V. HUISHOUDING EN HANDEL.

Een Dorp, Authe.

Een openbaar huis, Karbet.

Een huis, M. Toubana, V. Touhonoke.

Een leuif, en een dekzel, of een windschut, Aïoupa.

Een tuin, Maina.

Mijn tuin, M. Imaïnali, V. Nicháli.

Manioc kuil, Tomonak.

Het dak, Toubana ora. Eigentlijk dekzel van het huis, of van de Hutte.

Muur, of schutheining, Koúrara.

Solder, zy hebben ’er geen.

Plank, Iboutou.

Deure, Bena.

Venster, Toullepen, eigentlijk een gat.

Bedde, M. Amak en Akat. V. Nékera.

Tafel, Matóutou.

Stoel, Halâheu.

Kooije, Tonoulou-banna.

Vat, Takaë, het gene over al op te passe word gebragt.

Vaatwerk van Kalabasse, Couï.

Helft van Coui, dat tot schuttel dient, Tauba. Dit woord beteikent

eigentlijk, eene zijde.

Kroes om te drinken, Ritta.

Glas, flessche, boutella, uit het Spaansch.

Traly van hout, die andere Wilden Boucau noemen, Youla.

Yzere-pot, of ketel, Touraë.

Aarde pot, Taumali akaë, en Canary.

Kandelaar, of dat iets vast houd, Taketalé.

Keerze, lampe, of toorts-ligt, Touli, dat is van Sandaal ’t geen eene

gomme heeft.

Keers-snuiter, Tachackoutaglé.

Visch-angel, Keouë.

Naalden, Akoucha.

Spelde, Alopholer.

Koffer, Arka.

Korf, Aláouâta, Catoli.

Teemze of Zeve, om den Manioc door te ziften, en den Ouïcou door te

lekken, Hibichet.

Fijn meel van Manioc, Mouchache.

Spijze, Vlees, Tékeric.

Gebraden, Aribelet, Achérouti.

Eene Zauce, Taomali, of Taumali.

Gekapt vlees, Nâtara.

Een Gastmaal, Nâtoni, Laupali, Eletoak.

Vergif, M. Tiboukoulou, V. Tibaukoura.

Koopmanschap, Eberitina.

Koopman, Baouânemoukou.

Pirauge, of groot Schip van de Wilden, Canaouâ.

Klein Schip van de Wilden, dat wy Canot noemen, Couliala.

Schip, Kanabire, dit komt zonder twijffel van ons Françoysch woord.

Koorde, of touw, Ibitarrou.

Kabel, Kaboya. Dat is een woord dat na stameling gelijkt, en dat zy

hebben gevormt, zonder twijffel, zedert dat zy met de vremdelingen

hebben verkeert. Gelijk ook eenige van de volgende.

Anker, Tichibani en Ankouroute.

Mes, Couchike.

Knipscheiren, Chirachi.

Veel, Mouche. Woord van de geschonde taal.

Tien, Chonnoúcabo raïm, dat is te zeggen, alle de vingeren van de

handen.

Twintig, Chonnoucabo raïm, Chonnougouci raïm, dat is te zegden, alle de

vingeren van de handen, en alle de teenen van de voeten.

Zy konnen niet verder tellen.

Ziet daar uw bedde, bouëkra.

Ziet daar uw eten, En yerébali.

Ziet daar uwen drank, En batoni.

Groten dank, of wel, Tao.

Ja, Anhan.

Neen, Ouâ.

Morgen, Alouka.

Goeden dag, Mabouë.

Vaar wel, Huichau.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 105 / 111 题