VIII. BOMEN EN PLANTEN.

Boom, Huëhuë.

Plante, Ninánteli.

Bloeme, Illehuë.

Vrugt, of graan, Tun.

Blad, Toubanna: Die is ook een pluim.

Tak, Touribouri.

Doorn, kwast, Huëhuë you; eigentlijk, het hair van den Boom; of Huëhuë

akou; gelijk of gy wilde zegge, d’ oogen van den boom.

Eene Wildernisse, Arabou.

Vijgen, Backóukou.

Zy noemen d’ Oranje-appelen en de Citroenen gelijk wy, om dat deze

vrugten uit Europa tot haar zijn gekomen.

Cassie- of Canesicie-boom, Malimali.

Katoen, Monóulou.

Katoen-boom, Manóulou Akecha.

Druive-boom, Ouliem.

Rakette, een vrugt aldus by de Françoyschen genaamt, Batta.

Grote Cardon, Toorze of wasch-keerze genaamt, Akoulerou.

Tabak, Youli.

Meloen, Battia.

Boon of Erweet, Mancouti.

Rotting of Riet, in ’t algemeen, Mamboulou Tikasket.

Zuiker-riet, Kaniche.

Zap- ofte wijn van Zuiker-rieten, Kanichira.

Zuiker, Choucre. Dit is ons eigewoord in kromtong.

Een kruid, Kalao.

Wortel om t’ eten, Toralé.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 108 / 111 题