DE MILLIOENPOOTEN (Diplopoda, Chilognatha).
De Chilognathen ("Kaaklippigen") heeten zoo wegens hunne
tot een mondklep of lip vergroeide onderkaken. Met zeer groote
overdrijving worden zij gewoonlijk Millioenpooten (beter: Diplopoda of
"Dubbelpootigen") genoemd, omdat hunne rompsegmenten (welker aantal
van 11 tot meer dan 100 afwisselt), te beginnen bij het 5e, ieder 2
paar gangpooten dragen. De 4 eerste leden hebben gezamenlijk slechts
3 paar niet tot grijpwerktuigen vervormde ledematen, daar één segment
(gewoonlijk het 3e, zelden het 1e of het 4e) pootloos is. Uitwendig
verschillen zij bovendien van de Chilopoden door den verticalen
stand van den loop en door de soms nagenoeg cilindervormige, soms
halfrolronde gedaante van het lichaam, dat overal dezelfde dikte
behoudt. Het skelet van ieder segment bestaat uit één groot rugschild
en 2 kleine, smalle buikschilden, die ieder één ademgat en één paar
dicht bij elkander aangehechte pooten bezitten. Het aantal ringen wordt
met toenemenden leeftijd grooter. De openingen aan de zijden van het
rugschild van alle of enkele ringen werpen een als verdedigingsmiddel
dienend vocht uit, wanneer het dier aangevallen wordt. De jongen zijn
bij het verlaten van het ei niet aan hunne ouders gelijk; zij zijn
aanmerkelijk korter en slechts van 3 paar pooten aan de 3 voorste
segmenten voorzien, terwijl de achterste leden pootloos zijn; eerst
na herhaalde vervellingen verkrijgen zij de gewone gedaante. Bij de
Diplopoden (en Pauropoden), komt dus een larvetoestand en daarop
volgende onvolkomen gedaantewisseling voor, bij de Chilopoden en
Symphylen niet; deze behouden levenslang het larve-kenmerk van slechts
1 paar pooten aan ieder segment te bezitten; bij gene is de bedoelde
eigenaardigheid slechts aan de voorste segmenten van blijvenden aard.
De Diplopoden zijn in alle werelddeelen vertegenwoordigd, doch
bereiken in het onze en in den geheelen gematigden aardgordel over
't algemeen slechts een geringe grootte, terwijl in de warme landen
exemplaren leven van bijna een voet lang en een vinger dik, die
dus sommige Slangen aanmerkelijk in grootte overtreffen. Hoewel zij
lijken van dieren niet versmaden, geven zij aan plantaardig voedsel
de voorkeur. Zij houden zich in de duisternis op, maar zijn, naar
het schijnt, iets minder afkeerig van het licht dan de Chilopoden.
De Veelpooten (Julidae), die de soortenrijkste familie vormen, hebben
een cilindervormig, uit 30 à 70 ringen samengesteld lichaam met korte,
dunne pooten en sprieten; het tweede sprietlid is het langste.
De Zand-veelpoot (Julus sabulosus) wordt des zomers dikwijls op zonnige
zandgronden aangetroffen en is over geheel Europa verbreid. Zij heeft
een zeer glanzige huid en een van donkerbruin tot zwart afwisselende
kleur; deze is bij de pooten meestal lichter en wordt op den rug door
2 gele, overlangsche strepen afgebroken. Het mannetje is 20 à 40, het
wijfje 30 à 46 mM. lang; hun breedte bedraagt 1.8 à 4.8 mM. Als een
Slang glijdt dit wormvormige dier over de oppervlakte van den grond
of van een boomstam; bij nader onderzoek blijkt deze beweging tot
stand te komen, doordat de pootjes bij groepen beurtelings zijwaarts
gestrekt en weer teruggetrokken worden, zoodat zij in 't eene geval met
den romp een stompen hoek vormen, in 't andere een loodrechten stand
aannemen. Door het afwisselend naar binnen en naar buiten richten
van kleine groepjes van pooten langs den geheelen stam ontstaat een
zacht golvende beweging, die, van den kop uitgaande, zich allengs
tot aan den staart voortplant en een langzame verplaatsing van het
geheele lichaam teweegbrengt. Bij aanraking kronkelt dit dier zich
ineen tot een spiraal, in welks middelpunt de kop gelegen is.
Bij de Gordelveelpooten (Polydesmidae) bedraagt het aantal
rompsegmenten gewoonlijk 20; deze zijn niet meer rolrond, maar aan
beide zijden plaatvormig verbreed. Wegens den grooteren afstand
tusschen de aanhechtingsplaatsen der linker en rechterpooten steken
deze aan weerszijden van het lichaam verder uit. Oogen zijn niet
aanwezig. Het wijfje bouwt een nestje van aarde om haar eierenhoopje
heen en gaat intusschen met het leggen voort. De hiervoor noodige
aarde wordt met den bek opgenomen, door het spijskanaal gevoerd en
in den vorm van schubjes door het uitstulpen van de aarsopening naar
buiten gestuwd; langzamerhand ontstaat op deze wijze rondom de eieren
een ringvormige muur, die zich vernauwt tot een gewelf dat in een van
boven geopende piramide eindigt. Dit huisje wordt met uitzondering
van den korten, piramidevormigen schoorsteen van buiten met steentjes,
mos en gruis van plantendeelen bekleed.
De Platte Gordelveelpoot (Polydesmus complanatus) wordt 18 à 28
mM. lang en 3 à 5 mM. breed; men vindt hem in geheel Europa, hetzij op
den grond onder steenen of vochtige bladen, of achter boomschors, soms
ook in den grond, knagend aan sappige wortels, o.a. van koolzaad. Bij
ons werd zij in verschillende provinciën waargenomen. Evenals alle
Julus-soorten, rollen ook de Polydesmen zich spiraalsgewijs op,
wanneer een gevaar hen bedreigt. In warme landen bereiken de talrijke
soorten van dit geslacht een aanzienlijker grootte.
De zuigende Veelpooten (Polyzonidae) onderscheiden zich van alle
andere leden der klasse, doordat hun kegelvormig kopschild met
de onderling vergroeide monddeelen een zuigbuis vormt. De eenige
Europeesche soort van dit geslacht (Polyzonium germanicum) werd tot
dusver nog niet in ons land, wel in Duitschland, Frankrijk, Polen,
Oostenrijk-Hongarije en den Kaukasus waargenomen. Zij is hoogstens
13 mM. lang, eenigszins afgeplat, uit ongeveer 50 leden samengesteld
en zeer week, van boven glad en licht roestkleurig, van onderen
witachtig. De 3 laatste rompsegmenten zijn pootloos, de 3 eerste dragen
1 paar, de overige ieder 2 paar pooten. De ringen zijn op de dwarse
doorsnede niet cirkelrond, maar elliptisch. Het voorhoofd draagt 2
groepen van 3 oogen; de zuigbuis is korter dan bij de overige leden
der familie. Alle laten bij dreigend gevaar een melkachtige vloeistof
door de verbindingsvliezen der ringen naar buiten treden.
De tot dusver behandelde Duizendpooten zijn geen aantrekkelijke wezens,
houden door hun slang- of wormachtig uiterlijk den toeschouwer min
of meer op een afstand; dit is niet of in mindere mate het geval
met de leden der laatste familie, die men Oprollers (Glomeridae)
noemt. Deze zonderlinge dieren zou men kunnen vergelijken met een
Kogelgordeldier, dat den staart en den vooruitstekenden snuit mist,
maar daarentegen met een grooter aantal pooten is uitgerust. De
rugschilden zijn groot, hard en sterk gewelfd; de buikzijde is zwak
uitgehold, week en van vele pooten voorzien. Deze beschrijving komt
overeen met die van de Rolpissebedden (Armadillo), die echter van
de Glomeriden verschillen door hare 4 sprieten, door een geringer
aantal pooten en een stijlvormig aanhangsel aan 't uiteinde van 't
lichaam. Als de Oprollers in gevaar verkeeren, krommen zij hun lichaam
zóó, dat het een bol vormt; alle deelen passen zoo volkomen op en in
elkander, dat nergens een opening overblijft in het harde pantser,
dat de geheele oppervlakte van het lichaam beschut.
Twee leden van deze familie zijn in ons land gevonden (Glomeris
pustulata en limbata). Van alle soorten van het geslacht Glomeris
hebben de wijfjes 12 rompsegmenten met 17 paar pooten, de mannetjes 1
segment en 1 paar pooten meer. Men vindt deze volkomen onschadelijke
dieren eenzaam of in kleine troepjes onder steenen of afgevallen
bladen, op vochtige, humusrijke, onbebouwde terreinen, het meest
dus in bosschen. Meestal vindt men ze ineengerold rustend in een
schuilhoek: in lossen grond, in een holte, die er één of meer kan
bevatten. Soms echter ziet men ze langzaam voortglijden op de wijze
der Juliden, doch zonder de bij deze voorkomende, golvende beweging
op hun aanmerkelijk korteren rug; steeds worden daarbij de sprieten
tastend vooruitgestoken. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit bladen
en mos, die in rottenden toestand verkeeren.
Vooral in bergachtige streken van het westen van Duitschland,
Frankrijk, Italië en Klein-Azië wordt de Gezoomde Oproller (Glomeris
marginata) gevonden. Deze is 10 à 20 mM. lang, 5 à 9 mM. breed,
grootendeels glanzig zwartbruin; de uitwendige zichtbare rand van ieder
rugschild is geel, maar verkrijgt na den dood een andere kleur.--De
Gestippelde Oproller (Glomeris pustulata) werd in de provincie
Groningen op warme zonnige plaatsen aangetroffen. Zij is iets kleiner
dan de vorige soort (4.5 à 13 mM. lang, 2.2 à 5.5 mM. breed), heeft
nagenoeg dezelfde kleur; maar is geteekend met 4 geelroode stippels
op den 1en ring en 2 op elken volgenden, met uitzondering van eenige
ringen bij het uiteinde van 't lichaam.
In tropische en andere warme gewesten van Azië en Afrika leven
aanmerkelijk grootere Oprollers; sommige zijn meer dan 5 cM. lang. Zij
behooren o.a. tot de geslachten Spaerotherium en Zephronia.
De orden der Symphylen ("Stamverwanten",) en der Pauropoden
("Weinigpootigen",) die een zeer gering aantal kleine en zeer kleine
Myriopoden omvatten, staan in eenige opzichten tusschen de Chilopoden
en de Chilognathen in. Met gene stemmen zij overeen, doordat geen
der segmenten meer dan 1 paar pooten draagt, met deze door het
bezit van slechts 1 paar onderkaken en het gemis van kaakpooten. De
geslachtsopening, die bij de Chilopoden aan het voorlaatste segment
gelegen is, komt bij de Symphylen, Pauropoden en Chilognathen aan het
2e of 3e rompsegment voor. De Symphylen, waarvan het belangrijkste
geslacht (Scolopendrella) ook in ons land vertegenwoordigd is, zijn
nader aan de Insecten verwant dan de overige Duizendpooten.