LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE
NO. 392 HET EILAND DER MENSCHENETERS.
HET EILAND DER MENSCHENETERS.
HOOFDSTUK I.
DE VLUCHT.
Het was nog nauwelijks dag en de zon was zooeven boven de kim gerezen,
toen een groote, open auto, in zeer snelle vaart over den weg vloog,
die van Genua naar Nizza leidt en die over een groote lengte dezelfde
route volgt als de spoorweg die de beide steden verbindt, en die een
deel uitmaakt van het traject, dat van de Italiaansche stad aan de
Middellandsche Zee over Nizza loopt naar de Fransche oorlogshaven
Toulon en vandaar verder naar Parijs.
Het was nog zeer vroeg in de lente en waarschijnlijk zou men in
noordelijke streken van Europa nog zeggen dat het volop winter was,
maar hier, aan de onvolprezen Côte d’Azur, was het alsof men zich reeds
midden in den zomer bevond.
Een zoele, nauwelijks merkbare wind bezwaard met de lucht van duizenden
bloemen kwam de drie mannen tegemoet, die in de auto gezeten waren.
Een kenner zou het voertuig aanstonds herkend hebben als een Renault
van zeker niet minder dan zestig paardekracht.
Het voertuig snelde in tomelooze vaart over den verrukkelijk breeden
aan weerszijden met palmboomen omzoomden weg, vanwaar men bijna steeds
het uitzicht heeft op de golven van de Middellandsche Zee, die reeds
zwakjes verlicht begon te worden door het schijnsel dat in het oosten
merkbaar werd, en dat het naderen van den dag aankondigde.
Maar op ongeveer een uur gaans afstands van Genua stond een van de
mannen, die achter in de auto gezeten was, op, boog zich voorover en
tikte zijn chauffeur, een nog jongen man, op den schouder.
Aanstonds stond het voertuig stil, even voorbij een kromming van den
weg en aan den voet van een hooge rots, die zich hier en daar langs den
straatweg verheft.
Heinde en ver was geen levende ziel te bespeuren, of het moesten de
zeemeeuwen zijn, die zooeven ontwaakt waren en nu in breede kringen en
luid krijschend, boven de golven rond zwierden, op zoek naar hun
ontbijt.
„Waarom laat je me stilhouden,” vroeg de jonge man, die achter het
stuurwiel zat.
„Ik geloof, dat het oogenblik gekomen is, Charly, om een weinig
verandering te brengen in ons uiterlijk, zoowel als in dat van onze
auto,” antwoordde de aangesprokene. „Je zult zelf wel begrijpen, dat de
heeren van de politie te Genua, nadat zij er achter gekomen zijn, dat
zij gedurende een paar uren den lang gezochten John Raffles in handen
hebben gehad, alles op haren en snaren zullen zetten, teneinde den
vluchteling te achterhalen.”
De man, die deze woorden gesproken had, was inderdaad niemand anders
dan de befaamde Gentleman-Inbreker, de Groote Onbekende, stoutmoedig
avonturier, naar wien reeds ettelijke jaren gespeurd werd door de
politie, niet alleen van Londen, maar ook door verscheidene andere
wereldsteden, waar Raffles zijn kortstondige verschijning had gemaakt,
steeds tot groot nadeel van adellijke leegloopers, woekeraars,
rijkaards, die zelf niet wisten hoe rijk ze wel waren en anderen, aan
wie de Groote Onbekende een deel van hun bezittingen had ontnomen,
teneinde deze opnieuw aan den man te brengen, op een wijze, die hem
beter en rechtvaardiger toescheen.
Een gansche reeks van avonturen had hem ditmaal naar Genua gevoerd en
het had maar weinig gescheeld, of die politie van die stad had voor
zich de eer kunnen opeischen eindelijk de hand te hebben kunnen leggen
op een van de stoutmoedigste avonturiers en zeker den schranderste, die
ooit den strijd had aangebonden met de gestelde machten in de oude en
de nieuwe wereld.
Het was slechts weinige weken geleden, dat Raffles voor het eerst in
aanraking was gekomen met een man, die, zooals hij, een vijand was van
de maatschappij, of tenminste van een deel daarvan en die niettemin
zijn doodsvijand was.
De naam van dezen man was Irwin Stanley. Toen zijn pad dat van Raffles
voor het eerst kruiste, was hij eenige maanden tevoren gekozen tot
aanvoerder van het Genootschap van den Gouden Sleutel, een zeer
gevaarlijke misdadigersbende, die haar zetel te Londen had en waarbij
tal van benden over de geheele wereld verspreid, waren aangesloten.
Overal, in alle groote steden kende de politie het bestaan van dit
genootschap en dit was voor een groot deel te danken aan het optreden
van denzelfden man, dien zij zoo hardnekkig achtervolgde, Lord Edward
Lister, alias John Raffles.
Aan dezen man was het reeds driemaal gelukt, den aanvoerder van het
zooeven genoemde genootschap ten verderve te brengen. De eerste had het
leven verloren in een vreeselijken strijd met Raffles, de tweede had
zijn misdaden aan den galg moeten boeten en de derde was eveneens in
een gevecht gedood door denzelfden man, die zich nu in gezelschap van
Raffles en van diens onafscheidelijken vriend, Charly Brand in de
groote auto bevond, James Henderson, den reusachtigen chauffeur.
Tot zelfs in Amerika had de vreeselijke worsteling tusschen deze drie
mannen en een machtige organisatie, die duizenden leden telde,
voortgeduurd en een oogenblik meende Raffles te mogen gelooven, dat hij
het kwaad in den wortel had aangetast en dat er een einde was gekomen
aan het bestaan van dezen moorddadigen bond.
Inderdaad bleef het ook eenige maanden rustig, en toen bracht het
noodlot Raffles op het spoor van den vierden „Meester”, zoo luidde de
titel van den aanvoerder en opnieuw ontbrandde de strijd.
Het bleek maar al te spoedig, dat Irwin Stanley bij zijn voorgangers in
het minst niet achterstond in sluwheid, moordzucht en vooral in haat
tegen Raffles, die het genootschap zoo menigmaal groot nadeel had
berokkend en de oorzaak was geweest dat honderden van zijn leden thans
in de gevangenis moesten zuchten, terwijl een viertal moordenaars, die
door zijn toedoen gevat waren, hun leven hadden moeten laten op het
schavot.
Eenige malen stonden de beide mannen tegenover elkaar en Raffles was er
ten slotte in kunnen slagen, zijn doodsvijand te noodzaken de uitdaging
aan te nemen tot een tweegevecht in een groot, oud spookachtig huis van
den Meester. Maar op verraderlijke wijze wist deze zijn ridderlijken
tegenstander in zijn macht te krijgen en het was slechts te danken
geweest aan de tusschenkomst van Eleonora Manoury, een jonge en schoone
vrouw, die te kwader ure in de macht van Stanley was geraakt, dat hij
leven en vrijheid wist te herkrijgen.
Om de rampzalige vrouw, die door den ellendeling zwaar gewond was met
een revolverschot, aan zijn wraakzucht te onttrekken, bracht hij haar
over naar Caïro, waar zij verpleegd werd in het beste ziekenhuis,
hetwelk deze stad telde.
Maar zelfs daar wist de wraakzucht van haar gewezen minnaar haar te
bereiken, nadat een noodlottig toeval haar verblijfplaats had verraden
aan een inlander, die tot het genootschap hoorde en die dadelijk den
Meester van die ontdekking op de hoogte stelde.
Zonder een oogenblik te aarzelen, gelastte Stanley den inlander,
Eleonora Manoury, wier getuigenis hem, als zij spreken wilde, in het
verderf kon storten, uit den weg te ruimen en zeker zou de booswicht
hierin zijn geslaagd, wanneer Raffles niet opnieuw had ingegrepen en
dezen laaghartigen aanslag verijdelde.
Hij wist den inlander in zijn macht te krijgen en te bewerken, dat
Stanley zelf naar Caïro kwam en toen dit eenmaal het geval was, scheen
zijn lot bezegeld te zijn.
Raffles bracht de politie op zijn spoor en de gevaarlijke boosdoener
kon gearresteerd worden in een eenzaam gelegen huis, dicht bij Caïro,
toen hij daar een samenkomst had met den inlandschen medeplichtige.
Onmiddellijk zou Stanley per schip naar Londen worden overgebracht en
Raffles, Charly Brand en James Henderson namen passage op hetzelfde
schip en zij moesten er de machtelooze getuigen van zijn, dat de sluwe
schurk er in slaagde, in het gezicht van de haven van Genua, welke het
schip moest aandoen, te ontvluchten, overboord te springen en in de
duisternis te ontkomen, voor men er in kon slagen de boot uit te
zetten, die door een medeplichtige onklaar was gemaakt, of een
radiogram naar de kust te zenden, daar ook het toestel voor het
afzenden van draadlooze telegrammen door denzelfden handlanger vernield
was.
Raffles aarzelde toen geen oogenblik om eveneens de reis te
onderbreken, in de hoop, dat hij te Genua zijn doodsvijand zou terug
vinden en hem opnieuw in de handen der politie te kunnen overleveren.
Maar ditmaal was de fortuin tegen hem. Wel kwam hij in de gelegenheid,
zijn machtigen tegenstander van aangezicht tot aangezicht te zien, maar
deze wist op het laatste oogenblik te ontkomen en Raffles zelf werd
gearresteerd, toen hij vermomd was als Engelsch varensgast.
Waarschijnlijk zou nimmer zijn identiteit vermoed zijn, als de mannen
van Stanley, die maar al te goed wisten, met wien zij te maken hadden
gehad bij dit avontuur en die tegelijk met hem in de handen der politie
waren gevallen, hem niet hadden verraden.
En de zaak zou waarschijnlijk voor Raffles ditmaal een leelijke wending
hebben genomen als Charly Brand en James Henderson er niet in geslaagd
waren, den Grooten Onbekende te bevrijden, juist op het oogenblik, dat
men hem van het bureau van politie met een geblindeerde auto wilde
overbrengen naar de gevangenis.
Het was toen twaalf uur in den nacht geweest.
En zoo geschiedde het, dat de groote snelle auto zich thans op weg
bevond van Genua naar Nizza.
De drie mannen waren snel van den wagen gestapt en togen ijlings aan
het werk.
„Hoever denk je dat we voor zijn?” vroeg Raffles, die een grooten
Engelschen sleutel had gegrepen.
„Bij de telegrammen zijn we waarschijnlijk reeds ten achter, Edward,”
antwoordde Charly Brand, „maar op de politieauto’s zijn we op zijn
minst wel een half uur voor, denk ik.”
„Maar de politieauto, die mij had moeten vervoeren van het
politiebureau naar de gevangenis. Hoe staat het daar eigenlijk mee. Het
leek me een zeer snelle wagen toe. Waarom heeft die niet aanstonds de
achtervolging aangevangen?”
„Voor die auto behoef je in ieder geval niet bevreesd te zijn, Edward,”
antwoordde Charly lachend. „Ik had, zonder de chauffeur mij kon zien,
eenvoudig van het wachtende voertuig, dat voor het politiebureau
stilstond, den moer van een der achterwielen zoover los geschroefd, dat
het wiel er bij den eersten den besten draai moest afloopen en dat is
dan ook geschied, nog voor je je bij ons had kunnen voegen.”
„Dat heb je knap gedaan, Charly. Laat ons dan nu maar haastig aan het
werk gaan tenminste wanneer we geen overbodig werk doen. Geloof je dat
ze weten, hoe onze auto er uit ziet?”
„Reken er vooral niet op, Edward, dat ze daar onkundig van zijn,” riep
Charly. „Toen jij in den wagen stond, nadat we je bevrijd hadden,
bevond de auto zich op hoogstens tien meter afstand van de agenten. De
straat was goed verlicht, en zij moeten in ieder geval den hoofdvorm en
de kleur van den wagen hebben opgemerkt.”
„Nu, dan zullen we ons haasten een en ander te veranderen,” hernam
Raffles.
Er behoefde verder geen woord meer te worden gesproken. Geen enkel
bevel behoefde te worden gegeven, want iedereen wist zeer nauwkeurig
wat zijn taak was.
Raffles en Charly vervingen een voor een de houten wielen door
draadspaakwielen van een geheel andere kleur, die in een geheime
bergplaats aan de onderzijde van de auto verborgen waren geweest en de
vier houten wielen werden, met zware steenen bezwaard, in zee geworpen.
Henderson had intusschen een werkje van geheel anderen aard verricht.
Hij had de kleur van den geheelen wagen veranderd.
Door op een onzichtbaar geworden knop te drukken waren er overal voor
de lichtgrijze zijwanden dunne paneelen geschoven van een vuurroode
kleur en zoo nauwkeurig was dit alles vervaardigd, dat men slechts bij
zeer nauwkeurig toezien kon bemerken, dat de wagen dubbele wanden had
van verschillende kleur.
Nu werd ook de kap nog opgezet en nu was de verandering zoo volkomen,
dat zeker niemand de auto van zooeven zou hebben herkend in dit
vuurrood gelakte voertuig, met zijn opzichtige gele wielen.
Deze geheele metamorphose had geen volle tien minuten geduurd, zoo
uitstekend waren de drie mannen getraind in dergelijke werkjes.
Raffles wist maar al te goed, dat hij zijn succes voor het leeuwendeel
slechts te danken had aan de snelheid van handelen, die aan het
wonderbaarlijke grensde en die niet anders verkregen kon worden dan ten
koste van herhaalde oefening.
Nu was het nog zaak om ook hun uiterlijk een verandering te doen
ondergaan en dan zou de kans op ontdekking of aanhouding zeker
aanmerkelijk minder worden.
Op het oogenblik, dat de Genueesche politie hen overviel, waren alle
drie mannen vermomd als zeelieden en het was volstrekt noodzakelijk een
ander uiterlijk aan te nemen, daar het zeker verwondering zou baren,
drie matrozen, die er tamelijk haveloos uitzagen, in zulk een groote,
blijkbaar zeer dure auto aan te treffen.
Alles wat er noodig was, bevond zich in een geheime bergplaats van de
auto, kleurmiddelen, voortreffelijk vervaardigde pruiken, baarden en
zelfs kleederen.
En zoo werd er aanstonds een aanvang gemaakt, met wat Henderson, de
steeds opgewekte reus „een nieuwe verkleed-partij” noemde.
Henderson werd eenvoudig weder de beste Engelsche chauffeur van goeden
huize. Raffles werd, wat hij steeds te Londen was, Lord William
Aberdeen en Charly volgde zijn voorbeeld en kroop in zijn oude huid,
die van secretaris van zijne Lordschap.
Het verkleeden duurde heel wat langer dan het veranderen van de auto en
juist toen de oude schipperskleeren met keien bezwaard den weg van de
wielen hadden gevolgd, riep Charly verschrikt uit:
„Ik geloof waarachtig dat zij daar al aankomen.”
Hij wees naar een punt in de verte dat zich schijnbaar zeer
langzaam—maar dat kwam slechts door den grooten afstand over den
prachtigen weg—bewoog, aan welks aard men niet behoefde te twijfelen.
Het was een automobiel.
Raffles had zijn kijker te voorschijn gehaald en voor het oog gebracht
en zeide, na eenigen tijd door het instrument te hebben getuurd:
„Het ziet er inderdaad wel een weinig verdacht uit. Ik geloof dat ik
het glinsteren van zilveren kragen en banden van uniformpetten zie. We
zullen het zekere voor het onzekere nemen en beenen maken, want ik ben
er volstrekt niet op gesteld, mijn kennismaking met de Italiaansche
politie te hernieuwen.”
De drie mannen namen haastig weder in de auto plaats en ditmaal greep
Henderson het stuurwiel, terwijl Lord William Aberdeen, zooals hij
thans weder zou heeten en Charly Brand achter in den grooten wagen
leunden.
Men behoefde er niet bevreesd voor te zijn, dat Henderson zou
verdwalen, want dat was eenvoudig onmogelijk. Hij behoefde niets anders
te doen dan den breeden straatweg te volgen, die zich vele tientallen
kilometers achtereen langs de kust van de Middellandsche Zee uitstrekt
en zich daar geen enkel oogenblik verder dan een halve mijl van
verwijderd.
En wat de snelheid aangaat, de reus had eveneens de auto met de
politiebeambten gezien en dat was voldoende.
Men was Albenea omstreeks halverwege Genua en Nizza reeds geruimen tijd
gepasseerd, toen de auto stil stond en het ging nu in een vaart van
bijna tachtig kilometer per uur op Oneglia af.
Toen Raffles een blik achter zich wierp was er van de achtervolgende
auto volstrekt niets meer te bespeuren.
Maar Charly Brand was nog verre van gerust.
Hij had een oogenblik in gedachten verzonken gezeten en wendde zich nu
tot Raffles met de vraag:
„Geloof je dat ze in Ventimiglia, dat wil zeggen, aan de grens reeds
gewaarschuwd zijn?”
„Dat is wel waarschijnlijk,” antwoordde Raffles laconiek. „Er zijn ruim
drie uur verloopen sedert het oogenblik, waarop ik ontvluchtte en een
telegram heeft zoo lang niet noodig om naar de grens te gaan.”
„Maar hoe kwamen zij er eigenlijk toe, Edward, ons juist in de richting
van de Fransche grens te zoeken? We hadden immers even goed kunnen
pogen naar Zwitserland of naar een van de Balkanstaten te ontkomen?”
„Als we dat hadden willen doen, dan hadden we al aanstonds een anderen
weg moeten inslaan, Charly,” antwoordde Raffles. „De straat waaraan het
politiebureau gelegen was, voert rechtstreeks naar den weg die naar
Nizza leidt en als wij de Zwitsersche of Oostenrijksche grens hadden
willen bereiken, dan zouden we Genua langs een heel anderen kant hebben
moeten verlaten, juist tegenovergesteld aan dien welke we thans gekozen
hebben.”
„Maar dan zie ik niet goed in, Edward, hoe zij ons zullen laten
passeeren,” riep Charly ongerust uit. „Het is nog zeer vroeg. De dag is
nauwelijks aangebroken en het aantal auto’s op dezen weg is zeer gering
op dit uur. Ik heb er nog in het geheel geen gezien, uitgezonderd die
vermaledijde politieauto.”
„Je maakt je ongerust om niets, Charly,” hernam Raffles bedaard. „Wij
zullen Ventimiglia niet langs dezen kant naderen. Wij zullen er als het
ware omheen rijden.”
„Is dat dan mogelijk?” vroeg Charly. „Ik meende, dat er slechts één
toegangsweg was, deze verrukkelijke straatweg, dien ik onder andere
omstandigheden zeker meer zou bewonderen dan ik thans doe.”
„Er zijn zijwegen, Charly. De vreemdeling kent die wegen zeker niet en
snort er met zijn auto langs, maar ik ben hier gelukkig goed thuis en
aanstonds, als ik het stuurwiel van Henderson gedurende een kwartier
overneem, zal ik je dat bewijzen. Wij zullen de grensplaats niet uit
het oosten, maar vanuit het noorden binnen rijden.”
„Maar zou men te Toulon ook niet reeds op de hoogte zijn gesteld,”
drong Charly aan.
„Dat laat mij volkomen onverschillig, mijn waarde. Ik denk mij niet
naar Toulon te begeven.”
„Wat zeg je daar? Waarheen denk je dan van Ventimiglia af te gaan?”
„Naar Genua,” antwoordde Raffles bedaard.
Charly maakte als het ware een luchtsprong en keek Raffles sprakeloos
aan.
„Hoor ik goed? Wil je terug naar de plaats, vanwaar we zoo juist
ontkomen zijn. Wat wil je daar dan in hemelsnaam gaan uitvoeren?”
„Zoeken naar Irwin Stanley,” was het laconieke antwoord.
HOOFDSTUK II.
GEWIJZIGDE PLANNEN.
Geruimen tijd bleef Charly zwijgend achterover leunen.
Reeds tallooze malen was hij in de gelegenheid geweest de ontembare
geestkracht en den ijzeren wil te bewonderen van den man, met wien het
lot hem eenige jaren geleden in aanraking had gebracht, en wiens meeste
avonturen hij daarna had gedeeld, en toch was het nog telkens een
nieuwe aanleiding tot bewondering voor hem, als hij getuige was van den
ontzaglijken, door niets te bedwingen ondernemingsgeest van John
Raffles.
Gevaar scheen voor hem een woord te zijn zonder eenige beteekenis.
Ieder ander zou, verkeerde hij in zijn omstandigheden, zich gehaast
hebben, zooveel mogelijk kilometers te brengen tusschen zichzelf en de
stad, die wel eens het einde van zijn loopbaan had kunnen aanschouwen.
Maar in die stad vertoefde nog de doodsvijand van den
Gentleman-Inbreker en daarom wilde hij er weder heen trekken, alsof het
de eenvoudigste zaak van de wereld was en alsof hem geen gevaar kon
dreigen.
Eindelijk, nadat Charly eenigszins van zijn verbazing en ontsteltenis
bekomen was, vroeg hij:
„Maar Edward—als je dan toch weer wil terugkeeren, waarom ben je dan
zoover doorgereden, tot bijna aan de grensplaats?”
„Dat had een zeer eenvoudige reden—wij zijn tot hiertoe slechts weinig
dwarswegen gepasseerd, en wanneer Lord Aberdeen met zijn tourauto van
de Fransche grens komt, zal dat volstrekt geen opzien baren.”
Charly zweeg eenigen tijd weder, en hernam toen:
„Neem het mij niet kwalijk, Edward—maar ik kan het doel van onzen
terugkeer niet goed inzien!”
„Waarom niet?”
„Omdat het volgens mij wel bijna zeker is, dat wij Stanley niet meer in
Genua zullen vinden! Ook hij zal zich wel haasten, zich aan de
nasporingen van de politie te onttrekken!”
„Dat moeten wij afwachten!” hernam Raffles bedaard. „Ik wil zekerheid
hebben. Geef mij een week—en blijkt het in dien tusschentijd, dat al
ons zoeken vruchteloos is, dan ben ik bereid, om weder met je naar
Londen terug te keeren—al zou mij dit leed doen, want dan zou het
ongetwijfeld weer zeer lang duren, eer wij opnieuw eenig spoor vonden
van den ellendeling!”
Intusschen werd de tocht onophoudelijk voortgezet, en ongeveer een
kwartier later liet Raffles de auto opnieuw stilstaan, en nam de plaats
in van Henderson achter het stuurwiel.
Van de achtervolgende auto was volstrekt niets meer te bespeuren—het
leek wel of zij de achtervolging had opgegeven.
Het werd al spoedig duidelijk, dat Raffles de omgeving voortreffelijk
kende want hij weifelde geen oogenblik, maar sloeg een tamelijk smallen
dwarsweg in, een grintweg, die zeker door iederen automobilist met
verachting zou zijn voorbijgegaan, en nu kwam er een waar doolhof van
breedere en smallere wegen, totdat de automobiel ten slotte de
Italiaansche grensplaats binnenreed—maar van een geheel andere zijde
dan waarvan de politie de automobiel van den gevluchten Raffles
verwachtte.
De Groote Onbekende had daarenboven nog het voordeel, dat men volkomen
in het onzekere was aangaande het aantal zijner helpers, waarvan men
aannam, dat het evengoed één als een half dozijn kon bedragen.
Zooals hij wel vermoed had baarde zijn komst in de stad dan ook
volstrekt geen opzien, en hij behoefde slechts zijn passen te toonen,
om overal aanstonds te worden doorgelaten.
Nu en dan werd de auto een oogenblik aandachtig beschouwd—maar zij had
draadspaakwielen, haar kleur was vuurrood, zij beantwoordde dus in
geenendeele aan de beschrijving, welke de commissaris van politie uit
Genua telegrafisch naar alle grensplaatsen van Italië had gezonden.
Daarenboven behoefde de verschijning van de auto in Ventimiglia
volstrekt geen opzien te baren, want, zooals reeds werd gezegd, het
seizoen der touristen was reeds aangebroken en het wemelde van auto’s
van allerlei maaksel, voornamelijk Amerikaansche en Engelsche.
Van deze stad leidden wegen in verschillende richtingen en het
natuurlijk gevolg van de nabijheid van Mentone, Nizza, Monte Carlo en
andere steden aan de Riviera was, dat het op dien schoonen lentedag
letterlijk krioelde van luxe auto’s.
En zoo leverde het verlaten van de stad al evenmin moeilijkheden op,
want geen enkele politieautoriteit zou ook maar een seconde hebben
kunnen aannemen, dat de vluchteling de onbeschaamdheid zou hebben,
weder op zijn weg terug te keeren.
Maar de drie reizigers brachten toch een onaangename vijf minuten door,
toen zij, juist bij het verlaten van Ventimiglia de politieauto
tegenkwamen, die hen een paar uur geleden op den grooten weg
achtervolgd had.
Het bleek een groot voertuig te zijn en alleen een panne had haar
blijkbaar verhinderd sneller te rijden en althans op gelijken afstand
van de achtervolgde auto te blijven.
Want de drie mannen zagen aanstonds met het oog van een kenner, dat de
groote Lancia een wagen was van minstens tachtig paardekracht, die op
een gladden gelijken weg wel honderd kilometer per uur kon halen.
Er zaten zeven man in, waarvan vier in uniform en twee hunner hieven
tegelijkertijd de hand op, om de auto van den vreemdeling te doen
stoppen.
Het was gelukkig dat Raffles nog steeds aan het stuurwiel zat, want de
driftige Henderson zou hoogstwaarschijnlijk het bevel eenvoudig in den
wind hebben geslagen en zijn doorgereden.
Thans evenwel zat de reus met de armen over elkaar gekruist in de
deftige houding van een uitstekend gedrilden bediende, naast zijn
meester die den grooten wagen bestuurde.
Raffles bracht den wagen aanstonds tot staan, zonder dat er een spier
op zijn gelaat vertrok. Eenige mannen verlieten de politieauto en de
reizigers moesten opnieuw hun papieren toonen.
Ditmaal duurde het onderzoek een weinig langer en het was alsof de
politiebeambten slechts met tegenzin zich weder verwijderden van het
voertuig, waarom zij wel tien volle minuten hadden heengedraaid, als
een kat om de heete brij.
Zwijgend, met samengeknepen lippen, argwanend en toch niet in staat ook
maar het minste te kunnen inbrengen tegen het uiterlijk van de
reizigers, tegen de auto, of tegen de vertoonde papieren, die
voortreffelijk in orde bleken te zijn.
Raffles had zijn kalmte geen seconde verloren, maar Charly bekende
naderhand dat hij een benauwd kwartiertje had doorgebracht en Henderson
had de grootste moeite, zich te bedwingen om niet als een bom temidden
van de achterdochtig rondloopende politiemannen te vallen.
Maar Raffles scheen hem met een blik uit zijn staalharde grijze oogen
als het ware te biologeeren en de reus verroerde zich niet.
Eindelijk kon de automobiel haar weg vervolgen, nadat de commissaris
van politie, die in ellendig Engelsch met Raffles had gesproken, op
brommerigen toon en blijkbaar met tegenzin zijn verontschuldiging had
aangeboden.
Op het kalme gelaat van Raffles vertoonde zich slechts een vaag
glimlachje, toen hij den hefboom weder overhaalde, maar Henderson
barstte, zoodra de afstand groot genoeg was, uit in een van de
kernachtige Londensche vloeken, waarvan hij het geheim scheen te
bezitten en die hij toch maar zelden teneinde kon brengen, daar een
bestraffende blik van Raffles voldoende was, hem halverwege te doen
ophouden en de rest van zijn vloek als het ware in te slikken.
Van dat oogenblik af konden de drie mannen zich gerust als volkomen
veilig beschouwen, want het ergste was nu zeker achter den rug.
Eenige uren later reden zij, maar nu heel wat langzamer, Genua weer
binnen, en Raffles nam opnieuw zijn intrek in een van de weelderige
hotels, welke de stad bezit, en liet geen tijd verloren gaan, om
aanstonds zijn onderzoek naar Irwin Stanley opnieuw te beginnen.
Zijn laatste ontmoeting met den meester had plaats gehad in een
onderaardsche schuilplaats, door een toeval ontdekt en die een deel
scheen uit te maken van een ware ondergrondsche stad, zich uitstrekkend
in het inwendige van een der hooge heuvels, tegen welker helling Genua
is gebouwd.
Maar ook de politie had deze schuilplaats ontdekt en het was niet
waarschijnlijk te achten, dat Stanley zich daar opnieuw zou gaan
verbergen om daar zijn helsche plannen te smeden, geholpen door zijn
Italiaansche luitenants.
Toch gaf Raffles de hoop niet aanstonds gewonnen, en nog dienzelfden
avond, na zich goed te hebben vermomd, begon hij, door Charly
vergezeld, opnieuw zijn onderzoek.
Onvermoeid onderzochten de beide mannen de havenwijk, overal het oor
leenend, in de hoop, dat een onvoorzichtig uitgesproken woord, een
uitdrukking, een snel gewisselde blik hen iets zou verraden omtrent de
verblijfplaats van den gevaarlijken misdadiger, maar hun poging was
vruchteloos.
Laat in den nacht keerden zij terug, legden hun vermomming af, en voor
het eerst sedert langen tijd genoten zij daarop de weelde van een
ongestoorde nachtrust.
De drie volgende dagen, bijna onafgebroken doorgebracht in de
havenwijk, waar de misdaad het weligst tiert, leverden geen beter
resultaat op en in den vierden nacht vernamen zij eensklaps, zonder er
in het minst op verdacht te zijn, wat zij wilden weten, en toen wisten
zij ook, dat zij nu wel aanstonds Genua konden verlaten, daar hun
verblijf hier nutteloos was geworden. De meester was reeds drie dagen
tevoren naar Londen vertrokken en wel aan boord van een plezierjacht,
dat waarschijnlijk had toebehoord aan een van zijn vrienden, en waarop
hij zoogenaamd dienst had gedaan als stoker.
Raffles en Charly vernamen dit in een kleine dievenkroeg, die bijna
uitsluitend bezocht werd door het gevaarlijkste gespuis, toen zij naast
een drietal mannen gezeten waren, die fluisterend over den meester
spraken, maar toch niet zoo zacht of de beide mannen hadden hen kunnen
verstaan.
Een oogenblik hadden zij geloofd, dat het niets anders was dan een
valstrik om hen op een dwaalspoor te brengen, maar aanstonds kwamen zij
van deze meening terug. Als Stanley hen ook maar een oogenblik verdacht
had en hun vermomming had doorzien, hetgeen dan zou beteekenen dat hij
hun spoor voortdurend had weten te houden, dan zou hij immers geen
oogenblik geaarzeld hebben, de twee mannen hier onschadelijk te laten
maken, hier, in dit kleine, donkere wijnhuis, dat binnen zijn muren
reeds zoovele misdaden had zien volbrengen.
Er zou immers geen haan naar gekraaid hebben, als Irwin Stanley zijn
doodsvijand en diens trouwen vriend hier op deze plek had laten
vermoorden en de lichamen had laten werpen in een van die geheimzinnige
putten, die zich in vele oude Genueesche huizen bevinden, vooral in
deze buurt en die er grondeloos schijnen te zijn.
Neen, het was wel zeker. Zij wisten nu dat hun taak hier beëindigd was
en zij moesten het zichzelve toegeven, dat zij het spoor van den
meester voorloopig kwijt waren en niemand kon zeggen, waar en wanneer
zij het zouden hervinden.
Zwijgend aanvaardden de beide vrienden nu den terugtocht en pas, toen
zij op het punt stonden het hotel binnen te treden, zeide Raffles:
„Het blijkt nu, dat wij onzen tijd nuttiger hadden kunnen besteden,
maar niemand had dit kunnen voorzien. Ik dacht niet dat hij het zou
hebben gewaagd, reeds nu naar Londen terug te keeren.”
„Maar het is toch onmogelijk, Raffles, dat hij daar lang op vrije
voeten blijft,” zeide Charly zachtjes. „Dank zij jouw toedoen is zijn
signalement algemeen bekend, men weet dat Stanley inderdaad de meester
moet zijn. Hij zal zich nergens kunnen vertoonen, want men zou hem
aanstonds arresteeren.”
Maar Raffles schudde mistroostig het hoofd en hernam:
„Dat is in een stad van zeven millioen inwoners minder gemakkelijk, dan
het schijnt, Charly. Londen heeft tallooze geheimen, het is ontzaglijk
groot en men kan er zich gemakkelijker verborgen houden dan in de
Sahara. Irwin Stanley heeft ongetwijfeld vrienden in overvloed, die hem
een schuilplaats kunnen verleenen, zoolang het noodig mocht zijn. Al
was het een jaar of nog langer. Dan kan hij zijn uiterlijk voldoende
veranderen om de politie op een dwaalspoor te brengen. Kortom, die man
kan nog zeer veel kwaad brouwen, al is het dan ook in het verborgene.”
„Wij blijven nu zeker niet hier?”
„Morgen vertrekken wij naar Londen.”
En daarop stapten de beide vrienden het hotel binnen en begaven zich
ter ruste om reeds den volgenden morgen alles voor hun vertrek in
gereedheid te brengen.
De auto, welke Henderson naar Italië had gebracht, zou opnieuw gebruikt
worden en om elf uur in den ochtend nam de terugreis een aanvang. Thans
echter langs een bijna rechte lijn, over Turin, Genève, Lion, Reims,
Kamerrijk en Calais, een weg, die door de auto in twee dagen werd
afgelegd en dat was te lang, volgens Henderson, die nog volstrekt niet
kon begrijpen, waarom een auto langzamer moest loopen dan haar
maximumsnelheid.
Men bereikte Calais, eenige uren voor de kanaalboot zou vertrekken en
er was dus voldoende tijd een plaatsbewijs te laten nemen en de auto te
laten inladen.
De overtocht had zonder het minste incident plaats en om drie uur in
den middag reed de auto Londen weder binnen.
Raffles verkeerde in een tamelijk sombere bui en Charly was weinig
minder dan wanhopig. Al die moeite was vruchteloos geweest en opnieuw
zou de strijd tegen Stanley, den misdadiger, moeten worden aangebonden
onder heel wat moeilijker omstandigheden dan ooit tevoren, want niemand
kon thans zeggen waar de schurk zich ophield, wat zijn plannen waren en
welke de middelen waren, waarover hij de beschikking had.
Dat Stanley het zeker niet meer zou wagen, naar zijn eigen huis terug
te keeren, bleek Raffles nog dienzelfden dag, want toen hij des middags
door de Kappelstreet liep, stond het huis van den meester te koop
aangeslagen.
Raffles bleef een oogenblik verbaasd staan kijken naar het groote bord,
dat aan den gevel was aangeslagen, en mompelde toen:
„Dat is de onbeschaamdheid ten top gedreven. De schurk verkoopt zijn
huis als de eerste de beste brave burgerman, die genoeg heeft aan het
leven in de stad en op het platteland wil gaan wonen. Ik ben benieuwd,
wie deze zaak moet opknappen en hoe hij in het bezit zou komen van de
koopsom. Maar daar valt me iets in, ik kon het huis zelf wel eens
koopen, wanneer tenminste de prijs niet te hoog is.”
Toen Raffles des avonds dit plan aan Charly mededeelde, keek de jonge
man hem verwonderd aan en riep toen uit:
„Wat moet jij in hemelsnaam met het huis beginnen.”
„Ten eerste wil ik het zoo grondig mogelijk onderzoeken, want je weet
dat er zich veel geheimen bevinden, die voor mij misschien van veel
belang zijn en ten tweede is het misschien mogelijk, op deze wijze, als
ik mij als kooper presenteer, weder op het spoor te komen van Stanley.”
„Dat geloof ik haast niet. Hij zal natuurlijk een groot aantal
tusschenpersonen gebruiken, die voor hem handelen. Een gansche keten
van stroomannen, die je onmogelijk tot het einde zou kunnen volgen.”
„Wij kunnen het in ieder geval beproeven,” meende Raffles kortaf.
En reeds den volgenden dag begon hij zijn nasporingen onder een
aangenomen naam, die van graaf Grasham, en Charly bleek maar al te goed
te hebben gezien. Het huis bleek het eigendom te zijn van een
eerwaardigen grijsaard, een man van bijna tachtig jaar, die verzekerde
dat hij het in huur had gegeven aan een zekeren White, en reeds deze
White bleek onvindbaar te zijn.
Het was duidelijk, dat deze White of hoe de man dan inderdaad anders
mocht heeten, in relatie had gestaan met een vroegeren bewoner van dit
huis en dat de eigenaar die reeds meer dan half kindsch bleek te zijn,
volstrekt niet geweten had wie er eigenlijk in zijn huis gewoond had.
En bij een nader onderzoek bleek het eveneens, dat de tachtigjarige man
slechts zeer weinig eigendomsrechten kon laten gelden, daar het huis
zeer zwaar verhypothekeerd was en feitelijk reeds het eigendom was van
den zooeven genoemden White of iemand anders, maar wie dat was, kon
onmogelijk worden uitgezocht.
Maar dat was voor Raffles van minder belang. Hij kon nog zeer goed een
huis in Londen gebruiken en daarom aarzelde hij geen oogenblik, maar
kocht het en liet de koopsom, tachtig duizend pond sterling,
onmiddellijk aan den zaakgelastigde ter hand stellen.
Er werd nog dienzelfden avond een acte van overdracht opgemaakt en toen
kon Raffles zich de onbetwiste eigenaar rekenen van het groote,
geheimzinnige huis, waar sedert eenige maanden de meester van het
Genootschap van den Gouden Sleutel zijn tenten had opgeslagen.
Charly was maar half te spreken over deze transactie en mopperde, toen
Raffles hem mededeeling kwam doen van zijn aankoop:
„Wat moeten wij nu in ’s hemelsnaam met dat huis doen, Edward. Je kunt
toch geen tachtigduizend pond sterling uitgeven alleen om te voldoen
aan je nieuwsgierigheid betreffende de inrichting van het huis. Je
denkt het toch niet te verhuren?”
„Dat denk ik integendeel wel degelijk te doen,” antwoordde Raffles
bedaard. „Ik zie niet in, waarom ik ook niet een weinig als huisheer
zou fungeeren. Het huis kan met een weinig kosten zeer veel worden
verbeterd en ook hier is de woningnood zeer groot, dat men als het ware
zal vechten om in mijn huis te mogen wonen. Ik weet zeker, dat die
tachtig duizend pond geen weggegooid geld zal blijken te zijn. Zij
zullen hun rente ruimschoots opbrengen, reken daarop.”
„En neem eens aan, dat Stanley er achter komt, dat jij het was, die het
huis gekocht hebt?”
„Wel, ik ben overtuigd, dat hij minstens evenveel moeite zal hebben om
dat te ontdekken, dan wij hadden om er achter te komen, wie de
eigenlijke lastgever was, inzake den verkoop van het huis, en wie het
geld zal opstrijken, ofschoon ik er wel bijna zeker van ben, dat
Stanley zelf dat zal zijn. Overigens kan ik niet inzien, wat het hem
zou baten als hij te weten komt, dat het huis in handen over is gegaan
van graaf Grasham. Vandaar tot de ontdekking, dat graaf Grasham en John
Raffles een en dezelfde persoon zijn, is nog een heele stap, en
tenslotte, vindt hij ook dat uit, dan kan ik dat slechts toejuichen,
want op deze wijze lok ik den ellendeling wellicht opnieuw op mijn pad,
en dan mag hij zich voor mij in acht nemen, want ditmaal zal ik geen
mededoogen kennen.”
Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.
Het was alsof Stanley eensklaps van dezen aardbodem was weggevaagd.
En toch was zijn aanwezigheid in Londen, voor hem, die goed wist op te
merken, maar al te duidelijk, want het aantal zeer ernstige misdaden
nam weder toe en voor Raffles viel er geen oogenblik aan te twijfelen,
of zij gingen uit van een centrale organisatie, en de bedrijvers
gehoorzaamden zekerlijk aan het bevel van den meester, dat bleek niet
alleen aan de wijze, waarop de misdaden werden gepleegd maar ook uit
hun onderlinge gelijksoortigheid.
Een paar malen had er in de bladen een klein bericht gestaan
betreffende de ontvluchting van Stanley en toen leek het wel alsof de
politie alle hoop liet varen hem weder in handen te krijgen en zich
niet verder met de zaak wenschte in te laten.
Voor Raffles was deze staat van zaken ondragelijk, want ofschoon hij
persoonlijk als Lord Aberdeen niet het minste gevaar liep en iedere
mogelijkheid was uitgesloten dat de meester zijn lordschap zou aanzien
voor den lang gezochten Gentleman-Inbreker, zoo zou zijn leven toch
steeds gevaar loopen, zoolang zijn doodsvijand zich op vrije voeten
bevond, want allicht kon een toeval de beide mannen weder tegenover
elkander plaatsen en Raffles wist maar al te goed, hoe groot de macht
was van de organisatie waarover Stanley het bevel voerde.
Er verliep een week, die door Raffles uitsluitend besteed werd aan
ijverige nasporingen en tot tweemalen toe meende hij het spoor van
Stanley te hebben hervonden en tweemaal had hij zich daarin vergist...
En toen trad hij op een morgen, nadat hij bijna den geheelen nacht door
verschillende wijken van Londen had gezworven, de werkkamer van Charly
Brand binnen en zeide kortaf:
„Maak je reisvaardig Charly. Wij vertrekken vanmiddag.”
De jonge man, die verdiept was in de bestudeering van eenige zeer oude
jaargangen van de „Times”, wendde zich verrast naar Raffles en vroeg:
„Wij vertrekken? Waarheen?”
„Naar de Markiezeneilanden.”
HOOFDSTUK III.
OP WEG.
Een oogenblik bleef Charly Raffles verwonderd aanzien en toen herhaalde
hij langzaam:
„Naar de Markiezeneilanden?”
„Ja. En meer speciaal naar het Diamanteneiland.”
„Je wilt Eleonora Manoury bezoeken?”
„Ja. Begrijp je niet waarom?”
„Ik moet erkennen....”
„Zij moet me behulpzaam zijn bij het opsporen van Irwin Stanley, haar
voormaligen minnaar, den schurk, die haar geheele bestaan vernietigd
heeft, haar ziel bedorven, haar toekomst verwoest, zij haat hem erger
dan de pest, en zij zal geen seconde aarzelen, mij op de hoogte te
brengen van zijn gewoonten. Zij weet natuurlijk de namen van zijn
vertrouwde vrienden, bij wie hij een schuilplaats heeft kunnen vinden.
Zij kent ook die schuilplaatsen en als ik die eenmaal weet, dan wordt
het terrein van mijn onderzoekingen zeer aanzienlijk beperkt.”
Charly Brand had zwijgend toegeluisterd en geen oog afgewend van het
gelaat van Raffles, dat strak en ernstig stond.
Toen stond hij op, klapte het zware boek dicht en zeide eenvoudig:
„Ik ben tot je dienst. Hoe zullen wij reizen?”
„Wij zullen de vliegmachine gebruiken. Wees zoo goed, Henderson eens
hier te roepen.”
Charly trad op de huistelefoon toe en stelde zich in verbinding met de
garage, die zich in den tuin bevond, zich uitstrekkend achter het huis
in de Regentstreet, hetwelk Raffles sedert geruimen tijd onder den naam
Lord William Aberdeen bewoonde.
Hij sprak eenige woorden in het toestel, hing het weer op en wendde
zich glimlachend tot Raffles met de woorden:
„Wat denk je dat hij doet?”
„Natuurlijk een auto schoonmaken,” antwoordde Raffles. „Ik geloof dat
die goede reus geen andere bezigheid ter wereld zoo aangenaam vindt,
als een ketting smeren, een klepveer opschuren, of een nieuwe
zuigerveer inzetten. Ja, ik ben overtuigd dat hij volkomen gelukkig zou
zijn op een onbewoond eiland, mits men hem slechts een Engelschen
sleutel, een stuk staal en een paar vellen schuurpapier meegaf.”
„Denk je hem mede te nemen?”
„Ja, het is een vermoeiende reis en het is beter dat we elkander aan
het stuurwiel afwisselen.”
Een oogenblik later trad Henderson het vertrek binnen, nog bezig met
het dichtknoopen van zijn livrei.
Hij bleef op den drempel staan en vroeg:
„Mylord beveelt?”
„Ik wilde je even zeggen, dat wij vanmiddag op reis gaan, Henderson,”
antwoordde Raffles.
„Goed, Mylord. Met de auto?”
„Neen, Henderson, met mijn vliegmachine, met „Den duivel der lucht”.”
„Goed Mylord. Waarheen gaan we?”
„Naar de Markiezeneilanden.”
„Goed Mylord,” hernam Henderson zonder de minste aarzeling en zonder
een spoor van verbazing te toonen.
Hij had slechts een vaag besef waar men ter wereld ergens deze eilanden
moest zoeken en hij wist alleen, dat het zeer ver moest zijn, maar dit
boezemde hem eigenlijk bitter weinig belang in.
Men zeide hem, dat zijn diensten verlangd werden om ergens heen te gaan
en dat was ruimschoots voldoende, de rest was bijzaak.
Raffles keek hem even glimlachend aan en vervolgde toen:
„Weet je waar de Markiezeneilanden liggen, Henderson?”
„Ergens in den Stillen Oceaan, naar ik meen, Mylord.”
„Zoo is het. Je schijnt je niet goed voor te kunnen stellen, hoever het
wel is, vriend James.”
„Is het verder dan Amerika, Mylord?” vroeg Henderson nieuwsgierig.
„Heel wat verder, Henderson,” antwoordde Charly lachend.
„Ja Henderson, mijnheer Brand heeft gelijk. Wij moeten eerst den
Atlantischen Oceaan over steken, vliegen dan over een groot gedeelte
van Zuid-Amerika en volgen dan de evennachtslijn, totdat wij ongeveer
acht graden zuiderbreedte en ongeveer veertig graden westerlengte de
Markiezen of Marquesas bereikt hebben.”
Henderson krabde zich achter het oor en keek nu toch een weinig
verbijsterd.
„Dat is heel wat kilometers, Mylord.”
„Bijna veertien duizend, Henderson,” antwoordde Raffles met een effen
gezicht. „Wij zullen over Para vliegen, een haven op de oostkust van
Brazilië, en dit verlengt den afstand een weinig, maar dat heeft niet
veel te beteekenen.”
Het geweldige cijfer scheen wel eenigen indruk op den reus te maken,
want hij keek beteuterd voor zich heen, waarop Charly hem op den
schouder klopte en hernam:
„Wij zullen je eenig denkbeeld geven van dien afstand, Henderson. Van
Londen naar Para is juist vijf duizend kilometer, dat is hetzelfde
alsof wij van Londen naar Moskou en terug zouden vliegen. Van Para tot
aan de Markiezeneilanden is tachtig graden van den equator. Een
equatoriale graad is honderd elf kilometer en nog een kleinigheid. De
geheele afstand van Para tot aan ons einddoel is dus omstreeks acht
duizend negen honderd vier kilometer. Tel daarbij de vijf duizend
kilometer van Londen naar Para en je komt op het totaal van dertien
duizend negen honderd vier kilometer.”
Henderson staarde Charly verbluft aan en riep:
„Dat is een heel reisje, mijnheer Brand.”
„Ja, Henderson, en dat zal ik je duidelijk maken. Weet je hoeveel de
omtrek van onze aarde is?”
„Mijnheer Brand, ik— — —” stotterde de chauffeur. „Ik heb het nog nooit
zoo precies becijferd. Zegt u het mij maar.”
„De omtrek van onze aarde, langs de evennachtslijn gemeten, bedraagt
vier en vijftig honderd geografische mijlen, dat is veertig duizend
acht en zestig kilometer. Als wij dus van hier naar de
Markiezeneilanden gaan, dan leggen we iets meer dan een derde deel van
den omtrek der aarde af.”
Henderson keek Raffles zwijgend en vragend aan alsof hij van hem een
bevestiging verwachtte van deze verbazingwekkende mededeeling.
Raffles knikte glimlachend en zeide:
„Mijnheer Brand rekent je het daar zeer nauwkeurig voor, Henderson, zoo
is het inderdaad.”
„Als u het zegt, dan moet ik het gelooven,” barstte Henderson uit. „En
hoelang doen wij over dat reisje?”
„Als alles goed gaat, Henderson, kunnen wij den tocht in zeven en
twintig uren volbrengen.”
Secondenlang bleef het stil in het vertrek na deze woorden, die wel een
grap leken te zijn en toch sprak Raffles niets anders dan de waarheid.
Eenige jaren geleden had zijn geniale brein een vliegmachine
uitgedacht, niet door benzine in beweging gebracht, maar door
electriciteit en met dit vliegtuig had de Groote Onbekende reeds
herhaalde reizen gemaakt met een snelheid die de vijfhonderd kilometer
per uur onder gunstige omstandigheden soms overschreed.
Uiterlijk week dit toestel niet veel af van de moderne eendekkers,
behalve dan, dat het bijna uitsluitend uit aluminium was vervaardigd,
maar het geheim van de beweegkracht had Raffles tot dusverre uitmuntend
weten te bewaren, daar de electrische machine geheel omsloten was door
een metalen kap, welks geheime sluiting alleen door de drie mannen
geopend kon worden, die hier thans in dit vertrek bijeen waren.
Het was ten tijde, waarop dit avontuur voor Raffles zich afspeelde,
niet lang geleden bekend geworden, dat de stoutmoedige Fransche
aviatuur Sadi Lecointe met zijn door benzine gedreven vliegmachine een
snelheid had weten te bereiken van ruim drie honderd acht kilometer in
het uur, maar dit slechts gedurende zeer korten tijd en hoe bleef deze
waarlijk buitensporige snelheid ten achter bij die van den duivel der
lucht, het wonderwerk van John Raffles.
Henderson was die eerste die weder sprak en er lag eerbied en iets als
vrees in zijn stem, toen hij aarzelend sprak:
„Dit wil dus zeggen, Mylord, als ik mij tenminste niet vergis, dat wij
met onze vliegmachine in nog iets minder dan drie en een half etmaal
den geheelen aardbodem zouden kunnen omvliegen.”
„En wel langs haar grootsten omvang, Henderson,” antwoordde Raffles
bedaard.
„Zoo is het mijn vriend, maar laat je dit niet al te zeer verbazen.
Over een tiental jaren en misschien nog wel eerder zullen deze
snelheden gemeengoed zijn geworden en ik ben vast overtuigd, dat dit
moet bijdragen tot de verbroedering van de menschheid, waarnaar wij
zooveel tientallen eeuwen lang vruchteloos met andere middelen hebben
gestreefd.”
„Maar Mylord, dan—dan is onze geheele aarde niet veel meer dan een
kersepit,” riep Henderson opgewonden.
„Minder Henderson. Een beetje minder,” antwoordde Raffles ernstig. „Een
zandkorrel, een onnoozel stofje in de oneindigheid.”
Weer bleef het even stil en toen hernam de Gentleman-Inbreker:
„Wij vertrekken dus vanmiddag, Henderson, en ik verwacht, dat alles in
orde is.”
„Wat mij betreft, Mylord, zouden we binnen een uur kunnen opstijgen,”
hernam Henderson. „De vliegmachine staat in volmaakte orde in uw
particuliere loods van het vliegveld van Hendon. Nog gisteren heb ik
alles zorgvuldig nagezien. De machine is uitmuntend in orde. De
accumulatoren zijn geladen en als het moest zouden wij er veertien
dagen mee in de lucht kunnen blijven.”
„Goed zoo, Henderson. Dan behoeft er dus alleen nog maar gezorgd te
worden voor proviand, dekens, onze tent, wapens, verrekijkers,
ammunitie en andere benoodigdheden, waarvan mijnheer Brand een volledig
lijstje heeft. Ik reken er op, dat wij om drie uur kunnen vertrekken.”
„Alles zal in orde zijn, Mylord,” hernam Henderson eenvoudig.
En hij draaide zich op zijn hielen om en vertrok, niet meer aangedaan
of opgewonden dan wanneer Raffles hem zou hebben verzocht hem over een
uur met de auto naar Piccadilly-circus te rijden.
Wat Charly Brand betreft, hij haalde dadelijk het lijstje te
voorschijn, keurig met de schrijfmachine opgesteld, waarop tot in de
minste bijzonderheden alles vermeld stond, wat de reizigers konden
noodig hebben bij een reis naar de tropen en die een zoo goed als
geheel onbewoond eiland tot einddoel had.
Het lijstje bevatte een honderdtal nummers, van vetlederen laarzen tot
kaarsen, van ontplofbare geweerkogels voor de jacht op grof wild, tot
schoenveters.
Binnen een uur was deze voorraad bijeen gebracht en met de uiterste
zorg verpakt in twee langwerpige koffers van aluminium met afgeronde
hoeken en die zoo vervaardigd waren, dat zij nauwkeurig pasten in wat
men zou kunnen noemen het ruim van het kleine vliegtuig dat hen moest
overbrengen.
Het gewicht van al deze benoodigdheden was op een paar ons na bekend,
en Raffles wist dan ook steeds zeer nauwkeurig welk gewicht hij nog aan
andere zaken, passagiers of goederen kon meenemen.
Wat de proviand betreft, zij bestond voor een deel uit geconserveerde,
voor het andere deel uit versche levensmiddelen, want het was een der
wonderen van den „Duivel der lucht”, dat men aan boord zeer gemakkelijk
door middel van electriciteit allerlei smakelijke dingen kon koken,
bakken of braden, zonder het minste gevaar voor brand.