VII. LAND, WATER EN LUGT-GEDIERTE.

Hond, Anly.

Teve, Onëllé anly. Eigentlijk het Wijfje van den Hond.

Verken, Bouïrakou. Zy noemen het ook zomtijds, Coincoin.

Simme, of gebaarde Meer-katte, Alouâta.

Schild-padde, Catallou, en in stamel taal, Tortille.

Grote Egdissen, Ouâyamaka, dit zijn de zelve die andere Indianen Iganas

noemen.

Kleine Egdissche, of Mugge-slikker, Oulleouma.

Ratte, Karattoni.

Katte, Méchou.

Soldaat, of Slekke, Makere.

Miere, Hage.

Spinnekoppe, Koulaëlé.

Serpent, Héhué.

Slange, Couloubéra. Uit het Spaansch.

Schorpioen, Akourou.

Visch, Authe, en in bedorven taal, Pisket.

Kinkgehoornte, Schelpen. Zy noemen de visch, en zy voegen ’er Ora by;

gelijk of men zeide het dekzel, of de schelpe van den visch. Aldus

Ouâttabouï ora, is het gene wy gemeenlijk een Lambis noemen.

Mouskite, of eene zoorte van muggen, Aëtero.

Andere zoorte van Muggen, gemeenlijk Maringons genaamt, en onder die

naam bekent, Malu Kalábala. Die witte voeten hebben.

Vliege, Huëré-huëré.

Blinkende Mugge, Cagouyou, dit komt eenigzins over een met de Cocuyos

van d’ andere Indianen.

Vogel, Tónoulou.

Kalkoensche haan, Ouëkelli pikaka.

Kalkoensche hinne, Ouëllé pikaka.

Gemene hinne, Kayou.

Endvogel, Kanarou.

Ganze, Iriria.

Perroket, Kouléhuee.

Duive, Ouäkoukouâ.

Tortel-duive, Oulleou.

Perdrijs, Ouâllami.

Pluim, of veder, Toubanna, dit is ook een blad.

Wieke, of arm, Tarreunâ.

Bek, of mond, Tiouma.

Voet, of poote, Tóugouti.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 107 / 111 题