Den volgenden middag toen het spreekuur van Dr. Wencke ten einde liep,
ging Casper van Eyken naar het huis, hij bleef voor de deur staan en
bekeek aandachtig het naambordje.
Gisteren was het hem niet opgevallen; hij had gelezen Dr. A. Wencke,
en nu zag hij dat er duidelijk stond: Dr. Andrée Wencke, maar al had
hij ook toen op den voornaam gelet, dan zou zijn aandacht door die
dubbele ée nog niet getrokken zijn.
De meid, die hem open doet, vroeg wat er van zijn dienst was.
"'t Is immers het spreekuur van den dokter."
"Ja, maar mevrouw behandelt geen heeren."
"'t Is voor die dame, met wie ik gisteren hier ben geweest," loog
Casper brutaalweg.
"O zoo," en zij liet hem in de wachtkamer, waar niemand meer zat. Hij
zette zich neer en streek met de hand over het voorhoofd en vroeg
zich nu eerst af, wat hij hier kwam doen, wat hij haar wilde zeggen;
hij had gehandeld sinds gistermiddag als onder den invloed eener
suggestie. Emilie en haar moeder had hij weggezonden; den halven
nacht en den heelen morgen had hij zoek gebracht met door de straten
te drentelen, en nu zat hij in haar huis te wachten tot hij als
een vreemde in haar tegenwoordigheid zou worden toegelaten. Maakte
hij een gek figuur? Toen dacht hij eensklaps aan een woord van het
dienstmeisje. Die sprak van "Mevrouw" zou zij dan getrouwd zijn,
heette zij daarom geen juffrouw Bauer meer; in elk geval hij moest
zekerheid hebben en niemand kon hem die beter geven dan zij zelf. Hij
moest veel langer wachten dan gisteren; eindelijk klonk weer het
electrisch schelletje en de meid kwam hem waarschuwen precies als
gisteren.
Een oogenblik later stond hij weer in de kamer; zij zat iets te
noteeren in een groot voor haar liggend boek en sloeg niet dadelijk
de oogen op.
"Juffrouw Bauer," zeide hij half luid. Zij schrikte en zag hem nu aan.
"Mijnheer.... van.... van Eyken? Hé, is 't niet goed met de juffrouw?"
Hij nam een stoel en zette zich tegenover haar, rustig als kon niets
hem van daar jagen.
"O ja heel goed, dank u wel! Maar ik kom voor mij zelf. Ik weet, u
behandelt geen heeren maar de zaak, die mij betreft is zoo gewichtig."
Zij lachte nu even, heel eventjes, en hij voelde dat zij haar oude
macht over hem herwonnen had.
"Is u getrouwd?" vroeg hij, "en is u daarom geen juffrouw Bauer meer?"
"Neen!" antwoordde zij, "ik ben niet getrouwd en ik heb nooit Bauer
geheeten. Ik noemde een anderen naam omdat ons land zoo hopeloos
klein is en ik op vacantie was."
"En een vrouwelijke arts is nog altijd zoo'n zeldzame vogel bij ons,
dat men haar reeds van verre herkent. Enfin, dat is uwe zaak, maar
dat u er zoo geheimzinnig mee was, waar diende dat voor? U heeft
misschien een leven er door bedorven."
"Het uwe?" vroeg zij met den helderen, doordringende blik, waarvan
hij nu de kracht kende: daarmede maakte zij immers haar diagnose op de
patiënten. Zij had zich half omgekeerd op haar bureaustoel en wanneer
zij niet een vouwbeen onophoudelijk tusschen beide handen schoof,
zou men haar voor volmaakt kalm hebben gehouden.
"Ja, het mijne. Wanneer ik alles dadelijk had geweten, wat--wat
zou--dan alles anders geweest zijn."
Zij glimlachte spottend en legde het vouwbeen resoluut op tafel neer;
hij schaamde zich over zijn woorden en zijn heele houding; had hij
haar dan niets anders te zeggen?
"U heeft zich toch dunkt mij niet over het leven te beklagen; naast
zoo'n allerliefst meisje--een beauté."
"O ja zeker--maar ik heb u toch niet vergeten, toch niet kunnen
vergeten."
En nu zeide zij kalm zonder een zweem van verwijt in de stem:
"Waarom is u dan in Augustus niet in den Gottlobtempel gekomen?"
Het bloed steeg hem naar het hoofd terwijl hij vroeg:
"Is u daar geweest? Heeft u mij gewacht?"
"Ja zeker! Ik had het immers gezegd."
"Ik zag het voor gekheid aan," zuchtte hij, stond op en ging met
groote stappen de kamer op en neer.
"Dan is het immers goed," hernam zij weer even bedaard, maar opnieuw
met het vouwbeen tusschen de vingers, "u vertrouwde mij niet, dus
was het immers het beste dat de kennismaking zóó eindigde."
"Maar ik had niet kunnen denken...."
"Neen, u zag mij voor een avonturierster aan, niet waar? U was bang
voor het geheim dat mij omringde, nu kent u het en--wat zegt u er van?"
Zij stond rechtop met opgeheven hoofd, fier, trotsch, mooi van een
geheel intellectueele schoonheid, die straalde uit haar voorhoofd,
haar oogen, haar ernstige, half geopende lippen, haar geheele houding;
hoe had hij haar eens klein kunnen noemen, een poppetje, zij scheen
nu zoo'n krachtige, flinke, sterke vrouw.
Hij zweeg en verslond haar met de oogen.
"Is u niet blijde, dat ik u voor een dwaasheid heb behoed? Pas ik nu
wel bij u?"
"O neen," zeide hij bitter, "u is veel te groot voor mij! Hoe
belachelijk zal u dat gevonden hebben, toen ik u voorstelde u op
te nemen in mijn armen, u door het leven te dragen, toen ik u het
ideaal vond van het vrouwtje, waarvoor ik zorgen en werken wilde en
van wie ik niets anders verlangde dan liefde en aanhankelijkheid. Hoe
kon ik het weten dat ik het vroeg aan zoo'n geleerde dame, aan een
doctor in de geneeskunde, aan een vrouw, die hemelhoog op mij armen
stumper neerziet."
Hij maakte zich boos onder het praten, hij achtte zich werkelijk
door haar verongelijkt en slecht behandeld, zoo hinderde hem zijn
vergissing.
"Ga even zitten, mijnheer Van Eyken," zeide zij met trillende lippen.
"Heeft u tijd? Wachten uw patiënten u niet?"
"Neen, ik heb nog een half uur vóór dat mijn coupé voorkomt. Zullen
wij het uitvechten? U beweert grieven tegen mij te hebben en ik heb ze
misschien tegen u." Hij maakte een beweging. "O neen! Dat u geëngageerd
is neem ik u niet kwalijk, en dat u niet op het rendez-vous is geweest
na hetgeen u op den "Columban" gezegd heeft, ook niet, maar dat u
mij niet vertrouwde en toch ten huwelijk vroeg, dat is erger. Nu is
alles voorbij! Wij hebben beiden gekozen en kunnen dus kalm spreken
over hetgeen geweest is en had kunnen wezen."
"Er is niets onherroepelijks gebeurd," zeide hij halfluid, als vreesde
hij dat zij het verstaan zou.
"Toch wel! Ik zal u alles vertellen. Tout savoir c'est tout pardonner,
of liever neen niet alles maar toch veel vergeven. Ik ben nu arts,
maar toen ik u leerde kennen, was ik nog student, een vermoeide,
afgematte, moedelooze student. Toen begon de crisis, de reactie,
die op een jeugd vol ingespannen studie, zonder de gewone genoegens
van een meisjesleven noodzakelijk volgen moest."
"Waarom heeft u dan dien weg ingeslagen?
Zij zuchtte even.
"Ja, waarom? Ik wist niet anders dan dat het zoo moest zijn van
jongsaf; mijn moeder heb ik nooit gekend; zij stierf toen ik nog
heel jong was. Mijn vader was leeraar aan een Gymnasium in een
provinciestadje, een geleerde man, die geheel buiten het gewone leven
stond; mijn drie oudere broers waren ondeugende bengels, waarover hij
niet het minste gezag had en die ook allen verkeerd zijn gegaan. Vader
leefde in en voor theorieën; theoretisch had hij zijn jongens bedorven,
theoretisch moest ik opgevoed worden als jongen."
Zij zweeg even en drukte de lippen pijnlijk samen.
"En ik was toch maar een meisje, niets dan een zeer gewoon meisje,
misschien met iets bevattelijker verstand dan andere meisjes, maar
ik was gehoorzaam, volgzaam, elk woord van vader was mij een bevel
en toen ik zag hoe de jongens steeds ondeugender werden, voelde ik
er behoefte aan hem te vergoeden wat zij misdeden. En alles ging
geleidelijk voort; ik leerde Latijn en Grieksch zooals andere meisjes
Fransch en Duitsch. Ik wist dat ik dokter moest worden en ik vond het
goed of liever ik dacht er niet aan dat het niet goed kon zijn. Ik
maakte behoorlijke studiën, niet buitengewoon maar toch meer dan
voldoende. Vader was gelukkig en tevreden, hij noemde mij zijn troost
en zoo werd ik jong meisje altijd tusschen boeken en thema's; nooit
ging ik met vriendinnen van mijn leeftijd om, nooit was ik aan een
handwerkje bezig, nooit las ik romans, nooit bemoeide ik mij met het
huishouden; ik stond buiten alles wat aan mijn vrouw-zijn herinnerde
en ik wist niet anders of het hoorde zoo, totdat ik na het gymnasium
doorloopen te hebben aan de Akademie kwam."
Zij streek met de hand over het voorhoofd.
"Verveel ik u?" vroeg zij.
"Integendeel. Ik heb nog nooit zoo aandachtig geluisterd, naar
wie ook."
"'t Is voor het eerst dat ik het vertel. Tot nu toe heb ik er altijd
alleen mee geleefd.
"Nu dan, aan de Akademie begon mijn eigenlijke leertijd; toen was het
dat voor het eerst mijn neigingen in opstand kwamen tegen mijn lot. O
die snijkamer en die operatiën en die gasthuislucht en die zieken; hoe
ben ik dien tijd doorgekomen, wat walgde mij dat alles, die lijken,
welke ik moest onderzoeken om het samenstel van het menschelijk
lichaam te leeren kennen, die flauwe praatjes van de studenten,
die angst voor bloedvergiftiging en dan 's nachts dat droomen van
afgesneden handen en voeten, van verkankerde magen en.... en.... ik
word er gek van als ik aan dien tijd denk."
"Waarom gaf u er den heelen rommel niet aan?"
"Vader had zijn betrekking laten varen om in Amsterdam te wonen,
opdat ik daar de colleges kon volgen en hij had juist in dezen tijd
zoo'n verdriet van de jongens; als ik mijn studie had opgegeven
zou ik hem radeloos hebben gemaakt. Hij was zoo trotsch op mij! Ik
studeerde hard, nacht en dag kan ik zeggen, zonder eenige afleiding,
eenige verstrooiing, altijd met walg en afkeer in het hart; ik werd
niet bezield door den dorst om veel te weten en ik voelde ook geen
roeping om mij aan de lijdende menschheid, zooals de term luidt,
toe te wijden, ook niet om een positie te verwerven: ik studeerde
omdat vader mij van jongsaf had ingeprent dat het zijn bedoeling was,
en omdat ik hem niet teleur wilde stellen."
"Maar dat was toch een onwaardige tyrannie!"
"Och! zoo beschouwde de arme man het niet. Hij zag in studie en
wetenschap alleen zijn heil, hij was vast overtuigd dat het mij
gelukkig zou maken, of neen, geluk heeft hij nooit geweten wat dat
was; 't zou mij door de wereld helpen. Maar zoolang hij leefde had
ik nog een prikkel, een steun die mij voortdreef en staande hield;
een jaar nadat ik mijn candidaats gedaan had stierf hij plotseling en
nu begon eerst mijn leed. Toen voelde ik eerst hoe eenzaam ik stond
en hoe mij nu alles ontbrak."
"Toen was het nog tijd om...."
"Een gewone vrouw te worden. Ik heb het beproefd, ernstig en
vastbesloten; ik liet mijn studiën rusten; financieel kon ik mij
redden, meer niet, en zocht ik het gezelschap van meisjes van mijn
leeftijd op. Ik ging uit bij families, maar ach! ik stond overal
alleen; over niets van wat hen interesseerde kon ik meepraten; ik
trachtte mij in hun belangen in te leven, het gelukte mij niet. Ik
stond zoo buiten alles, mijn sfeer was zulk een geheel andere dan
de hunne! Ik kon er mij niet meer t'huis voelen. Men vond mij stil,
zonderling, onbeholpen, links. De heeren ontvluchtten die geleerde
dame, de meisjes keken mij over den schouder aan; toen heb ik geleerd
de vrouwen onuitstaanbaar te vinden." En deze herinnering ontspande
even haar strakke trekken.
"Nu begreep ik dat mijn plaats niet meer in de gewone wereld was;
ik kon er geen vasten voet in krijgen dan onder voorwaarde, dat ik
ten minste uiterlijk werd als zij, dat ik spreken kon over romans en
komedies en buitenlandsche reizen, huishouden, muziek, flirtations
en--chronique."
"Maar in wat voor kringen is u dan geweest?"
"In zeer ontwikkelde, fatsoenlijke, nette kringen; overal voelde
ik dat men mij niet begreep, dat men mij duldde en ik kon niet meer
worden als die anderen, hoe graag ik ook had gewild."
"Wilde u dat? Hoe is het mogelijk?"
"Ja, ik weet, 't is onverstandig, onredelijk, maar ik voelde een
ziekelijk verlangen in mij om te worden als die meisjes, oppervlakkig
en geaffecteerd, opgewonden over een bal of een concert, alles
dolletjes, en gezellig en leuk vindend of lief, eenvoudig, hartelijk,
naïef, koket, want die heb ik ook ontmoet. Ik benijdde ze en zij
dachten dat ik op haar neerzag en ze minachtte."
"En u vond ze onuitstaanbaar?"
"Misschien omdat ik niet kon zijn als zij, omdat alles wat ik gehoord,
gezien, gestudeerd had zulk een kloof had gegraven tusschen haar en
mij. Ik had de diepste ellenden gepeild van het menschelijk bestaan,
hoe kon ik dan nog in al dat frivole belang stellen? Met een ander
karakter was het misschien nog mogelijk geweest, maar ik bezat den
zwaartillenden aard van mijn vader, ik was te eenzijdig ontwikkeld,
mijn andere vermogens waren kunstmatig verstompt door dat eeuwig
analyseeren, dat eindeloos studeeren."
"U was bestemd een lief, aardig, gewoon vrouwtje te worden; maar zij
hebben u schandelijk van uw weg afgeleid."
"Ik geloof het ook! Eindelijk vreesde ik krankzinnig te worden en
ging op reis, mijn schotsche reis."
Zij zweeg en hij zag naar haar gespierde kleine handen, die nu
onbeweeglijk in haar schoot lagen.
"Daar voelde ik in de frissche hooglandsche lucht mijn gezondheid
sterker worden, mijn zenuwen zich opnieuw spannen en daar droomde ik
een droom."
"Door mij?"
"Ja, door u! U sprak woorden tot mij, die ik nooit gehoord had en
toen voelde ik wat mij rust en steun kon geven, waar ik naar smachtte,
een arm waarop ik kon leunen als toen op dat steenachtige voetpad in
Jona, een man die mij lief had ondanks alles en die mij wilde helpen
gewoon gelukkig te worden als vrouw."
"En waarom dan niet...."
"Wist ik hoe de andere meisjes handelen in zulke gevallen? Ik hoorde
u aan, ik was op het punt ja te zeggen. Gelukkig heb ik mij bedacht,
ik besloot u op de proef te stellen. Als zijn liefde zoo groot is,
als ik ze noodig heb, dan zal hij het volgende jaar mij ook zoeken,
waar ik ter wereld ook zijn mag en zoo niet--zoo niet, dan is het
misschien beter."
"Dwaze, die ik was om niet te komen!"
"Het was niet dwaas, maar heel verstandig; u is verliefd op mij geweest
een paar uur lang. Het geheimzinnige, vreemde, waarmede ik verkoos mij
te omringen, heeft u aangetrokken, en de poëtische omgeving werkte
mede. Dat is alles, maar wanneer u mij daar gevonden had en u had
alles gehoord, zou u dan den moed hebben gehad uw vraag te herhalen?"
"Als ik er gekomen was--ik geloof ja."
"U is niet gekomen! U heeft anders gekozen, en 't dient tot niets nu
nog te praten over hetgeen had kunnen zijn en niet geweest is. Dat
jaar heb ik hard gestudeerd en mijn laatste examens gedaan; ik wilde
niet als mislukt student mijn aanstaanden man ontmoeten."
Zij vertelde hem niet hoe dubbel hard zij gestudeerd had om
huishouden, keuken, handwerken aan te leeren; gewerkt had zij tot
zij er haast onder bezweken was en uitgeput, afgebeuld zich naar de
ontmoetingsplaats slepen moest.
"U heeft mij zooveel bekend," vroeg Casper, "zeg mij dit ééne nog. Was
u erg teleurgesteld toen ik niet kwam?"
Zij bedacht zich even, toen sprak zij vastberaden:
"Het eerste oogenblik ja, maar een regenbui, waartegen ik op moest
werken, heeft mij een goede douche bezorgd en toen heb ik mijn
leven cordaat in de oogen gezien. Ik was kunstmatig ontwikkeld;
in die richting moest ik nu verder groeien en mijn heil zoeken. Dat
heeft mij gestaald; ik heb mij hier gevestigd, maar het bevalt mij
niet. Een damesdokter heeft bij ons geen raison d'être, de vrouwen gaan
liever naar mannen om zichzelf en haar kinderen te laten behandelen;
zij vertrouwen haar seksegenooten 't minst, ik kom wel goed in mijn
praktijk, maar zij bevredigt mij nog niet."
Er werd aan de deur geklopt en de meid kwam zeggen:
"Mevrouw, de coupé is voor."
"Best Daatje! Ik laat mij mevrouw noemen, omdat ik als gegradueerde
recht op dien titel meen te hebben even goed als de vrouwen van artsen
en advocaten."
"Ik houd u op?"
"Een oogenblikje heb ik nog. Ik denk dat ik naar het Oosten
vertrek; daar sterven honderden en duizenden vrouwen uit gebrek aan
geneeskundige hulp, omdat nooit een man haar zien mag. Aan haar wil
ik mij wijden. Die hebben mij noodig."
"Waartoe is dat noodig? Hier immers--kost het u maar een woord om
een gelukkige en geachte vrouw te worden."
"Mijnheer Van Eyken," sprak zij uit de hoogte, "Ik heb u deze oprechte
biecht gedaan, enkel en alleen, omdat ik u als gebonden beschouwde aan
uw aanstaande. In mijn oog is u reeds met haar getrouwd. Ik meende
verplicht te zijn u te bekennen, wie ik ben en wat ik gedroomd heb
naar aanleiding van uw vraag. Voelt u zich dan zoo krachtig mij door
het leven te dragen..."
Casper wist dat van zijn antwoord alles afhing, een enkele spontane
beweging en zij zou haar aangeleerde rust en kalme hoogheid afleggen.
"Ik voel me sterk omdat ik u liefheb." Zij verwachtte misschien dat
hij het zeggen zou;
"Ik ga heen--maar ik kom terug--vrij!"
De woorden lagen op zijn lippen, maar hij sprak ze niet uit.
Hij wendde het hoofd af en zuchtte; hij begreep hoe sterk men moest
zijn om dit kleine vrouwtje met den zwaren last van haar weten,
haar denken en haar voelen door het leven te dragen en toen overviel
hem plotseling een vaag verlangen naar Emilie, die niets in haar ziel
verborg dan heel gewone dingen. Emilie die zoo licht was als een veer,
die niets woog omdat zij zoo weinig bezat. Voor haar was hij forsch
genoeg, maar niet voor dit schepseltje, met haar hoofd afgemat van veel
studeeren en veel peinzen, met haar oogen, die zooveel ellende hadden
gezien, met haar ooren waarin de eindelooze klacht van het menschelijke
lijden ruischte, met haar handen, die de scherpste instrumenten wisten
te hanteeren om in levend en dood vleesch te werken en wier lippen
tegenover de examinatoren vragen hadden beantwoord, welke een gewone
vrouw niet zonder blozen kon aanhooren.
"Neen," bekende hij oprecht, "ik sta te ver, veel te ver onder u."
"Dat weet ik niet, wie onder en wie boven staat, maar dat is zeker,
naast elkander geloof ik niet, dat wij kunnen gaan."
Zij reikte hem de hand.
"Nu wordt het mijn tijd, mijnheer Van Eyken, adieu!" Haar stem
trilde even.
Weer overkwam Casper de lust haar te zeggen, dat zij ondanks alles
zijn ideaal bleef, de vrouw zijner keuze, dat Emilie hem onverschillig
was, akelig onverschillig, dat hij met haar een leven te gemoet ging
grijs van eentonigheid en dof van alledaagschheid, dat zijn liefde
haar zou schenken wat zij had gewenscht, een plaats op den gewonen,
grooten levensweg der vrouwen, maar nu was het te laat, het oogenblik
was voorbij, hij twijfelde aan zichzelf en zij twijfelde aan hem. Zij
stond zoo hoog en hij was van zijn voetstuk gevallen.
"Ik ben blijde, dat ik u ontmoet, dat ik u gesproken heb," sprak hij
eindelijk dood gewoon, "en wij blijven toch zeker vrienden?"
"Als u wil ja, maar u zal niet veel aan die vriendschap hebben wanneer
ik naar Damascus of naar Constantinopel trek."
Zij drukte op het schelletje en beval de dienstbode:
"Laat mijnheer uit!"