De juffrouw kwam de slaapzaal binnen, terwijl Kee nog steeds stond

te niezen.

"Je bent erg verkouden, Kee," zeide zij bezorgd. "Je moet vanavond

maar eens vroeg naar bed gaan."

"Als je blieft niet, juffrouw!" riep Kee verschrikt uit. "Ik moet

alleen maar niezen, maar dat is niets."

"Neen, neen, jij kruipt vanavond maar eens om halfacht onder de wol,"

zeide zij beslist, en verliet het vertrek weer nadat zij iets uit

een lade had gekregen.

"Dat is nu jouw akelige schuld," zeide Kee, terwijl zij Mies een

por gaf.

"Kan ik het helpen, dat het in jouw neus vloog," riep Mies

verontwaardigd uit. "Had je neus dan dichtgehouden!"

"Je bent altijd zoo wild," pruttelde Kee; "nu moet ik vroeg naar bed."

"Dan kun je meteen eens lekker uitslapen," meende Jet.

"Ik heb geen slaap," bromde Kee.

"Laten we nu naar beneden gaan, anders gaat het speeluur voorbij,

zonder dat wij gespeeld hebben," riep Jeanne uit. "Dan kan Jo ook

meegaan."

"Nora komt nu zeker boven snoepen," zeide Mies, terwijl zij in een

hartelijk gelach uitbarstte.

"Houdt je dan toch stil, lachebek!" duwde Jet haar toe.

Weldra was ons clubje met Jo buiten en speelde krijgertje, dat het

een lust was om aan te zien.

Nora was, zoodra als Jo haar los had gelaten naar boven gesneld,

waar zij zich braaf aan de lekkernijen te goed deed, weinig denkende

wat haar boven het hoofd hing.

's Avonds om halfacht werd Kee door de juffrouw er aan herinnerd, dat

zij vroeg naar bed zou gaan, en hoe smeekend zij de dame ook aankeek,

er hielp niets aan, zij was zoo goed niet of zij moest naar boven

gaan, en tot overmaat van verdriet ging een der secondantes mee om

er haar lekker warm onder te stoppen.

"Maar, juf, ik zal stikken, als u het dek zoo instopt," klaagde Kee,

terwijl zij alle moeite deed om haar handen boven te krijgen.

"Luister eens, Kee," zeide de juffrouw overredend, "als je er nu goed

onderkruipt, ben je zeker morgen weer beter; je moet uitwasemen."

"Maar ik ben niet ziek, en dus hoef ik niet beter te worden," bromde

Kee, onrustig heen en weder draaiend.

"Je schijnt wel wat koortsig te wezen," zeide de juffrouw haar hand

op Kee's voorhoofd leggend. "Nu, ik zal wat voor je halen; blijf maar

stil liggen."

De juffrouw verliet haastig de zaal en liet Kee alleen met haar

gebrom en verdriet. Aanstonds ging deze nu overeind in bed zitten en

gooide de dekens zoo ver van zich af, als zij kon: 't was warm weder,

en dus begrijpt ge, dat zij niets op dat dek gesteld was. Uit bed

durfde zij echter niet komen, want zij vreesde dat de juffrouw nog

wel eens boven zou komen kijken. Zuchtend en pruttelend zat zij dus

met de knieën tegen haar kin gedrukt en haar armen er omheen.

"Maar, Kee, ben je nu niet verstandiger om zoo te woelen!" riep de

juffrouw, die terugkwam met een kopje warme lindebloesemthee in de

hand. "Gauw, drink dit eens leeg; dat zal je goeddoen!"

"Och, juf, ik zal smelten, als ik dit gloeiende goed moet drinken,"

jammerde Kee. "U vindt morgenochtend niets dan een plas in bed."

"Kom, kom, geen gekheid, drink dit maar eens gauw leeg," zeide de

zorgzame dame, terwijl zij Kee het kopje aan den mond zette en haar

dwong het leeg te drinken.

"En nu er onder. Ziezoo, blijf nu stil liggen en probeer maar of je

in slaap kunt komen."

Met deze woorden verliet de juffrouw haar, en Kee bleef alleen

achter. De zon scheen nog zoo heerlijk en zij hoorde, hoe de meisjes

op de speelplaats lachten en pret hadden, terwijl zij daar zoo in

bed lag... en groote tranen vloeiden langs haar wangen. Zij snikte

uit overmaat van droefheid en had niet gemerkt, dat iemand uit het

kabinetje in de slaapzaal was gekomen, en haar medelijdend stond aan

te kijken.

"Ben je ziek, Kee?" vroeg een stem.

"Neen, niet ziek, maar... o.. maar, ..." snikte Kee.

"Waarom lig je dan in bed?"

Nu keek Kee op en zag, dat het Nora was, die haar toegesproken had

en nu naderbij kwam.

"O, ben jij het," riep Kee uit.

"Nu, ja, ik mag je toch wel wat vragen," zeide Nora beschroomd.

"Eet jij je lekkers maar op," hernam Kee, en barstte, terwijl de tranen

van verdriet nog aan haar wimpers hingen, in een luid gelach uit.

Verwonderd keek Nora haar aan en begreep niet waarom Kee nu zoo

ging lachen.

"Wil je er ook wat van?" vroeg zij op fluisterenden toon.

"Dank je, eet jij je lekkers maar alleen op," zeide Kee; "jij behoeft

niet mee te deelen!"

"O, maar ik heb er zoo'n spijt van," bekende Nora nederig. "Als je

maar een klein stukje wildet nemen, zou ik het prettig vinden!"

"Maar ik niet!" riep Kee uit, denkende aan de sjalappenpoeder. "Eet

jij zelf je appelbollen maar op!"

"Hé, hoe weet je, dat er appelbollen bij waren?" vroeg Nora verwonderd.

"Och, dat denk ik maar zoo," zeide Kee verlegen, omdat zij zich zoo

verpraat had. "Waren er dan geen appelbollen bij?"

"Jawel, en die heb ik al opgegeten," zeide Nora, "want die worden zoo

gauw oudbakken. Maar de bolussen zijn er nog. Wil je er een? Och toe,

doe het maar!"

"Dank je wel, ik mag ze niet eten, want de juffrouw zegt dat ik ziek

ben," antwoordde Kee.

"Zou je het anders wel doen?" vroeg Nora.

"Misschien," zeide Kee aarzelend.

"Neem dan een halven bolus," drong Nora, terwijl zij de trommel haastig

uit het kabinetje haalde en op den stoel naast het bed nederzette.

"Neen... neen..." riep Kee, toen Nora haar een bolus in den mond

stopte, "ik... ik..." maar zij kon niets meer zeggen, want Nora hield

niet op en duwde net zoolang aan den bolus, totdat Kee, om niet te

stikken, begon te kauwen.

"Smaakt hij lekker?" vroeg Nora, haar met zelfvoldoening aanziende.

Kee had haar mond veel te vol om op deze vraag te kunnen antwoorden,

maar knikte even.

"Wil je er nog een?" vroeg Nora.

"Neen, neen... ik wil niets meer hebben!" riep Kee uit.

"Wil je aan Jet en Jeanne, en Mies, en Jo ook zeggen, dat het mij

zoo spijt dat ik zoo onaardig ben geweest?" vroeg Nora nu. "En wil

je nu ook weer goed op mij zijn?"

Kee wist niet goed, wat zij zeggen zou, en zweeg dus.

"Wil je het niet zeggen?" vroeg Nora bedroefd.

"Waarom zeg je het zelf niet?" vroeg Kee op haar beurt.

"Och, ze loopen altijd weg, als ik ze aan wil spreken," vertelde Nora.

"Dat is je eigen schuld," zeide Kee.

"Jawel, maar als Jo aan haar sommen geholpen moet worden, dan spreekt

ze wel," riep Nora uit. "Vanmiddag nog was ze heel goed op me en

vroeg ze mij of ik haar wou helpen."

"Dan zal ik haar zeggen, dat ze 't je niet meer moet vragen,"

antwoordde Kee, na zich even bedacht te hebben.

"Och neen, neen, doe dat niet!" riep Nora verschrikt uit; "ik wou,

dat jullie allemaal goed op mij werd!"

Kee zat nu wel een weinig in den brand, want 't was op het oogenblik

toch al te gek om vrede te sluiten. Het antwoord werd haar echter

bespaard, want de juffrouw kwam weer boven om eens te zien hoe 't

met Kee was.

"O, Nora, doe de trommel met lekkers weg," zeide zij berispend,

"je zult er Kee toch wel niets van willen geven; het staat niet mooi

haar er mee te plagen."

Nora kreeg een vuurroode kleur van schaamte en maakte zoo gauw

mogelijk, dat zij met haar schat in het kabinetje kwam. Toen de

juffrouw zag, dat Kee stil was blijven liggen ging zij tevreden heen,

en riep Nora nog toe, dat zij over een kwartiertje beneden moest komen,

want dat zij dan haar avondboterham moest eten.

"En die krijg ik ook niet," zuchtte Kee, toen de juffrouw vertrokken

was.

"O, dat is niets!" riep Nora, die dezen uitroep gehoord had. "Je moogt

al de bolussen opeten; er zijn er nog vier in!" Zij kwam weer met de

trommel aansjouwen en zette haar op den stoel naast het bed van Kee.

Kee, hoeveel zij anders van bolussen hield, was nu met het vooruitzicht

op deze smulpartij volstrekt niet gediend, want ze herinnerde zich met

schrik dat Mies de rest uit het zakje over de bolussen had gestrooid.

"Neen, ik heb nu geen trek in de bolussen," zeide zij; "ik zou ze

maar weggooien!"

"Weggooien!" riep Nora uit, terwijl zij Kee aankeek, alsof zij meende,

dat deze gek was geworden.

"Wel ja, weggooien," herhaalde Kee; "je eet je anders nog ziek aan

al die snoeperij."

"Kom, jij lust het ook wel!" riep Nora ongeloovig uit. "Zoo gek zal

ik niet zijn!"

"Nu, ik wil ze niet hebben," hernam Kee; "ik heb er aan één genoeg!"

"Dan zal ik vragen, of Jet, Mies, Jeanne en Jo er ieder een willen

hebben!" riep Nora eensklaps uit. "Als we naar bed gaan, zal ik

het doen!"

"Och, ze houden er zoo erg veel niet van," zeide Kee, "en.."

Daar luidde de schel, en Nora had nog even tijd om de trommel weg te

brengen, toen er al voor de tweede maal gescheld werd.

Natuurlijk kon Nora weer niet eten, want waar een paar appelbollen

zitten, daar is geen plaats voor een boterham. Ditmaal echter bedankte

zij niet, zooals anders, maar trachtte haar ongemerkt onder haar

boezelaar te verbergen.

"Wat gaat Nora nu uitrichten?" vroeg Mies fluisterend aan Jeanne,

die ook met verwondering Nora's handeling gezien had.

"Ik weet niet; zou ze die in bed op willen eten?" vroeg Jeanne

halfluid.

"Wat voer je uit?" vroeg Jo haar halfluid.

"St!" verzocht Nora, terwijl zij haar smeekend aanzag, "'t is voor

Kee!"

"Waar komt die lievigheid zoo in eens vandaan?" pruttelde Jeanne.

"Kom wees nu stil," verzocht Jo haar; "wat kan 't je schelen!"

"Ja, ze heeft jou aan je sommen geholpen, en daarom ben je nu goed

op haar," bromde Mies.

"Wel, dat vond jullie immers allemaal goed," zeide Jo driftig terug,

"en..."

"Meisjes, niet zoo fluisteren onder elkaar," riep de onderwijzeres nu;

"als je wat te vertellen hebt, zegt het dan hardop."

Nu zwegen zij en aten in vrede haar boterhammen op, waarna het

bedtijd werd. Nora ontsnapte het eerst en snelde naar boven, waar

zij Kee reeds half in slaap vond, die niet wist wat haar overkwam,

toen Nora haar een reepje brood in den mond stak.

"He... e... wat is dat?" vroeg Kee slaperig.

"Eet maar op," antwoordde Nora, die zich gereed maakte om een tweede

reepje in Kee's mond te doen verhuizen.

Nu kwamen ook anderen boven en stormden de slaapzaal in.

"Wat doe jij hier?" was het eerste wat Mies zeide, zoodra zij Nora

zag. "Blijf jij in het kabinetje!"

"Ja, we kunnen je missen als kiespijn," voegde Jet er bij.

"Ik gaf dit maar even aan Kee," zeide Nora aarzelend.

"Niet noodig," meende Jeanne, "als ze wat wil hebben zullen wij het

haar wel geven!"

"Ik zou het zoo prettig vinden als jullie goed op mij wildet zijn,

en ik met jullie mee mocht spelen," hernam Nora.

"Dat wil ik wel gelooven," zeide Mies snibbig, "je vindt het zeker

erg vervelend om zoo alleen te zijn; 't is je verdiende loon."

"Maar als Nora goede vrienden wil worden, dan behoef jij niet zoo

bijdehand te zijn," meende Jo. "Jij bent ook zoo'n heilig boontje

niet."

"Dat is best mogelijk, maar ik ben toch nooit zoo'n schrok geweest

als Nora," verdedigde Mies zich.

"Omdat je nooit zulke groote trommels met lekkers hebt gekregen,"

zeide Kee die aldoor gezwegen had.

Nora ging dien avond naar bed, wel in haar schik dat zij nu op weg

was om met de andere meisjes goede vrienden te worden, ja zij neuriede

onderwijl, en had van pleizier wel willen dansen.

III.

WAT DE BEDIENDE VAN DEN DROGIST VERTELDE.

't Was nog heel vroeg in den morgen toen Kee ontwaakte door een verward

gedruisch van stemmen, en het heen en weer loopen van menschen. Haastig

sprong zij uit het bed en toen zij om het hoekje der kamerdeur keek,

zag zij hoe de juffrouw over het ledikant van Nora stond heengebogen.

"Wat een spektakel," dacht Kee, "om zoo'n lawaai te maken over wat

pijn in het lijf!"

Toen zij echter nog even bleef luisteren bleek het haar dat het iets

anders was, waarover Nora klaagde, en zij zag het gezicht van het

meisje dat doodsbleek en angstig stond.

"Wat zou haar toch schelen?" zeide Kee halfluid.

"O, Kee, ben jij daar," riep de juffrouw uit, "ga eens naar beneden

en vraag of mevrouw eens boven komt, want dat Nora zoo ziek is."

"Dadelijk juf," riep Kee uit, en snelde naar de slaapzaal, waar zij de

andere meisjes wakker schudde, en zoo gauw mogelijk naar beneden liep.

Heel spoedig kwam Kee met mevrouw boven die aanstonds in het kabinet

ging.

"'t Beste is dat de dokter eens naar haar komt kijken," zeide mevrouw,

nadat zij een oogenblik had gezwegen. "Zeg eens Nora, wil je ook

iets hebben?"

"Neen... neen... O, ik ben zoo naar," fluisterde het meisje.

"Als u nu zoolang bij haar blijft, juffrouw, dan zal ik iemand naar

dokter van Beek sturen," hernam mevrouw.

Dokter van Beek kwam al, toen de overige leerlingen nog aan het

ontbijt zaten, en had de patiënte oplettend waargenomen en verscheidene

vragen gedaan.

Op de groote slaapzaal gekomen, zeide mevrouw Beerman:

"Wat denkt u van de zieke, dokter? Het is toch niet gevaarlijk?"

"Gevaarlijk juist niet, mevrouw, maar ik zou wel eens willen weten

of zij ook 't een of ander gebruikt kan hebben dat schadelijk is,"

antwoordde dokter van Beek.

"Zij heeft gegeten wat de andere meisjes ook gebruikt hebben, dokter,"

zeide mevrouw Beerman.

"Anders niets?"

"Wacht, daar herinner ik mij dat zij van huis een trommel met lekkers

heeft gekregen!" riep mevrouw Beerman uit. "Wilt u het zien?" Zonder

het antwoord af te wachten ging zij naar het kabinetje om den schat

te halen.

"Bolussen en suikergoed," zeide de dokter, toen de trommel voor hem

stond. "Misschien is het suikergoed wel gekleurd, en heeft ze verf

binnen gekregen!"

Hij schudde de zak leeg maar zag dat het best fijn suikergoed was

zonder kleuren.

"Neen, dat is het niet," zeide mevrouw Beerman, "maar kan er ook

iets in die bolussen zijn? Misschien heeft er nog wel meer lekkers

ingezeten. Juf! juf!" riep zij halfluid, "weet u ook wat er nog meer

in de trommel was?"

"Ja, mevrouw, er waren ook appelbollen in, maar die heeft zij het

eerst opgegeten."

"Dan was er zeker 't een of ander in die appelbollen," meende

Mevrouw Beerman, terwijl zij den dokter vragend aankeek, die den

bolus oplettend bekeek.

"Best mogelijk, mevrouw, maar hier op dien bolus is ook iets gestrooid

dat er niet ophoort," antwoordde dokter van Beek. "Ik neem dien bolus

mee, en zal onderzoeken wat er op ligt."

Toen mevrouw Beerman beneden kwam vroegen al de meisjes om strijd hoe

't met Nora was.

"Zij is volstrekt niet goed," antwoordde zij ernstig, "gaat nu naar

school, want de lessen beginnen."

Jet, Kee, Mies, Jeanne en Jo keken elkander aan, en zij begrepen

volstrekt maar niet hoe 't kwam dat Nora zoo ziek was en maakten

zich niet ongerust, want zij dachten dat het wel gauw weer in orde

zou komen.

"Wel ja, wat pijn in 't lijf enzoovoorts! zooals die jongen bij den

drogist zei," riep Mies lachend uit.

"Maar ze ziet zoo wit als een laken en kijkt volstrekt niet op,"

merkte Jo aan.

"Kom, maak jij je werk maar," beet Kee haar toe, die wel wat ongerust

was, en ook zoo'n vreemd gevoel bij haar maag had. Zeker van dien

bolus, dacht zij.

Terwijl de lessen druk aan den gang waren werd mevrouw Beerman

onverwacht geroepen, in 't eerst schrikte zij niet weinig, want zij

dacht ook niet anders of Nora was erger geworden, maar toen zij

hoorde dat er een jongmensch was om haar te spreken was zij weer

gerustgesteld, en ging zij gauw naar beneden.

"Wat is er van uw dienst?" vroeg zij, toen zij de spreekkamer

binnenkwam.

"Och mevrouw, 't was heusch niet exprès, en 't was erg dom van mij,"

begon hij stotterend, "maar..."

"Wat dan?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd.

"Toen de jongejuffrouwen zoo vroeg in den winkel kwamen, en... en..."

"Welke jongejuffrouwen? En wie ben je dan toch?"

"Och mevrouw, ik ben bediende bij den drogist, weet u. De drogist hier

op 't dorp," zeide hij verlegen, "maar ik ben er eerst acht dagen,

en dan kunt u wel begrijpen dat ik niet precies weet waar alles staat,

niet waar? Zou u dat zoo gauw kunnen weten?"

"Zeg nu liever wat de jongejuffrouwen hier bij te pas komen,"

zeide mevrouw Beerman ongeduldig, "want je spreekt toch zeker over

kostleerlingen van mij!"

"Juist, mevrouw," antwoordde hij, "en 't eene meisje vooral was erg

vroolijk, want zij lachte aldoor. Misschien lachte zij mij wel uit,

denkt u ook niet, mevrouw? Of 't kon ook om den patroon zijn, die met

de slaapmuts op om den hoek kwam kijken! Dat was erg gek van hem, hé?"

"Als je me nu niet gauw zegt, wat je te vertellen hebt dan verzoek

ik je vriendelijk mij niet langer op te houden," riep mevrouw Beerman

boos wordend uit, en keerde zich half om.

"Een oogenblikje, mevrouw, wij zijn nu zoo mooi op weg," zeide hij

smeekend, "een vergissing kan iedereen overkomen, en dus is 't zoo

erg niet dat 't mij gebeurd is, en dat ik in plaats van sjalappen,

een ander poeder gegeven heb. 't Ziet er precies eender uit! Zie maar

eens mevrouw," en hij haalde twee opgevouwen papiertjes uit zijn zak

die hij opendeed en op de tafel neerlegde.

"En dus hebben een paar van de meisjes sjalappenpoeder bij je

gehaald?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd.

"Excuseer, mevrouw, zij hebben er wel om gevraagd, maar ik heb haar

bij ongeluk dit gegeven," zeide het jongemensch.

"En wanneer is dat gebeurd?" vroeg mevrouw Beerman belangstellend.

"Gisterenochtend, om zeven uur al," antwoordde hij. "Toen kwamen de

twee jongejuffrouwen de boodschap doen, en 't spijt mij erg dat ik

de verkeerde poeder gaf!"

"Zoo... zoo..." antwoordde mevrouw Beerman langzaam. "En zou je mij

kunnen aanwijzen wie het zijn geweest?"

"Als ik ze zag zeker," riep de angstige jongen aanstonds uit.

"Wacht dan even," zeide mevrouw Beerman, "straks gaan ze naar een

ander lokaal en dan komen ze allemaal hier voorbij. Hoe oud denk je

dat ze waren?"

"Een jaar of elf," antwoordde hij na zich even bedacht te hebben.

Mevrouw Beerman trok aan een schel en aanstonds hoorde men een

getrappel en kwamen de meisjes naar beneden.

Heel spoedig wees hij Jeanne en Mies aan, die niet vermoedden wie

haar zag.

Nadat het jongemensch, onder veel verontschuldigingen, was weggegaan,

liet mevrouw Beerman Mies en Jeanne roepen. Deze, die niet begrepen

wat mevrouw haar te zeggen kon hebben, stonden weldra in de kamer.

"Meisjes, ik zou wel eens willen weten wat jullie gisterenmorgen om

zeven uur bij den drogist hebt gedaan?" zeide zij haar doordringend

aanziende.

Geen van beiden gaf antwoord.

"Nu, weest zoo beleefd om mij te antwoorden," zeide de onderwijzeres

streng. "Wat deed je bij den drogist?"

"Een boodschap, mevrouw," antwoordde Mies gevat.

"Juist, je haaldet sjalappenpoeder," zeide mevrouw Beerman, "en nu

zul je mij dadelijk vertellen, waarom je dat deedt."

Nu zeide Mies ook geen woord en zweeg evenals Jeanne.

"Jeanne, waarom haalde je dat poeder?" vroeg mevrouw nogmaals. "Als

je niet antwoordt zal ik je voorbeeldig straffen."

"Om in te nemen," zeide Mies weer.

"Zelf hebt je het niet ingenomen," hernam mevrouw Beerman, "dus

was 't voor iemand anders. Waarom heb je het over Nora's bolussen

gestrooid?" dit zeide zij eensklaps en keek de meisjes strak aan.

"Om... ik... ja.." stotterde Jeanne, die erg schrikte.

"En jullie hebt het ook in de appelbollen gedaan," hernam mevrouw

Beerman bepaald.

"Nu ja, mevrouw," riep Mies uit, "dat hebben wij gedaan, omdat ze

zoo'n schrok was!"

"Hoe vreeselijk ondeugend," zeide mevrouw Beerman het hoofd

schuddend. "Je weet zeker niet dat het geen sjalappenpoeder was dat

je gekocht hebt."

"Neen, mevrouw, 't was sjalappenpoeder!" riep Mies uit, "de jongen

in den winkel zei het zelf."

"Ik heb hem zoo juist hier gehad, en hij zeide dat hij zich vergist

had, en je iets anders gegeven had," zeide mevrouw Beerman, "en dat

andere is zeer schadelijk; 't is iets waar Nora nu zeker ziek van is!"

De meisjes keken erg bedrukt. Zoo hadden zij het niet bedoeld, zij

hadden alleen Nora maar eens een onpleizierigen nacht willen bezorgen,

maar haar geen nadeel willen toebrengen.

"Nu, meisjes, je begrijpt wel, dat je in het speeluur niet naar buiten

behoeft te gaan," zeide mevrouw Beerman. "Ik zal jullie later wel

zeggen welke straf je zult krijgen."

Zij ging uit de kamer en liet de meisjes alleen.

"Wat een nare flauwe, akelige jongen!" riep Mies uit die het eerst

weer op het verhaal kwam. "Om hier bij mevrouw zoo'n wit voetje te

willen hebben en alles te komen vertellen! Ik wou dat ik hem hier had!"

"Ik vind dat de anderen ook gestraft moeten worden," meende Jeanne

knorrig. "Ze hebben er evenveel schuld aan als wij!"

"Wat helpt ons dat?" vroeg Mies schouderophalend, "als jij gaat klikken

ben je net zoo flauw als die jongen! En wij hebben er toch het meeste

schuld aan en wij hebben er ook het meeste pleizier van gehad!"

"Omdat we nu toevallig naar dien winkel zijn gegaan," zeide Jeanne

pruilend, "als we allemaal straf kregen kon 't mij niet schelen,

maar nu zoo wij alleen!"

"Je valt me erg tegen, Jeanne," riep Mies verontwaardigd uit, "maar

als je het klikt dat de anderen ook mee hebben gedaan dan zul je je

pleizier in het vervolg wel aankunnen!"

Weldra kwam de dokter, die den bolus onderzocht had en wist wat er

aan scheelde, nog eens kijken.

"U moogt wel naar haar mama schrijven, mevrouw," zeide hij, "dat

zij niets meer bij dien banketbakker laat halen, want ze zijn daar

erg onvoorzichtig."

"Veroordeel dien banketbakker niet, dokter!" antwoordde mevrouw

Beerman. "Die man heeft er geen schuld aan!"

"Dat is vreemd, mevrouw, want Nora is bepaald ziek geworden van het

poeder, dat er over de bolussen en in de appelbollen gestrooid was,"

zeide dokter van Beek.

"Ik weet het al, dokter," zeide mevrouw Beerman, en verhaalde het

bezoek van den bediende van den drogist en hetgeen Mies en Jeanne

gezegd hadden.

"Ondeugende meisjes, mevrouw," riep dokter van Beek hoofdschuddend uit,

"ze konden elkander op die manier wel vergeven."

"Ze zullen ook voorbeeldig gestraft worden, dokter," zeide mevrouw

Beerman vastberaden. "En wat zegt u nu van de zieke?"

"Ik hoop dat zij weer over een paar dagen hersteld zal wezen, mevrouw,

maar haar geheele gestel is in de war en vooral haar maag, dus zal

zij zich zeer in acht moeten nemen en geen snoeperij eten," hernam

dokter van Beek. "Zij gevoelt zich nu erg ziek en geen wonder!"

De dokter vertrok en even daarna kwam mevrouw Beerman in de kamer waar

Jeanne en Mies waren, die met treurige gezichten voor de ramen stonden

te kijken waar de vriendinnetjes druk speelden. Jet, Kee en Jo begrepen

maar volstrekt niet waarom Mies en Jeanne niet beneden mochten komen,

en verdiepten zich in allerlei gissingen wat of er gebeurd kon wezen.

"Luistert, meisjes," zeide mevrouw Beerman, toen zij de kamer

binnenkwam, "ik moet eens ernstig met je spreken. Hetgeen je gedaan

hebt is zoo ondeugend, zoo ongeloofelijk stout, dat ik van plan ben

een brief aan je ouders te sturen, en hun te melden dat ik je niet

langer op school wil hebben!"

"O, mevrouw!" riep Jeanne vreeselijk geschrikt uit, "asjeblieft geen

brief naar huis!"

"Welzeker Jeanne, hoe durf je zoo iets vragen," zeide mevrouw Beerman

streng. "Denk eens hoe je ouders het zouden vinden als andere meisjes

jou hadden gedaan wat jij aan Nora hebt bezorgd!"

Jeanne barstte in tranen uit, en snikte als zou haar hart breken.

"Jou treft hetzelfde lot, Mies," zeide mevrouw Beerman tot haar.

"Dat begrijp ik, mevrouw," antwoordde deze, "'t spijt mij erg dat

Nora zoo ziek is geworden, dat hadden wij niet bedoeld. Ik mag haar

zeker nog wel eens spreken voor wij weggaan?"

"Jawel, daar heb ik niets tegen als de dokter het goed vindt," zeide

mevrouw Beerman, die erg verwonderd was dat de vroolijke, onnadenkende

Mies, de zaak zoo geheel anders opnam dan Jeanne, Jeanne toch bezielde

alleen de vrees voor de straf, en den angst dat haar ouders er achter

zouden komen, terwijl zij duidelijk bemerkte dat Mies het meeste

spijt had dat Nora zoo ziek was geworden, en de straf rechtvaardig

scheen te vinden.

Zij verliet hierop het vertrek, en vertelde aan al de schoolmeisjes

hetgeen er gebeurd was en wie er schuldig aan waren.

Jet, Kee en Jo waren er natuurlijk ook bij, en keken niet weinig vreemd

op, toen zij hoorden welk lot Jeanne en Mies boven het hoofd hing.

"Ja maar, mevrouw, dat is niet eerlijk!" riep Jet uit die het eerst

woorden bij de hand had.

"Neen, neen, Jeanne en Mies hebben niet alleen de schuld," voegde

Kee er aanstonds bij.

"Maar, meisjes, wat bezielt jullie toch?" vroeg mevrouw Beerman

ongeloovig, "hoe durf je zeggen dat ik niet eerlijk handel?"

"Omdat het onze schuld even goed is," zeide Jet, terwijl zij Kee en

Jo naar voren trok, "wij hebben het met elkaar afgesproken, alleen

hebben Jeanne en Mies de boodschap gedaan!"

Mevrouw Beerman zweeg een oogenblik en zeide toen tot de meisjes,

dat zij bij Mies en Jeanne in de kamer moesten gaan.

Klimop: Drie verhalen voor jongens en meisjes · 第 4 / 7 段