AANTEEKENINGEN

[1] κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op

de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen

verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.

[2] Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag van Corinthe, die

geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners,

Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en de Lacedaemoniers

en hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadat

Agesilaus reeds uit Azie was wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van

te Amphipolis ontving.

[3] Theaetetus was, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd

bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs

genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.

[4] δῆτα behoort bij ἀνεμνήσθην en ἐθαύμασα.

[5] φύσις beteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de

wezenheid van eenig ding in het bijzonder.

[6] διελέχθη. Het werkwoord διαλέγομαι behoort onder de Deponentia

passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis

hebben. Overigens is καὶ voor μάλα ἀξίους te verklaren uit het

voorgaande οὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht

als een adjectivum of participium hebben, zoodat dan μάλα ἀξίους als

het tweede adjectivum bij λόγους kan beschouwd worden.

[7] ἐλλόγιμος is hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven

of vergeten wordt.

[8] De leerlingen van Socrates namen na den dood huns meesters gretig

alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde

edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen van

Krause. Zoo besluit onder anderen Lindemann zijne verdediging van

Krause’s stelsel (voorkomende in het Zeitschrift für Philosophie und

spekulative Theologie, uitgegeven door J. H. Fichte, XV. 1), met deze

merkwaardige woorden:

„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in

het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de

tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer

uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen

worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat

zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand

nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten

loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen

daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde

oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor

eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden,

die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van

eenen grooten doode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan,

zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid

jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het

herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op

God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening

met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer

anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is

geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken

jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij

is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij

heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo

als Lindemann voor het stelsel van Krause wenscht, onlangs door Mr.

Opzoomer geleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek

instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 in Krause’s

stelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijn

Opklimmend deel der Wijsbegeerte heb pogen te verbeteren, gelijk uit

eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en dat Krause’s leer

van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God

in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God

als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bij Krause hetzelfde,

als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.

[9] διηγήσασθαι beteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de

bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.

[10] γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van

eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde

handeling.

[11] Eene plaats aldus genoemd, digt bij Eleusis.

[12] ἅμα duidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen

aan.

[13] ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achter τὸν λόγον een colon

staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het door

οὑτωσὶ aangeduide.

[14] περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενος is de tweede spreker in

een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt

ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier,

hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen)

tusschen beide voor Plato was. Zou het hier voorkomende ook tot

hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene

dialogen van elkander te onderscheiden?

[15] φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemt

Strabo de aardrijkskunde philosophie, en Hippocrates de medicijnen.

[16] ἐκείνους ἢ τούσδε. ὅδε wordt hier in denzelfden zin als οὗτος

gebezigd, zoodat het, tegenover ἔκεινος geplaatst, de naastbijzijnde,

ἔκεινος de verste beteekent.

[17] μειράκιον. Te Athene werd een jongen tot op zijn 14e jaar

μειράκιον geheeten.

[18] Het is bekend, dat in Griekenland, vooral te Athene, eene

betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze

zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. Zie

Paulus brief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.

[19] πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld,

hetgeen bevestigd wordt door bet woord φύσις, natuur, dat van dit

werkwoord is afgeleid.

[20] Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en

niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de

zeldzaamheden behoort.

[21] ὀξύῤῥοπος wordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest

en naar de eene of andere zijde overhelt.

[22] ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.

[23] van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in

een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke

beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.

[24] De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en

buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.

[25] ἠλείφοντο en ἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het

verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen,

dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou

daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog

voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen: Hij is gereed voor de

gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het

Grieksch niet ἠλείψατο, maar ἤλειπται bezigen. Zie Buttmann, Gr. Gr. §

137.

[26] Sunium was de naam van een voorgebergte in het zuiden van Attica,

tegenwoordig Kaap Colonna, waarop een gehucht en een tempel van Athene

was. Overigens was het bekend, dat alle inwoners van Attica het

burgerregt van Athene hadden, en dus als Atheners beschouwd werden.

[27] Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen

gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door

voogden. Demosthenes had zich over hetzelfde te beklagen als

Theaetetus, maar wist reeds op zijn 18e jaar, door eene welsprekende en

bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed

terug te bekomen.

[28] Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸν is de tweede accusativus

achter λέγεις.

[29] Eigenlijk: zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van

de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.

[30] εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. Zie

Buttmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.

[31] ἄξιον. Hoewel ἄξιος eigenlijk waardig beteekent, kan het ook

absoluut geplaatst worden, en beteekent dan: betamelijk, goed,

behoorlijk.

[32] De hier voorkomende constructie is hetgeen De Sacy zou noemen:

eene proposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin

het werkwoord zijn uit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg

bekend, dat dergelijke constructies bij Plato telkens voorkomen.

[33] Plato schijnt hier op zijne eigene reis naar Cyrene te doelen.

[34] μετρίως heeft de beteekenis van aan de vereischte maat te

beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.

[35] Men denke bij σόφος aan door studie verkregene kennis, niet zoo

zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.

[36] ἀπορέω is eigenlijk geen doorgang zien en is als zoodanig

intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen

accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van

accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetsel κατὰ

verklaard worden.

[37] Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een

duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar

voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons

weder.

[38] Socrates roept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen

te openbaren, maar niemand verroert zich.

[39] ἀεὶ, telkens. Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23. οἱ ἀεὶ ἐπιόντες

ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας. Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.

[40] ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk

nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof,

dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet: ἐπιτάξει ὅ τι

ἂν βούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.

[41] διάλεκτος beteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de

beteekenis van tongval is eene afgeleide.

[42] Theaetetus begaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de

dialogen van Plato begaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden

te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.

Aristoteles berigt ook, dat het geven van bepalingen eene der

voornaamste ontdekkingen van Socrates is.

[43] Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der

woorden: οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.

[44] γνῶναι hangt af van βουλόμενοι.

[45] ἐπιστήμην is de accusativus van γνῶναι. αὐτὸ is neutrum per

attractionem; de constructie is dus: βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι

ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.

[46] ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in

twee vragen opgelost.

[47] ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:

wat deze woorden beteekenen.

[48] Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij

gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch,

maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens

ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bij Plato

en Xenophon, door Socrates worden aangehaald, duidelijk het

democratische element van Athene doorschijnen.

[49] ἐξόν, accusativus absolutus. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.

[50] τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de

Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bij Aristoteles dikwijls: τὸ

πῶς, τὸ τι, τὸ διά τι en wij zeggen eveneens: het hoe, het wat, het

waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord

heeft.

[51] Wat doet hier: maar? Theaetetus had in het gesprek, dat hij hier

vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is,

al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.

[52] Wij moeten dit aldus opvatten:

De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu

is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf

vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is

dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat,

de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of

breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel

uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en

breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene

lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.

Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten

door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een

vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen

voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen

voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te

krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de

figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten

van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd,

vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten

met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne

soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de

eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4,

9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen

worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden

uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die

inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.

[53] τοῦ voor τινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het

begrip van comparativus, dat in ἡττᾶσθαι besloten ligt.

[54] De constructie is: Ἀλλὰ οἴει εἶναι σμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ

ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην, ὥσπερ νῦν δὴ ἐγὼ ἔλεγον.

τῶν πάντῃ ἄκρων is de genitivus partitivus: één van de alleruitersten

in moeijelijkheid.

[55] Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stond Theudas op,

λέγων εἶναι τινα ἑαυτόν,” hetgeen door Van der Palm vertaald is:

zeggende van zich dat hij iets groots was.

[56] ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk: los worden van het zullen, dat

is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens

is het duidelijk, dat ἀπαλλαγῆναι van δύναμαι afhangt.

[57] Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling

tegenwoordig voortduren. Zoo is οἶδα eigenlijk het perfectum van εἴδω

en beteekent: ik heb het gezien, dat is: ik weet het, en πέπονθα, het

perfectum van πάσχω, beteekent: ik heb ondergaan, dat is: ik ben in den

toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.

[58] καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die

het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene

reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.

[59] Achter ὅτι moet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:

τὴν αὐτὴν τέχνην ἐπιτηδεύω.

[60] ἅτε is de accusativus, die gewoonlijk door κατά verklaard wordt.

Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus

adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de

kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale

complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. Zie Veth, Beknopte

Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.

[61] Die anderen.

[62] Hierbij kan men naslaan: Meno. pag. 80. A, B, waar Socrates bij de

krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij

het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem

aanraakt, doet verstijven.

[63] εἴληχε wordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene

verdeeling door het lot bekomt. Nu werden in Athene de ambten door het

lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het

verkrijgen van een ambt bekomen.

[64] De beteekenis van plegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien,

gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene

beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het

dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.

[65] εἰκὸς voor ἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)

[66] Hoewel γινώσκειν eigenlijk niets dan kennen beteekent, kan het

hier door onderscheiden vertaald worden, daar hij, die de twee leden

eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.

[67] In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren.

Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons van Autolicus, dat zij,

toen Ulysses op de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door

een tooverformulier beletten te vloeijen.

[68] Hier is οἶδα te regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan

eenige andere uitdrukking voor weten. Οἶδα beteekent eigenlijk: ik heb

gezien, waarvan de beteekenis: ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraag

ἆρ’—ᾔσθησαι met geen beter werkwoord kon geantwoord worden.

[69] τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bij εἶναι,

die gebezigd wordt om eigendom, eigenschap, gewoonheid of mogelijkheid

uit te drukken. Zie Buttm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.

[70] Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken

van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop

burgers voor het vaderland groeiden.

[71] ἔστι δ’ ὅτε is in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord

zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft als ἐνίοτε, waar het hier

tegenover staat. Zie Buttm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.

[72] In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daar τῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃ

tegenover ἐκείναις gesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt

meer in het oog, zoo men bedenkt, dat τῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃ in dezen zin

gelijk staat met ἐμοί, en dat de personen, die door ἐκείναις bedoeld

worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in

aanmerking komen. Het subject van διαφέρει moet uit τῇ ἐμῇ τέχνῃ worden

aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, dat τῇ ἐμῇ

τέχνῃ ὑπάρχει op hetzelfde neêrkomt als ἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.

[73] Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid,

deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij

ieder aanwezig zijn, leerde Socrates niet zelf, maar zocht door vragen

anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen

geest waren opgesloten.

[74] Dit moet opgehelderd worden uit de Apologie, waar Socrates

verhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel te Delphi, dat hem

den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene

levensmanier te volgen.

[75] τοιοῦτον ziet op σοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:

εὕρημα σοφόν.

[76] Eindelijk. Woordelijk eindigend. Het Grieksche deelwoord wordt

hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks

ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de

voorbeelden, aangehaald door De Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No 800–807.

[77] Namelijk om mij weer goed te maken.

[78] τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, dat

Socrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd

zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne

onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en

antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend,

dat δαιμόνιον bijvoegelijk is en door het uitgelatene σημεῖον moet

verklaard worden.

[79] καὶ οὗτοι μὲν δὴ οὔτως, scil. ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets

kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bij Herodotus

menigvuldig, en zelfs bij Aristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5.

Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.

[80] Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat

de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen

blijken. Stallbaum heeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige

ironie doorschijnt, daar Socrates te kennen geeft, dat alleen zij, die

volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn

voor de Sophisten.

[81] ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar

het begrip van reden geven, dat door ἕνεκα τοῦδε wordt uitgedrukt, ook

in het deelwoord ὑποπτεύων ligt opgesloten. Zie Buttm., Gr. Gr. § 144.

Aanm. 6.

[82] De constructie is: προθυμοῦ οὕτως ἀποκρίνασθαι ἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως

οἷός τ’ εἶ.

[83] Socrates hield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der

Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als

eene miskenning der Godheid beschouwen.

[84] Ἀλλὰ moet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig

moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen

telkens voor.

[85] Gevoel wordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de

verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of

godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.

[86] Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.

[87] ἐπιστήμη is het subject, αἴσθησις het praedicaat. Het is eene

zoogenoemde proposition nominale.

[88] τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die in τὰ αὐτὰ ligt, wordt door de

aanwijzing in ταῦτα versterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die

omtrent met onze uitdrukking: volkomen hetzelfde, overeenkomt.

[89] που is een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte der

Atheners om zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het

echter ook vertalen door: ergens.

[90] Dit ἔοικεν ziet natuurlijk op de laatste door Socrates gedane

vraag.

[91] Deze zin is voluit: Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος

κ. τ. λ.

[92] Socrates bedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is,

dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar

zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.

[93] Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.

[94] Zie blz. 44.

[95] Parmenides, die door Plato zeer gewaardeerd werd, was de

voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip

van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke

keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en

nergens iets blijvends zag.

[96] De constructie is: ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦν εἶναι καὶ τὸ

γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.

[97] φορᾶς—κινήσει. κίνησις is eene algemeene uitdrukking om alle

verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of

hoedanigheid. Aristoteles sluit het ontstaan en vergaan hiervan uit,

omdat niet zijn geen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden

is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc.

V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijn κίνησις door beweging te

vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die

alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.

[98] τί δέ wordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.

[99] ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις is hier eigenlijk hetzelfde als ψυχὴ, doch Plato

schijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel

in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat

of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen: ἡ ἐν τῇ ψυχῇ

ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.

[100] ἐπιλανθάνεται. In ἐπι ligt het denkbeeld van daarenboven.

[101] Deze zin is voluit: Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶ κατὰ σῶμά

ἐστι κινησίς, τὸ δὲ [κακὸν ἐστι] τοὐναντίον [κινήσεως].

[102] voor ἀναγκάζω moet gelezen worden ἀνάγω in den conjunctivus.

ἀναγκάζω kan hier niet in de beteekenis van door klem van redenen

betoogen genomen worden, daar het bij κολοφῶνα, niet bij προσβιβάζων

behoort.

[103] Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid in Homerus meenden

te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden

bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waar

Zeus de Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen,

waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg,

dat hij hen allen benevens de aarde en de zee zou naar boven halen.

Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats

niets van de gemelde theorie gelezen wordt.

[104] προσήκειν beteekent eigenlijk: aankomen, maar hier denke men aan

de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede

overeenstemt.

[105] Namelijk groot, of wit, of warm, enz.

[106] De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen

beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders

beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak

liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat

zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd

worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.

[107] Wij zeggen niet: neem een voorbeeld, maar: ik zal u een voorbeeld

geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de

zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt,

beschouwt.

[108] In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit

ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en

betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die

eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren

beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd

wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den

Phaedo, blz. 123. (1).

[109] Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te

verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met

elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het

groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.

[110] Euripides werd door de Grieken zeer bewonderd, en als de

treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig

lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt. Aristophanes echter

bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, en Plato

bestrijdt van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften

wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs.

612. waar wij lezen:

„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”

[111] Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons

doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk

eene grondige tegenwerping behelst.

[112] δεινὸς wordt door Plato vooral van de sophisten gezegd, die zich

overal wisten door te praten.

[113] Deze periode verklaar ik aldus: Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότες

ziet op het vorige: ἡ δὲ φρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectum ἐξητακότες

beteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus

niet meer naar onderzocht wordt. βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is

eigentlijk voluit: βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς

αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder is ἡμῖν de dativus ethicus, en ἀλλήλοις

behoort niet bij ἡμῖν, maar ziet op ἃ διανοούμεθα en hangt af van

ξυμφωνεῖ.

[114] Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig

vervallen zijn.

[115] Het komt mij voor, dat alleen γενέσθαι of γίγνεσθαι is goed te

keuren, en dat, toen het ééne, (namelijk γενέσθαι) in sommige

handschriften in γίγνεσθαι veranderd was, beide lezingen in den gewonen

tekst zijn opgenomen en door καὶ verbonden. Nu verkies ik γενέσθαι

boven γίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de

verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het

bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet

worden uitgedrukt.

[116] Eigentlijk moest Socrates gezegd hebben: En van oneindig vele

andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier

dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van

dezelve.

[117] μάλα moet bij het uitgelatene werkwoord ἐστι gevoegd worden,

zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan

den wijsgeer.

[118] Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der

wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook

niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de

oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen

hier bedoeld wordt. Zie Aristot. Metaph. I. cap. II.

[119] Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude

mythologie, dat echter door Plato slechts als rhetorisch sieraad

gebezigd wordt. Iris is de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de

menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig

wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De

woordspeling met Θαύμας en θαυμάζω valt genoeg in het oog. Het is, als

zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.

[120] Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die

daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der

tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. Zie Nieuwenhuis,

Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.

[121] αὐτῶν staat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik

van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. Zie Matthiae,

Ausf. Gr. Gr. § 472. 1. b.

[122] Hier wordt waarschijnlijk de school van Leucippus en Democritus

bedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de

atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld

voldoende meenden te kunnen verklaren. (Zie Brandis, Handbuch. I. § LX.

blz. 294. volgg.). Plato behandelt deze leer overal met veel

verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij

zijne ergste vijandin was. (Zie Hermann, Gesch. u. Syst. der Platon.

Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne

weêrlegging van Protagoras eigentlijk te gelijk eene weêrlegging van

Democriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de

zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te

bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen.

Daarom was, zooals Krause zeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz.

264. volgg.), Democriet door zijn redekavelen over oorzaken en

beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn,

eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.

[123] Hoofdst. VIII–X.

[124] ἦν schijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het

voorgaande ἐλέγομεν gezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook

bij Cicero dikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch

geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer

wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden

uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de

woorden ὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦν geene historische zaak, maar eene

uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt

uitgedrukt.

[125] Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee

kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die

twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.

[126] κεκλημέναι staat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt door

Plato gebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den

nominativus te kunnen laten.

[127] ὁμόγονον scil. ἐστι.

[128] In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achter πως,

ἐπειδὰν moet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten

behouden.

[129] Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal

gemeen heeft.

[130] ἐν τῷ αὐτῷ scil. τόπῳ.

[131] Zie blz. 42, (1)

[132] Iets zigtbaars.

[133] Van het oog is ἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak περιεπλήσθη

gezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haar

van buiten omgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt.

Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn,

daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in

staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.

[134] εἶναι staat voor ἐξεῖναι, welke infinitivus van ὑποληπτέον

afhangt. Verder moet het adverbium παγίως met νοῆσαι verbonden worden.

[135] ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι. Stallbaum merkt te regt aan, dat achter

ἀλλὰ uit het voorgaande οὐδὲν, πάντα of ἑκάστου in de gedachte moet

ingevoegd worden.

[136] Van οὐχ ὅτι zegt Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 624. 4: „Ook staat οὐχ

ὅτι bij Plato vaak, om aan te toonen, dat men wel iets vermeldt, maar

toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijn quamquam na den

hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent

het: alhoewel; zie Protag. p. 336. D.”

[137] Hier moet uit het vorige οὐ δεῖ alleen δεῖ worden bijgedacht.

[138] κατὰ μέρος beteekent hier niet gedeeltelijk, maar: naar het hem

bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegen

πολλῶν ἀθροισθέντων en de aangehaalde voorbeelden, dat met dat κατὰ

μέρος de atomen of de elementen bedoeld worden.

[139] Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke

voorstelling van de objectiviteit van Socrates, die de gaaf had, de

zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening

op den voorgrond kwam.

[140] Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden

bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, door Plato als boven

de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.

[141] τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den

voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en

alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukking τῶν τε ἄλλων

begrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der

leer van Protagoras meer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.

[142] παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik van παρὰ is, meen

ik, ontleend van boogschutters, die niet in, maar naast het doel raken.

Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar

niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen

is.

[143] λόγος is een van die woorden, die voor velerlei uitlegging

vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de

grondbeteekenis: gezegde te kunnen afgeleid worden. De Oostersch

Grieksche beteekenis van het woord λόγος, waarin het bij voorbeeld door

Philo Judaeus genomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid

beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bij Plato voor. Zij

heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van

onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende

bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als

een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.

[144] ὄναρ en ὕπαρ staan, geloof ik, in den accusativus en worden als

bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen

uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]: in den droom, en in

wakenden toestand.” Overigens is het bekend, dat Plato τὸ τοιόνδε zegt,

wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.

[145] ὅ hangt van ἐρωτώντων, dit laatste van ἀκηκοέναι af.

[146] ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing: ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven

de lezing van den tekst verkies, omdat slaap eenen algemeenen toestand

uitdrukt, maar ἐνύπνιον meer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men

het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.

[147] τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, dat τούτων op ὄναρ, ἐκείνοις op ὕπαρ

ziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaande ὀνείρατα

in plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)

[148] Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat

de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des

gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het

onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen

ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid

gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.

[149] Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des

tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?

[150] τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordt δοκέω te gelijk in de

beteekenis van schijnen en van meenen genomen, iets, dat ik niet kan

goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het

geheel is Plato niet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij

hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook

wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt

onder anderen uit het gebruik der woorden εἶδος en ἰδέα in hoofdst. XL

en XLI.

[151] Zie hoofdst. XII.

[152] καὶ wordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het

tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. Zie

Matth., Ausf. Gr. Gr. § 620. 1. e.

[153] Ἀνάγκη staat in den nominativus, want het is eigenlijk per

ellipsin geschreven voor ἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.

[154] Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de

toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.

[155] ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls,

het gewoonlijk plaats hebben der handeling.

[156] ἄλλο τι staat per ellipsin voor ἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag

geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:

Is het iets anders dan? waarop het antwoord verwacht wordt: Wel neen!

maar juist dit.

[157] γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένην is zeer duidelijk, want

daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het

oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat

is φερομένην? Ik geloof, dat het te kennen geeft, dat die bitterheid

geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande

aandoening.

[158] Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu

staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn.

Men leze door eenvoudige transpositie: Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο

αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar

ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het

plaatsen van οὕτως alleen achter γενήσομαι, dan blijft nog over alles

te laten zoo als het is, en alleen achter ἄλλο, αἰσθανόμενος te

schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.

[159] Stallbaum zegt naar waarheid, dat τὸ ἐμὲ ποιοῦν beteekent:

hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te

geven. Ik zoek ze daarin, dat hier αἰσθανόμενον in de gedachte moet

ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uit ἐγεννησάτην bij καὶ τὸν

μέν—αἰσθανόμενον in de gedachte ποιεῖτον moet ingevoegd worden.

[160] Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben,

waar de twee leden aanwezig zijn.

[161] Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het

gevoelde.

[162] Voelend is iemand door iets te voelen; gevoeld is iets door

iemand gevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander

wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.

[163] πρός τι. Het verband vordert hier: πρός τινα, tenzij men aanneme,

dat Plato hier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn

en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den

voelende, te kennen geeft.

[164] D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen

aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als

zekere kennis aangemerkt te worden.

[165] D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is

subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel

kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is

eene zoogenaamde conversio per accidens. Zie Nieuwenhuis, Initia

Philosophiae Logicae. p. 184. 13.

[166] In Athene werd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de

vroedvrouw rond den haard gedragen.

[167] De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te

voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke

of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene

uitzondering.

[168] ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets

veranderd worden, óf voor εἶναι ἔχειν gelezen. De gissing van

Stallbaum, die voor με μοι wil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar

dan de accusativus ἐξελόντα bezwaarlijk te verklaren is.

[169] λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige

dubbelzinnigheid, daar λόγος ook rekenschap beteekent, en zij, die met

Socrates redekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.

[170] Een zeer beroemd geschrift van Protagoras, doch hetgeen hem en

zijne leer te Athene deed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden

daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.

[171] ἐθαυμάζομεν is zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem,

voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.

[172] ἄλλου του beteekent natuurlijk een ander dan Protagoras zelf.

[173] ἔσται—διακρινεῖ enz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog

niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de

toekomstige redekaveling afhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig

waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar

houden is op het oogenblik nog toekomstig.

[174] ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den

grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur

in den haak, want haak beteekent in onze spreekwijs eenen houten regten

hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of

de gegevene hoeken regt zijn.

[175] φοιτητέον, φοιτᾶν en φοιτήτης wordt bepaaldelijk van leerlingen

gezegd, even als het latijnsche audire en auditor. Zie Plato, Rep.

VIII. p. 563. A.

[176] φαντασία beteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel

door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de

eene of andere meening (Zie Plato Sophist. p. 264. A.).

[177] Eigenlijk: eene lange en breede ijdelheid.

[178] ἀντιτείνειν hangt af van δεξαίμην, dat bij οὐδ’ αὖ uit het vorige

moet bijgedacht worden.

[179] De zin is deze: te Lacedaemon moest men bij die oefeningen

meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder

zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen

toegepast. Socrates laat Theodorus voelen, dat het niet billijk zou

wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men

ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling van Solon,

dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.

[180] διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμι worden bij Plato

gebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij

verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.

[181] τοὐναντίον. Ik geloof, dat hier εἰς τοὐναντίον moet gelezen

worden.

[182] Ik vind hier geene bijzondere kracht in δημηγορία, maar de

uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare

vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens

wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvan

Zschokke in zijn Leven, denken en werken zich zelven beschuldigt,

namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste

verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.

[183] Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de

menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat

zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag

brengen.

[184] πιθανολογία kan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen

van argumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de

kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere

denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.

[185] τῇδε: aldus als nu volgt. Wanneer Plato τῇδε bezigt, doelt hij

meestal op de eerstvolgende redekaveling.

[186] Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel.

[187] ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorige οὐ φήσομεν

eenvoudig φήσομεν worden aangevuld, waaruit blijkt, dat οὐ φημὶ

geenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar

dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruik οὐ en φημὶ als twee

afzonderlijke woorden beschouwden. Omtrent het gebruik van οὐ φημὶ

meen ik te moeten aanmerken, dat οὐ óf als bijwoord bij φημὶ kan

gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf dat

οὐ als het object van φημὶ kan aangemerkt worden, wanneer het

beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken.

[188] Namelijk: ἃ οἱ βάρβαροι λέγουσι.

[189] σωζόμενον is hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B.

[190] αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere groote

breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den

volzin, door de woorden ἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦ is uitgedrukt. Dit

wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat

het dezelfde zaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet

worden.

[191] Wanneer Plato zelf het vorige te omslagtig vond, waarom liet hij

het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in

het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het

vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen

zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want

eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene

stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve

dikwijls niet duidelijk genoeg.

[192] δεινὸς schijnt oorspronkelijk zeer groot te beteekenen, en

vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend

verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde,

als wanneer wij zeggen: zulk eene bewering is wat al te sterk.

[193] δεῖ heeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele

noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee

beweringen gezien wordt.

[194] ὑποπτεύω komt van ὑπόπτης, eigenlijk onderkijkend, dat is: die

onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft,

vandaar; ergdenkend, wantrouwend.

[195] οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard

worden, tenzij men de lezing ὁρῶν verkieze, die in sommige

handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst met

ἐπιστήμων de voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door

het genoegzaam onmiddellijk volgende: ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων

γεγονὼς bevestigd.

[196] ἑκάτερον ziet op τὸ ὁρᾷν en τὸ ἐπίστασθαι. ἄλλο beteekent hier

wat anders, namelijk, dat τὸ ὁρᾷν wat anders is dan τὸ ἐπίστασθαι en

omgekeerd.

[197] De constructie is: Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γε δὴ περὶ αὐτῶν

νοῶ. Overigens wordt hier de aor. δηλῶσαι duidelijk zonder eenig

denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer

dikwijls met den aoristus plaats heeft.

[198] τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτο schijnt hier niet zoo zeer de

accusativus cum infinitivo met εἶναι te zijn, als wel het object van

ἀπεδείξαμεν, waarbij εἶναι ter nadere verklaring gevoegd is. Vele

voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs

verklaard te moeten worden.

[199] Dit was altijd een waagstuk, daar Socrates, dat is Plato, door

alles wat voor de leer van Protagoras kon gezegd worden, op te zoeken,

eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote

waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmede Plato te werk ging. Men

vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote

overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek van Emile

Saisset tegen de stellige wijsbegeerte, in de Revue des deux mondes van

Julij 1846.

[200] Callias was een groot voorstander van Protagoras, zooals uit de

zamenspraak van Plato, die den naam van Protagoras draagt, blijken kan.

[201] θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden:

spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers

dier rigting wilden gelden.

[202] τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordt ᾗ als bijwoord gebruikt, en ziet tevens

op ῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met

het Hollandsche waarmede voor met welke.

[203] Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, dat

Socrates het weêrleggen van Protagoras standpunt afkeurt, omdat de

feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen

begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd.

[204] ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten,

die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste

ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven.

[205] φαίνει is hier Attisch voor φαίνῃ, dus de tweede persoon

enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is

op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere

bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op

het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der

verschillende zinnelijke waarnemingen.

[206] πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist

aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid

uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken,

altijd hun geldelijk voordeel op het oog hadden. Overigens meene men

niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een

bewijs is, dat Plato de leer van Protagoras goedkeurde. Integendeel

moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die

leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk

kon weêrleggen.

[207] ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die

afhangt van ἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden van Socrates hier moet

bijgedacht worden.

[208] αὐτῷ is een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis

ligt, dat de vrees van dat kind Socrates uitstekend te stade kwam.

[209] De constructie is: ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν

αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ.

[210] Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen.

προορᾶν beteekent eigenlijk vooruitzien. Wat moest nu Theaetetus

vooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer van

Protagoras zou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet

omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar

omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der

redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben.

[211] γέλωτα τὸν ἐμὲ. Dat γέλωτα voor γέλοιον staat, doch sterker is,

daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door

bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord

echter voor ἐμὲ heeft meer zwarigheid. Stallbaum komt mij voor, de

waarheid vrij goed gevoeld te hebben. Plato laat Protagoras zich zelven

zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de

geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was.

[212] De constructie is: δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι

μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε, παρεῖναι τῷ

μηκέτι πάσχοντι.

[213] γιγνομένους. Zeer juist heeft Plato hier γιγνομένους, niet ὄντας

gebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene

oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks

geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is.

[214] ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uit

ἐξέλεγξον hetzij ἀποδεικνύων of een ander woord van dezelfde beteekenis

moet ingevuld worden.

[215] καὶ λέγω σοφόν. Dit καὶ is moeijelijk te verdedigen, tenzij er

iets is uitgevallen, b. v. ὀνομάζω of iets dergelijks. Misschien echter

is na καὶ ἐγώ uitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met

het volgende λέγω kan veroorzaakt wezen.

[216] κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, want

κατηγορέω beteekent eigenlijk beschuldigen, maar is later gebezigd van

het toekennen eener eigenschap in het algemeen, vanwaar in de

Aristotelische wijsbegeerte het woord κατηγορία, praedicamentum,

gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de

verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend,

begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk,

want dan zegt Plato hier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de

eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet

toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan

Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die

van beschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, dat Plato bij den

zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden

uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft

ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid

tot domheid. Zie Matthiae, Ausf. Gr. Gr. 634., 3, 6.

[217] ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee

uitleggingen vatbaar, daar men namelijk óf ἑτέρας kan vertalen: de

andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, dat Plato

begonnen is, als had hij willen schrijven: ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar,

omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou

aangeduid worden, in plaats van ἑτέραν, ἀμείνω geschreven heeft.

[218] Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de

zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is

nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is,

hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat

niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp

eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus

bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken,

dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het

hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in

den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die

daarmede overeenkomen.

[219] τοιαῦτα staat hier voor συγγενῆ αὐτῆς en ziet op χρηστὴ, daar de

goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is,

als de kwade met den kwaden.

[220] φαντάσματα hoort eigenlijk in den vorigen zin. Zie Buttm., Gr.

Gr. § 143. 4.

[221] Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar

de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog

eenigzins toegelaten worden, maar zoo Plato eens gezegd had: naar de

ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit,

volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist

geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven

hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden

hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven,

daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het

ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze

verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten

worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de

ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een

gebrek in Plato’s stijl te dezer plaatse te moeten aanmerken.

[222] Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het

goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor

zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed

of kwaad zijnde beschouwd wordt.

[223] Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van

het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der

vragende methode, welke laatste door Socrates gewoonlijk werd

toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange

redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te

misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bij Plato steeds

tegen elkander over, maar Protagoras had, zooals uit de naar hem

genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt.

[224] ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander,

daar de symmetrie vordert ὡς óf tweemaal, óf in het geheel niet te

schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene

vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet

gedacht worden.

[225] καὶ. Ik heb καὶ door daar vertaald, dewijl wij, omdat de periode

na καὶ slechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier

het voegwoord daar zouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt

met twee zulke perioden eenvoudig door en te verbinden, en het opmerken

der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat.

[226] παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hier περιεκέκρουστο te

moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger

vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het

voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de

teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij

zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem

heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die

hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid,

niet om gelijk hebben te doen is.

[227] ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt

van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid

zelven gebezigd.

[228] Dit laatste is duidelijk een paskwil op Protagoras zelven, wiens

tegenwoordige leerling Theodorus de wijsbegeerte voor de meetkunst had

laten loopen. Over het geheel is, hetgeen Socrates hier uit naam van

Protagoras aan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegen Socrates

gerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne

tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid

te doen was. Men vergelijke hier de door Aristoteles van eenen sophist

gegevene bepaling: ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή.

καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης.

(Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar

niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door

schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken.

[229] Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste

woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis

gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele

gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve

het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig

acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende

te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische

ontwikkeling vooral aan te bevelen. Zie Theod. Waitz, Grundlegung der

Psychologie, p. 1–8.

[230] De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs

gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter,

dat zulks onnoodig is, en dat de beteekenis van beginnen hier

uitstekend op hare plaats is. Socrates geeft te kennen, dat hij

begonnen is Protagoras te verdedigen, daarmede Theodorus zijdelings

aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij

begonnen had, verder te voltooijen.

[231] λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze

verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de

aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar

de woorden λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου op hetzelfde neerkomen, alsof er

stond: ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας.

[232] Merkwaardig is de aardige wijs, waarop Socrates Theodorus in het

gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wil Plato waarschijnlijk te

kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is

en eene groote rijpheid van oordeel vordert.

[233] μέχρι τούτου αὐτοῦ. Dit αὐτοῦ kan het best verklaard worden, door

achter ὀλίγον ἐπίσπου de woorden τῷ λόγῳ in de gedachte in te voegen.

[234] Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hier Ἀνταῖον te moeten lezen, daar

Sciron in dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, en Plato in het

volgende, niet Sciron, maar Antaeus vermeldt, welke laatste hier met

regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem

te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70

(1).

[235] ἐκείνων. Dit ἐκείνων zou doen vermoeden, dat Sciron in het

overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding van Theseus,

die met Sciron gevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komt Sciron

in het vorige niet te pas, waarom ik liever ἐκείνων op Antaeus en zijns

gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding van Theseus

beschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel van

Plato, die Hercules noemende, den grooten Atheenschen held niet kon

voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorige Sciron door een

afschrijver ten onpas is ingevoegd.

[236] Die mannen zijn de sophisten, die, gelijk bekend is, aanhoudend

met Socrates in twist waren, daar Socrates zich juist ten doel had

gesteld, hunnen verderfelijken invloed te weren.

[237] Theodorus zou Socrates van dienst zijn, doordien hij hem genoegen

zou geven; en zich zelven, doordien hij zijnen vriend zou verdedigen.

[238] Namelijk: tot aan het eindoordeel over de leer van Protagoras.

[239] Woordelijk: eene spelende soort van redekaveling maken.

[240] De zin is woordelijk: nu zou iemand ons ligt zonder magt over de

toestemming in zijnen naam stellen.

[241] δι’ ἄλλων. Hier zal wel λόγων onder verstaan worden. De zin is

dan deze: niet door algemeene redeneringen, buiten het stelsel van

Protagoras om, maar uit dat stelsel zelf, moeten wij zijn gevoelen

opmaken.

[242] χειμάζωνται ziet alleen op θαλάττῃ, maar uit dat verbum moeten de

met στρατείαις en νόσοις overeenkomende werkwoorden bij die woorden

worden ingevoegd. Zie over eene dergelijke plaats bij Aristoteles,

mijne aanteekeningen op de Anima II. cap. VIII. § 10, voorkomende in

het 8e nommer der Symbolae literariae.

[243] αὐτοὺς beteekent in dezen zin: niet het oordeel van anderen, maar

van de menschen over zich zelve.

[244] Woordelijk: edoch het gezegde, dat den mensch de maat van alle

dingen noemt, is tot dat der noodzakelijkheid gekomen. τοῦτο ἀνάγκης is

genitivus partitivus en beteekent dan: dit bepaalde punt in de rij der

noodzakelijk elkander opvolgende dingen. Zie Buttm., Gr. Gr. § 132. 2.

b.) Anm. 3.

[245] οἵ γέ μοι τὰ ἐξ ἀνθρώπων πράγματα παρέχουσιν. Woordelijk: die mij

de moeite berokkenen, welke uit menschen ontstaat; hetgeen in dezen zin

moeijelijk iets anders beteekenen kan, dan: die mij al de moeite

berokkenen, welke de eene mensch den anderen kan aandoen.

[246] ἀμφισβητέω is hier twijfelen en wordt door eene sterkere

ontkenning verbeterd, welke uitgedrukt wordt door ὁμολογήσεται met een

negatief praedicaat.

[247] τότε καὶ ὁ Πρωταγόρας αὐτὸς ξυγχωρήσεται. Ik heb deze woorden in

de vertaling weggelaten, omdat zij geheel overtollig zijn. Zij behooren

tot de vaak al te groote omslagtigheid van Plato’s stijl, die gegrond

is in zijn pogen, om den vrijen loop van een dagelijksch gesprek na te

bootsen.

[248] Woordelijk: ons zelven gebruiken, hoedanig wij ook zijn.

[249] πάντα ὅσα τοῦ τύπου τούτου. Deze woorden komen hier volmaakt

overeen met κ. τ. λ.; men zou ze kunnen vertalen: al wat tot deze soort

(tot dit rubriek) behoort; doch deze omslagtige uitdrukking zou althans

in het Hollandsch de rondheid der periode belemmeren. Ik houd het voor

een vereischte in eenen goeden stijl, althans in wijsgeerige werken,

dat men alle stopwoorden zoo kort mogelijk maakt, om de opmerkzaamheid

van den lezer niet af te leiden.

[250] ἑκάστῃ ziet natuurlijk op ἑκάστη vóór πόλις, zoodat hier wordt

gezegd, dat voor iederen staat, datgene regtvaardig, enz., is, wat die

staat als zoodanig wil beschouwen. Deze aanmerking diene dus om het

misverstand te voorkomen, als werd hier geleerd, dat hetgeen iedere

staat bepaalt, een algemeene regel wordt, die voor iederen staat geldig

is. Dit kon welligt uit de woorden gehaald worden, maar strijdt

regelregt tegen de leer van Protagoras, die juist van het algemeene

niet hooren wilde, maar ieder enkel wezen op zich zelf nam, en de

volkomene subjectiviteit en subjective waarheid der verschillende

meeningen voorstond.

[251] Deze leer toch is, zoo als ieder ligtelijk inziet, een gewijzigd

Protagorismus, als het ware de uitlegging zijner leer door de

Protagoristen van de regterzijde.

[252] Het is opmerkelijk de verandering van beteekenis na te gaan, die

met dit woord heeft plaats gehad. σχολὴ beteekent oorspronkelijk

ledigen tijd. Daar nu oudtijds de studie liefhebberij was, en alleen,

hetgeen tot levensonderhoud dienen moest, als werk beschouwd werd, is

σχολὴ in gebruik gekomen voor liefhebberij-studie. Vandaar is het van

alle studie gebezigd, en eindelijk ook van die studie der jeugd, die

alles behalve uit liefhebberij plaats heeft.

[253] καὶ wordt hier door vooral vertaald, hoezeer het eenvoudig en

beteekent. De oorzaak is, dat door eene constructie als de hier plaats

hebbende, het woord, waar καὶ bijstaat, bijzonder op den voorgrond

komt, daar het daardoor uitgedrukte denkbeeld uit eene menigte andere

alleen wordt genoemd. Dit drukken wij uit door vooral, zonder daarom te

beweren, dat καὶ ooit vooral kan beteekenen.

[254] φιλοσοφίαι beteekent wijsgeerige studiën, verschillende vakken

van wijsbegeerte, gelijk virtutes in het Latijn van goede

hoedanigheden, van verschillende onderdeelen der ééne deugd wordt

gebezigd.

[255] κυλινδούμενοι. In dit woord ligt eene beteekenis van

verachtelijkheid, die hier in Socrates mond zeer goed geplaatst is. Het

komt omtrent op hetzelfde neêr, als wanneer wij spreken van zich

rondwentelen in zingenot.

[256] τοῦ προκειμένου. Eigenlijk de vóór hem liggende, vandaar die,

welke hem tegenwoordig bezig houdt. Zoo beteekent het dan juist het

tegenovergestelde van voorgesteld, in de verte aangewezen. Wij zeggen

ook: voor de handliggend in denzelfden zin. Evenzoo moet dit woord,

naar mijn inzien, opgevat worden: Hebr. XII. 2.

[257] ὕδωρ ῥέον. Hiermede wordt de κλεψύδρα bedoeld, namelijk een

wateruurwerk, waardoor de tijd naauwkeurig bepaald werd, die men voor

eene geregtelijke redevoering besteden mogt.

[258] ὑπογραφὴ παραγιγνωσκομένη. Stallbaum merkt zeer juist aan, dat

hiermede waarschijnlijk eene korte opgaaf van de punten der

beschuldiging, die moesten weêrlegd worden, bedoeld wordt. Hoezeer ik

geenszins geloof, dat, althans bij alle soorten van processen, eene

bepaalde wet den verdediger aan die opgave bond, zoo spreekt het echter

van zelf, dat de wijze, waarop de beschuldiging was ingerigt, de

verdediging moest wijzigen, daar zij alleen tot afwending van die

beschuldiging werd aangewend. Immers, die zich niet aan de punten der

beschuldiging hield, liep daardoor veeltijds gevaar, eene onvolledige

verdediging te leveren.

[259] De woorden ἣν ἀντωμοσίαν καλοῦσιν worden teregt door Stallbaum,

op het voetspoor van Abresch, uitgeworpen, daar zij geheel den vorm van

eene randteekening hebben, die bij vergissing in den tekst is

opgenomen.

[260] δρόμος wordt eigenlijk van den wedstrijd in het loopen gezegd,

maar hier komt het voor in de algemeene beteekenis van strijd.

[261] Het is bekend, dat in Athene de gedaagden allerlei kunsten

aanwendden, om de regters in hun voordeel te stemmen, en dat het

verwaarloozen dier kunsten juist de oorzaak der veroordeeling van

Socrates is geweest. Zie Apolog. cap. XXIII en XXIV.

[262] τὸ ἐλεύθερον, woordelijk: het vrije, dat is, die gezindheid, die

vrije menschen past. Men ziet hier den invloed van de inrigting der

maatschappij op de taal, daar eene spreekwijs als deze slechts in eenen

staat, waarin slavernij bestond, ontstaan kon.

[263] ἀληθοῦς is hier subjectief genomen, dat is, het beteekent niet

zoo zeer de waarheid op zich zelve, als wel die gezindheid, die het

ware doet spreken en in daden aan den dag leggen. Daarom heb ik gemeend

hier opregtheid te mogen vertalen.

[264] Woordelijk: dat wij de mannen van onze rij doorgegaan of

voorbijgegaan zijnde, ons weder tot de redekaveling wenden. Dus stond

het terugkeeren tot de redekaveling vast, en het was alleen de vraag,

of zulks dan eerst zou geschieden, nadat ook de ware wijsgeeren

beschreven waren, of met voorbijgaan van die beschrijving.

[265] οἱ ἐν τῷ τοιῷδε χορεύοντες. χορός is eigenlijk een rei zangers op

het tooneel, doch het is bekend, dat in het Attische treurspel zulke

reien dikwijls gesplitst werden, zoodat de twee halve reien dan tegen

elkander overstonden. Van hier is deze uitdrukking voor partijschappen

gebezigd. Dit is weder een voorbeeld van den invloed der zeden op de

taal.

[266] ὥσπερ ποιηταῖς. Hoewel ook de waarde der tooneelstukken door

regters beoordeeld werd, ziet dit echter vooral op θεατής, daar

δικαστὴς meer tot het vorige, voornamelijk tot de processen behoort. De

vermelding der dichters is hier veroorzaakt door de van de reien in de

treurspelen ontleende uitdrukking.

Theaetetus(#72108) · 第 20 / 21 题