DE WARE DUIZENDPOOTEN (Chilopoda).
Het lange lichaam der Duizendpooten i.e.z. is van boven naar onderen
samengedrukt en bestaat uit een schildvormigen, recht vooruitstekenden
kop en een meer of minder groot aantal gelijksoortige leden, die
bijna zonder uitzondering ieder één paar ver zijwaarts gerichte
pooten dragen. Onder den rand van 't voorhoofd zijn de snoervormige,
veelledige sprieten aangehecht. De middelmatig sterk ontwikkelde
monddeelen worden krachtdadig geholpen door de beide voorste paren
ledematen, die daarom kaakpooten heeten. Het voorste paar (fig. b: 1)
is slechts zwak ontwikkeld; daar de heupen aaneengegroeid zijn, gelijkt
het op een tweede onderlip met twee tasters. (Hierop berust de naam
Chilopoda of Lippootigen.) De beide volgende kaakpooten (fig. b: 2)
vormen een stevige tang; hun eindlid is een klauw, die de afvoerbuis
van een gifklier bevat en door een fijne opening aan de spits gif
laat vloeien in de wonde, die met dit wapen toegebracht wordt; bij
den mensch veroorzaakt het wel niet den dood, maar toch een pijnlijke
ontsteking. Alle overige pooten, te beginnen bij het derde paar, zijn,
met uitzondering van de beide laatste paren, in den regel aan elkander
gelijk en allengs meer naar achteren gericht. Wanneer de Chilopoden
uit hunne schuilplaatsen opgeschrikt worden, kunnen de pooten en de
slangsgewijze kronkelingen van het lichaam hen zeer vlug uit den weg
helpen; dadelijk zoeken zij dan opnieuw de duisternis op. Hun voedsel
bestaat voornamelijk uit Spinnen, Mijten en allerlei kleine Insecten,
die in hun nabijheid leven en spoedig aan de gevolgen van hun giftigen
beet bezwijken.
In verschillende opzichten wijken de Schilddragers (Scutigera)
van alle overige Duizendpooten af: zij hebben een betrekkelijk
kort lichaam, buitengewoon lange, borstelvormige sprieten, groote,
uitpuilende, samengestelde oogen en zeer slanke looppooten, die
naar achteren allengs in lengte toenemen; de dunne, draadvormige
achterpooten zijn achterwaarts gericht en langer dan het lichaam. Deze
familie is over alle werelddeelen verbreid, hoewel zij slechts uit
een twintigtal soorten bestaat; hiervan komen 2 ook in Europa, alle
overige uitsluitend in warmere landen voor. Zij houden zich gaarne op
in oud houtwerk; met groote behendigheid kruipen zij bij loodrechte
wanden omhoog, wanneer zij 's nachts hare schuilplaatsen verlaten.
Hoewel de Spinachtige Schilddrager (Scutigera coleoptrata, Cermatia
araneoides) eigenlijk een bewoner van Zuid-Europa en Noord-Afrika is,
heeft men dit 16 à 24 mM. lange diertje ook op verschillende plaatsen
van Middel-Europa aangetroffen, zelfs in Groningen tusschen de balken
der huizen (volgens Kriens en Karsten).
De Bandduizendpooten (Lithobiidae), die bij ons overal in rottende
boomstammen of op vochtige, donkere plaatsen tusschen afgevallen bladen
en onder steenen voorkomen, behooren tot het geslacht Lithobius; zij
bewonen niet slechts de vlakte, maar ook hooge bergtoppen, o.a. in het
Alpengebied. In volkomen ontwikkelden toestand bezitten de meer dan 100
soorten van dit geslacht 15 paar looppooten (de laatste medegerekend),
sprieten, die een derde van de lichaamslengte hebben en meestal uit
meer dan 20 leden bestaan, en drie tanden aan de middelbocht van
de bovenlip. De meest verbreide soort is waarschijnlijk de Bruine
Nijperduizendpoot (Lithobius forficatus of forcipatus), die in
Europa, zoowel als in Noord- en Zuid-Amerika voorkomt; hij wordt 2 à
3 cM. lang en is op den kop glanzig bruin, op den rug en de sprieten
meer roodachtig.
De Scolopenders (Scolopendridae) hebben minder sprietleden en oogen,
doch meer rompsegmenten dan de leden der vorige familie. De giftangen
zijn bij hen buitengewoon krachtig ontwikkeld. Zij behooren voor 't
meerendeel in warme landen thuis, leven van roof en bereiken dikwijls
een aanzienlijke grootte. Alexander von Humboldt zag in Afrika, hoe
kinderen Scolopenders van 47 cM. en meer dan 13 mM. breedte uit den
grond trokken en--opaten. Bij ons en in Duitschland komt geen enkel
lid van deze familie voor; wel vindt men verscheidene soorten in
Zuid-Europa, o.a. de Bijtende Scolopender (Scolopendra morsitans),
die 50 à 90 mM. lang en 5 à 9 mM. breed wordt. Op Java worden deze
"Kaki Sariboe" zeer gevreesd wegens hunne scherpe gifklauwen. Wallace
zegt evenwel "dat men jaren lang kan leven te midden van Schorpioenen,
Spinnen, en Duizendpooten, hoe leelijk en venijnig zij ook zijn,
zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Ofschoon ik 12 jaren in
de tropische gewesten heb doorgebracht, ben ik nooit door een dezer
dieren gebeten of gestoken."
Zeer merkwaardig is de 9 cM. lange Ratelduizendpoot (Eucorybas
crotalus) van Port-Natal door de bladvormige verbreeding van de 3
laatste leden der achterpooten; door deze over elkander te schuren
kan het dier een ratelend geluid voortbrengen.
De lange, zeer smalle, bijna lijnvormige Aardduizendpooten
(Geophilidae) hebben 40 à 90 rompsegmenten, 14-ledige sprieten en geen
oogen. Eenige soorten verbreiden in 't duister een phosphoresceerend
licht. Andere, zooals Gabriël's Aardduizendpoot (Himantarium
Gabrielis)--een 95 à 190 mM. lange bewoner van de kustlanden der
Middellandsche Zee, die meer dan 160 paren pooten heeft--werpen door
fijne openingen der buikschubben een niet onbelangrijke hoeveelheid
van een purperrood vocht uit. Behalve in Zuid-Afrika en op Madagascar,
heeft men overal leden van deze familie gevonden, verscheidene ook
in Europa. Bij ons is de langsprietige Aardduizendpoot een van de
algemeenst voorkomende soorten. Dit gele, 78 mM. lange diertje heeft
ongeveer 55 paar looppooten. Men vindt het aan de wortels en knollen
van verschillende planten, o.a. in aardappels, pastinaken en peenen;
naar men zegt, kunnen de Geophilen, wanneer zij in grooten getale
voorkomen en in vleezige wortels in allerlei richtingen gangen graven,
den dood van deze planten veroorzaken. Zij zullen daarbij trouwens
wel geholpen worden door de Polydesmen en allerlei ander in den grond
levend ongedierte; zoowel de wonde als de daarin achterblijvende drek
brengt een snelle rotting van het plantendeel teweeg. Wanneer een
regenbui den bodem heeft verfrischt, nadat alle levende wezens sinds
geruimen tijd naar vocht gesmacht hebben, komt ook de Aardduizendpoot
aan de oppervlakte. Dan kan het voorkomen, dat hij, hier een Aardworm
ontmoetend, op dezen aanvalt, waarschijnlijk gedreven door de begeerte
om aan zijne sinds lang tot rust gedoemde spijsverteringsorganen
eenigen arbeid te verschaffen; hij omstrengelt de tienmaal grootere
prooi ondanks haar hevig verzet, gelijk de Reuzenslang haar buit; van
't dooddrukken van 't slachtoffer is echter in zijn geval geen sprake;
de Duizendpoot knijpt, bijt en vergiftigt den Worm, totdat deze door
uitputting sterft.