zij hoorde, dat haar dochtertje ziek was, en door de komst dier
dame werd mevrouw Beerman verhinderd de brieven naar de ouders der
meisjes te sturen, want zij moest nu bij Nora's mama blijven en deze
wat gezelschap houden.
Hierdoor had zij gelegenheid, om nog eens over de zaak na te denken
en er met Nora's mama over te spreken.
Nu moet gij weten, dat dit een erge lieve dame was, die toen zij
zag dat haar dochtertje weer beter werd, erg medelijden met de vijf
meisjes had, hoewel zij het niet zoo liet blijken. Zij zat zoo aan
Nora's bed, twee dagen nadat deze ziek was geworden.
"Mama, waar zijn die vijf meisjes toch, die altijd hiernaast
slapen?" vroeg zij eensklaps.
"Die mogen niet boven komen, Noralief," antwoordde haar mama.
"Maar waar zijn ze dan?"
"Zij slapen zoo lang op een achterkamer."
"En wanneer komen ze weer hier?" vroeg Nora. "'t Is zoo gezellig als
ze er zijn."
"Ik vrees dat mevrouw Beerman ze niet langer op school wil houden,
Nora," zeide haar mama.
"Waarom niet, ma, wat hebben ze dan gedaan?"
"Ja, ik zal 't je nu maar vertellen, Nora," zeide haar mama, "ze zijn
heel ondeugend geweest; 't is eigenlijk haar schuld dat je ziek bent."
"Haar schuld, ma!" riep Nora verwonderd uit. "Wat hebben ze dan
toch gedaan?"
"Ze hebben in de appelbollen en over de bolussen, die ik je gestuurd
heb, iets gestrooid, dat heel nadeelig is," zeide de dame. "Wel
waren ze niet van plan om 't zoo erg te maken als 't nu geworden is,
maar toch...."
"Dus zouden ze om mij worden weggestuurd?" vroeg Nora verschrikt.
"Ja, Nora, dat heeft mevrouw Beerman gezegd."
"Maar dat vind ik erg, heel erg akelig, ma!" riep Nora uit. "Nu zullen
ze mij nog akeliger vinden."
"Vinden de meisjes je dan zoo akelig?" vroeg haar mama verwonderd.
"Ja, ma, ze hebben allemaal een hekel aan mij," zij zweeg een
oogenblik.... "en ze hebben eigenlijk wel gelijk."
"Maar wat heb je dan gedaan, dat ze een hekel aan je hebben?" vroeg
haar mama, die er niets van begreep.
Nu kwam het verhaal. Nora vertelde getrouw en naar waarheid alles
zooals het gebeurd was, en vooral de scène, toen de trommel voor
't eerst was gekomen. Haar mama zette groote oogen op, en kon in
't eerst maar niet gelooven, dat haar dochtertje zoo onaardig was
geweest. 't Speet haar erg, daar kunt gij op aan!
"Dan hebt je 't eigenlijk je zelf op den hals gehaald," zeide zij
eindelijk.
"Ja ma, maar ik heb op den avond voor ik ziek werd juist aan de
meisjes gevraagd of zij weer goed op mij wilden zijn, want dat het
mij erg speet," vertelde Nora. "Ik heb haar gezegd, dat ik voortaan
alles wilde deelen. En moeten de meisjes nu heusch van school af?"
"Ja, mevrouw Beerman is nu juist bezig om brieven naar haar ouders
te schrijven," zeide Nora's mama.
"Maar wat zullen ze dan een knorren thuis krijgen!" riep Nora ontsteld
uit. "O ma, ik zal aan mevrouw vragen of zij nog mogen blijven. Zou
mevrouw het goed vinden?"
"Dat moet je afwachten kindlief," zeide haar mama, "maar ik beloof je,
dat ik ook een goed woordje voor die ondeugenden zal doen. Kijk eens
aan, daar is mevrouw net; vraag nu maar wat je wilt."
Mevrouw Beerman begreep niet wat Nora bedoelde, toen deze vroeg,
of zij de brieven toch niet weg wilde sturen, want dat zij het zoo
kwaad niet bedoeld hadden.
"Wat meen je, Nora?" vroeg zij.
"Och, mevrouw, u zult de meisjes toch niet wegsturen," smeekte zij,
"we zullen juist nu goede vrienden worden, en ma zegt dat het eigenlijk
mijn eigen schuld is, dat..."
"Ho, ho, Nora, zulke ondeugendheid kan zoo maar niet door de vingers
worden gezien," zeide mevrouw Beerman ernstig, "bovendien heb ik aan
de meid de brieven al gegeven om op de post te brengen, en...."
"O mevrouw, mag ik ze dan terughalen!" en Nora sprong waarlijk uit
haar bed en liep naar de deur.
"Nora, kind, kom hier!" riep mama verschrikt uit, "je zult zoo toch
niet naar beneden gaan."
"Maar de brieven!" zeide Nora onrustig.
"Wacht maar, wacht maar," zeide mevrouw Beerman, de deur
openende. "Mies (het meisje was juist op de gang), ga eens naar de
meid en vraag om de vijf brieven die ik haar gegeven heb, en kom dan
hier met Jet, Kee, Jeanne en Jo!"
Mies zette een heel gek gezicht, maar zij begreep dat die boodschap
niets kwaads beduidde en liep als een haas de gang en de trap af eerst
naar de meid, die zij zonder complimenten de brieven uit de hand rukte,
en daarna naar de kamer waar de vriendinnen waren.
"Victorie! Hoera! Leve ons Beertje!" riep zij, terwijl zij met de
brieven in de hoogte door de kamer danste.
"Wat scheelt jou?" vroeg Jeanne, die alles behalve vroolijk was.
"Ik heb de brieven! Zie je wel de brieven van Beertje naar huis!" riep
Mies juichend uit.
"Heb je die weggenomen?" riep Jo ontsteld uit.
"Neen, lieve onschuld, op bevel van ons dierbaar Beertje, heb ik ze
Kaatje afgenomen en kom jullie halen, om mee naar het kabinetje te
gaan. Ik weet het niet, maar heb er zoo'n voorgevoel van, dat ons
iets goeds wacht!"
"Wezenlijk, Mies!" riep Jet uit.
"Zouden wij niet weggestuurd worden?" vroeg Kee.
"Komt maar mee, schatjes, dan zullen wij gauw het naadje van de kous
weten," zeide Mies.
Gij kunt begrijpen dat allen Mies achterna de trap op naar boven
stormden, maar voor de deur van het kabinetje stilhielden.
Mevrouw Beerman had haar echter hooren aankomen en deed de deur open.
Schoorvoetend kwamen zij naar binnen; Mies met de brieven
voorop. Mevrouw Beerman nam ze aan en legde ze naast zich op de tafel.
"Meisjes," zeide zij, "Nora heeft gevraagd of jullie voor je
ondeugendheid niet gestraft zoudt worden door naar huis te worden
gezonden, en ik heb haar verzoek toegestaan. Maar een straf hebt
jullie toch verdiend, vindt je zelf niet?"
"We hebben al straf gehad door den angst, dien wij hebben uitgestaan,"
waagde die brutale Mies te zeggen, "en die akelige domme jongen van
den drogist moest eigenlijk ook straf hebben!"
Ondanks zich zelf moest mevrouw Beerman glimlachen, en zij deed maar
alsof zij Mies niet verstond; want zij wilde nu ernstig blijven.
"Nu, meisjes, blijven moog je dan en de brieven zullen niet weggestuurd
worden," vervolgde mevrouw Beerman, "maar jullie moet plechtig beloven
nooit weer zulke ondeugende streken uit te halen."
Natuurlijk beloofden allen het en waren niet weinig in haar schik,
dat het zoo goed afliep.
Zij sloten nu vrede met Nora, die erg blij was, dat zij nu "echte,
goede vrienden" waren, zooals zij zeide; haar mama had er ook schik
in en zeide dat als zij weer lekkers stuurde de trommel eens zoo
groot zou wezen, en de meisjes dan eerlijk moesten deelen.
"Wat graag, mevrouw!" riep Mies vroolijk uit, "wat zal dat dan een
blijdschap wezen als er zoo'n trommel komt, zullen wij met recht in
LUILEKKERLAND ZIJN!"
DE SAVOYAARD EN ZIJN AAPJE.
I.
PAUL EN LENA.
"Kom, Cesar, doe je best nu eens, en leer dit kunstje; dat
vinden de menschen zeker aardig en dan krijg jij een appel of
een vijg, en ik wat centen! Je lust immers zoo graag allerlei
snoeperij, kleine schelm! Komaan dan... één.. twee.. drie,--nu
er over en dan 't stukje hout als een geweer onder je armen;
bravo... marcheeren... marcheeren... Zoo gaat het goed, Cesar; ga nu
maar in de zon uitrusten; morgen gaan we er op uit!"
Paul zelf ging ook zitten, en haalde uit een oude kist een stuk brood,
waarvan hij Cesar de helft gaf en de rest zelf ging opeten... Maar
foei, daar bedenk ik, dat ik vergeten heb u te vertellen, wie
Paul en Cesar waren. Kunt ge het raden? Neen? dan zal ik 't u maar
vertellen. Cesar was een klein, allerliefst aapje; o zoo'n snoeperig,
ondeugend diertje, en Paul was de meester van het aapje.
Een poosje geleden was Paul heel uit Zwitserland naar hier
gekomen. Toen hij op reis ging, had hij een marmotje bij zich, maar
tot zijn groote spijt was het diertje onderweg gestorven, en toen had
hij, omdat hij daarover zoo bedroefd was, van den eigenaar van een
beestenspel Cesar cadeau gekregen. 't Duurde niet lang of Paul hield
van Cesar nog veel meer, dan hij ooit van zijn marmotje had gehouden,
want het aapje was een lief, aanhankelijk diertje en volstrekt niet
valsch, zooals anders apen wel eens zijn.
De ouders van Paul, die in Zwitserland ergens op de bergen gewoond
hadden, waren gestorven, en daar hij geen familie meer had, was hij
er toen al heel ongelukkig aan toe.
Gelukkig echter herinnerde hij zich, dat zijn moeder hem dikwijls
verteld had dat er in Amsterdam een oom van hem woonde, die reeds
jaren geleden naar Holland was gegaan, omdat hij dacht dat hij het
daar beter zou hebben. Nu wist Paul wel dat Amsterdam heel ver van
Zwitserland af lag, en hij er moeielijk kon komen, omdat het reizen
met den spoortrein zooveel geld kostte,--maar dat telde hij niet. Hij
begreep, dat hij er op zijn voeten ook wel kon komen, al duurde het wat
langer, en nadat hij goed gevraagd had, welken kant hij op moest gaan,
vertrok hij, de kleine twaalfjarige jongen, en ging naar het onbekende
land toe. Hij had echter wel wat geld bij zich, want anders had hij
niet ver kunnen komen. De menschen van het dorp, waar hij woonde,
hadden onder elkander de meubelen van zijn ouders gekocht en hem
het geld in een leeren zakje gegeven, en er bij gezegd dat hij heel,
heel zuinig moest wezen.
Zijn oom had hij nog niet gevonden, want niemand dien hij er naar
vroeg, wist hem te zeggen, waar hij woonde, maar hij had al gemerkt
dat Amsterdam heel groot was en dus verloor hij de hoop niet, dat
hij hem nog wel vinden zou.
Om nu den kost te verdienen ging hij met Cesar langs de huizen en liet
het diertje allerlei kunsten maken en sprongen doen. Menigmaal riep
men dan het aardige Savoyaardje met zijn aap binnen, waar beiden wat
eten kregen en geld bovendien. Als Paul de menschen dan heel lief
vond, zong hij met zijn heldere, frissche stem een paar liederen,
die hij vroeger op de bergen zong, en als hij dan soms tranen kreeg in
zijn lieve, zwarte kijkers,--want hij moest dan altijd aan zijn moeder
denken, die ze hem geleerd had,--gebeurde het menigmaal, dat de een of
andere vriendelijke dame hem een kus op het voorhoofd drukte en hem
verlof gaf eens weerom te komen. Hij was echter te bescheiden en ook
te verlegen om zoo iets te durven doen, hoe hij er ook naar verlangde.
Hij zat nog heel bedaard boven op de kist het stuk brood op te eten en
Cesar keek heel nieuwsgierig door het kleine dakraampje naar buiten,
toen de deur van het zolderkamertje zachtjes werd opengeduwd, en een
meisje van een jaar of elf naar binnen kwam.
"Paul," zeide zij halfluid.
"Ha, Lena, ben jij daar!" antwoordde Paul, aanstonds van de kist
afspringende en haar tegemoet gaande. "Kom, Cesar, zeg Lena goedendag,
anders wordt ze nog boos op je."
"Dat meent je baas niet, Cesar," zeide Lena, die naar het aapje was
toegegaan en het over den kop streek. "Geef me maar eens een hand!"
Cesar stak, zooals hem geleerd was, een zijner voorpooten aan Lena toe,
en Paul stond er glimlachend bij.
"Hij kan al zoo mooi doodliggen en exerceeren," zeide Paul vol
blijdschap. "We gaan er morgenochtend op uit."
"O, wat zullen de menschen je dan veel geld geven," riep Lena
opgetogen uit.
"Ik hoop het," antwoordde Paul, "want ik heb nog maar weinig van het
geld, dat ik heb meegebracht, en ik moet er mee toekomen, totdat ik
mijn oom heb gevonden."
"Maar zeg eens Paul, hoe heet die oom en waar woont hij
eigenlijk?" hernam Lena, een nadenkend gezichtje zettend.
"Hij heet Laurent, zoo heette mijn moeder ook, en hij woont--ja,
als ik dat wist..." hij haalde de schouders op.
"Och hoe dom van mij!" riep Lena knorrig uit. "Als je het wist,
dan behoefde je immers niet naar hem te zoeken."
"Ga je eens mee met mij zoeken?" vroeg Paul.
"Ik zal het vragen," antwoordde Lena, "en moeder zal 't wel willen
hebben. Kom nu mee naar beneden; moeder heeft gevraagd of je mee
wilt eten."
Paul nam deze uitnoodiging van zijn vriendinnetje wat graag aan,
want het gebeurde maar zelden dat hij goed warm eten kreeg.
Een paar dagen gingen voorbij; Paul ging met Cesar op straat en de
menschen hadden waarlijk veel plezier in de aardige kunstjes, die
het aapje vertoonde; Paul was daardoor recht in zijn schik en ging
op een middag vroolijk met Lena er op uit.
Zij liepen hand aan hand nog een heelen tijd rond, maar zij werden
er niet wijzer door, want hoe oplettend ze ook rondkeken, zij zagen
nergens den naam van Pauls oom staan. Lena werd eindelijk moede en
kon bijna niet meer voortkomen, zoodat Paul haar mee moest trekken.
"Zeg eens, Paul, laten wij hier even op deze stoep gaan uitrusten,"
zeide zij. "'t Is hier zoo'n mooi huis, en we kunnen juist naar
binnen kijken, want het gaslicht is op;--als ze de gordijnen maar
niet nederlaten!"
"Wat een mooie kamer!" riep Paul opgetogen uit. "Kijk eens, Lena,
wat een lief meisje daar staat aan de tafel."
"Wat krult heur haar mooi," zeide Lena bewonderend; "'t mijne gaat
er altijd zoo gauw uit."
"En wat heeft ze zwart haar; heel anders dan jij, Lena," zeide Paul.
"Ja, ik ben blond; de jongens roepen mij altijd na, dat ik zuurkoolhaar
heb."
"Dat 's niet waar," riep Paul vol vuur uit. "Dat doet zeker die nare
Jan Dekker. Ik vind je haar ook wàt mooi."
"Dat vind ik prettig," hernam Lena, met een zucht van genoegen;
"dan kan 't mij ook niets schelen, wat de anderen zeggen."
"Kijk eens, Lena, daar komt nog een klein meisje de kamer in," hernam
Paul een oogenblikje daarna.
"O, wat een dotje," riep Lena uit; "ik wou dat ik haar eens mocht
knuffelen!"
"Wat wou je haar doen?" vroeg Paul verwonderd, want hoewel hij al
zeer goed Hollandsch kon spreken, was dat toch een woord, hetwelk
hij nog nooit gehoord had.
"Wel, knuffelen!" riep Lena uit. "O, weet je niet, wat of dat
beduidt? Nu, dan zal ik het je eens vertellen. Het is iemand eens
flink pakken en zoenen. Begrijp je het nu?"
"Jawel," zeide Paul, "zooals moeder mij wel deed, toen zij nog
leefde." Hij zuchtte, en tranen schoten hem in de oogen. "Nu doet
niemand het mij meer."
"Nu, dan zal ik het wel eens doen," zeide Lena meelijdend, "en anders
zal ik het aan moeder vragen."
Ondanks zichzelf moest Paul lachen, en zeide dat hij het heel lief
vond van Lena, maar dat het toch zijn eigen moeder niet was.
"Laten wij nu maar naar huis gaan," zeide hij opstaande; "jij bent
nu zeker wel wat uitgerust, en anders wordt het zoo laat en dan krijg
je knorren."
"Ja dadelijk," antwoordde Lena; "nog eventjes naar binnen kijken naar
die mooie kinderen. Ik zou wel eens willen weten of ze even lief zijn
als mooi!"
"Misschien wel," zeide Paul, haar weer bij de hand vattende. "Kom,
ga nu mee!"
"Ja!--Dag, lief kindje," riep Lena, een kushand naar het raam
makend. "O, ze ziet me en ze knikt. Kijk eens, Paul, zeg ook eens
goedendag."
"Laten we toch weggaan," hield Paul aan; "anders jagen ze ons nog
van de stoep."
"Ja, aanstonds, Paul!" riep Lena, terwijl zij een trede lager van de
stoep ging en maar steeds in de kamer keek. Paul lette nu niet meer
op haar en stond reeds op de kleine steentjes, toen hij eensklaps
een gil hoorde en verschrikt omkijkende Lena onder aan de stoep zag
liggen. Zij was achteruit naar beneden gegaan, had bij ongeluk op
haar jurk getrapt en zoo haar evenwicht verloren.
"Kom, Lena, sta gauw op," zeide Paul angstig; "of heb je je bezeerd?"
Lena antwoordde hem niet en was doodsbleek geworden, maar zij keek
haar vriendje smeekend aan.
"Ik ben niet boos op je, Lena," verzekerde Paul haar, "maar je hebt
me doen schrikken."
"O, Paul, ik kan niet," kermde Lena. "Help me toch eens; ik weet niet
hoe ik overeind moet komen."
Aanstonds deed Paul zijn best om het meisje te helpen, maar nauwelijks
had hij haar even aangeraakt, of zij gilde het uit.
"Daar niet, daar niet!" kreunde zij, toen hij haar om het middel
wilde vatten om haar zoo overeind te zetten.
"Wacht geef me dan je handen," zeide Paul uit het veld geslagen, want
't speet hem dat hij haar bezeerd had.
Hij nam haar handen en wilde haar zoo overeind trekken. Nu schreeuwde
Lena het uit, en liepen de tranen langs haar wangen. Paul wist nu
waarlijk niet, wat hij beginnen moest en ook hem sprongen de tranen
in de oogen. Langzamerhand waren er wat menschen om hen heen komen
staan, die niet wisten, waarom dat kleine meisje daar zoo op de stoep
bleef liggen.
"Wel, kinderen, wat scheelt er aan?" vroeg een goedhartige dikke
juffrouw, die een hengselmand aan den arm had. "Jullie moest naar
huis gaan, 't wordt bedtijd."
"Jawel, juffrouw, dat willen we ook wel," zeide Paul verlegen,
"maar Lena is gevallen en kan niet opstaan."
"Lieve goedheid, heeft het kind een ongeluk gekregen!" riep een andere
vrouw ontsteld uit. "Wat moet je nu beginnen?"
"Arme schapen," zeide de dikke juffrouw, medelijdend haar
hoofdschuddend. "Waar woon je?"
Paul noemde de straat.
"Dat is een heel eind hier vandaan," hernam zij. "Hoe kom je thuis?"
Dat was iets hetwelk Paul evenmin wist, en hij was op 't punt om in
tranen uit te barsten, toen de deur der mooie woning geopend werd,
en een deftige knecht naar buiten kwam om te vragen, wat er toch te
doen was.
De dikke juffrouw vertelde hoe ongelukkig de kinderen er aan toe waren,
en terstond daarop verdween de knecht weer.
"Die leelijkerd," riep een schoenmakersjongen uit, die er ook naar
stond te kijken, in plaats dat hij de boodschappen voor zijn baas
deed. "Waarom gaat hij nu weer weg?"
"Stil, jongen, hij zal het nu aan zijn mijnheer en mevrouw gaan
vertellen," vermaande de juffrouw. "Hij is toch de baas niet en kan
ze op zijn eigen houtje niet helpen."
't Was juist, zooals de juffrouw dacht. De kinderen, die Lena zoo
bewonderd had, hadden het troepje menschen gezien en het aan hun mama
verteld; deze had nu aan Teunis den knecht gezegd eens te gaan kijken
wat er gebeurd was; en toen hij vertelde, dat een meisje zich zoo erg
bezeerd had, dat het niet op kon staan, riep het jongste dochtertje:
"Och, ma, mag ze hier in huis komen; hoe akelig om daar op de stoep
te liggen, als ze zoo'n pijn heeft!"
"Wel zeker, Elsa," antwoordde mevrouw Doornhof vriendelijk. "Teunis
moet maar vragen of Betje hem helpt; dan kunnen ze het arme kind naar
binnen brengen."
Heel gauw ging de huisdeur weer open en verschenen Teunis en Betje
op de stoep.
"Kom, jongen, ga jij eens op zijde," zeide Betje tot Paul, "we zullen
je zusje eens naar binnen brengen."
"Neen, neen!" riep Lena angstig. "Laat me hier maar liggen, want je
doet me zeker ook pijn! O, was ik maar bij moeder!"
"Hoor eens, kind, geen gekheid," zeide Teunis nu, terwijl hij een heel
boos gezicht zette. "Als mijn mevrouw zegt dat ik je naar binnen moet
brengen, dan breng ik je naar binnen, al kwamen je moeder, vader en
al je ooms en tantes er aan te pas!"
Lena keek Teunis heel verschrikt aan en durfde niets meer zeggen.
"Och, kind, maak je maar niet benauwd," zeide Betje nu om haar te
troosten; "je zult het wel aardig vinden, als je binnen bent."
Voorzichtig pakten beiden het meisje nu op en droegen haar zoo
handig de stoep op en de deur in, dat zij waarlijk bijna geen pijn
gevoelde. Een oogenblik later lag zij op een gemakkelijke canapé
in de kamer, waar mevrouw Doornhof en haar dochtertjes waren, en
bemerkte nu dat zij 't veel beter had, dan wanneer zij op de stoep
was blijven liggen.
"Hoe is 't nu? Lig je wel gemakkelijk, kindlief?" vroeg mevrouw
Doornhof. "Straks komt de dokter; ik heb er Teunis al naar toegestuurd,
die zal dan wel vertellen wat er aan scheelt."
"O, ik lig hier heerlijk, mevrouw," zeide Lena fluisterend, "maar
waar is Paul?"
"Wie is Paul?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd.
"Paul is mijn vriendje," vertelde Lena; "hij woont bij ons in huis."
"O, die jongen, die naast je op de stoep zat?" riep Elsa uit. "O,
Maatje, dat is de jongen met den aap!"
"Wat voor jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die er niets van
begreep. "Een aap?"
"Ja, Maatje; hij komt hier wel voorbij en dan laat hij een lief
klein aapje allerlei kunsten doen," vertelde Elsa opgewonden. "O,
't is zoo'n aardige jongen en zoo'n aardige aap!"
"En waar is hij nu?" vroeg mevrouw Doornhof.
"Zeker weggegaan," zeide Elsa, terwijl zij naar het raam liep. "'t
Is al erg donker op straat; ik kan niets meer zien."
"Hij is zeker aan je moeder gaan vertellen, wat er gebeurd is,"
zeide mevrouw Doornhof tot Lena; "anders zou zij te erg schrikken,
als je zoo thuis kwaamt."
"Wanneer mag ik naar moeder toe?" vroeg Lena verlangend.
"Dat zullen we aan den dokter vragen," zeide mevrouw Doornhof; en
daar deze juist binnenkwam, durfde Lena niets meer zeggen.
De dokter onderzocht het meisje, vroeg hoe zij gevallen was en keek
heel ernstig.
"Wel, dokter, hoe denkt u er over?" vroeg mevrouw Doornhof.
"Ja, mevrouw, de kleine is erg te land gekomen," antwoordde hij
ernstig: "ze mag vooreerst niet vervoerd worden!"
"Welzoo, dat ziet er gek uit," zeide mevrouw Doornhof, "dan moet ze
maar bij ons blijven, totdat ze beter is."
"Ja, mevrouw, ze heeft haar rug ernstig bezeerd; maar als er goed
voor haar gezorgd wordt, dan kan het geen kwaad," antwoordde de dokter.
"Ik wou zoo graag naar moeder," snikte Lena.
"Hoor eens, beste meid, als je nu gauw beter wilt worden, dan moet
je niet bedroefd zijn," zeide mevrouw Doornhof. "Je moeder mag hier
dikwijls komen, en zij zal het wel heel goed vinden."
"En Paul en Cesar!" snikte Lena weder.
"Die mogen ook komen," verzekerde mevrouw Doornhof haar. "Schrei nu
maar niet zoo."
Bij deze woorden helderde het bedroefde gezichtje van Lena wat op,
en nu nam de dokter afscheid en werd door mevrouw uitgelaten.
Toen de goedhartige dame weer in de kamer kwam, zag zij, dat Elsa
haar best deed om Lena wat op te vroolijken. Zij liet heur poppen
zien, die zoo mooi waren dat Lena er bijna niet durfde aankomen,
en babbelde zoo aardig, dat mevrouw Doornhof er zelf schik in had.
"'t Is bedtijd, Elsa," zeide zij echter. "Morgen komt er weer een dag,
en dan kun je met.... Ja, kindlief, hoe heet je toch?"
"Ik heet Lena," zeide deze vriendelijk.
"Nu, dan kun je met Lena zooveel praten als je wilt."
"En hoef ik dan niet naar school!" riep Elsa uit, terwijl zij van
verrukking heen en weder danste.
"Eerst naar school, en dan met Lena praten," zeide mevrouw Doornhof
glimlachend. "Wel, kleintje, ik dacht, dat je zoo graag naar school
gingt."
"O, jawel, maar zoo elken dag is wel wat veel," bekende Elsa, die
erg graag met de poppen speelde.
Lena werd nu naar een achterkamer gebracht, uitgekleed (het nachtgoed
van Elsa's zusje Lina paste haar precies) en in een ledikantje plat
op de matras gelegd.
Toen dit alles gedaan was en het meisje ondanks het verlangen naar
haar moeder gerust was ingeslapen, keerde mevrouw Doornhof naar de
zijkamer terug, waar haar ander dochtertje, de twaalfjarige Lina aan
de tafel haar les zat te leeren.
"Lina!" zeide mevrouw Doornhof.
"Wat is het, ma?"
"Vind je, dat je van avond lief bent geweest?"
"Ik heb toch mijn schoolwerk af en ken mijn les bijna, ma. Wat... heb
ik... dan gedaan?" vroeg Lina onrustig.
"Waarom heb je dat arme meisje in het geheel niet eens
toegesproken?" zeide haar mama.
"Och, ma, dat arme kind!" riep Lina uit. "Waarom moet ik mij met zoo'n
kind bemoeien?" En waarlijk daar trok ons nufje haar klein neusje op,
zoo hoog als zij kon.
"Denk je, dat je zooveel beter bent dan dat arme kind?" vroeg mevrouw
Doornhof.
"Ik ben toch heel anders," zeide Lina koppig. "Ik ben netjes aangekleed
en..." Zij durfde niet voortgaan.
"Maar, Lina: weet je wel hoe het komt, dat jij altijd mooie jurken
aan kunt hebben?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig. "Als wij eens arm
werden, en dat kan heel best gebeuren, zou je ook eenvoudig gekleed
moeten gaan. En hoe zou je het dan vinden, als je vriendinnetjes
even zoo tegen je deden als jij tegen Lena? Ga nu naar bed, Lina;
't spijt me dat je zoo onhartelijk bent."
Een uur later kwam de moeder van Lena heel verschrikt bij mevrouw
Doornhof aan. Toen zij hoorde, dat Lena gerust sliep, had zij zich
tevredengesteld met mevrouw Doornhof even in de kamer te gaan, waar
haar dochtertje lag, en was zij, zonder het meisje wakker te maken
weggegaan. Zij vroeg verlof om den volgenden dag weerom te komen,
en mevrouw Doornhof zeide haar dat zij zoo dikwijls mocht komen,
als zij wilde, totdat het meisje beter was.
II.
PAUL ZOEKT LENA OP.
Of Lena ook raar opkeek, toen zij den volgenden morgen wakker
werd! Eerst begreep zij maar niet, waar zij was, en herinnerde zij
zich niet dadelijk wat er met haar gebeurd was; maar toen zij overeind
wilde gaan zitten, en zij dat niet kon, omdat haar rug haar zulk een
pijn deed, schoot alles haar te binnen.