En toen Raffles een blik door zijn schietgat wierp zag hij in de verte,

aan het andere einde van de uitgestrekte grasvlakte, een roode

schemering, als van een prairiebrand—daarginds moesten vele vuren zijn

ontstoken.

Thans voegde zich nog een ander geluid bij dat van de tientallen

trommen; een holratelend gerucht, dat wel in staat was, zelfs de

moedigsten vrees in te boezemen; het werd veroorzaakt door het

bekloppen van de honderden schilden met het uiteinde van de werpsperen

der wilden....

„Wat doen zij nu, Mylord?” vroeg Henderson op gedempten toon, den

vinger aan den trekker van zijn geweer.

„Zij voeren den krijgsdans uit, Henderson!” antwoordde Raffles op

ernstigen toon. „Ik vrees dat daar ginds vreeselijke dingen staan te

gebeuren—en toch zijn wij niet bij machte, ze te verhinderen!”

„Wat wilt gij zeggen, Mylord?” vroeg de reus sidderend van opwinding en

woede.

„Ik wil zeggen, Henderson, dat de menscheneters zich nu gereed gaan

maken, hun bloedig festijn aan te richten. Zij hebben zeker

krijgsgevangenen gemaakt op zee en hebben hen naar het dichtstbijzijnde

eiland gebracht, om hen daar te verslinden....”

„Maar dat is verschrikkelijk, Mylord!” kreet Henderson. „Dat mogen wij

als Engelschen toch niet toelaten!”

„Indien wij ons er in mengden, James, dan zouden wij zonder twijfel het

lot dier ongelukkigen deelen!”

De reus balde de vuisten tot de nagels hem in de handpalmen drongen,

maar hij zeide niets.

Hij begreep maar al te goed, dat er niet aan te denken viel, met

slechts drie mannen, al waren zij ook met vuurwapens toegerust, den

strijd aan te binden met een troep van minstens driehonderd

bloeddorstige wilden, waarvan er toch altijd genoeg in het leven zouden

blijven, om de drie blanken en de ongelukkige vrouwen te vermoorden.

En wat er daarna zou gebeuren—daaraan durfde de brave kerel niet te

denken zonder een rilling van afgrijzen.

Maar nu kwam het geraas der trommen naderbij.

Het klonk onzegbaar onheilspellend in den donkeren nacht.

Er kon niet aan worden getwijfeld—de wilden kwamen naderbij—en niemand

kon zeggen, waar zij stand zouden houden.

Indien zij de hut in het oog kregen, kon het lot der blanken niet

twijfelachtig zijn....

Op dit oogenblik voelde Raffles een zachte even trillende hand op zijn

arm.

Hij wendde zich om, en in de halve duisternis—men had slechts zoo

weinig mogelijk licht in de hut laten branden, om haar aanwezigheid

niet ontijdig te verraden—keek hij in het witte gelaat van Eleonora

Manoury.......

„Ik vraag u verschooning, dat ik mijn post een oogenblik heb verlaten,”

zeide de jonge vrouw met een droeven glimlach. „Ik wilde u iets

zeggen....”

Zonder dat hem iets bevolen werd, verwijderde Henderson zich

bescheiden, en ging zich bij Charly voegen, die het duistere woud aan

genen oever van de kleine rivier scherp in het oog hield.

„Spreek!” zeide Raffles eenvoudig.

„Wat denkt gij van den toestand?” vroeg de jonge vrouw, terwijl zij

Raffles strak aankeek. „Verheel mij de waarheid niet—ik ben sterker dan

gij denkt!”

„Wij verkeeren in het grootste gevaar, madame!” antwoordde Raffles op

gedempten toon. „Ik wil er tegenover u geen geheim van maken, gij hebt

reeds menigmaal getoond een vrouw van buitengewoone geestkracht te

zijn.”

„Ik hoorde zooeven een dof geraas—dat zijn zij zeker?”

„Dat was het gerucht van hun oorlogstrommen—zij komen naderbij—over een

half uur kunnen zij hier zijn....”

„Zeg mij zonder uitvluchten, Raffles—denkt gij dat wij verloren zijn?”

Raffles zweeg en boog het hoofd.

Eenige oogenblikken bleef het stil en men hoorde nu niets dan het dof

geklepper van de honderden schilden en het woest geluid van de steeds

wilder gebeukte trommen.

Toen hernam de jonge vrouw:

„Ik dank u. Ik weet nu. Wij moeten stervèn—tenminste als er geen wonder

geschiedt.... Welnu Raffles, als men aan den rand van het graf staat

mag men geen geheimen meer voor elkander hebben, niet waar?”

„Misschien komt er nog uitkomst opdagen....” mompelde Raffles toonloos.

„Neen, tracht mij niet te bedriegen, dat zou een man als gij zijt

onwaardig zijn! Wij moeten sterven, John Raffles—en—ik zegen het lot,

dat mij aan uw zijde in den dood zendt! Ja, ik wil—ik kan niet langer

zwijgen, in het gezicht van ons naderend einde! Ik heb je lief,

Raffles—ik heb je zoo innig lief, als ik nooit geweten heb te zullen

lief hebben! Veracht mij niet, nu ik je dit beken op een oogenblik,

waarin alle schaamte laf en nutteloos is! Ik weet, dat ik een

misdadigster ben geweest—ik weet, dat je mij, waren wij blijven leven,

nimmer zoudt hebben liefgehad en toch moet ik je het zeggen—het leven

kreeg voor mij pas waarde, toen ik jou voor den eersten keer zag—in het

vreeselijke huis van den ellendeling, die mij in het verderf heeft

gestort.”

Eleonora had dit alles op haastigen schorren toon gezegd, als vreesde

zij, geen tijd meer te zullen vinden tot het doen van deze laatste

bekentenis in haar leven.

Raffles had de hand opgeheven, als om haar het zwijgen op te leggen,

maar zij had zijn arm gegrepen en drukte die sidderend tegen zich aan,

overweldigd door hartstocht, welke zij vruchteloos had trachten te

onderdrukken.

„Stoot mij niet van je!” smeekte zij klagend. „Stoot mij niet van je in

dit laatste oogenblik!”

„Daar denk ik immers niet aan, arme, arme Eleonora!” zeide Raffles op

zachten toon ondanks zich zelf aangegrepen en ontroerd door de woorden

van de vrouw, die hem het leven had gered en wie hij daarna had

beschermd tegen de woede van den man, die haar als slavin beschouwde.

„Ik wil je niet van mij stooten—ik zelf—ik ben immers maar een dief—een

inbreker—een paria!”

„Zeg dat niet. O! zeg dat niet!” kreet Eleonore snikkend. „Belaster je

zelf niet! Je bent de braafste, de edelste mensch, dien ik ooit ontmoet

heb! Onder een mom van ijskoude onverschilligheid verberg je je warm,

je edel hart! Mijn God, waarom bracht het lot je niet vroeger op mijn

weg—waarom kon je mij met liefhebben! Wie weet, hoe anders het leven

voor ons beiden geworden ware!”

Raffles wilde iets zeggen, met zachten drang de hartstochtelijk

snikkende vrouw tot kalmte brengen, maar een geluid dat van buiten tot

hem doordrong, deed hem naar het schietgat schrijden en een blik naar

buiten werpen.

De rosse gloed was intusschen veel dichterbij gekomen, en thans was het

krijgsgezang der wilden duidelijk verneembaar!

In de verte waren vage schimmen zichtbaar, als spookverschijningen, die

zich snel verplaatsten!

„Daar zijn zij!” zeide Raffles, zich uit alle macht tot kalmte

dwingend. „Laat mij thans, Eleonora—wij zullen ons tot den laatsten

snik verdedigen!”

De jonge vrouw had zich opgericht en keek met verwilderden blik om zich

heen.

Toen sloeg zij eensklaps beide armen om den hals van den man, die haar

voor de eerste maal de liefde leerde kennen, en drukte met een

hartstochtelijke heftigheid haar lippen op den mond van John Raffles,

die half bedwelmd achteruit wankelde maar dadelijk daarop met een

forsche beweging zich vrijmaakte, en op heeschen toon zeide:

„Ga op je post, Eleonore! De wilden kunnen ieder oogenblik hier zijn!

Zendt Henderson bij mij! Dadelijk!”

De jonge vrouw streek zich met een vage beweging met de blanke hand

over het hoofd, als was zij zich noch den tijd noch de plaats bewust,

waar zij zich bevond.

Toen fluisterde zij:

„Ik volg je bevel op, Raffles. Alles is nu goed! Ik heb je gekust—nu

kan ik sterven!”

En langzaam schreed zij heen....

Maar toen zij de achterzijde van het huis bereikte, zocht zij daar

tevergeefs naar den reus—Henderson was verdwenen....

Intusschen was Sonja Bastides in haar eigen vertrek, naast de

gemeenschappelijke kamer gelegen, op haar knieën gezonken, zoodra haar

oor getroffen werd door het dreigend gerucht van de oorlogstrommen, en

met haar beide dienstmaagden zond zij een vurig gebed ten hemel op voor

het behoud van den man, die al haar geluk op deze wereld uitmaakte....

Het geluid van de wilden klonk nu zoo nabij, dat het was, alsof zij

zich niet meer dan een speerworp afstand van het huis bevonden.

Oorverdoovend klonk nu het holle geratel der schilden, waarop de speren

neerkletterden in wilden cadans, en het dreunend gebonk der trommen.

Raffles wierp een blik door het schietgat in de deur.

Daar, op nauwelijks honderd meter afstand zag hij de naderende wilden,

die met hun knotsen zwaaiden, en brandende toortsen droegen, die het

rosse schijnsel verspreidden, hetwelk de blanken reeds een uur geleden

voor het eerst hadden waar genomen.

In hun midden voerden zij een twintigtal gevangenen mede, allen aan

elkander gebonden met behulp van sterke lianen, de nekken gevat in een

soort juk, gevormd door een gaffel, met een dwarspen door de uiteinden

gestoken.

De aanblik dezer naakte wilden was inderdaad verschrikkelijk, en in

staat om de moedigsten schrik en ontzetting in te boezemen.

Hun oogen fonkelden woest in het met witte streepen beschilderde

gelaat, en hun tanden blonken als die van een wolf in het licht van de

toortsen, die hen als met bloed overgoten.

De voorste gelederen dansten waanzinnig op het steeds sterker wordende

geluid der oorlogstrommen, en de overigen vuurden hen aan door gillende

kreten, als een troep wilde dieren.

Maar eensklaps, als op gegeven bevel, zweeg al dit rumoer.

Het werd zonderling stil.

De wilden stonden eenige oogenblikken als uit brons gegoten.

Zij vormden nu een zwarte, dichtopeengepakte massa, waarboven de

toortsen rossig flakkerden.

Er kon niet aan getwijfeld worden—de kannibalen hadden de hut ontwaard,

waarvan de licht gele planken in het maanlicht glansden.

Het volgend oogenblik staken de aanvoerders der wilden de koppen

bijeen, en er werd niets anders gehoord dan een dof gegons van stemmen.

Daarop werden de gevangenen een weinig terzijde gebracht, en een groep

wilden, uit ongeveer zestig man bestaande, kwam gillend en krijschend

op de hut af.

Even later vloog de eerste speer door de lucht en bleef trillend steken

in den dunnen houten wand van de hut, terwijl de punt ver aan de

binnenzijde doordrong.

Raffles mocht niet langer meer aarzelen.

Hij stak den loop van zijn geweer door het schietgat, en mikte

zorgvuldig op den dichtstbijzijnden kannibaal.

Maar voor hij den trekker had kunnen overhalen, geschiedde er iets

onverwachts....

De wilden stonden eensklaps stil, alsof hun voeten wortel geschoten

hadden in den bodem, hun handen, die de speren omklemd hielden, schenen

te verstijven, hun armen vielen slap langs het lichaam neder.

Raffles kon volstrekt niet begrijpen, waaraan deze houding was toe te

schrijven, ofschoon het duidelijk te merken viel, dat de menscheneters

doodelijk verschrikt waren, toen hij eensklaps een monsterachtige

gedaante van terzijde het huis zag verschijnen, die met langzame

schreden op de wilden toeging.

Het was stellig een gedaante van een mensch—maar welk een mensch!

De gestalte was op zijn minst elf voet hoog, en een vuurrood gewaad

hing hem om de leden.

Armen en beenen waren zeer lang—maar verschrikkelijk was het hoofd....

Het was bijna een meter van kin tot voorhoofd, en de oogen schitterden

van een bovenaardschen glans, en schoten een fel licht uit, maar ook

uit den mond, of liever den muil van het monster drong een schelle

gloed naar buiten, evenals uit de beide neusgaten.

De schrikwekkende gedaante had in de vuist een ontzaglijke knots, een

boomstam als het ware, en de andere omknelde een aantal ketenen, die

onder het gaan van den reus een somber geluid veroorzaakten.

Met twee stappen was dit afschuwelijke wezen te midden van de wilden—de

knots suisde neer, en verpletterde als een ledige eierschaal den

schedel van een der kannibalen.

En eensklaps was het, alsof een panische schrik onder de wilden was

gevaren.

Als een zwerm opgejaagde herten, hun wapens, schilden en fakkels in den

steek latend, ijlden zij heen onder het gillend gehuil:

„Taboe! Taboe! Taboe!”

Wat de gevangenen betreft—zij waren als betooverd en bleven sidderend

op dezelfde plek staan, met groote oogen starend naar het monster, dat

zich langzaam over de vlakte bewoog.

Aanstonds besloot Raffles partij te trekken van deze onvoorziene

hulp—wie of wat dan ook de gedaante mocht zijn.

Hij riep de vrouwen bijeen, en rukte de deur open.

Heel in de verte waren de kannibalen nog slechts flauw te zien.

Zij liepen nog altijd als hazen, gillend en alsof de duivel hen op de

hielen zat.

Het monster schreed intusschen gestadig voort met geweldige passen, in

de richting van de vliegmachine en zijn gloeiende oogen schenen een

deel van de vlakte te verlichten.

Maar plotseling stond de reus stil, op bijna een kilometer van de

hut—en scheen toen ineen te zakken, alsof hij doormidden werd gehakt

door een onzichtbare macht; er rolde iets op den grond—de oogen doofden

uit—en daar stond Henderson, zweetend als een paard, maar glimlachend

en gelukkig!

„Neem mij niet kwalijk, Mylord, dat ik zoo vrij ben geweest, op mijn

eigen houtje een beetje clown te spelen—maar gij hadt mij gezegd, dat

die schoeljes van menscheneters zoo bevreesd zijn voor bovennatuurlijke

dingen,—en daarvan heb ik gebruik gemaakt!” zeide de brave kerel, zich

het voorhoofd afwisschend, „maar ik moet u zeggen, dat het een

drommelsch warm werkje was!”

Raffles stak den reus zwijgend de hand toe, en zeide:

„Je hebt ons allen het leven gered, James!”

„Zooveel te beter, Mylord!” hernam Henderson opgewekt. „Ik kon op mijn

houten stelten over de boomen van het weiland zien—en zooeven ontdekte

ik de bende die zich hals over kop inscheepte in de prauwen en zee

koos—toen achtte ik het oogenblik gekomen, mijn gewone uiterlijk aan te

nemen.”

„En mag men weten, James, hoe je die plotselinge gedaanteverwisseling

tot stand hebt gebracht?” vroeg Raffles glimlachend, maar de hand van

den stoutmoedigen kerel nog steeds in de zijne houdend.

„Dat ging heel eenvoudig, Mylord! Ik had mijnheer Brand mijn plannetje

medegedeeld en hij vond het goed! Ik heb toen alle lakens vlug aan

elkander genaaid, die ik kon vinden, en daarna sneed ik in het watervat

dat tegen den achtermuur van de hut stond, een paar gaten—de oogen,

neus en mond, en aan den anderen kant maakte ik twee van onze

electrische zaklantaarns vast! Was het geen prachtig effect?”

„Het was onverbeterlijk, James! Maar je geweldige lengte?”

„Niets eenvoudiger! Ik heb mij vlug een paar stelten gemaakt uit een

paar bamboestokken—en als men zooals ik een jaar lang herder is geweest

in de pampa’s van Argentinië, waar je niet anders kon gaan dan op

stelten van een twee meter lengte, dan leer je wel loopen op zulke

dingen! Nu—en dat was alles!”

Het was even stil—en toen trad Sonja met tranen in de oogen op den reus

toe en greep zijn hand, die zij uit alle macht drukte, zoodat de reus

er bijna verlegen onder werd.

Hij trachtte snel de aandacht af te leiden door de vraag:

„Dat is waar—wat gilden die zwarten toch, toen zij aan den haal

gingen?”

„„Taboe!” riepen zij, James,” antwoordde Charly, die met moeite zijn

aandoening verborg, „dat wil zeggen dat dit eiland taboe of heilig is

verklaard—en Mylord zal mij bijvallen als ik zeg, dat geen enkele wilde

ooit meer zal wagen, nog eens een voet op dit eiland te zetten!”

„Zoo is het!” zeide Raffles. „Het „Taboe” der Zuidzee-eilanders

beheerscht hun geheele samenleving—en geen hunner zou zich straffeloos

tegen zijn strenge regels kunnen verzetten! Maar nu is het tijd om aan

onze eigen veiligheid te denken, vrienden. Laten wij ons dadelijk

inschepen!”

De afstand tot de vliegmachine was spoedig afgelegd, en binnen enkele

minuten hadden allen zich ingescheept.

Ruim een etmaal later landde het toestel bij Hendon.

Toen pas opende Eleonora, die tot dien tijd een hardnekkig stilzwijgen

in acht had genomen, haar lippen, en wendde zich tot Raffles met de

vraag:

„Wilt gij mij zeggen, John Raffles, wat u naar uw eiland dreef?”

„Ja. Ik kwam u vragen, mij te helpen bij de opsporing van mijn

doodsvijand!”

„Dat vermoedde ik reeds.”

„Kent gij zijn schuilplaatsen?”

„Ja, ik ken ze.”

„Noem ze mij, ik wil hem gaan bestrijden—hij of ik moet van deze wereld

verdwijnen.”

„Niet gij—ik zal den schurk zoeken, John Raffles!” riep Eleonora uit.

„Gij kent nu de geheimen mijns harten—om u te bewijzen dat het mij

ernst was, zal ik zelf als wreekster optreden—en tevens mijzelf wreken

voor mijn verloren leven! En wee Irwin Stanley als ik hem ontmoet!”

En voor Raffles iets had kunnen tegenwerpen, was de jonge vrouw

verdwenen onder de menigte, die zich juist naar het vliegveld begaf om

getuige te zijn van een groot vliegfeest.

Lord Lister No. 0392: Het Eiland der Menscheneters · 第 4 / 4 段