Zij wandelden langs de grachten, Emilie liet haar mama met haar
gastvrouw op haar gemak winkelen; zij was zoo blij haar "ventje"
voor zich zelf te hebben; zij hadden nu samen het Museum gezien
en Emilie vond het dol gezellig, maar eigenlijk had niets haar
geïnteresseerd dan de "kostumes" van vroegeren tijd en de beelden
uit de ethnographische afdeeling.
"De Nachtwacht" daar vond zij niets aan, en Casper was op het oogenblik
niet verliefd genoeg om dit een onbetaalbare naïveteit te vinden;
hij keek ook niet veel naar schilderijen; het eerste waarnaar hij
zocht als hij in een zaal kwam was, óf daar geen schilderesje zat.
Hij verbeeldde zich, hij wist zelf niet waarom, dat Andrée Bauer een
kunstenares moest zijn; maar het ging zaal in, zaal uit, schilderessen
genoeg, maar van juffrouw Bauer geen spoor.
Het adresboek had hij ook al eens doorbladerd; er stonden verscheidene
Bauers in, doch geen enkele alleen staande dame.
"'t Is een obsessie, het laat mij niet met rust hier," dacht hij
knorrig, "'t is of zij mij telkens moet te gemoetkomen. Had ik het
geweten dat ik zoo door die kleine heks was ingepakt, dan--"
Hij voleindigde den zin niet en begon Emilie te plagen met een
jongmensch, die haar op reis erg had gefixeerd en zij lachte, zij
lachte tot zij er rood van werd.
"Och, wat ben je toch een flauwert! Denk je dat ik hem aangekeken heb?"
"Zeker, den heelen tijd!"
"Och hoe kan je dat zeggen, ik kijk alleen naar jou."
"Dat weet ik beter."
"Maar jij dan, jij; die, oude jonge juffrouw tegenover ons met dien
bril op den neus, gaf je den heelen tijd knipjes met haar schele
oogen en jij keek zoo schuin. Ja, ik heb het wel gezien."
"Malligheid! De dames bemoeien zich niet met mij."
"Dat weet je beter."
En zoo ging het voort; dit was een staaltje van de interessante
gesprekken, die het jonge paar altijd voerde. Casper voelde er zich
soms wee onder worden. Neen, eene domme, mooie vrouw was toch ook
geen ideaal, want dom dit was Emilie bepaald, dat merkte hij genoeg;
de briefjes die zij hem schreef waren als gesteendrukt zoo prachtig
van schrift maar kinderachtig van stijl, wemelend van allerlei fouten.
"En wat dunkt je nu," vroeg zij na een pauze, "zullen wij dat roode
behang nemen voor de eetkamer?"
"Wat je wilt liefje!"
"Zeg dat nu niet altijd. Ik wou zoo graag weten wat jij het liefste
had."
"Kies maar toe, ik kijk toch nooit naar het behang, ik kijk alleen
naar jou."
Ellendige leugenaar! die hij was; hij vond zichzelf verachtelijk,
zooals hij al die flauwigheden debiteerde aan dat onnoozele kind,
dat weer begon te lachen en zich als een poesje tegen hem vleide. Daar
gaf zij een gilletje tusschen twee lachjes door.
"Wat is er?" vroeg hij geschrikt.
"Niets. Er is iets in mijn oog gevlogen. Wil je eens zien?"
Zij sloeg de voile op, knipte met haar oog dat er reeds zeer
ontstoken uitzag; onhandig sperde Casper het open, zoodat zij het weer
uitschreeuwde van pijn en verklaarde toen dat er niets te zien was.
"Dan is 't er zeker wel uit; 't is de napijn. Men zegt, je voelt het
altijd nog een heelen tijd na als het ding er al lang uit is."
"Ja dat zal het wezen."
Zij trippelde weer aan zijn arm voort, maar telkens kwam zij met de
vingers aan het oog of drukte er de mof tegen aan.
"O zoo'n pijn, ik kan het niet openhouden. Er is zeker nog iets in."
"Ik heb niets gezien. Maar wrijf er toch niet aan."
"Ik kan het niet uithouden, 't steekt zoo!"
"Dan moeten wij naar een dokter om het te laten nakijken."
"Als ik maar water had."
"Dat kan ik je hier niet geven. Ik zal rondzien of hier geen dokter
in de buurt woont. Ha, daar zie ik geloof ik een naambordje."
"Och, 't is zoo gek."
"'t Is niet gek, als jij je oog verliest is het nog veel gekker."
Zij stonden voor een net huis, op de deur stond een wit porselein
naambordje met het opschrift.
Dr. A. Wencke
Arts.
Nog vóór dat Emilie het merkte had Casper gescheld, een net meisje
maakte open.
"Is de dokter t'huis?" vroeg hij.
"Dokter had juist spreekuur; als mijnheer en mevrouw even binnen
wilden komen."
Zij werden in een kamertje gelaten, waar een dame zat en nog een dame
met een kind.
"Och dames," vroeg Casper, "deze juffrouw heeft iets in haar oog
gekregen; zij heeft er zoo'n pijn aan, mag zij u voorgaan, 't is het
werk van een oogenblik." Emilie was beginnen te schreien van pijn
en zenuwachtigheid.
"Wel zeker," antwoordden de dames, "met plezier!"
Juist klonk er een schelletje; de meid liet iemand uit en kwam aan
de deur zeggen dat de dokter wachtte.
Casper volgde Emilie, den arm om haar middel geslagen, de lange gang
door; hij had werkelijk met haar te doen en vond het een nieuw genot
haar moed in te spreken en te steunen.
De meid maakte de deur aan het einde van een gang open en liet hen
binnengaan; een hooge, ruime kamer, helder verlicht door glasruiten,
waarvan de gordijnen van onder naar omlaag waren getrokken en
waarachter de bladerlooze takken van hooge boomen heen en weer wiegden,
en een tuin verrieden; de kamer zelf was streng ingericht met groote
boekenkasten, tafels met instrumenten, een rustbank, tusschen de
ramen een schrijftafel, waarvoor een dame zat.
Toen het paartje binnenkwam stond zij op, en bleef met de eene hand
op de tafel leunen.
"Is de dokter te spreken, mevrouw?" vroeg Casper.
"Ik ben de dokter," zeide een zachte, eenigszins onzekere stem.
Nu zag Casper de jonge dame verwonderd aan, hun oogen ontmoeten
elkander, zij werd een tintje bleeker, hij vuurrood en met haar ééne
half toegeknepen oog keek nu Emilie ook den vreemdsoortigen arts aan.
"Is u dokter", zeide zij ondanks haar pijn glimlachend, "hoe leuk!"
"En u is de patiënt?" vroeg Dr. Wencke en naderde het meisje, "heeft
u iets aan uw oog?" en zich tot Casper wendend, wees zij hem een
stoel aan en zeide stroef: "wil u zoolang daar plaats nemen totdat
ik mevrouw onderzocht zal hebben."
"Ik ben nog geen mevrouw," verklaarde Emilie en deed haar hoedje af,
"wij zijn nog pas geëngageerd, weet u!"
"Hier op dezen stoel als het u belieft. Zoo houd uw hoofd wat in de
hoogte, iets meer. Niet knippen; zoo, rust nu maar op mijn arm."
Casper staarde als wezenloos naar zijn meisje zooals die daar lag met
achterovergeworpen hoofd, in de armen van de andere die nog meer dan
Emilie zijn gedachten vervulde.
"Juffrouw Bauer--Dr. Wencke." Zij had dus een anderen naam opgegeven;
dat was dus haar geheim, het geheim dat zij met zooveel angstige zorg
bewaarde of het een schande was. Zij had een eenvoudig grijs kleedje
aan, dat onberispelijk om haar kleine, door en door gracieuse gestalte
sloot; hare donkerblonde haren met de mooie golf waren rustiger dan op
de "Columban", om haar lippen teekenden de twee strepen zich echter
scherper en breeder af en haar oogen stonden dieper onder de door
den druk der gedachten ernstig gefronste wenkbrauwen.
Haar vingers onderzochten handig Emilie's oogen, met een tangetje
haalde zij er een microscopisch stofje uit, toen liet zij langzaam
Emilie's hoofd weer los.
"'t Is er uit," zeide zij, "nu zal u nog een oogenblik een branderig
gevoel overhouden, maar dat gaat dadelijk over."
Emilie keek rond en lachte.
"Heerlijk!" riep zij, "ik voel niets meer. Geef je mij mijn hoedje,
Cas, ik zal toch voortaan altijd een voile voordoen, maar jij houdt
er niet van."
Zij ging voor den spiegel staan om haar hoed in orde te brengen; de
dokter verschikte iets aan hare instrumenten en Cas stond aandachtig
naar elke beweging van zijn meisje te kijken.
"Hoeveel ben ik u schuldig, juffr.... Dokter?" vroeg hij eindelijk
zonder haar aan te zien.
"Een rijksdaalder."
Hij legde den rijksdaalder op tafel.
Hij boog en liet Emilie voor hem uitgaan; zwijgend kwamen zij buiten,
hij kon nog geen woorden vinden. In zijn verbeelding was zijn meisje
nu in al zijn geheimen ingewijd; maar Emilie zag niet ver, zij was
te veel vervuld geweest van zich zelf en toen zij weer op straat kwam
raakte haar tongetje los.
"Hoe uiïg, hé vent! Zoo'n damesdokter! Ik heb er nog nooit een gezien:
jij wel? Ik vind het toch niets vrouwelijks, zoo echt geëmancipeerd. En
wat is zij duur, zeker omdat zij een dame is. Een rijksdaalder! dat is
ook gauw verdiend, binnen de minuut. Onze dokter rekent maar vijftien
stuivers voor een visite en als je bij hem komt twee kwartjes."
"Ik vind het erg goedkoop voor Amsterdam."
"Misschien begint ze ook pas; 't zag er zoo gloednieuw uit, alles
keurig netjes. Ik kan niet anders zeggen, maar zij zelf ook. Wat
een prachtige coupe had zij in haar japon. Ik had haar zoo om haar
naaister kunnen vragen, maar dat was misschien weer een paar gulden."
"Nu, die had ik er wel voor over gehad voor zoo'n consult."
Zij lachte weer en nog nooit had Casper haar lach zoo agaçant gevonden.
"Wat zal Moe opkijken als ik haar vertel van die damesdokter, maar
ik ben toch erg blij, Cas, dat je mij er zoo spoedig hebt laten
afhelpen. Foei wat deed me dat oog een pijn! Verbeeld je als ik met
zoo'n dik oog t'huis had moeten komen."
Dien avond zouden Emilie, haar moeder en Casper weer uit Amsterdam
vertrekken, hun retourtje was om, maar op het laatste oogenblik
verzekerde Casper dat hij niet met de dames mee kon gaan, hij moest
morgen iemand spreken voor zaken en zou dus maar zijn retour laten
verloopen; 't speet hem vreeselijk maar hij kon niet anders. Emilie
liet haar lipje hangen; zij vond het niets aardig van Cas, dat hij
haar alleen liet vertrekken in het donker. Hij kon immers desnoods
meegaan en morgen weer naar Amsterdam vertrekken, maar moe prees
Casper bijzonder, dat hij zoo op de kleintjes lette; zijn retour
verliezen was al geen meevallertje, maar nu zou hij nog meer kwijt
zijn als hij morgen weder een retour nam.
"Het mocht wat, een verschil van een paar gulden, als mijn gezelschap
hem zooveel waard is."
Casper had er echter behoefte aan dien avond, haar eeuwigen lach niet
te hooren.