wetten en besluiten, die op het oogenblik behandeld worden, γεγραμμένα
van zoodanige, die vroeger vastgesteld zijn, en nu als bewijs voor of
tegen worden aangehaald. Verder ziet ὁρῶσι natuurlijk op de
geschrevene, ἀκούουσι op de hangende wetten en besluiten.
[268] πράττειν kan verklaard worden, gelijk onze Hollandsche
uitdrukking: om te doen, terwijl dan σπουδαὶ enz. subjecten zijn van
προσίσταται, dat in singulari gezet wordt, omdat die subjecten, van
verschillend geslacht en levenlooze dingen zijnde, als neutra beschouwd
worden.
[269] Dat is: hij wendt geene verachting der wereldsche dingen voor, om
daardoor den schijn aan te nemen, als ware hij boven het gewone peil
der menschelijkheid verheven.
[270] οὐρανοῦ τε ὕπερ. Woordelijk: wat boven den hemel is, namelijk de
spheer der vaste sterren. Men kan echter welligt οὐρανοῦ ook van het
uitgelatene τάτε laten afhangen en ὕπερ meer als bijwoord beschouwen.
[271] καὶ πᾶσαν—ὅλου. Woordelijk: en overal elke natuur onderzoekend
van ieder geheel der bestaande dingen. ὅλου zal hier wel het genus
beteekenen, zoodat dan deze woorden aldus moeten uitgelegd worden, dat
de ziel van alle geslachten van bestaande dingen het algemeene
onderzoekt, zonder zich tot de individu’s af te laten.
[272] ὅπερ ἀρχόμευος ἔλεγον. Men merke het gebruik der deelwoorden en
bijvoegelijke naamwoorden in het Grieksch op, daar in die taal deze
woorden veelvuldig gebezigd worden, waar wij bijwoorden of voorzetsels
met hunnen naamval (hetgeen op hetzelfde neêrkomt) bezigen.
[273] ἀπειρία beteekent bepaaldelijk: gebrek aan oefening. Zoo zegt
Aristoteles: „De ἐμπειρία ontstaat bij de menschen uit de herinnering.
Want vele herinneringen aan dezelfde zaak brengen eene ἐμπειρία tot
stand,” enz. Metaph. I. 1., waar herinnering, bekwaamheid door
oefening, theoretische kennis, als de drie trappen der ontwikkeling van
den geest worden opgegeven.
[274] Bij de oneindige processen te Athene was het van veel belang,
zooveel mogelijk kwaad van anderen te weten, om, zoo men beschuldigd
werd, den aanklager zijne gebreken te kunnen verwijten, en daardoor
zijne aanklagt te ontzenuwen.
[275] ληρώδης is eigenlijk iemand, die vol grillen is.
[276] γῆς δὲ ὅταν κ. τ. λ. Men ziet hier het voordeel der declinatie,
waardoor de ouden veel beter dan wij in staat waren, de woorden zoo te
rangschikken, dat het hoofddenkbeeld op den voorgrond kwam. Natuurlijk
staat hier γῆς (in den genitivus partitivus) scherp tegenover ἅπασαν
τὴν γῆν.
[277] Dit moet hier ingevoegd worden, hoewel het in het Grieksch niet
noodig is, daar de bovenaangestipte vrijheid der Grieksche taal Plato
hier in staat stelde, met den genitivus, die van ἔπαινον afhangt, te
beginnen, hetgeen voor ons onmogelijk is.
[278] ἀπαιδευσία is eigenlijk: gebrek aan opvoeding, doch hier wordt
niet zoo zeer dat gebrek zelf, maar de onwetenheid, die daaruit volgt,
bedoeld.
[279] Hier begaat Plato eene fout, die zeer gewoon is. Volgens de
gewone berekening heeft het menschelijk geslacht ongeveer 6000 jaar op
aarde gewoond. Een geslacht wordt gerekend op 30 jaar. Dit geeft 200
geslachten. Al geeft men nu toe, dat de berekening van de tegenwoordige
oudheid des menschdoms zeer gebrekkig is, zoo is het toch
alleronwaarschijnlijkst, dat de fout dier berekening groot genoeg is,
om reeds in Plato’s tijd zulk eene groote menigte voorouders aan iemand
te kunnen toeschrijven.
[280] Woordelijk: van het: wat beleedig ik u, of gij mij? Met deze
woorden worden de klagten over onregt als werkelijk plaats hebbende
geschilderd.
[281] De koninklijke magt werd toen ter tijde als het hoogste toppunt
van aardsche zaligheid geschilderd. Deze rigting openbaarde zich reeds
bij Euripides, hetgeen hem door Plato verweten werd. Zie Rep. VIII.
cap. XVIII.
[282] φύσις, natura, natuur lijden allen aan de dubbelzinnigheid, dat
zij dan eens de natuur in het algemeen, dan eens de wezenheid van een
bepaald wezen beteekenen.
[283] ἀνεμέσητος is eigenlijk hij, die niets van de straf der
goddelijke geregtigheid te vreezen heeft.
[284] Hier heeft Plato zich door de tegenstelling tusschen kwaad en
goed laten verleiden, om het kwaad noodzakelijk voor het bestaan van
het goed te noemen; eene dwaling, die hij trouwens niet voor de laatste
maal verkondigd heeft. Plato zelf echter was reeds op den weg om ze te
verbeteren, daar hij beweerde, dat het kwaad niet in de Godheid kan
gegrond zijn, hetgeen hij niet kan volhouden, zoo hij de Godheid goed
noemt, en het goede zonder het kwade niet denken kan. Indien kwaad de
positive tegenstelling van goed is, dan vorderen zij elkander, maar zoo
kwaad slechts een ontkennend begrip is, dan laat het zich begrijpen,
hoe men het bij eindige wezens onvermijdelijk kan noemen, en het toch
aan de Godheid ontzeggen. Zie Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 46
(1).
[285] Namelijk: van het aardsche naar het goddelijke.
[286] Namelijk: daarin, dat men zijn heil zoekt in het eeuwige,
onveranderlijke, goddelijke, en zich van het aardsche losmaakt; waarvan
het gevolg is, dat de aardsche rampen ons minder treffen. Want waar uw
schat is, daar zal ook uw hart zijn.
[287] ἀλλὰ γάρ. ἀλλὰ begint eenen zin, die dadelijk weêr wordt
afgebroken, om met γὰρ en hetgeen daarop volgt, de reden van hetgeen
daarin zou gezegd worden te geven, terwijl die afgebroken zin bij τὸ δὲ
ἀληθὲς weder wordt opgevat.
[288] περὶ τούτου. Τούτου ziet geenszins op God, maar op het zooveel
mogelijk regtvaardig worden.
[289] Woordelijk: ten opzigte van dit, is de ware voortreffelijkheid,
nietswaardigheid, en onmannelijkheid van een man. De Grieken, vooral de
Atheners, hielden de vrouwen buiten alle beschaving en spraken daarom
steeds van mannen alleen, waar wij van menschen in het algemeen
spreken. Ik heb echter gemeend hier mensch te mogen vertalen, zoo omdat
de zaak zelve medebrengt, dat hier even zoo zeer aan vrouwen als aan
mannen moet gedacht worden, als om de bekende uitspraak van Plato, dat
de vrouwen van natuur voor dezelfde ontwikkeling vatbaar zijn als de
mannen, en dat, zoo zij van vele dingen zijn uitgesloten, zulks alleen
aan de verkeerde opvoeding te wijten is. Zie Rep. V. cap. IV–VI.
Wanneer dus Plato van mannen spreekt, waar hij van menschen moest
spreken, schikt hij zich naar het gewone spraakgebruik.
[290] Plato hield zich overtuigd, dat de oorzaak van het zedelijk kwaad
onkunde is, daar niemand wetens en willens zijn waarachtig belang zal
verwaarloozen. Aristoteles daarentegen hield kennis wel zeer noodig
voor een deugdzaam leven, maar niet voldoende; daar er volgens hem nog
oefening moet bijkomen.
[291] Zoo men de schijnbare voordeelen der misdaad daarvan kon
wegnemen, zouden de misdadigers hun ware belang inzien en zich beteren.
[292] Eigenlijk: in den staat, hetgeen voor de Atheners, die in eene
democratie leefden, waar elk zich met politiek bemoeide, hetzelfde
beteekende, als wanneer wij van de maatschappij spreken.
[293] Terwijl velen door den tegenspoed der vromen in hun geloof aan
een wijs en magtig wereldbestuur zijn aan het wankelen gebragt, meende
Plato en later de Stoïcijnen in dien tegenspoed een bewijs te zien, dat
de ware belooning der deugd niet buiten, maar in de deugd moet gezocht
worden, en dat de uiterlijke omstandigheden weinig of geen invloed
hebben op het waarachtig levensgeluk.
[294] ἐν τῷ ὄντι. Woordelijk: in het zijnde, maar daar Plato de wereld
der ideën, of de denkbeeldige wereld, voor het ware zijnde hield, heb
ik gemeend dit woord aldus te mogen vertalen. Zie mijne vertaling van
den Phædo, blz. 53–57.
[295] ἐὰν δὲ. Hierin ligt de aanduiding, dat er wat nieuws komt,
sterker dan het voorgaande.
[296] De denkbeeldige wereld, waar de reine zielen wonen en zich
verheugen in het aanschouwen der eeuwige ideën. Zie mijne vertaling van
den Phædo, blz. 141–157.
[297] Woordelijk: maar dat zij dáár steeds de met hen overeenstemmende
gelijkheid van levenswijs zullen hebben.
[298] Hiermede wil Socrates niet te kennen geven, dat het andere naar
zijn inzien niet zeker was, maar alleen, dat zij het nog eerder konden
ontkennen dan dit. Zie Luc. V. 23., waar niet bedoeld wordt, dat het
eene zooveel moeijelijker dan het andere was om uit te spreken, maar
dat de ééne uitspraak vrij wat beter dan de andere aan de uitkomst kon
getoetst worden, en dus met vrij wat meer gevaar voor beschaming
gepaard ging.
[299] ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat
inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard
overwogen wordt.
[300] ἔφαμεν, eigenlijk: zeiden, maar zeggen is het gevolg van
oordeelen.
[301] Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.
[302] D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch
dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan
veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan
worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons
onverschillig.
[303] τοῦτο namelijk ὠφέλιμον. ὃ is de eerste en ὠφέλιμον de tweede
accusativus van ὀνομάζῃ.
[304] ἔστι δέ που καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het
enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het
geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe
gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort,
wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staat
καὶ hier geheel voor niet, terwijl het bij τὸ ὠφέλιμον zeer goed
geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het
toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten
heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, dat καὶ in onzen tekst
uit καὶ bij τὸ ὠφέλιμον ontstaan is, en meen in plaats daarvan τὰ te
moeten lezen. τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον beteekent dan de dingen, die
op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.
[305] Dit toevoegsel was noodig om Ἀλλὰ te verklaren, daar het allezins
vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen,
met maar begint.
[306] Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging
van Protagoras opgesloten. Door consequent op zijne leer door te
redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral
dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te
leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te
bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te
doen plaats hebben. Dus was Protagoras óf zeer inconsequent, óf hij was
een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij
zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een
wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks, maar wordt alleen in
dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch
volgens Protagoras de beste wigchelaar niet beter over iemands
toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven.
Dat echter Plato niet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te
hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den
Phædo.
[307] καὶ πᾶς ἂν ὁμολογοῖ. Eigenlijk: en ieder zou toestemmen,
namelijk, zoo het hem gevraagd werd.
[308] τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier
in het meervoud, omdat in τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, zooals uit ἑκάστῳ
blijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt
opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschen τὸ en
παρὸν ἀεί moet ingevoegd worden.
[309] Daar ἀληθεῖς duidelijk op αἰσθήσεις ziet, heb ik gemeend dit
woord in de vertaling terstond met het voorzetsel van te moeten
verbinden. Dat dit bij Plato geen plaats heeft, kan ik, met welke
grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een
gebrek in zijnen stijl beschouwen.
[310] D. i.: niets goeds.
[311] Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht
wordt.
[312] Zie Hoofdst. VIII. op het einde.
[313] πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u
zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als
uwe vraag op zijn best is uitgesproken.
[314] Het is zeer karakteristiek, dat juist Theodorus, die althans in
naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige oordeel moest
vellen. Hiermede wil Plato te kennen geven, dat het oordeel van een
wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.
[315] Socrates was beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid
als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets
vorderen.
[316] παραλαβόντας hoort niet bij αὐτοὺς, maar is het subject van den
infinitivus ἐπισκοπεῖσθαι.
[317] Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen,
of Plato schertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het
eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude
dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke
geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat
hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.
[318] Wij zouden zeggen: jan en alle man.
[319] Zie over deze plaats van Parmenides, Karsten, Philosophorum
veterum reliquiæ, III. p. 105.
[320] Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt van Plato,
dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en
Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te
stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter
nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich
boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10,
11.
[321] Het is juist gezien van Plato, dat hij hier eene vergelijking
bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit
Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen)
gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.
[322] Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woorden ποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ
πάντα κινεῖσθαι zijn te zamen het subject van het werkwoord δοκεῖ.
[323] De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht van Aristoteles
getrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele
plaatsen vrij uitvoerig. In het Ve boek, cap. 3, stelt hij drie soorten
van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der
hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering,
verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie
soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de
gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling
voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de
cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene
bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve
onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont,
zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn,
waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des
heelals bewezen is.
[324] Hier staat in de handschriften περιφοράν, cirkelbeweging, maar
Heindorf heeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts
een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voor
περιφοράν liever φοράν moet gelezen worden.
[325] Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere
stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen
geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is,
geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt
algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan,
alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg door
Plato wordt aangetoond.
[326] πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk: volgens alle beweging, maar alle
beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik
gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.
[327] Hoofdst. XII.
[328] Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voor Plato’s
tijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hier
Socrates zelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit
waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het
woord ποιότης toen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.
(2).
[329] Woordelijk: hoor het dan bij stukken.
[330] τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der
gevoelde dingen, maar van het ontstaan der gevoelde dingen gesproken.
De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet als gevoelde dingen.
[331] ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰ is het object
van ἀποτίκτοντα. Het lidwoord voor ἀποτίκτοντα zal weggelaten zijn, om
eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar
dadelijk nog τὰ μὲν—τὰ δὲ volgt.
[332] Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond van Theodorus,
die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die
uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.
[333] οὗ ἕνεκα. Eigenlijk waarom, doch daar het doel des gespreks
meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des
gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend, waarover te mogen
vertalen.
[334] Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan
zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus
mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te
bestempelen.
[335] Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in
beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk
niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik
gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt
worden.
[336] Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is
dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert,
ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en
alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.
[337] Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is
daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer van
Protagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde,
weshalve ook in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook
kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.
[338] Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten:
kennis is gevoel.
[339] αὐτοὺς. Ik heb hier vroeger ἄττα willen lezen, hetgeen dezen zin
zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan
echter αὐτοὺς behouden, en het op de voorstanders van de leer der
beweging laten zien, of αὑτοὺς lezen, wanneer het beteekenen zou: om
ons zelven niet tot stilstand te nopen. Over αὑτοὺς bij den eersten
persoon, zie Buttmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.
[340] Ik heb δέ hier door want vertaald, zonder daarom te beweren, dat
δὲ ooit want kan beteekenen. De woorden: δεῖ δὲ—λέγειν geven de
tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom
geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche
uitdrukking wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het
aanduiden der tegenstelling vergenoegt.
[341] Zie hoofdst. XXI.
[342] Zie hoofdst. XXVII op het einde. Hoewel Socrates zelf hier
weigert de Eleaten te bestrijden, heeft Plato het daar aangeduide in
den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit,
volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen,
dat hij hun standpunt niet door Socrates, maar door eenen Eleatischen
vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden, dat hunne
leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn
oordeel op den regten weg waren.
[343] Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de
bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een
leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne
stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te
roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne
doet.
[344] Hier wordt de Parmenides reeds voorbereid, waarin dit gesprek
wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt,
dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschen Socrates en
Parmenides. Plato heeft in dat werk zijnen eerbied voor Parmenides doen
blijken, door Socrates zelven, hoewel als een knaap, door Parmenides te
laten weêrleggen.
[345] Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den
zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.
[346] ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetsel
ὑπὸ wordt achter ἄσκεπτον γένηται geplaatst, daar de zin dezer woorden
is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor
dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking
dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt.
Overigens wordt ἐπεισκωμάζω eigenlijk gezegd van eenen troep beschonken
jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.
[347] πειρᾶσθαι hangt nog af van δεῖ δὲ. Bij οὐδέτερα kan men
gevoegelijk ποιεῖν verstaan, tenzij men δεῖ als gedeeltelijk
persoonlijk wil opvatten, en οὐδέτερα als deszelfs subject beschouwen.
[348] ἔστι δὲ ὅτε beteekent hetzelfde als ons somtijds. De uitdrukking
heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt
zij te beteekenen: maar er zijn gevallen, wanneer.
[349] ἐπιλαβέσθαι beteekent eigenlijk aanpakken, hetgeen ook wij in het
dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.
[350] ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier, ᾧ en δι’ οὗ van elkander
onderscheiden worden, beteekent ᾧ datgene, wat naauwer verbonden is met
den handelenden, terwijl δι’ οὗ een van hem onderscheiden werktuig
beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne
oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zou ᾧ van de oogen,
δι’ οὗ van den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde
onderscheid voor, dat Socrates in den Phaedo maakt tusschen de
beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die
handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.
[351] Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de
Grieksche helden zaten, die Troje hebben ingenomen. Dezelfde
vergelijking bezigt Cicero in eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat,
gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school van
Isocrates slechts groote redenaars opleverde. Zie Cic., de Orat. II. c.
22.
[352] Namelijk de zinnen.
[353] τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινι en τῷ αὐτῷ hoort bij elkander, en
drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit
geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen
wordt onderzocht.
[354] ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, dat Plato zich
hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij
hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, dat βέλτιον
op den geheelen zin ziet, van σὲ λέγειν tot πολυπραγμονεῖν, en dat het
andere lid, dat met dezen zin door middel van βέλτιον vergeleken wordt,
geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan
het volslagen tegendeel van den zin, waar βέλτιον vóórstaat. Overigens
is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode
van Socrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat
hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de
eigenschap der Socratische μαιευτική, dat de leermeester zich niet op
den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt.
Zie blz. 29 volgg.
[355] Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke
in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als
gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke
waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat
buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.
[356] Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan
allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam
geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve
vroegen?
[357] τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in
de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en
heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren
gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk
onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn
eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn
uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der
wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn
deugt niet, want het werd in den tijd van Augustus zoo niet gesproken!”
Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn
schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten van Augustus niet
konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij
gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne
moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de
studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt:
„het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in
de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en
daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de
verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van
dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben
de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen,
daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred
moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden
uitgedrukt.
[358] Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de
kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:
Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de
voorwerpen van den anderen niet waar.
Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der
verschillende zinnen uitdrukken.
Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander
scherp onderscheidene zinnen.
Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen
onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wij ziel
noemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wij Plato aanvullen) niet
ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen,
wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens
hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen
worden.
[359] Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor
de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden,
dat zelfs de wijze Solon de schoonheid uitdrukkelijk onder de
bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. Zie Herod. I. Cap. 32.
[360] Socrates is hier beter over Theaetetus tevreden dan ik, want
juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat
bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene
begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming
telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat
zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens
afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van
algemeenheid bekomen. Plato heeft echter in den Phaedo eene andere
opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat
wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar
zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie
mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.
Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.
[361] Stallbaum heeft zeer juist aangemerkt, dat οὐσία in dit hoofdstuk
dan eens wezenheid en dan eens zijn beteekent.
[362] Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden: καὶ τούτων μοι
δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇ τὰ
γεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.
[363] Theaetetus laat zich door de in hem opkomende denkbeelden
medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. Hoewel
Plato deze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest van
Theaetetus te schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene
diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het
verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene
verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk
uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor
het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de
eenheid van zijn bewustzijn omvat.
[364] De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten,
is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij
krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk
niets te kennen geven; doch het bewijs, door Plato geleverd, namelijk,
dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener
zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene
begrip: wezenheid niet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de
vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit
afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat
is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen
wordt bekend gemaakt. Plato had moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel
de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen
bekend maken.
[365] Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.
[366] Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit
echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het
practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende,
begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek
altijd onbevredigende uitkomsten.
[367] Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier
meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo
verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling
vordert.
[368] ἐξαλείψας, eigenlijk: uitgewischt hebbende. Het is eene
zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes,
waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde
van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les: saepe stilum
vertas, (Hor. Sat. I 10. 72.) dat is: vlak dikwijls het geschrevene
uit, [om het te verbeteren].
[369] De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden,
en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het
vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even
waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats
echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de
valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo
mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche
meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den
naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen
elkander in het harnas joeg.
[370] Plato heeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen
was. Het werkwoord Θράττει doet verwachten, dat achter γεγονέναι zal
komen ὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maar Plato heeft in plaats van ὅτι met den
indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. Zie Buttm., Gr.
Gr. § 144. Verder heb ik ἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλον vertaald
door: in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons
zelven denken en tot anderen spreken.
[371] Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder
toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in
onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.
[372] Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet
alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.
[373] Hier volgen eenige zoogenaamde ἀπορίαι (zwarigheden), die dienen
moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende
begrippen te weeg te brengen. Aristoteles zegt in het eerste hoofdstuk
van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is
voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed
door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch
is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet
oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden
toont, waar dezelve zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der
zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het
eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt
heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware
beide partijen te hooren.
[374] Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten,
en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of
kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die
slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een
onoplosbaar raadsel.
[375] ἔστι heeft hier de kracht van ἔξεστι.
[376] ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis van ἁπλοῦς is éénvoudig. Waar nu
meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar
slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en
noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis van zonder
uitzondering waar doet geboren worden.
[377] ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing: ὃ λέγετε, omdat hier
niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas
gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier
wordt voorgesteld als het woord tot Socrates en Theaetetus rigtend.
[378] Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet
zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld,
als boven: kennen en niet kennen.
[379] Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de
Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging,
of op Gorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende: Over
de natuur of het niet zijnde.
[380] Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het
subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets,
dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp,
hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve
gevonden wordt. Later echter heeft Plato dit verbeterd, waaruit ik meen
te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut
waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.
[381] Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de
vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het
bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op
aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. Zie
Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 612.
[382] Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde
eene verwisseling van begrippen. Ἀλλοδοξία is eigenlijk het meenen van
wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der
meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.
[383] Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in
plaats van schoon, leelijk meent.
[384] Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van
sommige sophisten, die, gelijk in den Euthydemus door Plato naar het
leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in
de war bragten. Theaetetus toch had niets misdreven, want hij meende
niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die
meening valsch kon genoemd worden.
[385] Ἔστιν kan op twee wijzen verklaard worden: óf door het met
ἔξεστιν gelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula,
tusschen het hier in de gedachte herhaalde ψευδῆ δοξάζειν, en het
begrip, dat uitgedrukt wordt door de woorden ἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel
ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de
andere zich zeer goed laat verdedigen.
[386] ἕτερόν τι ziet op het volgende ἕτερον, daar twee van elkander
verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.
[387] Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander
tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.
[388] Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft
gij dezelfde bepaling van het denken als ik?
[389] Woordelijk: als het niet wetende. Socrates houdt zich hier, zoo
als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij
zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier
voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der
zaak niet uitdrukt.
[390] οὐ φάσκουσα beteekent zoo veel als ons: neen zeggende, dat is
ontkennende.
[391] Ik heb hier de woorden: de slotsom van ingevoegd, want als denken
een inwendig gesprek is, dan is de meening, die door dat gesprek tot
stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde
wordt trouwens door het Grieksche εἰρημένον aangeduid, want het
perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het
gevolg is eener verledene handeling.
[392] τὸ πάντων κεφάλαιον beteekent hier niet het voornaamste van
allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die
op hen allen toepasselijk is.
[393] τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene
beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus
heeft. Zie Buttm., Gr. Gr. § 137. 5.
[394] Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats,
zooals bij Plato meer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan
geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn
en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel: alle vogels zijn
dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd: alle
dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene
goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar
toepasselijk is.
[395] ἐατέον δὲ καὶ σοὶ τὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben
veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed
verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid in Plato’s
uitdrukking, daar hij τὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm
is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval
mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde
denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn. τὸ ῥῆμα
beteekent dan hier de uitdrukking ψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder
noodig voor, δὲ in δὴ te veranderen, daar hier geene tegenstelling
tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij
deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waar δὲ in de beteekenis
van δὴ gebruikt wordt.
[396] Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon
vindt, enz.
[397] Namelijk het koesteren van valsche meening.
[398] De constructie is: αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων
ὁμολογεῖν οἷα λέγω [περὶ τουτοῦ] ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.
[399] Socrates had aangetoond, tot welke dwaasheden Protagoras kwam,
door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat
hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid
van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.
[400] Stallbaum ziet hier te regt nabootsing van Sophocles Aj. v. 1142,
sqq.
[401] μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, door μὴ of οὐ te zetten,
kan aanduiden of de ontkenning bij deed of bij kennen hoort. Ook het
Latijnsche ignorare zou hier zeer te pas komen.
[402] μεταστρέφοντα hoort niet bij λόγον, maar bij τινὰ, dat hier in de
gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hier μεταστρέφοντας
verwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen
lezen; maar het is niet noodig, daar μεταστρέφοντα zeer wel op het
onbepaalde subject van den infinitivus βασανίζειν kan te huis gebragt
worden. Zie Matth., Ausf. Gr. Gr. § 556. Anm. 3.
[403] Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hier Plato’s
gevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt.
Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden: stel dan nu
eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene
zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles
volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid
der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen
niet bij allen even sterk is.
[404] ἔστι δ’ οἷς staat volkomen gelijk met ἐνίοις, daar het
oorspronkelijk beteekent: daar is er, aan wie. Zie Buttm. Gr. Gr. §
150.
[405] ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει
κ. τ. λ. Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden
opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten: ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος
μὲν ἃ ὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶν δέ τι αὐτῶν κ. τ. λ. Niet, dat ik aldus wil
lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt
Platonisch.
[406] καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker,
zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van
onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid
toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandsche schier
voor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde
neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, dat εἰ οἷον τε
hetzelfde beteekent als ons schier. Niets is nadeeliger voor gezonde
uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere
weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik
ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of
meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.
[407] ὀρθῶς beteekent hier hetzelfde als het vorige κατὰ τὴν αἴσθησιν.
[408] κατὰ ταὐτά d. i. ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.
[409] ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste
schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren: ἢ [ἔν τισὶ] ὧν
οἶδε καὶ αἰσθάνεται [οἰηθῆναι αὐτὰ ἕτερ’ ἄττα εἶναι] ὧν οἶδεν αὖ καὶ
αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten: en
overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar
volgens deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken
is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en
herinnering.
[410] ὄψις heeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo
zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo
beteekent ἀκοὴ in het N. T. prediking, daar het eigenlijk gehoor, en
vandaar wat gehoord wordt, te kennen geeft.
[411] προσαρμόσαι hangt af van προθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient,
dat het eigenlijke object, van προσαρμόσαι niet daar, maar bij het
deelwoord ἀποδοὺς gezet is, dat met het subject van προθυμηθῶ
overeenkomt. Wij zouden bij προσαρμόσαι althans een voornaamwoord
plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig
is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden is
met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus van
προσαρμόσαι geregeerd wordt. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.
[412] δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης. Buttmann wil hier lezen δ. ε.
ἀρ. μεταφερούσης; Stallbaum verkiest δεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης.
Beide gissingen verbeteren den zin, maar die van Stallbaum heeft voor
zich, dat in het vorige melding gemaakt is van τὰ τῆς ὄψεως πάθη,
hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij de ὄψις meer als
passief dan als actief wordt voorgesteld.
[413] Valschheid beteekent hier niets anders dan onwaarheid. Hoewel het
woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen,
heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met
valsche meening overeenkomt.
[414] ὑγιὲς wordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den
zin, waarin wij van gezonde redenering, gezond verstand, enz., spreken.
[415] En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.
[416] ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij
aldus verklaard worden. De protasis loopt van ὅταν tot ὠργασμένος ᾖ. Nu
begint de apodosis bij τὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten
gevolge van de aanhaling uit Homerus, wordt de aandacht van den
zamenhang afgetrokken, weshalve Plato de apodosis nog eens begint, en
nu met de partikel τότε inleidt. Verder ziet τούτοις en het lager
voorkomende οἱ τοιοῦτοι op του in de protasis, waarbij het onderscheid
in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als
wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.
[417] Deze aanhaling uit Homerus schijnt niet vrij van valsch vernuft,
zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den
eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste,
daar Plato geenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voor Homerus had,
zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem
met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben,
hetgeen wel degelijk op Homerus ziet, zoo als blijken kan uit de
vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit de
Republiek, waar Homerus door Plato berispt wordt, aangehaald door
Stallbaum in den index achter zijne uitgaaf van dat werk.
[418] Deze uitval tegen Homerus is waarschijnlijk wederom persifflage,
anders is zij bijster vreemd, daar het toch Homerus niet kan ten kwade
geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat
zich met Plato’s zinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.
[419] ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.
[420] ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά }
ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγρά } In deze zinnen is eene fout, daar
σκληρὰ en ὑγρά in het meervoud gezet zijn, als zagen zij op de
afdrukken, terwijl zij in het enkelvoud moesten staan, daar zij,
volgens het verband, op het was zien moeten. In zoo verre echter de
indrukken, die in het was gemaakt zijn, slechts eene wijziging van
dat was zijn, en niet op zich zelve bestaan, is het te verdedigen,
dat de epitheta, die van het was gelden, ook van die indrukken
gebezigd worden.
[421] καλλωπιζόμενος is eigenlijk zijn gelaat schoon te maken of voor
schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.
[422] Dit geheele door Socrates gesprokene stuk is zoo deerlijk verward
van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren.
Vooreerst staat προθέμενον σκοπεῖν in den tusschenzin, die zich
uitstrekt van λέγω tot δοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis
behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan
vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige
geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven
begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin met εἴ, hetgeen zou
doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog
volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat
de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los,
het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve
losheid is.
[423] ἀνήκει wordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het
perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als
subject ὁ λόγος in de gedachte aanvullen.
[424] Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor
onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men
vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich
hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot
zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën
voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerst aan het einde des
werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om
zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze
opvatting vonnis te vellen.
[425] Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo
als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke
waarneming gebragt worden.
[426] Ἐθελήσαντες. Buttmann heeft teregt aangetoond, dat ἐθέλω het
denkbeeld van voornemen, trachten insluit, dus, meer dan het bloote
wenschen (βούλομαι) te kennen geeft.
[427] Ἔπειτα wordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij
waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt: post hoc, ergo propter
hoc.
[428] Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige
kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te
kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn.
Zie Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.
[429] εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis.
De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve
aanvullen uit hetgeen volgt achter de woorden οἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door
het tegengestelde aan te nemen van οὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in
de vertaling geschied is.
[430] Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde
wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te
beslissen. Overigens ziet ieder ligt, dat zulk eene bepaling, ook
zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven
worden. Misschien is de verontschuldiging van Socrates, voordat hij
deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk
eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook
alles uit den gang der redekaveling verklaren.
[431] Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woord ἔχειν,
dat zoowel hebben als vasthouden beteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk
met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze
lezers verzoeken, bij het woord hebben tevens het begrip van vasthouden
mede te denken.
[432] De constructie is Ὅρα δὴ καὶ εἰ δυνατόν ἐστι οὕτω κεκτημένον
ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even als het stuk was,
slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat
dikwijls begrippen potentia in den geest bestaan, zonder actu voor het
bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner
eigene bezittingen is.
[433] πάλιν heb ik door integendeel vertaald, niet omdat het ooit die
beteekenis heeft, maar omdat, bij het wederom maken van zulk eene
figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is
voor den dag gekomen.
[434] τέχνη beteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst
verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het
uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt
uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woord wetenschap wordt te
kennen gegeven. Overigens beschouw ik ἀριθμητικὴν en τέχνην als
dubbelen accusativus bij λέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij
geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou
echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne
meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der
benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld
gesproken wordt.
[435] ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uit ὁ παραδιδούς achter παραδίδωσιν blijkt,
dat men achter ὑποχειρίους ἔχει in de gedachte ὁ ἔχων moet aanvullen,
zooals in de vertaling geschied is.
[436] καλοῦμεν is hier minder juist, daar dit werkwoord óf παραδιδόντα
μὲν διδάσκοντα, en παραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, en ἔχοντα
δὲ—ἐπιστάμενον; óf παραδιδόναι μὲν διδάσκειν, en παραλαμβάνειν δὲ
μανθάνειν, en ἔχειν δὲ κεκτῆσθαι zou doen verwachten.
[437] Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de
lezing van Stallbaum voor, die aldus leest: ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸν ἢ ἄλλο τι
τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in
zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die
in de uitwendige dingen worden aangetroffen.
[438] ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene
aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige
school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van
dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling
gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaak Plato ook op anderen
zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling
der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er
ook in den tekst niet ταύτας, maar τοιαύτας gelezen wordt.
[439] Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.
[440] ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder
juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, dat
γραμματικός niet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’
schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu
zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij
hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag
halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals
bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de
werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet
volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te
veranderen.
[441] πάλιν ἔρχεται μαθησόμενος. πάλιν hoort bij μαθησόμενος.
[442] μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:
οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.
[443] ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te
redden is, tenzij men leze: ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ (of ἀπ’ αὐτοῦ, zoo
men wil) ἐπιστήμην διαπετομένην.
[444] Het begrip.
[445] εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar
hetzelfde begrip reeds door ἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγου is uitgedrukt.
[446] Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds
boven gezegd is, de partikels γὰρ, ἀλλὰ enz., die bij Plato zoo vaak in
het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.
[447] ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk door Plato gemaakt,
hetgeen hem evenmin als Aristoteles euvel geduid wordt, hoewel er bij
nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien
echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer
zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en dat
Plato en Aristoteles ons daarin zijn voorgegaan. Krause, zoo ik dien
nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hat Aristoteles
die Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit
behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche
Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich
diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten
Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag
wohl auch den Lehrsysteme des Aristoteles bei seinen Zeitgenossen den
Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst
und für die Nachwelt.” Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p.
280.
[448] τὸ is hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het
onzijdige, hoewel het op ψευδῆ δόξαν ziet, volgens de eigenaardigheid
der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn
zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht
staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als
iets beschouwd wordt. Zie Buttm., Gr. Gr. § 129. 6.
[449] Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende
niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt.
Zie Aristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.
[450] Theaetetus is bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe
te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een
bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig
te zijn. Zijn de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit
getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking
met meer juistheid gemaakt is.
[451] ἀπεροῦμεν beteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen,
dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken,
onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden.
Beiden komen hier op hetzelfde neêr.
[452] Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativus τὸν ποταμὸν moet
waarschijnlijk verklaard worden uit de propositie κατὰ in καθηγούμενος.
Het is als stond er: ὁ ἡγούμενος κατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt
door Stallbaum aangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander
volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging
van den stijl door Plato er in gevlochten.
[453] ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeft Stallbaum τούτοις in plaats van
het gewone τούτους geschreven. Ik geef aan τούτους de voorkeur en
verklaar het dan aldus: τούτους ziet op τινες en is het object van
διδάξαι; τῶν γενομένων ziet op οἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De
constructie is bij τουτούς veranderd, even als of τουτούς het
antecedens van οἷς was. Overigens is het duidelijk, dat door πρὸς ὕδωρ
σμικρὸν het wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd
gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.
[454] Het schijnt, dat bij de processen te Athene, nadat de
voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen
dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten
gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de
partijen werd bewerkt. Zie Schoemann, Antiquitates Juris Publici
Graecorum, V. § LVIII.
[455] νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die
door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. Zie
Nieuwenhuis. Initia Philosophiae logicae § 99.
[456] ὅγε νῦν δ’ ἐννοῶ. Ik geloof, dat νῦν moet uitgeworpen worden,
daar ὅ eigenlijk ziet op het verzwegene object van ἐννοῶ. Het is echter
welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets
zeggen] ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.
[457] οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woorden ἐπιστητὸς en οὐκ ἐπιστητὸς
schijnen in Plato’s tijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen
ongenoemden te worden toegeschreven, daar Plato ze niet op zijn eigen
naam wilde invoeren.
[458] εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadt Plato zich zelven, en laat zien, dat
die voorgewende persoon niemand anders is dan Theaetetus, dat is, dan
Plato zelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de
waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.
[459] ἐπεὶ staat hier in denzelfden zin als ἔπειτα. Zie Aristoteles de
Anima II. II. 13.
[460] λόγον. Het woord λόγος is een kruis voor hem, die Plato in eene
andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne
uitdrukking voor te vinden. Het is omtrent even rekbaar als het
latijnsche ratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt,
wordt nog het best door bepaling uitgedrukt.
[461] περὶ τούτον ziet hier op het bij δοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγον
uitgelatene περὶ τινὸς.
[462] κομιδῇ beteekent eigenlijk met zorg. Daar nu een denkbeeld, dat
met zorg overwogen is, met vertrouwen kan uitgesproken worden, is aan
dit woord de beteekenis van voorzeker, stellig, ongetwijfeld gegeven;
en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de
oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.
[463] τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is
hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;
στοιχεῖον beteekent grondbestanddeel, en tevens letter, συλλαβὴ
beteekent verbinding, en tevens lettergreep. Het is ligt in te zien,
dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid
geeft, die de vertaling moet missen.
[464] τὰ ἑπτὰ heb ik door de vijf vertaald, omdat hier duidelijk de
klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet
zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het
meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de
oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in
de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen
blijkt. Zie Veth, Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.
[465] Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden,
daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het
anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 =
21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.
[466] τὰ πάντα. Ik heb hier τὸ πᾶν genomen, hoewel ik geloof, dat de
fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel
gemakkelijker is, hier voor τὰ πάντα τὸ πᾶν te lezen, dan uit de
woorden οὐκοῦν—εἰρήκαμεν de ware lezing op te maken. Zie Stallbaums
aanmerking.
[467] Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene
uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat
alleen de hoeveelheid aanduidt.
[468] ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats,
dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die met πᾶς en ὅλος
overeenkomen. ὁ πᾶς ἀριθμὸς kan wel overgezet worden: het geheele
getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar het geheel eerst in de
conclusie voorkomt.
[469] Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken
uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne
vertaling van den Phaedo, blz. 177–179. Nieuwenhuis, Initia
Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan
ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden
van Goethe:
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,
Sucht erst den Geist heraus zu treiben,
Dann hat er die Theile in seiner Hand,
Fehlt leider! nur das geistige Band.
Encheiresin naturae nent’s die Chemie;
Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Zoo is, in het door Plato gebezigde voorbeeld van een leger, het al en
het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat
niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde,
waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx
oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder
orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid
tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als
éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt.
(Zie Opzoomer, De leer van God bij Schelling, Hegel en Krause. I. blz.
47. volgg.)
[470] Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als
zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken worden hier van den
positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming
van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen
omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en
over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze
redenering worden goedgekeurd, anders niet.
[471] Plato maakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een
voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende
beteekenissen gebruiken van de woorden ἰδέα en εἶδος. Zie p. 203. C. E.
p. 204. A. p. 205. D.
[472] οὐδὲ τοῦτο. Stallbaum wil hier οὐδὲ τοιοῦτον lezen. Dit komt mij
onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene
praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt
overgelaten, de overigen er bij te denken.
[473] μονοειδὴς en μία ἰδέα heb ik door enkelvoudig vertaald, daar er
eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere
begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen
bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit,
dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs
moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve
worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begrip a
slechts dan in een begrip b kan vinden, wanneer de zaak, die door a
wordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die door b wordt uitgedrukt.
Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging,
daar de psychologische aanleiding, waardoor iemand tot deze of die
denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin
het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.
[474] ῥηταὶ heb ik door bepaalbaar vertaald, omdat het duidelijk tegen
ἄλογον in de volgende woorden van Socrates overstaat, en ik dat het
best door onbepaalbaar meen te kunnen overzetten.
[475] μανθάνων. Er staat eigenlijk: niets anders geleerd hebt, doch zoo
dit in de vertaling wordt opgenomen, kan πειρώμενος niet overgezet
worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij
niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.
[476] κυριωτέραν. Κύριος beteekent ongeveer hetzelfde als ons woord
voornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt
worden.
[477] τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een
der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook niet geheel
in op, wilde Plato geenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling
der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, dat Plato
het overige niet voor onwaar, maar alleen voor onvolledig houdt.
[478] τὸν λόγον. Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoord
τὸν hier onverklaarbaar is, en voorgeslagen τὸ λόγος (het woord λόγος)
te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zou λόγον liever onveranderd
laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus
staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waarom τὸ door eenen
afschrijver in τὸν veranderd is.
[479] λέγειν. Daar λόγος van λέγειν is afgeleid, is het verband in het
Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven,
tenzij men λέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis
neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling laat
zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen
der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad
van helderheid bekomen hebben.
[480] De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat
deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van
alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. Zie Nieuwenhuis,
Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.
[481] Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt
nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het
relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet men
καὶ τοιοῦτον in plaats van οἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan
de voornaamwoorden τινα en τινος onbepaald, niet vragend neme.
[482] Het is te bejammeren, dat Plato en Aristoteles de theorie der
Pythagoristen aangaande de beweging der aarde verworpen hebben, daar,
zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel van Copernicus
vele eeuwen vroeger door het beschaafde Europa zou aangenomen zijn. Zie
v. Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar
ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.
[483] Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den
Sophist, p. 235–236:
Gastvriend uit Elea. Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen,
geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—
Theaetetus. Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.
G. Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt
voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de
afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en
daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot
stand brengt.
T. Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?
G. Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij
de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan
zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien
het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.
T. Ongetwijfeld.
G. Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de
ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden
schoon zullen vertoonen?
T. Ongetwijfeld.
G. Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is,
eene beeldtenis te noemen?
T. Ja.
G. En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft,
zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?
T. Juist.
G. Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt,
aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon
bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te
gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te
gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?
T. Zekerlijk.
[484] σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van
geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets
dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door
dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een
doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die
aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide
stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er
natuurlijk niets aan.
[485] Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid,
waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de
algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de
enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken door
Aristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het
kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor,
dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling]
tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen
waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” Daar Plato dit
noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te
zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis
beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort
voorzeker het 6e boek der Republiek.
[486] Hoezeer uit het voorbeeld van Theaetetus blijkt, dat Plato niet
onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den
indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.
[487] Hier zat de Ἄρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken,
die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de
godsdienst betrekking had.