Aimé, die ons zou wekken, sliep. Een van ons, die nog al conscientieus

was, keek op zijn horloge. Hij kan de oogen haast niet opendoen. Het

is vier uur. We moeten opstaan. Toen denkt hij, dat een oogenblik

langer of korter niets aan den aard van den dag, die volgen gaat,

verandert en denkt aan de dames, die misschien slapen en nog meer

dan hijzelf behoefte zullen hebben aan rust.

Hij voelt zich verteederd over haar ongelukkig lot, over haar

dapperheid, en onder die verteedering door gaat de wijzer van het

horloge zijn gang, en zie, het is vijf uur.

Op dat oogenblik wordt Aimé, die in een of ander hoekje op een matje

sliep, wakker, rekt zich uit, gaat overeind zitten en staat weldra op

zijn slappe beenen. Hij behoeft niet veel toilet te maken en komt ons

wekken in de verschillende kamers, en ieder van ons zegt tot zichzelf,

dat hij of zij het vlugst met aankleeden is en wel een kwartier aan

die, en een kwartier aan die andere mag gunnen--en blijft in het bed.

Zoo wordt de vertraging grooter; het pakken op de diligence duurt lang;

het water kookt nog niet voor de thee....

Om acht uur gaan we van Kasjan weg, waar we slechts den puntigen koepel

der moskee zien en vervallen straten. Het rijtuig van den gouverneur

brengt ons een eind heen, en eerst bij het begin der woestijn stappen

we weer in de diligence.

Het is nu alles fijn, rood zand zonder steenen over licht golvend

terrein. De wielen van het rijtuig zakken vijftien centimeter in

den grond, en nu en dan moeten we door de droge bedding van een zeer

breede rivier. De ongelukkige paarden doen wat ze kunnen, maar houden

op oogenblikken uitgeput stil.

Toen stapten wij in de brandende zon uit en duwden de wielen, maar

we kwamen op die manier verschrikkelijk langzaam voort. Om tien uur

waren we nog geen zes kilometer van Kasjan, en de eerste rustplaats

is nog twintig kilometer ver.

Op dat oogenblik raakte de diligence positief vast in het zand, en de

paarden weigerden te trekken. Wij moeten wachten tot ze zijn uitgerust.

Wij bekijken de plek des ongeluks.

We zijn midden in de woestijn; loodrecht valt de zon op ons, en de

weerkaatsing op het zand is gruwelijk.

Links zijn lage duinen; rechts doet zich een uitkijk voor op een

bekoorlijke oase. Groene boomen wiegelen door een koeltje heen en

weer. Daar er boomen zijn, moet er water in de buurt wezen. Wij sterven

van dorst, en twee van ons maken de paarden van voor het rijtuig los

en rijden naar de oase, die geen kilometer ver lijkt. Maar ze zijn

nog geen vijf minuten weg, of daar zijn ze al terug, want het is

overal zand en het groen is een illusie geweest, een luchtspiegeling.

De vermoeidheid overmant ons. Een van ons slaapt onder de diligence. De

anderen stappen uit en voelen het zand, dat zoo heet is dat men het

niet in de hand kan houden. Wij moeten vlak bij onzen wagen blijven.

Toen zonden we Aimé te paard uit, om versche paarden uit Kasjan te

halen, want de onze kunnen niet meer.

Hij komt niet terug. Twee uren lang wachtten we onbewegelijk in dit

warmste deel der woestijn op het midden van den dag, als geen Pers

zich buiten waagt.

Rondom alles zand en bedriegelijke fata morgana's. Geen zuchtje

wind. Onbewegelijk bakken wij onder het dakje van de diligence.

Daar komt om twaalf uur Aimé terug met drie paarden en een tweeden

koetsier.

Met groote moeite krijgen ze nu de diligence in beweging; maar we

komen slechts stapvoets vooruit. Twee uren hebben we noodig, om de

eerste halt te halen.

Vreeselijk was die vierde dag, onuitsprekelijk van ellende. In den

avond reden we maar sukkelend voort van negen tot één uur bij prachtig

sterrenlicht. Aimé beloofde nachtrust in de volgende sjapar khané. Op

steenen gezeten in het licht van de opkomende maan, aten we harde

eieren, biscuits en zetten thee, in afwachting dat de paarden uitgerust

zijn. Onze leden waren verstijfd door zooveel uren in de diligence.

Nu, bij het begin van den vijfden dag, hebben wij, naar het schijnt,

het middel om niet te laat op weg te gaan, dat is heelemaal niet te

gaan slapen.

Wij legden dekens op de banken van de coupé, dat de dames konden liggen

en daarop rolden we verder over het ongelijke zand. We waren doodop,

maar hadden nu ten minste geen last van de warmte en vorderden op

den weg naar Ispahan.

In het achtercompartiment van den wagen veranderden wij elke vijf

minuten van houding, leunend tegen elkaar en strekten afwisselend

onze beenen op elkaars knieën uit. Aan slapen viel natuurlijk niet

te denken.

We zullen in de halt de schade inhalen.

De minuten gingen langzaam voorbij. Tegen vijven kwam de

dageraad. Venus schitterde als een brillant in het Oosten; de andere

sterren verbleekten.

Nu zijn we aan de wisselplaats. Wij springen uit den wagen, om uit te

rusten en eindelijk te slapen! O, wanhoop! Er is slechts een stal en

geen kamer, niet de minste schuilplaats zoo groot als een scheepshut,

geen boom zelfs om ons tegen de zon te beschermen!

Minuten van ellende en van kwaadheid; maar wat hielp het?

Er was weer een heldere beek voor een bad, en geitemelk werd voor

ons gemelkt van kleine, zwarte geiten, die van de bergen kwamen.

Tegen zeven uur ging het verder. In 24 uur hebben we nu die vervloekte

diligence bijna niet verlaten.

We gaan het bergland in.

De paarden trekken wat ze kunnen; onze weg stijgt met steile

hellingen. Twee-, driemaal reeds hebben we moeten uitstappen en de

wielen duwen, en nu weigeren de paarden ons verder te brengen. Gisteren

vast in het zand, vandaag in de bergen. Wij zullen alle emoties moeten

hebben van een reis in Perzië per diligence.

Weer zenden we Aimé met een der paarden naar de volgende halt op een

uur afstands. Dus even rust.

De zon stijgt en het begint al heet te worden.

We worden er nu stil onder. Wanneer zullen we Ispahan zien?

De versche paarden. Het zijn kwade beesten, die schoppen in plaats

van te trekken. Wij hebben een koetsier op den bok en een ander vóór

de paarden, die niet vooruit willen. Toen gingen de koetsiers duwen.

Van het imposante landschap zagen we op deze wijze niets. En het

was toch iets heel bijzonders, het leek een maanlandschap met die

lavabergen en die reeksen van uitgedoofde kraters, langs welker

hellingen gele zwavel te zien was, tusschen rotswanden van alle tinten

tusschen bruin en geel. Verlaten was het alles, dor en steenachtig,

een doode wereld, versteend in haar doodsstrijd.

Bij de eerste sjapar khané konden we nog in de open lucht ontbijten,

maar den verderen dag was weer de hitte ondragelijk en om de honderd

kilometers tusschen ons en Ispahan vlugger af te leggen, besloten

we maar weer des nachts te reizen. Maar om drie uur in den morgen

gingen we toch maar schuilen in de ellendige herberg en sliepen tot

acht uur. Als we niet wisten, dat Ispahan niet ver meer was, bleven

we hier, want we kunnen haast niet verder.

Het was nu alles vlakte en zand. Eindelijk tegen één uur ontdekten

we aan den horizon een lijn van boomen.

"Ispahan!" roept Aimé van den bok.

Ispahan! Wij naderen langzaam; nu kunnen we al tusschen de boomen

koepels onderscheiden van de moskeeën, een blauwe aan den linkerkant

is hooger dan de andere; het is de koninklijke moskee.

Bij de laatste wisselplaats wacht ons een coupé met vier paarden,

waaruit een Pers in een deftige, zwarte jas stapt. Hij stelt ons

een brief ter hand van Zijne Hoogheid Zil es Sultan, den broeder van

den Shah en gouverneur van Ispahan, die ons gastvrijheid aanbood in

een van zijn paleizen en ons zijn rijtuigen aan de poort der stad

tegemoet zendt.

Wij nemen de rijtuigen aan en danken voor de paleizen, want we worden

verwacht aan het russische consulaat.

We gaan weer op weg. Nu rijden we langs velden met witte papavers,

die een koelen gordel om Ispahan leggen; irrigatiekanalen kruisen

ieder oogenblik den weg.

Wij zien er bleek en afgemat uit. We wekken onszelven echter op in

de oude diligence, want onze energie is nog onverflauwd, en we zijn

niet ver van Ispahan.

Daar zijn de poorten der stad. Een generaal en honderd kozakken in het

rood wachten ons en escorteeren twee landauers in groot gala, geheel

van glas. De carroezar of burgemeester is er, om ons te ontvangen.

Wij gevoelen, dat onze oude wagen veel beter in overeenstemming

is met ons uiterlijk dan de koetsen van Zil es Sultan. Zes dagen

in de woestijn hebben hun sporen achtergelaten op onze gezichten

en onze kleêren. Wij hadden aan een bescheiden inkomst in Ispahan

stellig de voorkeur gegeven; maar de koetsen zijn er, en wij moeten

instappen. De roode kozakken rijden voor ons uit en zoo gaat het door

straten en bazars.

De menigte verdrong zich op onzen weg. Zij kreeg door wolken stof,

die het geleide te paard opwierp Europeanen te zien, die ongekapt en

ontredderd waren; maar wij zagen er toch triomfantelijk uit, want we

waren in Ispahan.

We gingen in het russische consulaat binnen, een paleis zonder

vensters, waarvan de vier gebouwen een tuin vol dichte boomen en rozen

insluiten. Blonde, stevige kozakken stonden er omheen geschaard met

opgeheven sabel. De zaakgelastigde, de heer Tsjirkine, kwam ons met

bloemen in de hand tegemoet.

Wij zijn zeer stoffig, maar vol waardigheid.

We komen in een salon, waar tafels zijn en tapijten, een divan,

fauteuils en stoelen. Onze laatste halt was een soort van kalkoven,

en wij weten nu wat comfort beteekent.

Stoelen lijken een groote triomf der beschaving, en we kijken ze met

bewondering en verteedering aan.

Bedienden brachten ons geparfumeerde thee, kleine schijfjes citroen en

ijs! In onze kamers vonden wij waschtafels, water, keurig ingerichte

badgelegenheden met kranen van warm en koud water!

We zijn nog gebeukt door de planken van de diligence en hebben in

drie dagen niet meer dan zes uren geslapen. En nu strekken we ons,

gewasschen en gekleed, onder de boomen van den tuin uit in den geur van

alle rozen van Ispahan, die op onze komst schijnen te hebben gewacht.

Wij hebben het Paradijs gevonden.

Het regende in den avond, een heerlijke frischheid onder de oude

platanen. Al vroeg gingen we naar bed op onze getrouwe veldbedden,

want het consulaat heeft geen bedden over. In het Oosten begrijpt

men overal dat woord van Jezus: "Neem uw beddeke op en wandel."

Wat is het goed geweest, dat wij onze bedden hebben meegenomen!

Wij veroorloofden ons den volgenden dag allerlei weelde, en weelde

bestaat nu voor ons in nietsdoen. In plaats van de stad te bekijken,

blijven we in den mooien tuin onder de schaduw der platanen, wier

stammen oprijzen uit boschjes van roode rozen.

Wij zijn nog verwezen van de zesdaagsche vermoeienis, en we zouden

altijd zoo willen blijven liggen in den geur der rozen en tot onszelven

zeggen: "Ik ben in Ispahan."

Des morgens is Ispahan nog koeler en heerlijker dan Teheran, het ligt

dan ook op de hoogte van Sanct-Moritz.

Geen geluid van de ons omringende stad dringt tot ons door. Alleen

honden loopen door de struiken, er gaan perzische bedienden voorbij,

en de oude bewaker van den hammam gooit af en toe wat hout op het vuur.

Er zijn in dezen tuin van rechte lanen en jonge boomen een oneindige

verscheidenheid van rozen, zwarte en purperen, witte en rose, de

meeste al op het punt de bladeren te laten vallen. Binnen acht dagen

zal er van de rozenglorie niet veel meer over wezen.

Aimé waardeert zeer de gastvrijheid, die ons wordt aangeboden. Hij zegt

's morgens tot mij: "Ik heb thee gedronken, en ik heb wijn gehad;

ik heb van alles gegeten en ze hebben mij ijs gegeven, en toen ben

ik onder de tafel gaan liggen slapen."

De kleeding van Aimé, die nooit veel om zijn toilet gaf, heeft iets om

zich voor te geneeren in dezen mooien tuin van het consulaat. Aimé

draagt de perzische lange jas, die al vol gaten was toen we

vertrokken. De zware reis heeft er niet veel van overgelaten. Een

mouw is half verdwenen en de boord aan den hals is er af. De katoenen

broek is vol gaten en de twee gele dingen, die hij aan de voeten had

en die in veel vroeger tijd schoenen waren geweest, maakte hij met

touwen vast; een teen stak brutaal door het leer heen, en de zolen

gaapten geducht. Nu is een der laarzen in de woestijn gebleven; hij

loopt nu mank met een blooten voet. Hij lijkt wel wat op een bedelaar,

die de waakzaamheid van den portier heeft verschalkt en stil in het

consulaat is binnengedrongen.

Het is vernederend voor ons, door zulk een bediende ons te laten

vertegenwoordigen. Wij zenden hem dus naar den bazar, om zich een jas

en een broek en een nieuw buisje te koopen met een paar witte schoenen,

zooals in Ispahan worden gemaakt, en waar hij al acht dagen over

praat als over het toppunt van élégance in zake perzisch schoeisel.

Aimé komt met een groot pak terug en met een lange rekening. Den

volgenden dag ontmoet ik hem in zijn oude kleeren; ik stuur hem weg,

om zich aan te kleeden; hij verdwijnt en wij krijgen hem den heelen

dag niet weer te zien. Den dag daarop en de volgende dagen dezelfde

historie. Hij wil zich niet in de nieuwe kleeren steken, en wij worden

maar steeds vernederd in onzen bediende.

"Zeg, jij, wil je mij wel eens zeggen", vroeg ik hem op den dag van

ons vertrek, "waarom jij hebt geweigerd, de kleêren te dragen, die

wij voor je hebben gekocht?"

"Och, Meneer", zei hij met zijn slepende stem, "waarvoor zou ik ze

aantrekken? Ik ken hier niemand. Ik bewaar ze voor Teheran, waar

ieder weet wie ik ben."

Wij gingen plechtig onze opwachting maken bij Zil es Sultan, de

Schaduw van den Souverein, die voor onzen luisterrijken intocht in

Ispahan heeft gezorgd.

Hij is de oudste broeder van den Shah, maar daar hij niet de zoon

was van een wettige vrouw, mocht hij zijn vader niet opvolgen. Dat

is jammer voor Perzië, want hij is een zeer verstandig man met veel

energie. Hij is voorstander van den engelschen invloed, en hij vindt

de Engelschen veel minder gevaarlijk voor Perzië dan de Russen. Hij

is geabonneerd op de _Times_ en op de _Temps_ en laat zich beide

voorvertalen door zijn zoons, die een franschen gouverneur hebben

gehad en ontwikkelde, flinke, aardige jongens zijn.

Wij werden in het zomerpaleis ontvangen. Men komt er door een van die

echt perzische tuinen met jonge, dichtopeenstaande boomen, rechte

lanen, vijvers met irissen aan den kant, die ons zoo aantrekkelijk

voorkomen. De russische zaakgelastigde stelt ons voor en daar zitten

we in een kring in een perzisch salon, een lang en smal vertrek, met

aan beide kanten de ramen open. Het is op zijn Europeesch gemeubeld.

De jonge prinsen Bahram Mirza en Akhbar Mirza spelen voor tolk, en

toen de officiëele complimenten zijn gewisseld, neemt het gesprek een

vrijen en belangwekkenden gang. Zil es Sultan, die nooit uit Perzië

is geweest [2], is goed op de hoogte van de europeesche politiek. Hij

weet, hoeveel milliarden wij aan Rusland hebben geleend en vertelt

ons anecdoten over onze staatslieden. Hij spreekt over den fameusen

heer Combes. Zou men het gelooven? De roem van den heer Combes is

wel universeel.

Maar het is heel natuurlijk, dat de perzische staatslui zich voor

Combes' politiek interesseeren, want de eenige macht, die zich tegen

de in naam absolute macht van den Shah verzet, is die der priesters,

der mollahs, en Zil es Sultan, die in termen vol lof over Frankrijk

sprak, zeide, dat Perzië een minister als Combes noodig had, om de

mollahs tot rede te brengen.

Wij gebruikten thee, ijs en koffie en gingen in de galakoetsen heen.

Wij bezochten ook de Medresseh, de oude theologische school,

waar nu een drukbezocht park is. Er zijn weinig mooier parken. Wij

wandelden op de terrassen der gebouwen en zagen de oude kamers van

leeraren en leerlingen. Alles was nu onbewoond. Er werden in den

tuin ververschingen aangeboden, en eerst was het er zeer vol met een

menigte, die alleen uit mannen bestond. Ze drongen in den aanvang om

ons heen, want niet alleen zijn wij vreemdelingen en christenen, maar

ook hadden wij vrouwen bij ons, die haar jonge gezichten ongesluierd

laten zien. De kozakken van het consulaat duwen zonder geweld de

nieuwsgierigen terug, en deze hervatten langzaam hun gebabbel aan

den oever van de waterplassen en hun rustig rooken, door slokjes

thee of koffie afgebroken, en wij wandelen verder ongestoord onder

de eeuwenoude platanen.

Des morgens kwamen de dellals weer, om ons een en ander te verkoopen,

als te Teheran, en in den namiddag gingen we rijden en brachten

bezoeken aan paleizen, als dat van de Veertig Zuilen en dat van

Ali Kapoe.

Op een avond zouden we bij Zil es Sultan dineeren. Uit den aard der

zaak was ons toilet gebrekkig. Wij hadden in het eenige valies, dat

ieder van ons gegund was, slechts plaats voor het linnengoed en een

extra paar laarzen. De vernuftige Aimé had in persoon blouses voor

de dames gewasschen en gestreken en met de roode rozen was dat geheel

in orde. Twee van ons hadden zwarte jacquets, welk een weelde!

Een ander, minder gelukkig, heeft geen ander overhemd dan een

nachthemd, gelukkig van zijde. Hij knoopt onder den kraag van zijn hemd

een groote lavallière, die uitgespreid wordt over een khaki vest, om

met haar zwart er deftigheid aan bij te zetten. Op het vest volgt een

grijze, vermoeide broek, die rust op tennisschoenen met gaten. Ik had

een korte broek aan en kousen van de soort alsof ik op een bergtocht

moest, maar ik heb een overhemd en onberispelijke boord en manchetten.

Wij défileeren voor de gardes van het paleis en leggen in onze

démarche al de waardigheid, die aan onze kleeding ontbreekt. Ik zal

nooit vergeten de voor een hof geschikte révérences van de dames

in de korte reisjaponnen en evenmin den prachtigen turkoois, dien

onze gastheer op de borst droeg. Die steen was intens donkerblauw,

groot als een kippenei en was gevat in een kring van diamanten.

Tijdens het diner speelde een orkest onder de boomen van den tuin

melancholieke melodieën. Zij pasten bij onze stemming, want den

volgenden dag zou het echtpaar Phérékyde ons verlaten. Hij moet op

een bepaalden datum in Roemenië zijn en hij is voorzichtig, wetend

wat de reis door de woestijn beteekent. Er is den 11den Juni een boot

te Enzeli, en die hoopt hij te nemen. Daarom moeten ze weg.

Wat ons betreft, wij zouden liefst geen plannen maken; wij hebben

te veel moeite gehad om Ispahan te bereiken en zouden er in het

oneindige willen blijven. Het denkbeeld van de terugreis vervult ons

met schrik. Desniettemin zullen wij de stad der rozen moeten verlaten

en we bepalen ons vertrek op Vrijdag 3 Juni in den namiddag. Georges

Bibesco heeft naar Keller getelegrafeerd, om de Mercédes naar Koem

te brengen. Zoo vermijden wij de laatste etappe van 150 kilometer,

die wij in 25 lijdensuren per diligence hebben afgelegd.

De landauer, die de Phérékydes besteld hadden, zou er om drie uur

zijn. Hij is er niet.

Om vijf uur komt hij eindelijk en men begint de bagage op te

laden. Phérékyde onderzocht de wielen en ontdekt, dat een der wielen

onrustbarend wiegelt en dan ook al gauw van de as afloopt. Tegen

zeven uur was eerst alles klaar, en de vrienden vertrokken op een

nieuwe woestijnreis.

Om acht uur gingen wij aan tafel. Wij spraken over de afwezigen. Waar

zijn ze? Welke avonturen zullen ze beleven? Wij zien ze in onze

verbeelding gebeukt op de slechte wegen. Kwartier vóór negen, toen

wij juist ons maal eindigden, ging de deur van de eetzaal open,

en op den drempel verschenen onze beide reizigers.

Zij zijn een uur bezig geweest, om de poort te bereiken door den

smallen, vollen bazar en toen ze er waren, raakte weer een wiel

los. Toen bestegen ze de afgespannen paarden en gingen naar ons terug.

Phérékyde is ongerust, dat hij de boot niet op tijd zal bereiken te

Enzeli. De heer Tsjirkine stuurt een boodschap naar de post, waar ze

voor den volgenden morgen om vijf uur een rijtuig beloven. En wij

gingen toen nog charades opvoeren met enkele wederwaardigheden van

onze reis in Perzië.

Op Vrijdag 3 Juni sloeg voor ons het uur van vertrek. De angst om

Ispahan te verlaten was groot. We zagen er tegen op als tegen een

berg. Nu zouden we weer verliezen wat met zooveel moeite was veroverd,

de kalme uren van de morgens onder de platanen en tusschen de rozen

van het consulaat, de stilte en rust op den middag, als de zon op

het felst brandt, de avondwandelingen in de verlaten tuinen, waar

paleizen slapen, die nooit ontwaken zullen op de roepstem van een

prinses, de tochten door interessante ruïnen en de schoonheid der

heldere sterrennachten.

Ispahan verlaten is weer terugvinden de vermoeienis van de reis, den

zwaren trek door de woestijn, de drukkende warmte, het niet ophoudende

stof, de onvoldoende maaltijden in de weinige schaduw van een enkelen

boom, de nachten zonder slaap in stallen met muizen, de verveling

aan de wisselplaatsen, de twisten met de koetsiers. Dat alles zal

zich herhalen zonder het opwekkend vooruitzicht van het onbekende.

Toch moeten wij gaan. De laatste aankoopen zijn gedaan. Meubelmakers

pakken voor ons in.

Om vier uur zijn de vier landauers voor. Wij zullen ons daarin

installeeren. Er zijn echte bedden in aangebracht. De heer Tsjirkine,

die ons zoo goed ontvangen heeft, doet ons uitgeleide te paard met

alle kozakken van het consulaat tot buiten de poorten; de vice-consul

van Engeland voegt zich bij hem met acht prachtige hindoesche ruiters,

de lansiers van Bengalen.

Voor de laatste maal gaan wij door de drukke bazars en de stille

straten van Ispahan. Op een paar kilometer afstands van de stad neemt

ons escorte afscheid van ons. Boven de boomen zien we nog heel lang

den grooten koepel van de groote moskee.

En in den langzamen draf van onze paarden over het zand verwijderen

we ons van Ispahan, dat we nooit zullen terugzien en wenden ons naar

het Noorden, naar Teheran, naar Europa.

Dag en nacht gaat het nu voort door de woestijn en de bergen, bijna

zonder ons op te houden. Overdag zijn onze landauers gesloten en bij

nacht geopend. Wij blijven liggen op onze gemakkelijke matrassen en

stappen alleen uit aan de halten, waarbij een paar uur worden verloren,

want nu zijn bakhtiaarsche prinsen ons voor en nemen de paarden weg.

Wij hoorden aan een wisselplaats, dat onze vrienden Phérékyde een

ongeluk hebben gehad, en dat midden in de woestijn een wiel van

hun rijtuig gebroken is. Zij hebben op den middag zes kilometer

te voet moeten afleggen door het zand, om een sjapar khané te

bereiken. Zes-en-dertig uren hebben ze er moeten wachten, tot het rad

hersteld was in het stadje Natanz, dat 30 kilometer verder lag. Ze

zijn ons dus nauwelijks één dag voor.

Te Kasjan, waar we lang op paarden moesten wachten, hielden

we een siesta op onze veldbedden, maar ze werd verstoord door

muskieten. Eindelijk was Koem bereikt, waar Keller en de Mercédes ons

wachtten. Er was nog nooit een automobiel in Koem geweest. Om drie uur

lieten we ons dan ook voor ons vertrek photografeeren aan den oever

der rivier met als achtergrond, o heiligschennis, de heilige moskee!

Wij lieten Aimé met de bagage in Koem; hij zal 24 uur na ons in

Teheran komen, en wij gaan op weg.

Hoe zal ik een denkbeeld geven van het genot, daar voort te vliegen

met een snelheid van veertig kilometer in het uur in een uitmuntende

automobiel op veêrende kussens! In zijn blijdschap over de herwonnen

snelheid leidt Georges Bibesco ons in vliegende vaart over alle

oneffenheden, die ons in het heengaan zoo hebben geradbraakt. Als

het zoo voortgaat, zijn we nog dezen avond in Teheran en kunnen we,

met het oponthoud erbij gerekend, in vijf uur de honderd-vijftig

kilometer verslinden, die ons van de hoofdstad scheiden.

Werkelijk deden we er vijf en een half uur over, terwijl we er in

het heengaan 25 uren lijdens voor hadden doorgestaan.

Wij hadden drukke dagen met vaarwel zeggen, in Teheran, van de vrienden

die we er hadden gemaakt, en met het per post expediëeren van onze

bagage, die ons te Enzeli zal bereiken, zoodat de beide dagen omvlogen.

Wij troffen er ook de Phérékydes, die ons hun avonturen vertelden en

toen onmiddellijk in hun landauwer naar Resjt gingen.

Wij gingen naar Goelah-ek, waar de russische legatie in den zomer is

en naar Sjimran, waar de engelsche zaakgelastigde in den warmsten

tijd verblijf houdt. Dat zijn aan den voet der bergen heerlijke

parken met veel water en frisch groen, waar zelfs in de hondsdagen

een verrukkelijke temperatuur heerscht.

Op Donderdag 8 Juni waren we weer per auto op weg naar Resjt en de

Kaspische Zee.

Het kostte veel moeite, om voor dezen laatsten tocht in genoegzame

hoeveelheid benzine te krijgen, en eindelijk slaagden we er in, het

voêr voor de auto te erlangen tegen een prijs, die overeenkwam met

drie francs de liter.

Per auto door den Kaukasus naar Perzië De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 5 / 6 段