlakte van den Euphraat voor ons uitgebreid. In

mijne verwachting van aldaar kennis te maken met oostersche tafereelen,

werd ik echter teleurgesteld. De streken, over welke wij heentrokken,

hadden geheel een Europeesch aanzien. Niets verkondigde dat wij ons

in een ander werelddeel bevonden.

Onder de gebouwen, die ik duidelijk onderscheiden kon, was er echter

een dat een geheel eigenaardigen stijl had. De talrijke en groote

koepels deden vermoeden, dat het een kerk of moskee was, maar met die

bestemming strookten niet de bijgebouwen, die op gewone Europeesche

huizen geleken, maar door zuilen-gaanderijen omgeven waren. Dit gebouw

of liever deze groep van gebouwen lag op een rotsigen heuvel, en men

had blijkbaar van daar een zeer ruim uitzicht.

Ik vroeg Baco, of hem ook bij toeval de bestemming van dit gebouw

bekend was. Hij zag door den kijker en antwoordde: »»Wel zeker, dat is

de beroemde sterrenwacht van Oroemiah. Ik herken haar naar de plaat,

die eene afbeelding daarvan voorstelt en in mijn studeervertrek

hangt. Zelf ben ik daar nog niet geweest, hoewel het observatorium

een bezoek overwaardig moet zijn.""

»Hoe is men er toch toe gekomen om hier, zoo ver buiten de middelpunten

van beschaving, eene sterrenwacht van zoo grooten omvang op te

richten?"

»»Om de eenvoudige reden, dat men er tegenwoordig naar streeft, om

zooveel mogelijk tijd te sparen, en dus voor het doen van waarnemingen

die plaatsen kiest, waar de waarnemingen het best en in het kortste

tijdsbestek kunnen gedaan worden. In Europa zijn de nachten slechts

zelden zoo helder, dat de vermogende kijkers, die men thans heeft, met

vrucht kunnen worden gebruikt. Hier daarentegen is de hemel gedurende

verscheidene maanden des jaars zoo klaar en doorschijnend, dat men

met het bloote oog reeds de manen van Jupiter en de schijngestalten

van Venus kan herkennen. In 1852 maakte een Amerikaansche zendeling,

Stoddard geheeten, den bekenden sterrekundigen John Herschel hierop

opmerkzaam, doch het was toen en nog lang daarna geen tijd om van

die uitmuntende gelegenheid, om de hemelverschijnselen gade te slaan,

partij te trekken. Eerst in het begin der eeuw, waarin wij thans leven,

is op gezamenlijke kosten van alle beschaafde volken,--en daaronder

van de Persen zelve, die volstrekt niet meer behoeven onder te doen in

beschaving voor ons, bewoners van Europa,--deze sterrenwacht gesticht,

die den naam draagt van: »Centraal Observatorium". Ik behoef er

wel niet bij te voegen, dat die inrichting rijk voorzien is van de

uitstekendste werktuigen, en dat daaraan een genoegzaam getal van

personen verbonden is tot het doen van allerlei waarnemingen.""

»Dus is dan de sterrekunde weder naar haar oude bakermat, naar het

vaderland der Chaldeërs, teruggekeerd, merkte ik aan. Maar wat is er

dan geworden van de overige zoo hoog geroemde Europeesche observatoria,

dat te Greenwich, te Leiden, dat van de Pulkowa enz.?"

»»Deze zijn veranderd in calculatoria, dat zij vroeger toch ook

reeds voor een groot deel waren. Onder hen worden de aan het centraal

observatorium verrichte waarnemingen verdeeld, en deze worden dan daar

berekend. Ook strekken zij nog tot praktische opleiding van jeugdige

astronomen, die, juist omdat zij daar met vele moeielijkheden te kampen

hebben en de waarheid der spreuk leeren kennen: per ardua ad astera,

tot volhardende en nauwkeurige observatoren worden opgekweekt.

»»Dat de praktische sterrekunde te Oroemiah met vrucht wordt beoefend

en daardoor onze kennis van de samenstelling der hemellichamen zeer is

toegenomen, kan u blijken uit gindsche kaart, met hetgeen er onder te

lezen staat. Het zal echter, denk ik, niet noodig zijn u te waarschuwen

van er u niet door te laten verleiden.""

Ik volgde zijne vingerwijzing en zag aan den wand een groot

aanplakbiljet opgehangen, waarop met den eersten blik het

welbekende maanlandschap Tycho te herkennen was, bestaande uit een

ringgebergte met daarvan straalsgewijs uitgaande, als zilver blinkende

strepen. Daaronder las men:

Grootste ontdekking dezer eeuw. Onuitputtelijke tinmijnen op de

maan. Wie spoedig rijk wil zijn, neme aandeelen in de nieuw opgerichte

Maan-Tin-Exploitatie-Maatschappij Tycho!

Ik was opgestaan om de kaart van naderbij te bezien en mij te

overtuigen, dat ik mij bij het lezen van dit onderschrift niet bedrogen

had. Toen ik mij weder omkeerde, las zeker Baco de bevreemding op

mijn gelaat, want hij zeide: »»Gij schijnt geen geloof te slaan aan

die ontdekking. Toch bevat het eerste gedeelte van die aankondiging

waarheid, misschien zelfs meer waarheid dan er mede bedoeld wordt,

want die tinmijnen zijn werkelijk onuitputtelijk, om de eenvoudige

reden dat er nooit uit geput zal worden. Maar tinmijnen zijn er, dit

is een uitgemaakte zaak. Een nauwkeurig onderzoek met den grooten

parabolischen reflector, voorzien van een hyperbolisch oculair en

van een spectraal-analytischen toestel voor teruggekaatste stralen,

heeft onbetwistbaar bewezen, dat de blinkende strepen, die van Tycho

uitgaan, metallisch tin zijn. Gij zult u trouwens daarover minder

verwonderen, wanneer gij u herinnert dat op de maan geen water is en

dat daar ook een dampkring ontbreekt. Metalen derhalve, die op onze

aarde gewoonlijk in eenen geoxydeerden of anderen gebonden toestand

voorkomen en daardoor hun glans verliezen, kunnen dezen op de maan

behouden, even als hier met zilver, goud en platina het geval is.""

Daar ik mij nu herinnerde dat men werkelijk in de laatste helft der

negentiende eeuw in de spectraalanalyse een middel gevonden had,

waardoor men de tegenwoordigheid van metalen en andere elementen in

verschillende hemellichamen kan ontdekken, zoo begon ik schemerachtig

de mogelijkheid in te zien van met verbeterde toestellen zelfs de

scheikundige geaardheid van zoo kleine gedeelten der maansoppervlakte

als die Tycho-strepen zijn te kunnen erkennen. Doch hetgeen mij geheel

ongeloofelijk voorkwam, was dat er lieden zouden zijn, lichtgeloovig

genoeg om de exploitatie van tinmijnen op de maan door ons aardbewoners

voor uitvoerbaar te houden. Toen ik dit tot Baco zeide, antwoordde

hij: »Mijn waarde heer! de menschen zijn thans op dit punt al even

als vroeger. Er zijn ten allen tijde bedrogenen geweest, die de

slachtoffers hunner hebzucht waren, en bedriegers die op de laatste

speculeerden. De personen, die zulk eene aandeelen-maatschappij

oprichten, weten zeer goed, dat eene exploitatie van mijnen op de maan

tot de onmogelijkheden behoort, maar het komt er bij hen ook slechts

op aan om anderen aan de mogelijkheid daarvan te doen gelooven en het

publiek ten hunnen eigenen bate te exploiteeren. Ook in vroegere eeuwen

werd hetzelfde gedaan. Slechts verzon men toen tin-, koper-, lood- en

andere mijnen, die nergens op aarde bestonden dan op de kaarten, welke

dienen moesten om anderen een rad voor de oogen te draaien,--groote

riddergoederen, die, indien zij al bestonden, later bleken kleine

vervallene hofsteden te zijn,--of vruchtbare landerijen, die voor

den ongelukkigen kooper in dorre heiden of moerasgronden verkeerden;

of men verzon zelfs niets maar wist door eene kunstige combinatie van

cijfers de menschen te doen gelooven, dat, indien men slechts goed de

kunst van optellen en vermenigvuldigen verstond, 1 + 1 = 4 en 1 × 1 =

10 was. Zoo is het altijd gegaan en zal het wel altijd gaan. Denk aan

het oude: mundus vult decipi! Het komt bij zulke gelegenheden vooral

op een ruim geweten, een stalen voorhoofd en een zekeren tact aan,

om van de ligtgeloovigheid der menigte niet al te veel te vergen, maar

haar door een kunstigen schijn van waarheid te verblinden. In vroegeren

tijd, eer de wetenschap over zoo verbazende hulpmiddelen beschikken

kon als thans het geval is, zou de geringste boer dengenen die hem

voorstelde tin uit de maan te halen voor gek hebben gehouden. Thans

echter zijn zoovele uitvindingen en ontdekkingen gedaan, die voor het

ongeleerde publiek aan het wonderbare grenzen, dat het te begrijpen is

dat sommigen eindigen met te gelooven dat voor de telkens al verder en

verder voortdringende wetenschap geene slagboomen meer bestaan. Richt

eene Maatschappij op voor het overbrengen van pakgoederen met den

elektromagnetischen telegraaf, zend een prospectus de wereld in, dat

doorspekt is met geleerde termen en een schijnbaar wetenschappelijk

betoog bevat van de deugdelijkheid van het ontworpen plan; verzuim

vooral niet van op een aanzienlijke winst het uitzicht te openen,

en gij zult zien dat gij aandeelhouders krijgt.""

Arme menschheid! dacht ik. Zult gij dan altijd dezelfde blijven, steeds

de slaaf uwer hartstochten en daardoor de speelbal van hen die er tot

hun voordeel misbruik van zoeken te maken. Ik werd van die gedachte

echter afgeleid, toen mijn oog viel op een ander aanplakbiljet,

aan welks hoofd met groote letters te lezen stond:

Anno 2070: Een blik in de toekomst · 第 3 / 5 题