Onze kleine Witvoet
Is helaas niet meer.
Z's plotseling verdwenen,
En ach, wij treuren zeer.
't Grafje van haar kleintje
Onder gindschen eik,
Gaan wij trouw bezoeken--
Maar waar rust _haar_ lijk?
Ledig staat het mandje,
Roerloos ligt haar bal.
Kon ik maar vergeten,
Dat ik nooit meer zal
Hooren 't zacht miauwen,
't Vriendelijk gespin--
Alsof zij wou zeggen,
"Toe, laat mij er in."
Ach, een ander katje
Loert op rat en muis,
Maar dat zal nooit worden
Speelpop hier in huis.
Want helaas! haar kopje
Is niet mooi of lief,
En zij mist de gratie
Van mijn hartelief.
En waar vroeger Witvoet
O, zoo rap en vlug!
Vreemde honden wegjoeg--
Blaast met hoogen rug,
Achter veil'ge tralies,
Nel naar 't vreemd gespuis;
Neen, zij zal nooit worden
't Sieraad van ons huis.
Z' is wel goed en nuttig,
En 't is waar, haar plicht
Wordt heel trouw en ijverig,
Steeds door haar verricht:
Maar zij streelt niet de oogen;
Dus--zóó innig teer,
Als wij _u_ beminden,
Minnen wij nooit weer.