I. DE AANKOMST IN CARTHAGO.

[Boek I.] Aeneas, uit het brandende Ilium ontsnapt, voer met zijn vader

Anchises, met zijn zoontje Ascanius of Iulus, en met tal van makkers op

een twintigtal schepen van de Trojaansche kust weg, om, naar de

beschikking van het noodlot, in Italië zich een nieuw rijk in te

richten.

Maar Juno haatte hem, den Trojaan, en zij vreesde hem bovendien. Zij,

de beschermster van het jonge Carthago, wist dat deze stad eens door

gesprotenen uit Trojaansch bloed vernietigd zou worden. Toen Aeneas van

Sicilië was weggevaren en het doel van zijn reis dus reeds zeer nabij

was, wendde daarom Juno zich tot Aeolus, den god van den wind. De

schoonste uit de nymfen, die haar begeleidden, bood zij hem tot vrouw,

als hij Aeneas wilde verhinderen, het doel van zijn tocht te bereiken.

Toen liet Aeolus alle stormen tegelijk op de schepen los. Door

geweldige golven werden de lichte vaartuigen ver uiteen geslingerd.

Mannen raakten overboord en dreven, worstelend met de hooge stortzeeën,

hier en daar op den plas. Voor allen scheen de ondergang nabij. Toen

echter merkte Neptunus de ongewone beroering in zijn rijk. Hij reed

naar de oppervlakte, en het zeevlak werd effen onder de wielen van zijn

wagen.

De schepen waren intusschen gedeeltelijk vergaan; de overige waren

geheel uit den koers geslagen en ver van elkander verwijderd geraakt.

Dat van Aeneas landde eindelijk op Afrikaanschen bodem.

Nog niet lang geleden was Dido, een Tyrische koningsdochter, hier

aangekomen. Zij was met den rijken Tyriër Sychaeus getrouwd geweest;

maar haar broeder Pygmalion, die na den dood van haar vader koning was

geworden, had haar man vermoord om zich van zijn schatten meester te

kunnen maken. Toen durfde Dido niet langer in Tyrus blijven en vluchtte

met een aantal volgelingen over zee naar Afrika, waar zij nu bezig was

een nieuwe stad, Carthago, te bouwen.

Aan het strand van het voor hen onbekende land werd door de

schepelingen maaltijd gehouden en Aeneas trachtte zijn makkers moed in

te spreken: daar immers het noodlot het wilde, zou men, hoe dan ook,

ten slotte toch in Italië belanden! Maar inwendig werd hij ook zelf

door groote zorgen gefolterd. Toen richtte zich zijn moeder Venus tot

Jupiter, en wist van hem gedaan te krijgen, dat Hermes naar Dido werd

gezonden, om haar zacht tegenover de vreemdelingen, die in aantocht

waren, te stemmen. Ook verscheen Venus, in de gedaante van een jageres,

zelve aan haar zoon, openbaarde hem, waar hij was, sprak hem moed in,

en wees hem den weg, dien hij had te volgen. Voor ieder onzichtbaar, in

een wolk gehuld, bereikte hij met een van zijn makkers de stad. Daar

zag hij met bewondering de plaats in aanbouw en de toekomstige bewoners

als nijvere bijen in de weer. En hij voelde zich als in een omgeving

van bekenden, toen hij in het beitelwerk, dat een der tempels

versierde, allerlei tooneelen uit den strijd voor Troje zeer duidelijk

herkende.

Gezanten van de andere schepen, die inmiddels ook aan deze kust waren

geland, naderden de stad; zij werden door Dido minzaam ontvangen. Toen

brandden Aeneas en zijn makker van verlangen om zich ook te vertoonen;

en plotseling week de nevel, die hen omgaf: stralend als een god stond

de held voor Dido en maakte zich aan haar bekend. Een oogenblik was de

koningin verbijsterd door den plotselingen aanblik van den beroemden

krijger, toen sprak zij hem toe met vriendelijke woorden en voerde hem

zelve naar haar paleis, waar een schitterende maaltijd in gereedheid

werd gebracht.

Aeneas verlangde naar zijn kleinen zoon, en zond naar de schepen om hem

te halen. Venus echter, die Juno vreesde en de Tyriërs maar half

vertrouwde, greep deze gelegenheid aan om haar zoon voor mogelijke

aanslagen te beveiligen. Op haar verzoek legde Amor zijn vleugels af,

nam de gedaante van Ascanius aan, en, terwijl Venus dezen naar het

verre Cyprus voerde en hem daar in zoeten sluimer bracht, werd Cupido

de feestzaal binnengeleid. Dido bewonderde den prachtigen knaap en

liefkoozend nam zij hem op haar schoot. Toen begon Amor zijn

verraderlijk spel: een vurige liefde voor haar Trojaanschen gast

ontbrandde in het hart van Carthago’s koningin. [II.] Toen de maaltijd

geëindigd was, werd Aeneas uitgenoodigd zijn lotgevallen te verhalen.

En ondanks de smart, die de herinnering aan zooveel droeve

gebeurtenissen bij hem moest wekken, was hij bereid aan het verzoek van

Dido te voldoen. Hij vertelde de geschiedenis van den schijnbaren

aftocht van de Grieken, van het houten paard, van Sinon en Laokoön, van

de laatste gevechten in de straten van het brandende Troje, van

Priamus’ dood. Hij verhaalde, hoe hij met zijn vrouw, met Anchises en

Ascanius ten slotte was gevlucht en hoe hij, reeds in veiligheid,

ontdekt had dat Creüsa niet meer bij hem was; hoe hij, teruggekeerd

naar de stad om haar te zoeken, door haar schim van het nuttelooze dier

onderneming overtuigd was en eindelijk in de bergen [III.] een veilig

toevluchtsoord had gevonden. Ook schetste hij al de avonturen en

gevaren, die hij en zijn makkers hadden beleefd sinds hun vertrek uit

het land van Troje, hun landing in Thracië, op Delos, op Kreta, op de

Strophaden aan de kust van Messenië, in het land Epirus, bij Helenus

eindelijk, die midden onder de Grieken een nieuw Troje gesticht had.

Hij schilderde ook de vaart langs de kust van Italië, waarvan hij door

allerlei voorzeggingen nu wist, dat het ’t land van bestemming voor hem

was, den tocht langs den rotsigen zoom van Sicilië, waar Anchises hem

ontviel, den angst ten slotte van den jongsten orkaan, die hen naar de

kusten van Afrika had gedreven.

Goden- en Heldensagen · 第 66 / 74 题