de oudste juffrouw vriendelijk; "ga zitten, dan zal ik je een kopje
thee inschenken."
"Heel graag, juffrouw!" antwoordde vrouw Berens. "Wat is 't vandaag
mooi weer. Ik hoef niet te vragen of de juffrouwen gezond zijn,
want ze zien er uit als rozen."
"Kom, kom, baker, nu zet je ons in het zonnetje!" schertste de
middelste. "Wat treffen die kinderen het vandaag, vind je niet? Je
weet toch dat ze naar Amsterdam zijn?"
"Wel zeker weet ik het," zeide de oude vrouw, haar kopje opnemende;
"ik heb maar zoo'n verdriet er van, dat Nanni er niet bij is."
"Er niet bij is!" herhaalde een der dames. "Kom, baker, nu ben je in
de war; ze is vanmorgen al om halfzeven weggegaan."
"Mocht ze dan toch mee? Wel dat doet me pleizier!" hernam vrouw Berens
vergenoegd. "Dan begrijp ik ook, waarom ze vandaag niet bij mij kwam,
zooals zij gisteren beloofd had!"
De tantes keken ernstig, want zij begrepen dat er iets niet in den
haak was, hoewel zij niet wisten wat er aan haperde.
"Luister eens, baker," zeide de oudste juffrouw nu: "wij weten er niets
van, dat Nanni niet mee zou gaan; vertel ons eens wat er gebeurd is."
"Och, als de zaak toch in orde is gekomen, moesten wij er maar niet
meer over spreken," zeide vrouw Berens goedhartig.
"Wij zullen er niet over spreken, baker; maar wees zoo goed en vertel
het ons."
"Nu, dan is het wat anders," begon vrouw Berens. "Gisteren kwam Nanni
schreiend bij mij en vertelde mij, dat zij niet mee mocht, omdat zij
brutaal tegen meester Struis was geweest; maar zeker heeft mijnheer
Ebels medelijden met haar gehad, en is zij toch meegegaan. Toen zei
ik, dat zij aan u moest vragen of zij dan een poosje bij mij mocht
komen, en daar zij niet kwam meende ik, dat de dames boos op haar
waren en haar thuis hielden. Nu kwam ik eigenlijk een goed woordje
voor haar doen, want och, ze had er zoo'n spijt van, dat ze ondeugend
was geweest."
"Ik begrijp er niets van!" zeide tante Net, na een oogenblik gezwegen
te hebben, "maar ik denk dat ze toch nog mee is mogen gaan; want waar
zou ze anders zitten?"
"Nu, dat doet me recht veel pleizier voor haar," zeide vrouw Berens
opstaande. "'t Ging me zoo aan mijn hart dat ze niet mee was, dat ik
mijn middagdutje niet heb kunnen doen."
Vrouw Berens ging nu weg en liep op haar gemak naar het huisje,
innig blijde dat haar lieveling zoo'n aangenamen dag had.
Zooals wij weten, was Nanni naar het bosch gegaan en niet van zins bij
vrouw Berens te komen, zooals zij deze beloofd had. Een poosje ging het
haar heel naar den zin. Zij werd vroolijk, begon zachtjes een liedje
te neuriën en was gelukkig; want er was niemand die haar plaagde of
onaardig tegen haar was. Zij behoefde zich boos noch driftig te maken,
en als zij den ring, dien zij van baker gekregen had, niet aan haar
vinger had gevoeld, dan zou zij zich hebben kunnen verbeelden dat
zij al de narigheid van den vorigen dag gedroomd had.
Zij had een poosje zoo gezeten en zij dacht dat het nu wel twaalf
uur zou zijn; zij kreeg wat honger, maar zij besloot zich goed te
houden. Eigenlijk vond zij in haar hart, dat die honger een straf voor
haar was, omdat zij haar tantes niet had gezegd wat er gebeurd was, en
dapper wilde zij die straf dragen. Zij zocht en vond wat boschbessen,
en daar die haar hielpen haar dorst te lesschen, was zij erg in haar
schik en dwaalde nog wat verder af het bosch in. Nu hoorde zij niets
meer van het dorp; hè, dáár zou zij wel willen wonen in een klein,
lief huisje met vrouw Berens om het eten te koken. Zij moest maar
niet aan eten denken, want dan kwam het water haar in den mond! Zij
had sedert gisterenmiddag vier uren niets gebruikt: 's avonds had
zij geen boterham kunnen eten, "van pleizier" dachten de tantes, van
"verdriet" zei Nanni; en nu vanmorgen had zij er in het geheel niet
aan gedacht, zoodat ze zoo'n akelig gevoel in haar maag kreeg.
Zij wilde verder gaan, toen zij eensklaps een paar schitterende
oogen door het struikgewas zag glinsteren, die haar oplettend
aanstaarden. Natuurlijk schrikte Nanni. Wie zou ook niet geschrikt
zijn?
Vóór zij het echter nog met zichzelf eens was, welken kant zij op zou
loopen, kwam er eensklaps een kolossaal groote hond te voorschijn
springen, die haar met zijn verstandige oogen smeekend aankeek en
haar bij haar jurk trok.
Nanni begreep er niets van. Eensklaps begon de hond klagend te blaffen
en al snuffelend om haar heen te loopen.
"Wat scheelt er aan?" vroeg zij, hem over den kop streelend. "Kon je
maar praten, dan kon je 't mij vertellen, hé! Heb je honger? Ik kan
je niets geven, want ik heb ook honger, en bessen lust je niet!"
Zoo babbelend met den hond was zij langzaam voortgeloopen en
onwillekeurig volgde zij den weg dien het dier insloeg.
"Hector! Hector!" hoorde zij eensklaps roepen en verwonderd keek zij
om, ten einde te zien waar die stem vandaan kwam.
Hector was echter bij haar vandaan gesprongen, naar een boom, waarbij
Nanni nu een man zag liggen. Aarzelend ging zij naar hem toe.
"Zoo, Hec! heb je iemand bij me gehaald; dat is goed oude jongen;"
zeide hij. "Ik geloof dat ik een vlerk gebroken heb, juffie," vervolgde
de man op zijn been wijzende.
"Hoe akelig," riep Nanni uit; "en moet je nu hier maar blijven liggen?"
"Als 't kan, liefst niet," antwoordde de man, terwijl hij een pijnlijk
gezicht trok. "Ik zou wel graag naar het dorp toe willen."
"Maar hoe kun je daar komen?" vroeg Nanni. "Je kunt immers niet
loopen!"
"Neen, loopen kan ik niet, maar ze zullen mij wel willen komen halen,
als ze op 't dorp maar weten, dat ik hier lig," antwoordde de man.
"Zoo? Nu dan zal ik iemand gaan halen," zeide Nanni. "Naar wien zal
ik gaan?"
"'t Is waar, iedereen is op het land aan het werk," hernam de
man teleurgesteld; "dan zou 't je niet helpen of je naar het dorp
gingt. Maar blijf wat bij mij, ik lig hier al zoo lang moederziel
alleen."
"Maar hoe komt het, dat je je zoo bezeerd hebt?" vroeg Nanni, terwijl
zij op het zachte mos ging zitten.
"Wel, zie je dien tak daar liggen?" vroeg hij naar een tamelijk dikken
tak wijzend, die op den grond lag. "Ja! Nu, ik ben met dien tak en
al uit dezen boom gevallen."
"Maar waarom klom je in den boom?" vroeg Nanni. "Of wist je den
weg niet?"
"En zou ik daarom in een boom klimmen?" zeide de man verbaasd. "Wat
zou mij dat helpen?"
"Klein Duimpje klom ook wel in een boom, omdat hij verdwaald was,"
zeide Nanni halfluid, "maar die was klein."
"Juist, en ik niet precies," antwoordde de man lachend. "Neen, zoo
was het niet; ik wou eenvoudig een stevigen tak afbreken om er een
stok van te snijden."
"Zoo," zeide Nanni; "maar je moogt geen takken van de boomen breken;
als de boschwachter het ziet, dan word je in den kelder onder het
raadhuis gesloten."
"Wel, wel, wat leest dat kleine ding mij daar de les!" hernam de man
lachend. "Nu 't zou zoo'n vaart wel niet zijn geloopen, denk ik! Je
bent zeker zelf een heel gehoorzaam en lief meisje!"
Nanni kreeg een kleur tot over haar ooren en had wel onder den grond
willen kruipen.
"Neen," zeide zij, "ik ben erg brutaal en ondeugend en.... en...."
"Komaan, nog meer?" riep de man uit. "Mij dunkt het zondenregister
is groot genoeg. Oprecht ben je ten minste wel!"
"Ach ook niet," zuchtte Nanni beschaamd; "ik heb vandaag heel leelijk
gedaan."
"Zoo zoo, en wat heb je zoo al voor kattenkwaad uitgevoerd?" vroeg hij.
Nanni, die anders niet licht spraakzaam was tegen iemand dien zij niet
kende, vertelde met horten en stooten welk verdriet zij had en hoe
zij haar tantes in den waan had gelaten dat zij mede naar Amsterdam
was gegaan.
"Dat is wezenlijk allesbehalve mooi van je," zeide de man, terwijl
hij bedenkelijk het hoofd schudde. "En waar wilde je naar toe gaan,
toen mijn hond je vond?"
"Naar baker, ik meen naar vrouw Berens," verbeterde Nanni zich zelf,
daar zij wel begreep dat de man niet zou weten wie baker was.
"Kijk eens aan, dat treft aardig!" riep hij uit. "Vrouw Berens is
mijn moeder. Je hebt haar zeker wel eens hooren praten van haar zoon,
die ver hier vandaan woont? Nu die ben ik, en ik kwam haar juist eens
opzoeken om te vragen of zij bij mij wilde wonen."
"O, wat zal ze blij zijn!" riep Nanni uit. "Ze heeft me zoo dikwijls
verteld, dat zij nog een zoon had, en ze verlangde zoo hem nog eens
te zien."
"Zoo, dat doet me pleizier," zeide de man opgeruimd; "'t is nu maar
jammer, dat ik met een gebroken been aankom, maar daar is niets aan
te doen.... Gelukkig dat de boschwachter mij niet in den kelder heeft
gesloten!" Dit laatste zeide hij, terwijl hij haar lachend aankeek.
"Wil ik eens naar het huisje van baker loopen?" stelde Nanni voor. "Dan
kan zij misschien wel iemand opzoeken die je helpen kan."
"Ja, dat was niet kwaad," meende de man. "Er zullen nu misschien wel
eenige mannen weerom zijn; 't is al wel een uur of zes."
Nanni liep zoo snel ze kon; nu en dan moest zij zelfs even stil
blijven staan om adem te halen, maar zij was dan ook heel gauw aan het
welbekende huisje. Driftig stiet zij de deur open en kwam.... in een
leege kamer! Dat viel haar tegen! Zij had er zoo stellig op gerekend
de oude vrouw thuis te vinden; zij ging immers bijna nooit uit. Weinig
dacht zij, dat vrouw Berens naar haar tantes was gegaan en daar nu
heel bedaard onder den lindeboom een kopje thee zat te drinken.
Wat moest zij nu doen? 't Beste vond zij om maar te wachten totdat de
oude vrouw terugkwam, want lang zou zij zeker niet wegblijven. Zij
ging dus op den drempel van de huisdeur zitten, en nam de groote
poes op haar schoot, die naar buiten was komen loopen, toen Nanni de
kamerdeur had geopend.
't Duurde niet lang of zij zag vrouw Berens aankomen; poes werd op
den grond gezet, en Nanni liep de oude vrouw te gemoet, die niet wist
of zij haar oogen durfde vertrouwen.
"Ben jij toch hier kind?" riep zij uit, vóórdat Nanni nog iets kon
zeggen. "Foei wat ben je een ondeugende meid!"
"Och, baker, wees nu niet zoo boos," smeekte Nanni; "ik heb een
boodschap voor je!"
"Wat boodschap! Ik wil niets van je weten," riep vrouw Berens, die
werkelijk boos en bedroefd was over Nanni's gedrag. "Ik wil je niet
meer zien; ga aanstonds naar de tantes!"
Zij deed de deur achter zich dicht en liet Nanni buiten staan. Ge
begrijpt, dat het schreien haar nader stond dan het lachen, en hoewel
anders zoo'n driftkopje, vergat zij thans boos te worden, daar zij
zich herinnerde, dat de zoon van vrouw Berens daar al zoo lang buiten
lag en nog al geen hulp zou krijgen.
"Doe open, baker, doe open!" gilde zij, op de deur slaande. "Ik moet
er in, ik moet!"
Er kwam geen antwoord van binnen, en Nanni werd zoo doldriftig,
dat zij met haar voeten tegen de deur begon te schoppen.
"Ga naar je tantes, kind; ik wil je vandaag niet zien!" klonk nu de
stem van vrouw Berens.
"Luister dan toch even, leelijke baker!" riep Nanni half snikkend. "In
het bosch daar ligt je zoon, en hij heeft zijn been gebroken!"
"Wat praatje nu kind?" vroeg vrouw Berens, de deur weer opendoende.
"Je zoon is gevallen, en heeft mij naar je toe gestuurd," snikte
Nanni. "Wil je me nu nog niet gelooven? Ik heb toch nog nooit gejokt!"
"Je hebt mij gisteren wat voorgejokt, toen je me beloofdet alles aan
de tantes te vertellen," zeide de oude vrouw ernstig. "En de tantes
heb je wel niet voorgejokt, maar je hebt haar toch wel laten denken,
dat je mee met de kinderen waart, en dat is even leelijk als jokken!"
"Ach, baker, 't is waar," riep Nanni bitter bedroefd, "maar wezenlijk
je zoon ligt onder een boom; hij is gevallen en gelooft dat hij zijn
been heeft gebroken."
Toen vrouw Berens dit eindelijk geloofde, wist zij niet wat zij moest
beginnen. Gelukkig kwam er juist een buurman met zijn wagen van het
land, en nu vroeg zij of die hem wilde gaan afhalen. Nanni zou meegaan
om hem te wijzen waar het was, en de oude vrouw zou thuis blijven,
een bed klaar maken, en zorgen dat er iemand naar den dokter ging om
naar het been te komen kijken.
Heel gauw was de wagen bij de plek waar de man lag, die recht in zijn
schik was toen hij bemerkte, dat hij uit zijn lastige positie zou
verlost worden. Hij werd er op geladen, Hector sprong hem achterna,
en voort reden zij naar het huisje van vrouw Berens.
Spoedig hield de wagen nu stil. De oude vrouw stond met een gelaat
glinsterend van genot hen op te wachten en had oogen noch ooren voor
iemand behalve voor den zoon, dien zij in geen tien jaren gezien had.
"Dat is een treurige aankomst, moedertje," zeide hij opgewekt toen
hij haar zag. "Ik had nog al gedacht u zoo te verrassen!"
"Wel jongen ('t was een man van veertig jaren, maar de oude vrouw
beschouwde hem nog als een kind), ik ben veel te blij dat ik je zie,
om aan iets anders te kunnen denken! Wel, wel, wat heb ik naar je
verlangd!"
't Was een heele drukte in het kleine huisje; de buren kwamen in en
uit loopen en deden vrouw Berens honderd vragen, die deze echter
niet kon beantwoorden, want zij had haren zoon nog niet verder
kunnen spreken. Maar Nanni zou misschien meer kunnen vertellen. Waar
was Nanni?
Niemand wist het, niemand had haar gezien, niemand wist waar zij
gebleven was!
's Avonds om halftien kwam de trein aan, waarmee de kinderen uit
Amsterdam terug zouden komen.
"Mij dunkt, Nanni moest nu toch al hier zijn," meende de oudste tante
eenigszins wrevelig.
"Ze is misschien even bij een der vriendinnetjes ingeloopen," zeide
haar zuster vergoelijkend; "na zoo'n heerlijken dag praten zij graag
nog een oogenblik!"
Daar sloeg de klok tien.
"Neen maar, nu kan 't niet langer," zeide tante Net. "Trijntje! loop
eens even naar Rosa en vraag of de jongejuffrouw thuis komt als ze
er is."
Trijntje deed haar boodschap, maar kwam natuurlijk onverrichter zake
terug. De tantes wisten niet, wat zij er van moesten denken en zonden
de meid nu naar den onderwijzer. Maar de boodschap die zij van hem
kregen bracht haar nog meer in de war. Nanni was niet mee geweest!
De tantes waren nu wezenlijk ongerust, en 't gekste was dat zij niet
wisten, waar zij het meisje moesten zoeken.
Zij wilden naar vrouw Berens zenden, maar herinnerden zich, dat deze
niet beter wist of Nanni was met de kinderen mee geweest.
Ge kunt begrijpen, dat de tantes dien nacht niet naar bed gingen,
zoo angstig waren zij; zij konden zich maar niet begrijpen wat er
van het meisje geworden was.
Den volgenden morgen vroeg kwam er iemand om haar te spreken.
"Wel Teunis, wat is er?" vroeg de oudste tante.
"Juffrouw, neem mij niet kwalijk, dat ik maar zoo brutaal ben om
binnen te komen," begon de man, terwijl hij zijn pet in zijn handen
ronddraaide, "maar vrouw Berens stuurt mij en laat vragen of de
jongejuffrouw eens bij haar zoon mag komen; hij wou haar zoo graag
eens bedanken!"
"Mijn nichtje?" zeide een der tantes. "Maar waar is zij gisteren
dan geweest?"
"Wel, zij heeft gezorgd dat Berens bij zijn oude moeder kwam," zeide
Teunis verwonderd. "Ik zelf heb haar gereden, en nu kom ik even die
boodschap doen."
Uit dien man kon men niet wijs worden, begrepen de tantes, en zij
besloten zelf naar het huisje van vrouw Berens te gaan.
Zoodra zij bij vrouw Berens kwamen, was haar eerste vraag, wat deze
van Nanni afwist. De oude vrouw vertelde alles en bejammerde het,
dat zij den vorigen dag zoo hard voor het kind was geweest en haar
niets te eten had gegeven; zij meende echter, dat ze naar huis was
gegaan en daar haar scha wel zou hebben ingehaald.
"Wat! is Nanni den geheelen dag zonder eten geweest?" riep tante Net
verschrikt uit. "Waar is zij dan toch?"
"Ik dacht bij u," stamelde vrouw Berens bedremmeld.
"Aanstonds het bosch in en haar zoeken," riepen de dames uit. "Maar
hoe vinden wij haar?"
"Neemt den hond mee, dames; die kent haar nu," zeide Berens, "en dan
wat melk en brood! O, wat spijt het mij, dat ik niet mee kan gaan!"
Haastig gingen de dames, vergezeld van Hector op weg, en zie,
't duurde niet lang of de hond draafde blaffend een laan in, en
daar vonden zij het kleine meisje, doodsbleek met gesloten oogen op
den grond liggen. Hector likte haar de wangen, maar zij bleef stil
liggen, en eerst na een geruimen tijd gelukte het, haar door eau de
cologne bij te krijgen. Zij gaven haar een weinig melk te drinken,
(niet te veel, want dat zou niet goed zijn) en langzamerhand kwam er
weer wat kleur op die bleeke wangen.
"Maar, kind! heb je hier den geheelen nacht gelegen?" vroeg tante
Net medelijdend.
"Ja, neen, ik weet het niet," zeide Nanni. "Is u niet erg boos?"
"Neen, ik ben veel te blij, dat ik je gevonden heb," riep zij uit. "O
wat hebben wij van nacht in ongerustheid gezeten!"
"Dus houdt u toch nog van mij?" vroeg Nanni, terwijl zij haar
schitterende oogen opsloeg.
"Wij houden allen van je; hou jij maar wat meer van ons, dan zul je
vrij wat gelukkiger zijn," zeide tante Net half schreiend.
"Dan beloof ik u, dat ik veel liever zal wezen, dan ik geweest ben,"
antwoordde Nanni met een gelukkig lachje. "O, tantes, u weet niet
wat een akelige dag het gisteren voor mij was, en dat nog wel op:
HET SCHOOLFEEST."
OP DE KOSTSCHOOL.
I.
LUILEKKERLAND.
"Ze heeft weer een trommel vol van huis gekregen,--ik heb het zelf
gezien!"
"Die schrok, ze eet alles weer alleen op!"
"Ik wou dat ze er zich zóó in verslikte, dat ze in geen acht dagen
kon eten!"
"Zoo'n gulzigaard!"
Deze uitroepen vlogen als vuurpijlen uit de monden van eenige jonge
meisjes, die op de speelplaats van een kostschool bijeen waren. Allen
zagen er opgewonden en tamelijk boos uit, terwijl zij de uitgezochtste
scheldwoorden bedachten en die op de schuldige toepasten.
"Uitschelden helpt niet," zeide thans een meisje, dat tot dusverre
gezwegen had, en op een laag muurtje, dat de speelplaats van den
moestuin scheidde, zat, terwijl zij haar beenen heen en weder liet
slingeren.
"Neen, dat weten we ook wel!" riep een ander.
"Wij moesten haar eens een poets spelen," zeide een derde.
"Juist Kee; daar heb ik ook over zitten denken, terwijl jullie zoo
door elkaar schreeuwdet," antwoordde Jet, goedkeurend knikkend.
"En weet je al wat?" vroeg Jeanne, terwijl zij Jet aan haar beenen
trok om haar van het muurtje af te krijgen.
"Laat staan, Jeanne!" riep Jet uit, die zich uit alle macht aan
haar zitplaats vastklemde om haar evenwicht te bewaren en niet te
vallen. "Doen jullie allemaal mee, als we iets doen?"
"Wel zeker, wat graag!" riepen allen dooreen, en dansten al door
elkander van de pret.
"Als 't wat grappigs is, anders niet!" zeide Jeanne.
"Bedenk jij dan maar wat grappigs!" riep Kee uit, "je bent zoo'n
slimmerd!"
"Wat zou er wel in die trommel zitten?" vroeg Mies nu.
"Allerlei snoepgoed," verzekerde Jo, die er alles van wist; "ik zag
dat zij een vuilen mond had, en dus waren er zeker bolussen ook in,
want die zijn zoo stroperig."
"Heerlijk, bolussen!" riep Jet watertandend uit. "En eet dat spook
nu zoo alles alleen op?"
"We moeten er vanavond eens over spreken, als we naar bed gaan,"
zeide Jeanne.
"Waarover? Over bolussen?" vroeg Kee. "Die eet ik liever."
"Och neen, ik meen hoe we Nora beet zullen nemen," zeide Jeanne. "Wees
toch niet zoo flauw, kind, om te doen alsof je mij niet begrijpt!"
"Maak nu geen ruzie, Jeanne," riep Mies; "je kunt ook volstrekt niet
tegen plagen!"
"Jij zeker wel, hè wijsneus!" riep Jeanne uit, terwijl zij Mies eens
flink aan haar lange vlecht trok, waarvoor deze haar tot straf in
haar kuiten kneep.
"Ai, dat's gemeen!" riep Jeanne, naar haar been voelend.
"Die kaatst, moet den bal verwachten!" riep Jet, van haar hooge
zitplaats, "'t Helpt niet of we die spreekwoorden al moeten schrijven,
Jeanne, als je ze zoo gauw vergeet!"
"Ga maar niet preeken," zeide Jeanne nu weder lachend; "ik zal Mies
wel vinden, ze kan niet tegen kriebelen!"
"O genade," gilde Mies, als een kakkerlak in het rond springend,
zoodat haar lange haarvlecht in het gezicht van een dame vloog,
die juist om den hoek en haastig naar het groepje toekwam.
"Komaan, meisjes, 't is tijd om in huis te komen!" riep zij, in de
handen klappend, uit. "De andere klassen zijn al binnen!"
"Hoe zonde om met dit mooie weer in huis te zijn, juffrouw!" zeide
Jet. "Zoudt u ons hier geen les kunnen geven?"
"Geen dwaasheid, meisjes," antwoordde deze. "Komaan Jet, kom van het
muurtje af; je zult je mooi vuil hebben gemaakt."
"Daar is de wasch goed voor," mompelde Jet, van haar zitplaats
afspringend en naar huis snellende.
"Is Nora al binnen?" vroeg de juffrouw aan Jeanne.
"Die is niet buiten geweest, juf," antwoordde deze; "dat kind zit
boven snoepgoed te eten."
"Wat zegt ge dat verachtelijk, Jeanne," merkte de juffrouw aan. "Jij
zoudt het ook wel lusten, als 't je gestuurd werd!"
"Ze heeft er juf zeker wat van gegeven," fluisterde Jet Mies in
het oor, waarop deze, die goedlachs was, in een vreeselijke lachbui
uitbarstte.
"Wat is er, Mies?" vroeg de juffrouw verwonderd.
"Och niets, juf," antwoordde Kee onnoozel; "ze heeft wel eens meer
zoo'n lachstuip."
Nu moet ge weten, dat de klasse der meisjes die wij ontmoet hebben,
niet groot was, en dat zij daardoor nog al erg op elkander gesteld
waren,--al kibbelden zij soms ook geducht.
Zij hadden, vóór Nora op school kwam, met elkander afgesproken, dat
elk die van huis wat lekkers gestuurd kreeg, appelen, koek, of wat
dan ook, dat getrouw met de anderen zou deelen, en niets stilletjes
opeten. De onderwijzeres die dit wist, keurde het zeer goed, daar
ze op die manier, vooreerst mededeelzaam leerden zijn en ten tweede
haar maag niet overlaadden, hetgeen anders het geval wel eens had
kunnen wezen. Getrouw hadden de meisjes die bepaling opgevolgd,
en als er met Sinterklaas of bij een verjaardag een trommel kwam,
lokte dat een luid gejuich bij ons clubje uit, en werd die in de
tegenwoordigheid van allen ontpakt en de inhoud eerlijk verdeeld.
Nora werd aanstonds ingewijd in deze bepaling, en hoewel zij er in
den beginne niet veel op zeide, merkten zij wel aan haar gezicht, dat
het haar niet te best beviel. Nu moet gij weten, dat Nora een eenig,
wel wat vertroeteld meisje was, en daar zij broertjes, noch zusjes had,
natuurlijk niet gewend om van het hare mee te deelen aan anderen.
Niet dat zij wezenlijk zoo schrokkig was, als de andere meisjes
dachten, maar zij vond het hard, dat zij zich aan een bepaling zou
moeten onderwerpen, die zij niet mee verzonnen had; bovendien meende
zij, dat haar mama dat lekkers voor haar, haar alléén stuurde en niet
om er anderen het grootste gedeelte van te laten opsmullen.
Op die manier had onze Nora gedacht, en langzamerhand was zij tot
het vaste besluit gekomen om zich niet aan de bepaling der andere
meisjes te storen, en juist te doen zooals zij zelf het prettigste
vond. Zij besloot er echter voorloopig niets van te zeggen, maar te
wachten totdat haar iets gestuurd werd. Dat duurde niet lang! Haar
moeder had al heel gauw een trommel klaargemaakt, en op een goeden
dag bracht de besteller het pak, dat met een luid gejuich door Kee
en Jeanne, die het de dienstmaagd afhandig hadden gemaakt, naar de
slaapzaal van ons zestal werd gebracht, waar Nora zich bevond.
"Doe gauw open, Nora!" riep Jeanne brandende van nieuwsgierigheid uit.
"Daar is een schaar," voegde Kee er bij, terwijl zij er haar een
met één punt overreikte; "zij knipt goed, als je er maar voorzichtig
mee bent!"
"Mies! Jet!" riep Jeanne aan de deur gaande staan. "Komt gauw hier,
Nora heeft een trommel gekregen!"
Van alle kanten waren de geroepenen aan komen vliegen en weldra
stonden zij in gespannen verwachting in een nauw kringetje om Nora
met de trommel, die nog geen enkel woord gesproken had, maar haar
schat krampachtig vasthield.
"Doe dan toch open, Nora!" riep Mies ongeduldig.
"Ze kan zich bijna niet bewegen, je hangt heelemaal tegen haar aan,"
waarschuwde Jet Mies op zijde trekkend.
"Doe je 't nu, of doe je het niet?" vroeg Jeanne verwonderd.
Nora antwoordde niet, maar nam de schaar en begon de touwtjes door
te knippen waarmee het papier om de trommel vastgemaakt was. Zij
haastte zich niet bijzonder met dat werk, maar eindelijk was het toch
gereed, en nu werd het deksel opengeslagen en vertoonde zich al de
heerlijkheid, die er in verborgen was, aan de oogen der verlangende
meisjes.
"Daar is de brief," zeide Mies, terwijl zij het papier opnam, en het
edelmoedig aan Nora overreikte.
"'t Ziet er lekker uit," meende Jeanne, met haar neus snuffelend.
"Niet aankomen!" riep Jet, terwijl zij Kee terugtrok.
"Ik wees er alleen maar naar!" verontschuldigde deze zich.
"Komaan dan, Nora," riep Jo.
"Wat voer je nu uit?" vroeg Jeanne verbaasd, toen zij zag dat Nora
doodbedaard de trommel dichtdeed en er haar hand op legde. "Verdeel
je nu niet?"
"Doe je 't liever vanavond, ga dan je gang," zeide Jet edelmoedig.