Terwijl dit alles thuis voorviel, had Amy een moeilijken tijd bij
Tante March. Haar ballingschap viel haar zwaar en voor 't eerst in
haar leven besefte ze hoeveel liefde en toegevendheid thuis haar deel
waren. Tante March gaf nooit iemand toe, daar was ze in principe tegen;
maar ze meende het goed, want ze vond het kleine, welgemanierde meisje
heel lief, en tante March had een teer plekje in haar oud hart voor
de kinderen van haar neef, hoewel ze het niet raadzaam vond daarvoor
uit te komen. Op haar manier deed ze haar best om Amy genoegen te
doen, maar och, hoever sloeg ze de plank mis! Sommige oude menschen
behouden een jong hart, ondanks hun rimpelige wangen en grijze haren;
ze kunnen deelen in kinderlijke genoegens en verdrietelijkheden, hebben
er slag van 't jonge volkje op zijn gemak te zetten, met hen te spelen
en te praten op een echt vriendschappelijke manier. Maar Tante March
bezat deze gave niet, en ze verveelde Amy doodelijk met haar regels
en bevelen, haar stijve manieren en lange, droge redenaties. Daar
ze dit kind volgzamer en zachtzinniger vond dan haar zuster, rekende
de oude dame het zich ten plicht, zoovéél mogelijk een tegenwicht te
geven tegen de vrijheid en toegevendheid, die Amy thuis genoot. Ze nam
haar logéetje dus eens flink onderhanden, en behandelde haar, zooals
zij zelf zestig jaar geleden behandeld was, een methode, die Amy diep
ongelukkig maakte en haar een gevoel gaf, alsof ze een vliegje was in
het web van een onmeedoogende spin. Elken morgen moest ze de kopjes
omwasschen en de ouderwetsche theelepeltjes, den grooten zilveren
trekpot en de glazen wrijven, tot ze glommen. Daarna moest ze stof
afnemen, en wat een geduldsoefening was dat! Geen stofje ontsnapte aan
het oog van Tante March, en al de meubelen hadden gedraaide pooten en
allerlei snijwerk, dat nooit geheel naar haar zin behandeld werd. Dan
moest Polly zijn eten hebben en de schoothond gekamd, en een dozijn
boodschappen trap op trap af gedaan worden, om allerlei dingen te
halen of bevelen over te brengen, want de oude dame was slecht ter been
en kwam maar zelden uit haar stoel. Na deze vervelende werkjes moest
Amy haar lessen opzeggen, wat nog de grootste beproeving van alles was.
Dan mocht ze zich een uur ontspannen en spelen. Wat haalde zij daar
haar hart aan op! Laurie kwam elken dag en wist meestal Tante March
te bepraten, dat Amy met hem uit mocht gaan; ze gingen dan wandelen
of rijden en hadden ontzaglijk veel plezier. Na het eten moest Amy
voorlezen en stil zitten, terwijl de oude dame een slaapje deed,
dat gewoonlijk een uur duurde, daar ze bij de eerste bladzijde al
indommelde. Dan kwam er verstelwerk voor den dag of handdoeken om
te zoomen, en Amy naaide totdat het donker werd, uiterlijk heel
zachtzinnig, maar innerlijk heftig in opstand, en daarna mocht ze
tot theetijd doen wat ze wilde. De avonden waren nog het allerergst;
dan begon Tante March eindelooze verhalen uit haar jeugd te doen,
die Amy zoo "afgrijselijk vervelend" vond, dat ze altijd blij was
als zij naar bed kon gaan, telkens weer vast van plan haar treurig
lot onder de dekens te beweenen, maar altijd vast in slaap, eer ze
meer dan een paar tranen had te voorschijn gebracht.
Waren Laurie en de oude Esther, de kamenier, er niet geweest, dan,
meende ze, zou ze dien verschrikkelijken tijd nooit doorgekomen
zijn. De papegaai alleen was al in staat haar dol te maken; want hij
merkte dadelijk, dat ze hem niet bewonderde en wreekte zich door
zoo kwaadaardig mogelijk te zijn. Hij trok haar aan het haar, als
ze dicht bij hem kwam, gooide zijn brood en melk omver, om haar te
plagen, wanneer zij pas zijn kooi had schoongemaakt, maakte Mop aan
het blaffen door naar hem te pikken als de oude dame sliep, schold
Amy uit terwijl er bezoek was, en gedroeg zich in alle opzichten
als een onuitstaanbare, oude vogel. Den hond kon ze ook niet _zien_;
het was een vet, kwaadaardig dier, dat tegen haar bromde en jankte,
als ze zijn toilet maakte, en dat, als hij wat te eten wou hebben,
op zijn rug ging liggen, met alle vier de pooten in de lucht en het
onnoozelste gezicht van de wereld, een vertooning die ongeveer twaalf
maal op een dag plaats had. De keukenmeid had een slecht humeur,
de oude koetsier was doof, en Esther nog de eenige die ooit van het
kind notitie nam.
Esther was een Française, die al verscheiden jaren bij "Madame,"
zooals ze Tante noemde, had gewoond, en die de oude dame aardig onder
den duim had, omdat deze niet buiten haar kon. Haar eigenlijke naam
was Estelle, maar tante March beval haar een anderen aan te nemen,
en ze gehoorzaamde, onder voorwaarde, dat "Madame" nooit van haar zou
eischen, ook van godsdienst te veranderen. Amy was erg met Mademoiselle
ingenomen, en de Française vertelde haar dikwijls grappige verhalen
uit haar leven in Frankrijk, als Amy bij haar zat, terwijl Esther de
kanten jabots en andere fraaiïgheden van Madame in orde bracht. Zij
liet haar ook door het huis dwalen om al de wonderlijke en aardige
dingen te bekijken, die er in groote kleerkasten en ouderwetsche
kisten bewaard werden; want Tante March had, als een ekster, van alles
verzameld. Amy werd vooral altijd weer getrokken naar een Indisch
kabinet, vol vreemde laatjes, vakjes en verborgen hoekjes, waar
allerlei sieraden in geborgen waren; sommige heel kostbaar, sommige
alleen maar vreemd, maar alle min of meer antiek. Amy vond het "dol"
al die dingen te bezichtigen en te schikken, vooral de juweelkastjes,
waarin, op fluweelen kussentjes, de ornamenten rustten, die jaren
geleden de een of andere schoone hadden getooid. Het stel granaten, dat
Tante March gedragen had, toen ze voor 't eerst uitging, de paarlen,
die haar vader haar op haar trouwdag had gegeven, de diamanten van
haar bruidegom, de gitten trouwringen en spelden, de vreemdsoortige
medaillons met portretten van overleden vrienden en treurwilgjes van
haarwerk aan den achterkant; de kleine bloedkralen armbandjes, die
haar eenig dochtertje had gedragen, het groote, gouden horloge van
Oom March, met het roode cachet, waarmee zooveel kinderhandjes hadden
gespeeld, en heelemaal alleen, in een apart doosje, de trouwring van
Tante March, die nu veel te nauw was voor haar dikke vingers, maar die,
als het kostbaarste van al die kleinoodiën, zorgvuldig weggeborgen was.
"Wat zou Mademoiselle kiezen, als ze mocht?" vroeg Esther, die er
altijd bij zat om een oogje op de kostbaarheden te houden en ze weer
weg te sluiten.
"Ik vind de diamanten het mooist, maar daar is geen halsketting bij, en
ik houd zooveel van kettinkjes, ze staan zoo netjes. Dit zou ik kiezen
als ik mocht," zei Amy, terwijl ze met bewondering een snoer gouden
en ebbenhouten kralen bekeek, waaraan een zwaar gouden kruis hing.
"Dat zou ik ook heel graag hebben, maar niet voor een halsketting,
o neen, voor mij was het een prachtige rozenkrans, en als een goed
katholieke zou ik hem daarvoor ook gebruiken," zei Esther, de ketting
met verlangende blikken aanziende.
"Net zoo als die snoer houten kralen, die over je spiegel hangen,
en die zoo lekker ruiken?" vroeg Amy.
"Ja zeker, om bij te bidden. Het zou de heiligen stellig genoegen
doen, wanneer men zooiets moois als dit voor rozenkrans gebruikte,
in plaats van het als een sieraad te dragen."
"Je schijnt veel troost in je gebeden te vinden, Esther, want je komt
daarna altijd zoo kalm en tevreden beneden. Ik wou, dat het met mij
ook zoo was."
"Wanneer Mademoiselle Katholiek was, zou zij den waren troost ook
vinden; maar nu dit niet zoo is, zou het toch goed zijn, wanneer
Mademoiselle zich iederen dag een poosje afzonderde om te bidden,
zooals die goede mevrouw deed, bij wie ik in betrekking was, voor ik
bij Madame kwam. Zij had een klein bidkamertje en vond daar troost
voor allerlei verdriet."
"Zou het goed voor me zijn, om dat ook te doen?" vroeg Amy, die in haar
eenzaamheid behoefte voelde aan de een of andere soort van bijstand,
en merkte dat ze haar boekje vergat, nu Bets niet bij haar was om er
haar aan te herinneren.
"Het zou charmant zijn; en als u wilt, zal ik met alle genoegen het
kleine kleedkamertje voor u inrichten. Zeg er maar niets van aan
Madame, maar ga er dan, als ze slaapt, alleen zitten om aan goede
dingen te denken en den lieven God om het herstel van uw zuster
te bidden."
Esther was waarlijk vroom en volkomen oprecht in haar raad, want
ze had een liefhebbend hart en veel medelijden met de zusjes in hun
droefheid. Amy vond het denkbeeld prachtig en liet Esther het kleine
kamertje in orde brengen, dat naast het hare was.
"Ik wou dat ik wist, wie al die mooie dingen zullen krijgen, als
Tante March sterft," zei ze, terwijl ze langzaam den rozenkrans weer
op haar plaats legde en de juweeldoosjes één voor één sloot.
"U en uw zusters. Ik weet het; Madame heeft me in haar vertrouwen
genomen; ik was bij het maken van haar testament, en zoo zal het zijn,"
fluisterde Esther glimlachend.
"Wat heerlijk! maar ik wou liever dat Tante ze ons nu gaf," zei Amy,
met een laatsten blik op de diamanten.
"De jonge dames zijn nog te jong om die dingen te dragen. De eerste,
die verloofd is, krijgt de paarlen, heeft Madame gezegd; en ik denk
haast wel, dat u dat turkooizen ringetje zult krijgen als u heengaat,
want Madame is tevreden over uw gedrag en goede manieren."
"Denk je dát? O, ik zal verder een lammetje zijn, als ik dat mooie
ringetje krijg! Het is zooveel mooier dan dat van Kitty Bryant. Ik
houd toch wel van Tante March," en Amy paste het ringetje met een
verheugd gezicht, en nam zich vast vóór het te verdienen.
Van dien dag af was ze een model van gehoorzaamheid, en de oude dame
zag dit welgevallig aan als een gevolg van haar opvoedkunde. Esther
bracht een tafeltje in het kamertje, zette er een voetenbankje voor en
hing er een plaat boven, die ze uit een der kamers genomen had. Zij
dacht niet dat die plaat veel waarde had, maar daar het onderwerp
haar geschikt voorkwam, leende zij haar voor dat doel, wel wetende dat
Madame het nooit zou bemerken en er ook niet om geven zou, al deed zij
het. Het was evenwel een kostbare copie van een der meest beroemde
schilderijen ter wereld, en Amy met haar schoonheidszin werd nooit
moede te kijken naar het zachte gelaat der heilige moeder, terwijl
haar hart met teedere gedachten aan haar eigen moedertje vervuld
was. Op het tafeltje legde zij haar bijbeltje en haar gezangboek,
en zette daarnaast een vaas met de mooiste bloemen, die Laurie
haar bracht. Elken dag nu ging Amy hier een poosje alleen zitten,
om aan goede dingen te denken en den lieven God te bidden dat Bets
beter mocht worden. Esther had haar ook een rozenkrans van zwarte
kralen met een zilveren kruis gegeven, maar die had Amy zonder hem
te gebruiken opgehangen, betwijfelend of zoo iets wel hoorde bij
protestantsche gebeden.
Amy nam dit alles hoogst ernstig op, want daar zij zoo alleen buiten
het veilige, ouderlijke nest moest blijven, voelde ze dringend behoefte
aan een vriendelijke hand, waaraan ze zich kon vastklemmen. Nu
ze de hulp van haar moeder miste om zichzelf te begrijpen en te
beheerschen, deed zij eerlijk haar best den goeden weg te vinden en
daarop vertrouwend voort te gaan. Maar Amy was nog een heel jonge
pelgrim en op het oogenblik scheen haar last haar ondraaglijk zwaar
toe. Ze trachtte zichzelf te vergeten, vroolijk te blijven en tevreden
te zijn met te doen wat goed was, al merkte niemand het op en al werd
ze door niemand geprezen. In haar eerste poging om héél braaf en goed
te wezen, besloot zij haar testament te maken, net als Tante March
gedaan had; zoodat _als_ ze ziek mocht worden en kwam te sterven,
haar bezittingen naar recht en billijkheid zouden verdeeld worden. De
gedachte alleen dat ze haar kleine schatten zou moeten opgeven,
kostte haar heel wat, want ze waren in haar oogen even kostbaar als
de juweelen van de oude dame.
Gedurende haar speeluren schreef zij dit gewichtig document zoo goed
ze kon, met eenige hulp van Esther, wat betreft de wettelijke termen,
en toen de goedhartige Fransche haar naam geteekend had, viel Amy een
pak van het hart en legde ze het papier weg, om het aan Laurie te laten
zien, op wien haar keuze als tweeden getuige gevallen was. Daar het
den heelen morgen regende, ging ze naar boven, om zich in een der
groote kamers te amuseeren, Polly voor gezelschap meenemende. In
deze kamer was een kleerkast vol ouderwetsche costumes, waarmee
Esther haar toestond te spelen, en het was voor Amy een geliefkoosde
uitspanning, zich in die verkleurde prachtgewaden uit te dossen, en
voor den grooten spiegel heen en weer te wandelen, onder het maken
van sierlijke buigingen en het zwaaien van een langen sleep, die
"zoo echt deftig ruischte."
Op den dag van het testament was ze hier zóó druk mee bezig, dat
ze Laurie niet hoorde bellen en ook niet zag hoe hij om een hoekje
van de deur gluurde, terwijl ze op en neer stapte, met haar waaier
speelde, haar hoofd heen en weer draaide, dat met een grooten, rosen
hoed versierd was, zonderling afstekend bij haar blauw zijden japon
en gelen onderrok. Amy moest voorzichtig loopen, om de schoenen met
hooge hakken, en het was een allerdolst gezicht, zooals Laurie later
aan Jo vertelde, haar in dat fraaie toilet te zien voorttippelen,
met Polly achter haar aan, die al zijn best deed haar na te bootsen,
terwijl hij nu en dan stil stond om te lachen, of uit te roepen: "Zijn
wij niet mooi? Ga weg, leelijkerd! Hou je bek! Kus me, liefje; ha, ha!"
Nadat Laurie met moeite een uitbarsting van vroolijkheid had bedwongen,
uit vrees hare majesteit te beleedigen, klopte hij aan, en werd
minzaam ontvangen.
"Ga zitten, terwijl ik dezen boel wegberg; en dan wou ik je graag over
iets heel ernstigs raadplegen," zei Amy, toen ze haar pronkgewaad
vertoond en Polly in een hoek gejaagd had. "Dat beest is de plaag
van mijn leven," zuchtte ze, terwijl ze de rose verhevenheid van haar
hoofd nam, en Laurie schrijlings op een stoel ging zitten. "Gisteren,
toen Tante sliep en ik mijn best deed zoo stil als een muis te zijn,
begon Polly opeens in zijn kooi te schreeuwen en te klapwieken. Ik liet
hem er dus uit en vond er een groote spin in. Toen ik het griezelige
dier wegjoeg, kroop het onder de boekenkast; Polly was er dadelijk
bij; hij bukte en keek onder de kast, en riep op zijn dwazen toon
met een knipoogje: "Kom er uit en ga mee wandelen, liefje." Ik _kon_
niet helpen dat ik moest lachen, maar Pol begon te vloeken, zoodat
Tante wakker werd en ons alle twee beknorde."
"Nam de spin de invitatie van den ouden heer aan?" vroeg Laurie
geeuwend.
"Ja, hij kwam er uit, en Pol ging doodelijk verschrikt aan den haal
en klauterde op Tante's stoel; al schreeuwend: "Pak hem, Pak hem,"
terwijl ik de spin ving.
"Dat is een leugen! Lieve lorre!" krijschte de papegaai, naar Laurie's
voeten pikkende.
"Ik zou je den nek omdraaien, als je van mij was, oude plaaggeest,"
riep Laurie, terwijl hij zijn vuist schudde tegen den vogel, die zijn
kop op zij hield en zeer ernstig riep:
"Goed geslapen? goeden morgen, meneer!"
"Ziezoo, nu ben ik klaar," zei Amy, nadat zij de kleerkast gesloten en
een papier uit haar zak gehaald had. "Lees dit eens, als 't je blieft,
en vertel mij eens of het in den vorm en goed is. Ik vond, dat ik het
moest doen, want het leven is onzeker, en ik zou niet graag willen,
dat er oneenigheid ontstond bij mijn graf."
Laurie beet zich op de lippen, wendde zich een weinig van de in
gedachten verzonken spreekster af, en las, de spelling in aanmerking
genomen, met loffelijken ernst: