We zouden de 350 kilometer graag in twaalf uren afleggen met rust

voor het déjeûner. Op die wijze zouden we wel vermoeid, maar vóór

den nacht in Resjt aankomen. Maar er kwamen allerlei tegenspoeden

door mankementen aan onzen wagen, en het was al half vier, toen we

in Kaswyn arriveerden. Wij waren moe en hongerig, en het duurde nog

anderhalf uur, eer we wat te eten en een samovar kregen.

Op het oogenblik dat we zouden vertrekken, werd de lucht verduisterd

door een opkomend onweer en wolken stof; maar het liep met een korte

bui af en in het bergland, waar we reden, was het prachtig weêr. Onze

lampen werden in den avond aangestoken; het was tien uur, toen we te

Mendjil waren en drie uur in den nacht, toen Resjt was bereikt. Ik

geloof, dat we nog nooit op de geheele reis zoo vermoeid waren geweest

als toen. Spreken konden we haast niet meer.

Aan het consulaat zouden we slapen, maar de muggen lieten ons geen

rust.

Den 10den Juni namen we van Perzië afscheid en lagen voor anker te

Lenkoran aan de Kaspische Zee. Georges Bibesco en ik namen een bad

in het lauwe water van den grooten plas. We stapten in Bakoe aan wal

en namen den trein naar Tiflis, zonder ons meer op te houden.

In het hôtel de Londres vonden wij Leonida, die sinds twee dagen terug

is van zijn reis in zijn automobiel. Hij heeft gevaarlijke avonturen

beleefd. Over Tabris en Zendjan is hij gereisd, soms zonder dat er

een weg was. De brief van den gouverneur baande dikwijls voor hem

een doorgang, als de kozakken bezwaren maakten om hem door te laten.

Maar de meer dan slechte wegen noodzaakten hem eindelijk naar Tabris

terug te gaan en over Delyan en Akstafa te reizen, waar hij den trein

naar Tiflis nam. Den 12den Juni waren we samen op het perron te Tiflis,

klaar om in den trein naar Batoem te stappen. Wij zeiden Tiflis zonder

leedwezen vaarwel, waar men van niets anders hoort dan van troebelen

en politieke moorden.

De trein was vol; groote beweging aan het station. Toen wij een praatje

maakten vóór onzen waggon met kolonel Tamamsjef, die ons uitgeleide

deed, voelde ik mij aan mijn overjas trekken. Ik keerde mij om en zag

een man naast mij geknield. De mantel, dien hij droeg, getuigde niet

van grooten nood, en zijn muts was niet erg versleten. Voor ik iets

kon zeggen, vatte hij mijn hand en kuste die tweemaal; ik voelde zijn

lippen en walgde van afkeer en ging haastig op zij. Waarom verlaagt

die man zich zoo? Ik zou hem willen slaan; maar de man verroert zich

niet en blijft met opgeheven handen liggen. Ik zocht naar geld in

mijn zakken en gaf hem enkele zilverstukken; toen vatte hij een slip

van mijn jas en kuste die weer.

Ik kan niet zeggen, hoe dat tooneel mij tegenstond. Als ik er nog

aan denk, kan ik er van griezelen en ik zou liever willen, dat de

man mij dreigend om geld had gevraagd.

Te Batoem waren wij slechts vervuld van de gedachte, karrevoerders

te krijgen voor het vervoer van onze koffers, kisten met voorwerpen

van waarde uit Perzië en onze valiezen van het station naar de

haven. Gelukkig waren de kruiers niet in staking en om elf uur waren

we aan boord van de _Circassie_ van de Paketpostmaatschappij.

Wij vonden er een fransch ontbijt, een kapitein die Marseillaan was,

veiligheid, rust en de moedertaal!

Op geen tien meter van ons verwijderd, aan den wal, was het terrein

der stakers, der kozakkenpatrouilles, der onheilspellende gezichten

van opstandelingen, die aan de kaden rondliepen. Welk een veilig

gevoel aan boord te wezen!

Het was donker weer, en al gauw begon het te regenen, zoodat de bergen

aan ons oog werden onttrokken. Het regent in de bergachtige omgeving

van Batoem zoowat driehonderd dagen per jaar; er valt jaarlijks 2.60

meter water, dat is meer dan drie maal zooveel als te Parijs.

Tegen zes uur lichtten we het anker. De zee was kalm.

Met onze boot deden we de havens aan van de zuidkust der Zwarte Zee,

een ideale reis, waarop we ons geheel herstelden van de vermoeienissen

der perzische reis te midden van het meest afwisselend decor, dat

voor onze oogen voorbijging. De boot voer alleen des nachts, en als

de dag aanbrak, waren we weer in een andere haven.

Wij sliepen tien uren op de bedden van de boot, smalle bedden wel

is waar, maar dan toch bedden, en als ik wakker werd, zag ik de

mooie heuvels naar de zee glooiend, met hun sierlijke villa's in het

weelderigste groen, met hier en daar ook een spitse minaret en hooge

muren van oude interessante ruïnen.

In Trebizonde gingen we aan land, om nog eens een kijkje in Azië te

nemen. Het is een rijke, drukke stad. De bazars zijn niet overdekt,

en wij doolden rond in den doolhof van straatjes, waar ijverige

werkers, op hun hurken gezeten, leder bewerken en hout of kostbare

metalen. Trebizonde roept het verleden in herinnering. Xenophon

rustte er uit met zijn Tienduizenden; de stad maakte deel uit van het

Byzantijnsche Rijk en de Grieken bouwden er kerken, die nog in wezen

zijn. Toen kwamen de Turken onder Mohammed II en bouwden moskeeën,

waar wij tot onze groote verbazing vrij mochten binnentreden.

Wij deden nog allerlei aardige stadjes aan, en namen er noten en

eieren en andere waren in, die de kapitein moest vervoeren, tot we

eindelijk, voldaan over onze reis, in de mooiste stad ter wereld,

Konstantinopel, aankwamen.

AANTEEKENINGEN

[1] De Franschen gebruiken dus ook het woord carter voor gearcase,

zooals Henri Meijer in de _Kampioen_ opgeeft en welk woord bestrijding

vond bij Henri Polak. (Vert.)

[2] In den winter van 1905 op 1906 heeft hij met zijn beide zoons

een bezoek aan Frankrijk gebracht.

Per auto door den Kaukasus naar Perzië De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 6 / 6 段