Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
KLIMOP
DRIE VERHALEN VOOR JONGENS EN MEISJES
DOOR
SUZE ANDRIESSEN
Met Zes Platen naar Teekeningen van C. Koppenol
DERDE DRUK
AMSTERDAM
H. J. W. BECHT
EEN BRUTAAL MEISJE.
I.
HET SCHOOLFEEST.
't Was heerlijk zomerweder. De lucht was zoo blauw als de korenbloemen
die verscholen stonden tusschen het graan, en waarvan men zulke mooie
kransen kan vlechten; het zonnetje maakte het bijna wat al te bont,
want het zond zijn stralen zóó brandend warm naar beneden, dat de
menschen die op het land werkten telkens eens moesten ophouden om
de zweetdruppels van hun gezicht te vegen;--maar onder de boomen,
daar was het lekker!
Onder de boomen had dan ook een elfjarig meisje een plaatsje gezocht,
en zat daar met haar hoofdje geleund tegen een ouden beuk. Heel
vroolijk zag zij er niet uit, want waarlijk nu en dan druppelde er een
traan uit haar oogen en vloeide langs haar wangen naar beneden. Zij
dacht zeker niet aan het vlechten van kransen, de bedroefde Nanni;
integendeel, zij had een gevoel, alsof de vriendelijke zon haar en
haar smart bespotte en al de bloemen haar uitlachten.
Werkelijk hoorde zij in haar onmiddellijke nabijheid iemand lachen
en haastig droogde zij haar oogen af en trachtte zoo onverschillig
mogelijk te kijken.
"Zoo, ben je bedroefd?" klonk het van achter den boom, en meteen kwam
de twaalfjarige Gustaaf te voorschijn. Hij ging voor Nanni staan en
keek haar aan met een paar oogen die van ondeugendheid schitterden.
"Ben je stom geworden?" vroeg hij, toen hij geen antwoord van het
meisje kreeg.
"Ik wou, dat jij stom waart!" klonk het scherp van Nanni's lippen
terug.
"Erg vriendelijk van je," hernam Gustaaf spottend. "En wat wou je
nog meer, poesje?"
"Dat je weg gingt en me met rust liet," riep Nanni uit.
"Ik dacht nog al dat je zoo op me gesteld waart," zeide Gustaaf
lachend, want hij wist heel goed dat het juist omgekeerd was. "Ik
wou juist eens met je praten over de pret die wij morgen zullen
hebben,--maar 't is waar ook, je gaat niet mee, hé!"
"'t Staat je al heel gemeen om me nu nog te komen plagen," barstte
Nanni uit, en wierp zich voorover in het gras, terwijl zij haar best
deed om haar snikken te smoren.
Gustaaf stond een oogenblik overbluft bij deze uitbarsting, die hij
volstrekt niet verwacht had, en wist niet goed hoe hij zich moest
houden. Nanni zelf hielp hem echter gauw uit de verlegenheid.
't Scheen dat zij zich schaamde, dat zij zich zoo aan haar verdriet
had overgegeven, ten minste zij richtte zich eensklaps op en keek
haar plaaggeest ferm aan.
"Zeg, zou je nu niet weggaan?" zeide zij, terwijl de tranen nog op
haar wangen glinsterden. "Heb je er nog niet genoeg van?"
"Ik mag hier evengoed zijn als jij," antwoordde Gustaaf
tartend. "Iedereen mag hier loopen!"
Nanni zeide niets meer, maar greep den ronden hoed die naast haar
in het gras lag en sprong overeind, terwijl zij de verwarde haren,
die over haar voorhoofd hingen, wat naar achteren streek. Zonder
Gustaaf meer aan te zien, keerde zij hem den rug toe en liep haastig
een tegenovergestelden kant op.
Verbaasd keek onze jongeheer haar na, zonder evenwel een poging te
doen om haar te volgen of in te halen; Nanni's gedrag scheen hem erg te
verwonderen, en om zich te verzetten begon hij een deuntje te fluiten.
"Hé, Gus, wat doe jij hier zoo alleen?" hoorde hij een oogenblik
later iemand zeggen; en omziende van waar die stem kwam, zag hij een
allerliefst jong meisje naar hem toekomen, dat hem verwonderd aankeek.
"Ik doe niets zooals je ziet," antwoordde Gustaaf.
"Maar hoe kom je hier zoo?" vervolgde Rosa. "Moet je niet naar huis
om te eten?"
"Wel zeker," antwoordde Gustaaf, "maar 't is nog te vroeg. Ga jij
al eten?"
"Ja, heel gauw; maar ik denk, dat ik niet veel trek zal
hebben!" antwoordde Rosa.
"Hé, waarom niet?" vroeg Gustaaf verwonderd, want hij had altijd trek
in eten.
"Wel, om het pleizier dat wij morgen zullen hebben!" riep Rosa uit,
terwijl zij vol verrukking de handjes in elkaar sloeg. "Ik denk
bepaald, dat ik niet zal kunnen eten!"
"Gek van je," meende Gustaaf. "Kun je morgen dan ook niet eten? Dan
moet je mij je portie maar geven!"
"Schrok!" riep Rosa verontwaardigd uit. "Jij denkt om niets anders
dan om maar te eten!"
"Dat is niet waar," stoof Gustaaf op, "jij bent er nu over begonnen,
ik dacht er niet over. Zorg maar dat je morgenochtend op je tijd
klaar bent, anders gaan we nog weg zonder dat je er bij bent."
"Nu, daar kun je op aan," beloofde Rosa, "ik weet zeker dat ik
morgenochtend al om vijf uren op sta!"
"Om zeven uren gaan we weg, anders zijn wij te laat in Amsterdam,"
zeide Gustaaf. "Ben jij er wel eens geweest?"
"Neen, nooit," riep Rosa uit. "O, je weet niet hoe ik er naar verlang!"
"Ik ook, maar ik vind toch nog het allerpleizierigste dat wij naar
den dierentuin gaan," zeide Gustaaf. "De Artis moet zoo mooi zijn!"
"Je moet niet "De Artis" zeggen;" onderrichtte Rosa hem, "mama heeft
mij verteld dat het zoo niet behoort."
"Hemel, wat een wijsheid!" riep Gustaaf minachtend uit.
"De tuin heet "Natura Artis Magistra," vervolgde Rosa, wat blij dat
zij die moeilijke woorden zoo goed onthouden had. "En ik weet ook
wat het beduidt!"
"Wat beduidt het dan?" vroeg Gustaaf, niet in staat zijn
nieuwsgierigheid te bedwingen.
"Natuur overtreft kunst," zeide Rosa met veel deftigheid. "Luister
eens: Natura is natuurlijk natuur..."
"Wat ben je aan 't naturen," riep Gustaaf uit, "Natura beduidt
natuurlijk natuur. Weet je er nog wat bij?"
"Nu, wil je het niet verder weten?" vroeg Rosa pruilend.
"Och jawel, vertel maar op," hernam Gustaaf.
"Artis beduidt kunst, en Magistra is overtreft," vertelde Rosa.
"Zoo, en nu noemen ze dien tuin maar de Artis..."
"Niet de Artis!" viel Rosa hem in de rede.
"Zanik niet, kind!" riep Gustaaf uit. "Zeker omdat Artis het kortste
woord is, niet waar?"
"Dat weet ik niet," hernam Rosa schouderophalend, "daar heeft ma mij
niets van gezegd."
Gustaaf dacht even na.
"Maar dat vind ik toch gek!" riep hij eensklaps uit.
"Wat?" vroeg Rosa, verwonderd rondziende.
"Wel, dien tuin moesten ze dan liever Natura noemen," meende Gustaaf.
"Waarom?" vroeg Rosa.
"Begrijp je dat niet?" zeide Gustaaf eenigszins minachtend. "Och,
dat komt omdat je een meisje bent."
"Meisjes zijn volstrekt niet dommer dan jongens!" riep Rosa ijverig
uit. "Jan Henkes en Willem Levelt zijn een jaar ouder dan ik en veel
dommer, hoor! Meester heeft het zelf gezegd!"
"Maak je maar niet zoo dik," zeide Gustaaf, "je bent zoo wijs als
Salomo's kat. Is 't nu goed?"
"En jij bent een flauwe jongen," hernam Rosa, terwijl zij aanstalten
maakte om weg te gaan. "Ga jij maar eten!"
"Maar wil je niet eens hooren wat ik daar straks bedoelde, voordat
je zoo boos werd?" vroeg Gustaaf, die graag een toehoorster had om
nu en dan zijn wijsheid te laten luchten.
"Nu, wat dan?" vroeg Rosa, die toch wel eens wilde hooren wat hij te
vertellen had.
"Wel, die tuin heet "Natuur overtreft kunst," en ze noemen hem "Kunst",
legde Gustaaf deftig uit. "Dat vind ik erg gek, 't is nu net alsof
ze de kunst boven de natuur stellen en...."
"Och, ik geloof, dat je over allerlei dingen praat, waarvan je
evenmin verstand hebt als ik!" riep Rosa lachend uit. "En ik vind
je erg vervelend ook! Je moet het maar eens in Amsterdam aan de
menschen vragen!"
"Ga je weg?" vroeg Gustaaf, een weinig bedremmeld dat zijn fraaie
uitlegging aldus werd opgenomen.
"Zeker, 't is vast al lang over vieren; jij moet ook naar huis."
"Zeg eens, Roos, waarom mag Nanni toch niet mee?" vroeg hij terwijl
hij een eindje met haar meeliep.
"Och, Nanni is altijd zoo vreemd," zeide Rosa schouderophalend,
"ze wou mij niets zeggen."
"O, ik dacht, dat ze op school wat uit had gevoerd," hernam
Gustaaf. "Dus is ze thuis weer bezig geweest?"
"Ik weet het niet," zeide Rosa ongeduldig, "wat kan het je eigenlijk
schelen wat Nanni gedaan heeft. Je vindt haar toch niet aardig en
plaagt haar altijd."
Hierop antwoordde Gustaaf haar niet veel, maar keerde zich fluitende
om en haastte zich naar huis, daar hij de klok hoorde slaan en wel
wist dat er niet op hem gewacht werd. Rosa volgde zijn voorbeeld,
want ook haar maag begon te jeuken.
Zeker zult ge wel eens iets naders willen hooren omtrent de drie
kinderen, die wij hebben hooren praten, mijn lieve lezeressen! En
vooral over hetgeen zij met elkaar bepraten, niet waar? Nu, gelukkig
kan ik aan uw nieuwsgierigheid voldoen, want toevallig weet ik er
alles van.
Ge hebt natuurlijk reeds begrepen, dat Nanni, Rosa en Gustaaf op
een dorp wonen, en wel op een mooi dorp dat Frankendaal genoemd
wordt. Er was een flinke, groote school, waar de jongens en meisjes
samen op gingen en doorgaans vrij wat pret maakten, vooral in de
speeluren. Maar al de pret die zij ooit gemaakt hadden was niets
vergeleken bij het genot dat hen thans wachtte. Er zou namelijk een
schoolfeest zijn, en dat zou daarin bestaan dat de hoogste klasse
een dag in Amsterdam zou gaan doorbrengen en wel voornamelijk om
den dierentuin te bezoeken. Nu begrijpt ge wel dat zoo iets voor de
jongens en meisjes van Frankendaal een zaak was, die hun reeds bijna
acht dagen lang opgewonden van blijdschap maakte. De meeste hunner
waren nooit in Amsterdam geweest, want het dorp lag er tamelijk ver van
verwijderd, en bovendien was die uitgang een belooning voor diegenen,
die zich gedurende het afgeloopen schooljaar goed gedragen hadden.
En nu mocht Nanni niet mee! Nanni die er zich bijna nog meer in
verheugd had dan de anderen samen! Die arme Nanni! ik moet u vertellen
dat het .... maar neen laten wij liever eens gaan zien waar zij henen
was gegaan, toen zij voor Gustaaf wegliep; misschien hooren wij dan
wel hoe 't kwam dat zij niet mee mocht.
"Och, baker, och ik heb zoo'n verdriet!" riep Nanni uit, terwijl zij
snikkend het kamertje binnen kwam loopen, waarin de oude vrouw aan
een grove kous zat te breien. Deze keek eenigszins verschrikt op,
legde haar breiwerk op haar knie en schoof den grooten, schildpadden
bril op haar voorhoofd, zonder evenwel het meisje antwoord te geven.
Toen Nanni echter haar hoofd onzacht op de tafel liet vallen, beide
armen er omheen sloeg en niets deed dan snikken zeide de oude vrouw:
"Maar Nan, kind wat scheelt er dan toch aan? Hebben ze je weer
geplaagd?"
"Daarom huil ik niet!" riep Nanni eensklaps haar kopje oplichtend uit,
terwijl zij haar bruine krullen driftig naar achteren schudde. "Als
ze me plagen, plaag ik weerom!"
"Ja maar, kindlief, dat is de manier niet om te maken dat de kinderen
van je zullen houden," antwoordde de oude vrouw hoofdschuddend. "Je
bent en blijft altijd maar een driftkopje."
"Maar 't kan me niets schelen of de kinderen van me houden," zeide zij
uitdagend; "ik houd ook niet van hen. Ik vind hen allemaal leelijke
hanepooten!"
"Wat is dat nu weer voor een scheldwoord," hernam de oude vrouw
afkeurend. "Nanni, als je wilt dat ik van je blijf houden, dan moet
je zoo niet praten!"
"Och, baker, houd je ook al niet meer van me?" riep Nanni uit. "O,
ik wou dat ik maar dood was!"
"Hoor eens, kind, zoo moog je volstrekt niet praten en denken, dat
staat heel leelijk," zeide de oude vrouw nu zeer ernstig. "Vertel
mij nu eens bedaard wat er eigenlijk gebeurd is!"
Zij was opgestaan en had het meisje met zachten dwang naar zich
toegehaald, terwijl zij haar aanmoedigde om haar hart uit te
storten. 't Scheen echter dat de woorden zoo spoedig niet wilden
komen. Nanni zeide ten minste nog niets, maar bleef aan de linten
van haar hoed plukkende stilzwijgend naar den grond staren.
"Komaan, Nanni, of wil je 't niet zeggen?" vroeg de oude vrouw.
Nog zweeg het meisje en staarde besluiteloos voor zich uit; eensklaps
echter keek zij de oude vrouw aan en riep uit:
"Ik mag morgen niet mee naar Amsterdam omdat ik een brutale, koppige
meid ben!"
"Dat ziet er mooi uit!" zeide de oude vrouw ontsteld. "Arm kind,
niet mee, en je hebt er nog al zoo op gehoopt!"
"Je hoeft me niet te beklagen, baker," riep Nanni driftig uit. "Ze
hebben gelijk dat ze me niet meenemen, want ik zou het pleizier van
de anderen maar bederven; dat heeft mijnheer Ebels zelf gezegd."
"Stil kind, dat heeft hij zeker zoo erg niet bedoeld...."
"Ik ben ook een naar kribbig kind," viel Nanni haar in de rede,
"dat weet ik heel goed en 't kan me niets schelen ook!"
"Vertel me eens wat je uitgevoerd hebt," zeide vrouw Berens, die wel
merkte dat er niet veel met dat stijfhoofdje aan te vangen was.
"Ik ben brutaal geweest tegen mijnheer Struis, ik heb gezegd dat hij
een leelijke mosterdjongen was, en..."
"Mosterdjongen!" herhaalde vrouw Berens verwonderd. "Ze noemen de
palfreniers wel zoo, maar waarom zeg jij dat tegen je onderwijzer?"
"Och daarom!" riep Nanni blozend uit. "De jas die hij draagt, heeft
precies dezelfde kleur als de mosterd dien wij 's middags op tafel
hebben!"
"Maar Nanni, dan is 't weer je eigen schuld," hernam de oude vrouw
hoofdschuddend.
"Juist, baker, mijn eigen schuld," herhaalde Nanni zuchtend, "maar
daarom spijt het mij toch. Ik zou zoo graag eens naar Amsterdam gaan,
maar dat zal wel nooit gebeuren, want ik zal altijd wel brutaal zijn
als er zoo iets op til is."
"Maar je hoeft toch niet brutaal te wezen, kindlief," zeide vrouw
Berens. "Je weet toch wel dat het heel leelijk staat!"
"O, jawel baker," antwoordde Nanni half glimlachende door haar tranen,
"ten minste ik moest wel doof en blind zijn als ik het nog niet wist,
want ik heb het vandaag honderdmaal moeten schrijven."
"En wat zullen ze thuis wel zeggen?" vroeg de oude vrouw.
"Ik durf het niet zeggen. O, wat zal ik knorren krijgen, als Tante
Net het hoort!"
"En geen wonder," zeide vrouw Berens, "en de andere tantes zullen
ook boos zijn. Nu, je verdient het wel."
"Ben jij ook boos, baker?" vroeg Nanni, terwijl zij haar armpjes
om den hals der oude vrouw sloeg en deze met haar bruine kijkers
smeekend aankeek.
"Kind, kijk me niet zoo aan," zeide vrouw Berens haperend, "jij lijkt
sprekend op je lieve moeder, als je zoo doet. Je weet wel, dat ik
niet boos op je worden kan al heb je het ook dubbel en dwars verdiend."
"Mag ik morgen dan bij je komen, als de tantes het willen
hebben?" vroeg zij smeekend.
"Wat graag; maar luister eens. Als de tantes het niet goedvinden,
moet je er niet om dwingen en niet brutaal zijn hoor, want dat is
heel verkeerd!"
"En waarom zouden de tantes het niet willen hebben!" stoof Nanni
op. "'t Is erg genoeg dat ik niet mee mag! Als zij 't niet willen,
dan zal ik zeggen dat ik haar oude draken vind!"
"Nanni!" Meer dan dit eene woord zeide vrouw Berens niet, maar het
meisje begreep best wat zij er mee bedoelde. Zij sloeg blozend de
oogen neer en zuchtte diep.
"Och, zie je nu wel, baker, dat ik het niet kan helpen als ik brutaal
ben," stotterde Nanni. "Ik dacht er heusch niet om."
"Allemaal gekheid, kind," zeide de oude vrouw streng, "je zult het
nog zóó maken, dat niemand meer van je houdt, en dan is het alleen
je eigen schuld."
"Maar wat moet ik dan doen om anders te worden," vroeg Nanni
onderworpen, want dat baker, die haar anders altijd troostte en wat
bedierf, streng was, dat werd haar toch al te erg.
"Als je merkt, dat je driftig of boos wordt, moet je altijd eerst even
naar dit ringetje kijken," zeide vrouw Berens, terwijl zij uit een
lade een eenvoudig, glad, gouden ringetje te voorschijn kreeg en dat
aan Nanni gaf. "'t Is een ringetje dat je moeder mij gegeven heeft,
toen ik bij haar vandaan ging. Als je nu naar dat ringetje kijkt,
dan zul je meteen aan je moeder denken en je herinneren hoe bedroefd
zij zou zijn, als zij hoorde, dat je brutaal of onaardig waart."
Nanni bekeek het ringetje en 't paste gelukkig aan den middenvinger.
"Ik hoop, dat ik er aan denken zal, baker; maar als ze me dan maar
niet al te erg plagen, want dan word ik zoo driftig, dat ik nergens
aan kan denken," zeide zij zuchtend.
"Ga nu naar huis, want 't zal nu bijna etenstijd wezen, hernam vrouw
Berens; "je moet er voor zorgen niet te laat te komen, want 't is
voor groote menschen niet prettig om op kinderen te moeten wachten."
"En jij wacht altijd, goede baker," riep Nanni haar omhelzend uit. "O,
ik wou dat ik bij jou kon wonen in plaats van bij die...."
Vrouw Berens keek haar waarschuwend aan.
"In plaats van bij die tantes," voltooide zij den volzin halfluid.
"Nu, als je moogt, moet je morgen maar zoo vroeg mogelijk komen,"
zeide vrouw Berens, in de voordeur staande, "maar denk aan den ring."
Nanni zeide haar nogmaals goedendag en verliet toen haastig het huisje
om te zorgen, dat zij op haar tijd thuis zou komen.
Nanni was een wees, en woonde sedert den dood harer ouders in huis
bij drie tamelijk bejaarde tantes, zusters van haar papa. 't Waren
goede, maar stijve dames, die er niet veel verstand van hadden om met
kinderen om te gaan en wenschten, dat de kleine Nanni even geregeld en
ordelijk was als zij. 't Was nu maar ongelukkig, dat ons meisje zoo'n
lastig dametje was, anders had zij 't heel prettig thuis kunnen hebben,
want de tantes hielden van haar, al lieten zij het dan ook niet blijken
zooals een mama dat doet; maar Nanni was driftig en ten gevolge daarvan
brutaal,--en dit waren twee zaken, die de tantes al erg leelijk vonden
in haar nichtje. Nu, daar hadden de tantes geen ongelijk aan, want wie
zou daar ook wel van houden; ik ten minste vind het dan ook al heel
onaangenaam als een kind dadelijk boos en op den koop toe brutaal is!
Nu meende Nanni het wel zoo erg niet! O, hemel neen, als zij eens goed
driftig was geweest, had zij er altijd dadelijk spijt van en had die
leelijke tong wel af willen bijten,--maar dat ging natuurlijk niet! In
plaats echter dat Nanni dan aan haar tantes of haar onderwijzers zeide,
dat het haar speet, en zij het zoo kwaad niet gemeend had, zweeg zij
dan en zat met een heel boos gezicht voor zich uit te kijken. Voor
vrouw Berens was zij anders, en die was dan ook de eenige, die wat
van haar gedaan krijgen kon, en voor wie zij haar hart uitstortte.
Rosa was ook naar huis gegaan, maar zij kwam wat pleizieriger bij haar
ouders aan; natuurlijk was zij vol van het genot, dat haar te wachten
stond, en haar ouders en broertjes en zusjes, die niet meegingen,
praatten er even druk over. Allen beklaagden Nanni, en toen er 's
avonds nog een paar schoolvriendinnetjes eens even over kwamen wippen
om het een en ander te bepraten, kwam het ook uit, waarom Nanni niet
mee mocht.
"Zeg eens, Rosa, we moeten allerlei dingen meenemen voor de wilde
dieren!" riep Mina opgewonden uit.
"Voor de wilde dieren!" herhaalde Cato. "Maar, Mina, die durf ik
niets te geven!"
"Och, ik meen voor de olifanten; die zijn zoo mak, dat ze ons hun
langen snuit toe zullen steken," hernam Mina, "en dan moeten we er
amandelen in leggen."
"Of steentjes," merkte Gustaaf aan, die er ook bij was gekomen.
"Hé, hoe flauw!" riep Mina uit, "dan wordt hij immers boos!"
"Juist, ik wou hem zoo graag eens hooren brullen," bekende Gustaaf.
"Ik niet, ik zou mooi bang worden als ze brulden!" bekende Cato
huiverend.
"En dan voor de apen!" riep Cato. "Die eten alles; dat zijn zulke
aardige diertjes."
"Ik zie toch liever echte, wilde dieren," hernam Gustaaf. "Die apen
kunnen mij al heel weinig schelen."
"Dat komt omdat jij elken morgen een aap ziet!" zeide Mina ondeugend.
"Hoe zoo?" vroeg Gustaaf zonder erg.
"Wel, als je in den spiegel kijkt, om de scheiding in je haar te
maken," riep Mina uit, terwijl ze meteen opsprong en zich achter
Rosa's stoel verschanste, daar zij wel begreep, dat Gustaaf haar niet
met rust zou laten na die uitlegging.
"Kom, ga nu niet vechten," zeide Rosa, als vrede-stichtster optredend;
"doe dat maar op een anderen keer, Gus, anders moet je maar naar
huis gaan!"
"Maar die Mina moet toch een pak hebben!" riep hij.
"Jongens mogen meisjes niet slaan," zeide Cato nu. "Kom, je weet
immers dat ze je plaagt; je bent een veel te aardig ventje, dan dat
ze je voor een aap aan zou zien."
"Jij houdt me ook al voor den gek," hernam Gus, "maar wacht, morgen
zul je wel anders piepen, als ik mijn zakken vol amandelen en rozijnen
heb; maar dan..."
"Ik heb niets gezegd, Gus," riep Rosa nu uit.
"Neen, maar Mina en Cato krijgen niets!"
"Och hoe naar!" riep Mina vroolijk uit. "Gelukkig gaat Ko ook mee, en
die heeft mij beloofd allerlei lekkers mee te nemen, en dan zullen wij
zelf maar voor de wilde dieren spelen, want Gus zal hun genoeg geven!"
"Ik wou dat de nacht al om was!" bekende Cato. "Ik denk dat ik van
pleizier niet kan slapen!"
"Wat zal die arme Nanni bedroefd zijn," hernam Rosa peinzend. "Och,
ik wou toch, dat ze ook meeging!"
"Ik niet!" riep Gustaaf uit.
"Hé, waarom niet?" vroeg Rosa verwonderd.
"Omdat ze altijd even driftig en onaardig is," zeide Gustaaf bedaard;
"ze zou zeker elk oogenblik boos worden."
"Nu ja, maar ik vind het toch jammer, dat ze er niet bij is," zeide
Mina; "ik zou heel Frankendaal wel mee willen nemen, zoo ben ik in
mijn schik!"
"Hoeveel wagens zouden er dan achter de locomotief moeten!" riep
Gustaaf uit. "Dan moest jij maar in den steenkolenwagen gaan zitten,
Mina!"
"En jij op den schoorsteen van de locomotief!" riep Mina lachend
uit. "Wat zou dat mooi staan; je zaagt zeker zoo zwart als een neger,
als je in Amsterdam kwaamt."
"En dan sloten ze hem op in het apenhok, zoodra zij hem in Artis
zagen!" voegde Cato er vroolijk bij.
Zij bleven nog een poosje met elkaar praten, totdat het tijd werd
naar huis en naar bed te gaan; en ik kan u verzekeren, dat zij dien
nacht over niets anders droomden dan over het genot dat hen te wachten
stond, en den volgenden morgen opstonden, toen de zon nog maar korten
tijd geschenen had.
II.
DE FEESTDAG.
En 't was mooi weer!
Hoe vroeg de meeste meisjes en jongens, die mee zouden gaan, opgestaan
waren, zou ik niet kunnen zeggen, maar tot groot verdriet hunner
ouders was 't op een onbetamelijk uur. In al de woningen, waaruit
jeugdige Frankendalers mee zouden gaan, was 't geducht rumoerig; de
meisjes en jongens liepen de huizen in en uit, en 't was slechts de
vreeselijke bedreiging dat zij nog ten laatste thuis zouden moeten
blijven, die hen kon overhalen om een stukje brood te gebruiken. De
meesten smeekten of zij een enkel glas melk mochten hebben, omdat
dat gemakkelijker naar binnen ging, taschjes en mandjes werden
meegenomen--kortom 't was alsof er een opstand in het dorp was.
Ook Nanni was op en stond gekleed en wel op haar slaapkamertje tusschen
de franjes der gordijnen door naar buiten te kijken, want zij wist dat
de stoet voorbij moest komen, en kon toch niet nalaten het droevige
genot te smaken haar makkertjes na te kijken. Zij zorgde er echter
wel voor dat zij niet van buiten af gezien kon worden, want haar
hartje zat veel te hoog dan dat zij zich zou willen laten beklagen,
en zij begreep dat Rosa, Mina, Cato en nog wel anderen medelijden
met haar zouden hebben.
Maar, zult gij vragen, hoe hadden de tantes het wel opgenomen, toen
zij thuis kwam met de boodschap dat zij niet mee mocht gaan? Ja, wat
zal ik u daarvan zeggen! 't Spijt mij wel, maar 't moet er uit: Nanni
had er niets van verteld! Zij was van plan den geheelen dag maar uit
te blijven en 's avonds naar huis te gaan, als de trein was aangekomen
waarmee de anderen terugkwamen! In haar onnoozelheid meende zij dat de
tantes er dan niets van zouden bemerken, en zij dus de berisping en de
straf ontliep die zij anders bepaald zou krijgen. Zij was al heel vroeg
de deur uitgegaan, schijnbaar om zich naar 't schoolgebouw te begeven,
maar spoedig daarna de achterdeur binnengekomen en weer stilletjes
naar haar kamertje geloopen. De tantes lagen nog lekker in bed.
Hoor!! Wat was dat? O ja, daar kwamen ze aan! Hoe vroolijk zag Rosa
er uit, en wat stond dat blauwe hoedje lief op haar blonde haren;
Mina en Cato liepen gearmd naast haar, en zorgden er voor dat zij Ko
niet uit het oog verloren, die een groote tasch over zijn schouder
had hangen, zeker gevuld met het lekkers waarover Mina gisteravond
had gesproken! Wat was die Ko toch een dikke jongen, 't leek wel
of hij nu al niet meer voort kon! Neen, dan was Gus veel aardiger;
hij kon wel erg plagen, en Nanni hield eigenlijk niet van hem, maar
hij was soms zoo erg grappig dat iedereen om hem lachen moest.
Ja, daar gingen ze, nog een stuk of tien andere jongens en meisjes,
alles even jolig en levendig en achteraan mijnheer Ebels, en--meester
Struis! O, die meester Struis, was die er gisteren niet geweest,
dan.... Och, dan had zij zeker wel wat anders gedaan, waarvoor zij
straf had gekregen, dacht onze arme Nanni.
Een paar van de jongens die het laatste liepen hadden de tong
uitgestoken en een langen neus getrokken, toen zij voorbij Nanni's
woning kwamen. Zij had het wel gezien, maar wat die flauwerts deden
kon haar niets schelen, want zij zouden het niet wagen, als zij haar
zagen! Neen, ze waren bang voor haar, want ze kon het best tegen
hen opnemen, als 't er op aan kwam! Niet erg jongejuffrouwachtig,
niet waar? Maar dat komt er van, als men zoo weinig bemind en zoo'n
baasje is!
Toen zij goed en wel uit het oog verdwenen waren nam Nanni haar
kans waar en sloop op haar teenen de trappen af, haastig de gang en
de achterdeur uit, en daar stond zij buiten juist toen Trijntje,
de meid der tantes, de keukendeur opende om de kachel aan te gaan
maken. Nanni haastte zich door den tuin, het hek uit, en weldra
was zij, den tegenovergestelden kant die haar vriendinnetjes gegaan
waren, het dorp uitgeloopen. Zij snelde het bosch in en hield niet op,
voordat zij haar lievelingsplekje onder den grooten boom bereikt had.
Daar viel zij op het zachte mos neder en bleef een poosje voor zich
uit zitten staren. Niet, dat zij iets zag van hetgeen haar omringde,
o neen, haar gedachten waren bij haar schoolmakkers; zij meende
dat zij nu al weggereden zouden wezen, en onwillekeurig kwamen de
waterlanders voor den dag. Langzamerhand bedaarde zij echter, en
begon zij eens te bedenken wat zij doen zou. Daar blijven dat ging ook
niet, want zij wilde niet dat iemand haar zou zien. Zij stond dus op
en liep dieper het bosch in, totdat zij op een afgelegen plek kwam,
waar bijna nooit de bewoners van Frankendaal kwamen. Daar ging zij
op een omgewaaiden boom zitten en haalde een boek uit den zak, dat
zij opensloeg en waarin zij aanstonds begon te lezen. 't Was een boek
vol mooie sprookjes dat zij op haar laatsten verjaardag had gekregen,
en dat haar altijd opnieuw aantrok en boeide.
Zij was niet voornemens naar vrouw Berens te gaan, want dan zou zij
moeten vertellen, dat zij haar tantes in den waan had gelaten dat
zij mee naar Amsterdam ging, en zij wist niet recht waarom, maar zij
begreep dat baker dat niet goed zou vinden;--kortom, zij zou het maar
eens probeeren het dien dag zonder eten te doen en in het bosch te
blijven ronddwalen.
Maar nu wil ik u toch in gedachten eens laten meegaan met het vroolijke
troepje dat feest ging vieren! We moeten ons wel haasten, want ze zijn
ons een heel eind vooruit, maar gelukkig halen we hen juist in nu zij
uit de Tram stappen die te Amsterdam naar de Plantage rijdt,--en in
die Plantage is de dierentuin.
Mijnheer Ebels zorgde er voor, dat het jonge goedje goed en wel den
tuin inkwam, en meester Struis hield hen in orde.
"Waar eerst naar toe, meneer?" vroeg de laatste.
"Naar de apen!" riep Gus.
"Naar de olifanten!" zeide Cato.
"Naar de nijlpaarden?" vroeg Ko.
"Volgt mij maar," zeide de heer Ebels, zonder op al die uitroepen
acht te slaan. "Ik weet hier den weg, en jullie zult alles zien, dat
beloof ik je. Maar niet op je eigen houtje wegloopen of dieren plagen,
dan breng ik je bij den portier en moet je daar wachten totdat wij
gereed zijn."
Zij gingen eerst links af een laan in, waar zij aanstonds kameelen
en dromedarissen in 't oog kregen.
"Op dat beest zou ik wel eens willen rijden!" riep Gus uit. "Tusschen
die twee bulten zou ik wat gemakkelijk zitten."
"Je meent den kameel" zeide mijnheer Ebels "maar 't zou je niet
meevallen voor iemand die het niet gewend is; in de woestijnen, die..."
"Wat zijn woestijnen?" vroeg Ko.
"Groote, dorre zandvlakten, waar niets groeit en ook geen water te
krijgen is," vertelde mijnheer Ebels. "In ons land vindt men ze niet,
maar in warme landen, zooals Afrika; daar zijn woestijnen, die zoo
groot zijn, dat men er weken achtereen reizen moet om er uit te komen."
"Zijn daar ook spoortreinen?" vroeg Rosa.
"Wel neen, kind, en er wonen geen menschen ook in."
"Maar waarom gaan de menschen er dan naar toe?" vroeg Cato,
"Vooreerst omdat zij er door moeten trekken om van de eene stad naar de
andere te komen, en ten tweede zijn er van die zwervende volksstammen,
die er zich veel ophouden. Als zij nu in de woestijn gaan, nemen zij
kameelen mee, daar die dieren heel taai en sterk zijn en bovendien
zeer weinig drinken noodig hebben. Zij krijgen volop water voor zij
de reis aanvaarden, en dit bewaren zij in een zak onder aan hun keel,
zoodat als de reizigers gebrek aan water krijgen, zij slechts een
kameel behoeven te dooden en weer drinkwater hebben."
"Dat zal ook niet lekker smaken," meende Rosa, haar neusje optrekkend.
"Als je maar eens goed dorst hebt, dan zie je zoo nauw niet," hernam
mijnheer Ebels. "Maar komaan, ziet eens hier, dat zijn lama's, die
zeer goede wol geven."
"O, dat zijn die spuwbeesten!" riep Mina uit, terwijl zij haar
vriendinnetjes achteruit trok.
"Dat loopt zoo'n vaart niet," zeide meester Struis lachend; "maak ze
niet boos, dan zul je er geen last van hebben!"
Zij kwamen nu ook bij de herten, en daarna bracht mijnheer Ebels hen
bij de struisvogels en kasuarissen.
"Waarom gaan we nu niet verder?" vroeg Ko, toen de heer Ebels bij de
struisvogels bleef staan en daar 't een en ander van vertelde.
"Luister liever," beet Gustaaf hem toe.
"Och ik weet wel, dat de veeren van die beesten op de hoeden worden
gedragen," bromde Ko.
"Weet je dan ook hoe zij doen, als zij in gevaar verkeeren?" vroeg
de heer Ebels, die hem verstaan had.
"Dan loopen ze zeker weg." pruttelde Ko; "ik wou dat ik ook weg mocht
loopen!" dit laatste zeide hij zeer zacht.
"Neen, jongetje, dan blijven zij staan en verbergen hun kop tusschen
het gras," vertelde de onderwijzer. "Zij meenen, dat als zij hun
vervolgers niet zien, dezen hen ook niet in het oog kunnen krijgen!"
"Doen de apen dat ook?" vroeg een andere, die erg naar de apenkooi
verlangde.
"Wel neen," riep meester Struis uit. "Waarom vraag je dat?"
"Och, ik dacht dat zij alles nadeden wat andere dieren doen, en dat
er daarom van naäpen gesproken wordt," verklaarde deze kleine geleerde.
"Mij dunkt, we moesten nu maar naar de apenkooi gaan," hernam de heer
Ebels, na op zijn horloge gekeken te hebben; "daarna zullen wij een
broodje eten."
"En wanneer dan naar de wilde dieren?" vroeg Gustaaf teleurgesteld. "Ik
verlang zoo naar de leeuwen en tijgers."
"Die loopen niet weg," zeide de heer Ebels; "straks."
"'t Zou er ook gek uitzien, als zij wegliepen," fluisterde Mina haar
vriendin Cato in; "dan zouden zij ons allen wel opeten."
Schertsend en joelend bereikte ons troepje de apenkooi. Reeds een
eind er vandaan hoorden zij de groote bel luiden, die midden in
het hok hing, en zij begrepen natuurlijk eerst niet, waar dat gelui
vandaan kwam. Dat was een gekrioel daar achter die traliën! 't Leek
onze vriendinnetjes en vriendjes toe, alsof er wel honderd, of zooals
Ko beweerde, duizend van die aardige, kleine springers in waren! Zij
waren als water zoo vlug. Daar hing er één met zijn achterpooten te
slingeren aan een ketting, die van het eene naar het andere einde
was gespannen. Verbazend, wat ging dat vlug! Wip! Daar duikelde hij
om, greep ook met zijn voorpooten den ketting en liep er zoo vlug
overheen, alsof hij een koordedanser was. Waar naar toe? Ha, ja naar
de bel! Dat was dus de aap, die den post van klokkeluider waarnam,
en hij zat met zulk een ambitie te luiden, dat hij niet bemerkte,
dat er een ander achter hem aankwam en hem onverwacht achteroverhaalde.
"Die leelijkerd!" riep Cato uit, die met ingespannen aandacht had
staan kijken. "Nu zal dat aardige aapje vallen!"
Maar neen hoor, de sinjeur tuimelde wel achterover, maar greep tevens
met een zijner handen den boomstam, die in het midden der kooi stond,
bleef daar hangen en trok met de andere hand zijn vijand zoo geducht
aan zijn staart, dat deze luid begon te schreeuwen, de klok in den
steek liet en de ander na ging loopen. Met bewondering zagen zij naar
de vlugge en kluchtige sprongen, die de vroolijke dieren maakten,
en telkens barstten zij in een hartelijk gelach uit.
"Pas op, Ko," riep meester Struis waarschuwend uit, "achteruit!"
't Was maar waarlijk goed, dat ons Kootje vlug achteruitsprong, want
hij zag eensklaps den ruigen arm van een allerliefst zwart aapje
naast zich verschijnen. Haastig stak hij den schelm een noot toe,
en had het genoegen te zien, dat deze hem heel netjes kraakte en
begon op te peuzelen, toen een andere, zoo vlug als een matroos,
die uit den mast glijdt, langs de traliën naar beneden kwam, heel
handig de noot wegpakte en er in een ommezien mee verdwenen was. Het
kleine, zwarte aapje zat den dief een oogenblik verbaasd na te kijken,
maar zeker bemerkte hij wel, dat deze te groot en te sterk was, om
een gevecht te durven beginnen en daarom krabde hij zich maar eens
achter de ooren en keek de meisjes en jongens smeekend aan.
"Die leelijke dief!" had Rosa aanstonds uitgeroepen. "Toe, Gus,
geef een paar amandelen aan dat kleine aapje!"
"Wil jij ze hem geven?" vroeg Gustaaf heel galant, "of ben je soms
bang dat hij je vinger ook beetpakt?"
"Wel neen, geef maar op!" riep Rosa ongeduldig uit. "Daar arm, klein
ventje, pas nu op, dat ze 't je niet weer afnemen! Ko, geef jij nu
aan dien grooten een noot als hij er weer bijkomt!"
't Aapje nam de amandelen heel voorzichtig en netjes aan, stopte degene
die hij nog niet opat, tusschen zijn achterpootjes en begon er een
te kraken, terwijl hij Rosa met zijn slimme, heldere oogjes aankeek.
"Ik zou hier wel willen blijven!" riep Mina uit, "de apen vind ik
het alleraardigst!"
"Ik ook," zeide Cato. "Zie eens die met die lange staarten, wat hangen
die er kluchtig aan!"
"Dat zijn zeker slingerapen," voegde Ko er bij.
"En wat koesteren en vertroetelen zij die jongen," zeide Rosa. "Zie
daar eens... O wee, nu gaan ze vechten!"
"'t Is nog al gauw gedaan," riep Ko uit; "ze toffelen elkaar niet
zooals wij dat doen, als we vechten."
"Die apen zijn ook veel aardiger dan jullie!" antwoordde Mina
minachtend. "Om jullie moeten we nooit zoo lachen!"
"Dan zal ik je maar niets meer uit mijn tasch geven," zeide Ko
beleedigd, "en...."
"Kom, kom, Ko, je moet zoo gauw niet boos worden," riep Cato sussend;
"jullie zijn weer op een andere manier aardig, niet zoo aardig als
de apen, maar je bent ook geen aap!"
"Dat zou ik ook niet graag wezen," antwoordde Ko tevredengesteld en
met een hooge borst. "Een aap is maar een aap!"
Mina wilde iets ondeugends zeggen en opende haar lippen reeds, maar
Cato trok haar aan haar arm en fluisterde haar in om te zwijgen,
want dat Ko haar anders bepaald niets meer van de rozijnen zou geven.
"Kom aan, jongelui, nu een tafeltje om ons broodje te kunnen eten;
ieder krijgt een glas melk," riep de heer Ebels. "Is iedereen
present? Ja? Neen! Waar is Gustaaf?"
Allen keken rond, maar Gustaaf was er niet bij. Rosa wist het ook
niet, en juist wilde meester Struis een laantje inloopen om te zien of
hij het verloren schaap daar ook kon vinden, toen een angstig gegil,
dat uit het winterhok der apen kwam, hun in de ooren klonk. Er in te
vliegen was het werk van een oogenblik; allen meester Struis na, en wat
zij zagen, deed hen eerst ontstellen, en daarna in lachen uitbarsten.
Gustaaf stond midden in den smallen doorloop tusschen de kooien, die
zich aan weerszijden bevonden, of juister gezegd, hij stond niet in het
midden, maar vlak bij een der kooien, en daar stond hij niet vrijwillig
ook. Een groote aap had met de eene hand zijn arm vastgepakt, terwijl
hij met de andere zijn oor stevig beet had. Gustaaf die zich niet
verroeren kon, of zijn oor deed hem vreeselijk pijn, stond daar als
't beeld der radeloosheid en gilde en riep zoo hard hij kon om hulp.
't Was wezenlijk zoo gemakkelijk niet om hem van zijn aanvaller te
verlossen, dat ondervond meester Struis, en ook mijnheer Ebels kon
bitter weinig uitrichten, want als zij de handen van het dier los
wilden maken, kneep het Gustaaf hoe langer hoe harder en begon te
brommen, zoodat Gustaaf de tranen uit de oogen liepen van pijn. Ko
echter kreeg een inval! Hij zeide evenwel niets, en ondanks het geroep
van den heer Ebels, snelde hij weg en kwam een oogenblik daarna met
den oppasser terug.
"Wat is dat?" zeide de oppasser, terwijl hij naderbij kwam. "Laat los,
Cesar!" en hij dreigde het dier met een rieten stok.
Langzaam week de groote aap achteruit, met de oogen strak op zijn
oppasser gericht. Eindelijk voelde Gustaaf dat de greep aan zijn
arm en oor losser werd, en hij meende reeds dat hij vrij was, toen
hij een onbedachte beweging maakte en het nijdige dier eensklaps
luid brommend zijn nagels nogmaals diep in het oor drukte en daarna
losliet en achter in het hok vluchtte.
Gustaaf voelde zich niet bevrijd of hij sprong aanstonds een heel
eind terug en kwam tegen het tegenovergestelde hok terecht, waar een
klein aapje hem spottend zat aan te kijken.
"Pas toch wat op, jongeheer, je bent pas verlost, of daar spring je
alweer naar een anderen snuiter toe," waarschuwde de oppasser. "Dat
kleintje is ook een rakker als hij begint!"
Haastig verwijderde Gustaaf zich, zijn zakdoek stijf tegen het
mishandelde oor gedrukt en snelde den tuin in. Natuurlijk liepen
allen hem achterna, en verlangde de heer Ebels eerst eens te weten
hoe zijn oor er uitzag, en daarna hoe hij zoo in de klem geraakt was.
Het oor bloedde geducht want er waren verscheidene leelijke krabbels
op, maar gelukkig waren dat de ergste wonden; in de mouw van zijn kiel
was een winkelhaak maar dat was van zoo weinig belang dat toen die
met een paar spelden gerepareerd was, niemand er notitie van nam. Een
natgemaakte zakdoek deed het bloeden van het oor spoedig bedaren,
en toen Gustaaf genoegzaam van den schrik hersteld was, vertelde hij
hoe het gekomen was dat hij zoo geducht in 't nauw was geraakt.
"Ik was even naar binnengeloopen, mijnheer," zeide hij, "om te zien
of er nog dieren waren, en toen zag ik zulke aardige, kleine aapjes en
bleef staan kijken; zeker ben ik te ver achteruitgegaan, want eensklaps
voelde ik mij beetgepakt door een aap dien ik niet gezien had. O,
ik was zoo geschrikt! Eerst hield ik mij stil, want ik was bang dat
u knorren zoudt, als u zag dat ik stilletjes naar binnen was gegaan,
en ik dacht dat die aap het maar voor de grap deed!"
"Hij zag je zeker voor familie aan," kon Mina niet nalaten aan te
merken, "en hij meende dat je bij hem in het hok behoordet!"
"Plaag hem nu niet, Mina," zeide Rosa, die erg medelijden met haar
vriendje had en medelijdende blikken op het gehavende oor wierp. "Hij
heeft nu narigheid genoeg."
"Och, die stumper!" riep Mina halfluid uit; maar zij meende het zoo
kwaad niet, want zij was eerst erg geschrikt toen zij het bloedende
oor zag, maar zij hield veel van plagen, die ondeugd!
"En ben je toen gaan schreeuwen?" informeerde Cato.
"Jij zoudt ook wel geschreeuwd hebben," antwoordde Gustaaf pijnlijk
glimlachend. "Hè, ik voel die nagels nog!"
"Ik vind dat je niet eens erg geschreeuwd hebt," bekende Cato
openhartig, "ik zou zeker een keel op hebben gezet, alsof ik vermoord
werd. Was maar dadelijk gaan schreeuwen, des te eerder waren wij bij
je geweest!"
"Dat hielp niet veel of wij er al bij waren," zeide nu de heer Ebels,
die hen maar onder elkaar had laten praten, "als Ko niet zoo flink bij
de hand was geweest en den oppasser had gehaald, dan weet ik niet of
Gustaaf nog wel twee ooren zou hebben. Je hebt een pluimpje verdiend,
Ko! Ik hoop dat je altijd, ook in latere jaren zooveel tegenwoordigheid
van geest zult hebben!"
Ko keek erg verlegen en stak uit verbouwereerdheid een handvol
rozijnen in zijn mond, zoodat hij geen woord kon zeggen, en Mina hem
waarschuwend aan den arm trok, daar zij bang was dat hij alles op
zou eten.
Weldra zaten allen onder de heerlijke boomen, aan drie aan elkander
gezette tafeltjes smakelijk te eten,--maar lang rust hadden zij niet,
want er was nog zooveel te zien, dat zij bang waren dat de dag niet
lang genoeg zou zijn.
"Goed, wij zullen nu verder gaan," zeide de heer Ebels die wel
bemerkte waar de schoen wrong, "maar nu allen bij mij blijven! Je
hebt aan Gustaaf gemerkt hoe 't je bekomt als je op je eigen houtje
uitstapjes maakt!"
In een oogwenk waren allen opgestaan, en nu ging men het keurig nette
bruggetje over naar den overtuin.
De pelikanen, zwanen, eenden enz. die in de vijvers zwommen trokken
al dadelijk de aandacht der meisjes, die aanstonds brood en beschuit
begonnen te kruimelen en dat in het water wierpen. Maar lang konden
zij daar niet blijven, de heer Ebels maakte wat haast. Eerst naar
de leeuwen en tijgers had hij gezegd, en zoo gingen zij dan ook. O,
welke prachtige wilde dieren zagen zij daar! Wel vonden de meisjes dat
brullen niet erg pleizierig en schrikten zij terug toen een groote,
gestreepte tijger haar met zijn glinsterende, groenachtige oogen zoo
valsch aankeek, maar toch genoten zij er in dat zij nu die dieren,
die zij maar alleen op prentjes hadden gezien, zoo voor zich zagen. En
die leeuwen! Daar kon Mina haast niet vandaan komen; de leeuwin kon
haar minder schelen, maar die leeuw met zijn prachtige lange manen
betooverde haar.
"Hoe raar dat de leeuw zooveel mooier is dan de leeuwin," zeide Mina
die gearmd met haar stond.
"Ja, jammer," beaamde Cato; "ik zou het aardiger vinden als het wijfje
mooier was."
"Zeker!" riep Mina uit. "Dan zou 't net zijn als bij de menschen!"
"Hoezoo?" vroeg Gustaaf.
"Wel, meisjes zijn veel mooier dan jongens," antwoordde zij zonder erg.
"'t Zou wat!" riep Ko. "Jullie denkt zeker, dat je zoo mooi bent,
als... als..." een geschikte vergelijking wilde onzen jongen held niet
invallen; hij zweeg ook maar, want hij zag dat de oogen van Cato zóó
spottend op hem gericht waren, dat hij wel begreep dat hij geducht
door de meisjes zou geplaagd worden, als hij iets zeide.
"Nu naar den olifant!" werd er geroepen, en daar die zijn hok er vlak
naast had werd er geen tijd verloren. De oppasser van het groote dier
was er bij, en toen deze zag hoeveel schik de jongelieden er in hadden,
als hij zijn langen snuit door de traliën stak om amandelen en noten
aan te nemen, die hem gegeven werden, besloot hij het dier nog meer
kunsten te laten vertoonen.
"Kijk eens, Rosa, haalt de oppasser daar niet een koffiemolen voor
den dag?" fluisterde Cato deze in; zij durfde het niet hardop zeggen,
daar zij bang was dat de jongens er haar mee voor den gek zouden
houden als zij zich vergiste.
"Wel zeker," zeide Rosa aanstonds; "wat zou hij daarmee doen?"
Ook de oppasser had haar hooren fluisteren, en zeide nu glimlachend:
"Ja, jongejuffrouwen, nu moet u eens kijken, dan zult u zien, dat de
olifant evengoed koffie kan malen als een keukenmeid!"
En waarlijk op een paar bevelende woorden van den man, nam het groote,
logge dier met zijn snuit den slinger beet, en draaide dien in het
rond dat het een lust was het te zien. Daarna moest hij met zijn
voorpooten knielen, en ten laatste moest hij op een rond stuk hout
met alle vier zijn pooten gaan staan.
Toen die kunsten afgeloopen waren, waarnaar allen in stomme verbazing
hadden staan kijken, stak de olifant zijn snuit weer door de traliën,
en nu legde de heer Ebels er een dubbeltje in, dat het dier heel
netjes in 't bakje deed, dat aan den muur hing, nadat hij eerst het
dekseltje had opgelicht.
"Nu moet ik hem nog wat geven om op te eten!" riep Mina uit, "dat
heeft hij wel verdiend. Kom, Ko, geeft wat amandelen!"
"Er zijn er nog zoo weinig," zeide Ko, die wel graag iets voor zich
zelf bewaarde.
"Kom, wees nu niet zoo schrokkig, jongen!" antwoordde Mina
verwijtend. "De olifant krijgt het ook niet alle dagen."
"Ik ook niet," pruttelde Ko.
"Hij krijgt anders dikwijls wat lekkers, jongejuffrouw," zeide nu de
oppasser, "want als hij zijn kunsten vertoont, geven de kinderen hem
bijna altijd wat."
Mina echter stoorde er zich niet aan en grabbelde eenige mangelen
uit Ko's tasch, die zij het dier toereikte.
Daarna kwamen zij bij de giraffen, de mooie dieren met hun lange
halzen en hooge pooten.
"Wat zijn ze mooi bruin gevlekt!" riep Gustaaf uit, "maar wat is hun
lijf kort in vergelijking met hun hals en pooten!"
"Ja, dat is zoo," zeide de heer Ebels, "maar 't zijn sierlijke beesten;
jammer dat ze zoo erg teer zijn. Ze kunnen volstrekt niet tegen koude
of tocht, en ze moeten heel zorgvuldig opgepast worden, anders sterven
ze. Er zijn er hier al verscheidene gestorven!"
"Wat hoor ik daar toch raar schreeuwen!" zeide Ko, toen zij den tuin
een eind verder ingewandeld waren.
"'t Is een akelig geluid."
"O, dat zullen de zeeleeuwen zijn," meende meester Struis; "daar
komen wij straks, wij gaan nu eerst naar de nijlpaarden."
"Zeeleeuwen!" riep Mina verwonderd uit. "Zien die er ook zoo uit als
de leeuwen die wij straks gezien hebben?"
"Zouden ze ook zoo mooi zijn?" vroeg Cato. "Maar wat zullen die mooie
manen nat worden, als ze in de zee leven!"
"Geduld maar," vermaande de heer Ebels glimlachend. "Je moet je echter
niet verbeelden, dat ze er uitzien als landleeuwen."
"Hoe dan? Hoe dan?" riepen allen door elkaar.
"Dat zul je wel zien," antwoordde de heer Ebels, terwijl hij voor
een groot gebouw bleef staan. "Hierin, jongelui; dat is het paleis
van de nijlpaarden."
"Wat een groot huis!" riep Rosa verwonderd uit. "'t Is veel grooter
dan het huisje van vrouw Berens bij ons op 't dorp!"
"De nijlpaarden zijn ook veel grooter dan vrouw Berens," zeide de
heer Ebels vroolijk. "Kijk maar eens; wat zeg je van zulk een mondje!"
Juist opende een der dieren den bek en onwillekeurig traden de kinderen
een paar schreden achteruit, toen zij dien opengesperden muil boven
het water zagen uitkomen.
"Hè, hoe akelig," zeide Rosa huiverend.
"Ik zou ze wel eens uit het water willen zien," zeide Gustaaf aan
meester Struis. "Zouden ze er niet eens uitkomen?"
De oppasser, die in het hok bezig was, beloofde dat hij ze er eens
zou laten uitkomen, en 't duurde dan ook niet lang of het mannetje
kwam langzaam uit het water en liep het hok binnen.
"Wat is dat dier groot!" riep Ko uit.
"En wat heeft het korte pooten!" voegde Gustaaf er bij.
"'t Lijkt wel een groot, heel groot varken," meende Mina.
De oppasser vertelde dat het eene dier 3000 ponden woog, iets waarover
zij zich braaf verwonderden.
Daarna gingen zij naar de zeeleeuwen, en--toen zag Mina tot haar
verbazing, dat zij hoegenaamd niets op landleeuwen geleken. Zij vonden
ze lang zoo mooi niet.
"Waarom noemen ze die glibberige beesten leeuwen?" riep Gustaaf
verontwaardigd uit. "'t Lijken wel zeehonden!"
"Ja, ik vind ze leelijk en akelig," voegde Ko er bij, "en dan
schreeuwen ze als magere speenvarkens!"
"'t Spijt mij, dat ze jullie goedkeuring niet wegdragen," zeide de heer
Ebels, die braaf pret had in hun uitroepen. "Maar zij kunnen er niets
aan doen en moeten zoo glibberig en wel maar voort blijven leven."
"Wat plassen ze in dat water!" zeide Cato. "Komen ze er nooit uit?"
"Jawel," antwoordde de heer Ebels. "Kijk daar komt hun oppasser met
een mandvol visch; misschien komen zij nu wel voor den dag."
En 't was zoo. De man ging de kunstig gemaakte rots op en aanstonds
ging een der zeeleeuwen hem achterna, en toen hij een handvol vischjes
naar beneden in de waterkom wierp, sprong het dier ook naar beneden
en hapte gretig naar het voedsel.
"Hoe aardig is dat!" riep Mina opgetogen uit. "Hoe slim van dat dier
om den oppasser achterna te springen!"
"Ja, dat is nog al aardig," zeide Ko, "maar ik vind het toch akelige
dieren. Gaan we nu weer verder, mijnheer?"
En zij gingen verder, den geheelen tuin door, keken naar alle beesten
en lieten zich alles haarfijn uitleggen.--Maar hoe graag ik hen ook met
u zou willen volgen, waarlijk ik kan 't nu niet doen, want wij moeten
eens naar Frankendaal terug, waar de arme Nanni is achtergebleven,
die, in plaats van zooveel pleizier te hebben, met een hongerige maag
in het bosch ronddwaalde.
III.
HOE NANNI DEN DAG DOORBRACHT.
"Trijntje! vraag eens aan de dames of ik haar eens eventjes mag
spreken,--maar een oogenblikje," zeide vrouw Berens aan de dienstmaagd
van Nanni's tantes.
"Wel, vrouw Berens, hoe maak jij het?" antwoordde Trijntje, haar
armen in de zijde zettende en blijde dat zij eens een praatje kon
maken. "Menschlief, 't gebeurt ook niet vaak, dat jij zoo uit wandelen
gaat; ga maar rechtuit den tuin in, de dames zitten achter onder den
lindeboom thee te drinken."
Vrouw Berens strompelde de gang door, den tuin in en was weldra bij
den boom, waaronder de dames zaten.