De sterkste held uit den Griekschen voortijd was Hèracles (Hercules),
de zoon van Amphìtryon en Alcmène. Zijn vader was uit Argos naar Thebe
gevlucht; daar werd Hèracles geboren. Om zijn geweldige kracht werd hij
ook wel voor een zoon van Zeus gehouden; daarom, zoo meent men, heeft
Hera hem zoo bitter gehaat en hem zijn geheele leven lang aan allerlei
gevaren en moeiten blootgesteld. Toen hij nog maar pas geboren was,
zond zij twee reusachtige slangen op hem af; het ventje greep ze dicht
onder den kop en wurgde ze met zijn stevige handjes.
Op zestienjarigen leeftijd zond zijn vader hem naar de kudden op den
berg Cithaeron. Hier versloeg hij den Cithaeronschen leeuw, die onder
het vee veel schade aanrichtte; huid en kop droeg hij als kleeding en
hoofdbedekking voortaan meê en als wapen een boog en een zware knods
(Zie de Farnesische Hèracles, het bekende beeld te Napels). Hier zou
hij ook, volgens een later verhaal, door bewuste keuze den loop van
zijn verder leven hebben bepaald. Twee vrouwen nl. traden op hem toe:
de eene waardig en eerbaar en ingetogen bij haar schoonheid; de andere
van een opvallend mooi, dartel en uitdagend. Toen de eerste hem toe
wilde spreken, drong de andere haar weg; zij, het Genot, beloofde hem
te voeren langs een weg van louter genietingen als hij haar wilde
volgen. De Deugd daarentegen stelde hem, als hij haar gezelschap koos,
een langen en bezwaarlijken weg in het vooruitzicht; want—zeide zij—de
goden verleenen de menschen zonder arbeid en moeite geen geluk; maar
vast en zeker zou hij zóó eenmaal komen aan het goede doel.—En Hèracles
koos den weg van de Deugd.
Niet lang nadat hij in Thebe was teruggekeerd, beval het Delphisch
orakel hem naar Mycene te gaan, om in dienst van koning Eurystheus
twaalf zware werken te verrichten; na de volbrenging daarvan zou hem de
onsterfelijkheid ten deel vallen. Allereerst werd hem opgedragen den
Nemeïschen leeuw te dooden, die vreeselijk huis hield in het dal van
Nemèa. Hèracles bestookte het dier eerst met pijlen; toen hij echter
bemerkte, dat het onkwetsbaar was, dreef hij het met zijn knods in zijn
hol terug, ving het, toen het op hem afsprong, in zijn armen op en
worgde het tegen zijn borst. De tweede strijd gold de Hydra van Lerna,
een waterslang met negen koppen, waarvan de middelste onsterfelijk was;
zoodra één kop werd afgehouwen, kwamen er twee nieuwe voor in de
plaats. Bovendien werd het monster geholpen door een reuzenkreeft, die,
zoo gauw het werd aangevallen, uit zee kwam opdagen. Die kreeft werd
eenvoudig door Hèracles vertrapt; en door een vriend liet hij, telkens
wanneer hij een kop had afgeslagen, met een gloeienden paal het gat
toeschroeien, zoodat geen nieuwe weer op kon schieten; eindelijk wierp
hij op den onsterfelijken kop een geweldig rotsblok. Met de giftige gal
van de Hydra bestreek hij zijn pijlen, zoodat hun wonden ongeneeslijk
werden.
Nu volgden drie jachtavonturen in Arcadië. Op den berg Keryneia, op de
grens van Arcadië en Archaie, leefde het kerynitische hert, aan Artemis
gewijd, met gouden gewei en koperen hoeven; levend moest Heracles het
aan Eurystheus brengen. Een vol jaar lang achtervolgde hij het snelle
dier: toen wondde hij het licht in den poot en wist het zoo te vangen.
Ook den Erymanthischen ever, die het landschap aan den voet van den
berg Erymanthus verwoestte, ving hij levend; hij dreef hem in de diepe
bergsneeuw, bond hem en droeg hem weg. Eindelijk werd hem nog gelast de
Stymphalische vogels te verdrijven; zij huisden in de omgeving van het
meer Stymphalos, hadden metalen klauwen en snavels en veeren, die zij
als pijlen konden afschieten. Met groote, ijzeren kleppers joeg
Heracles ze op, doodde een gedeelte met zijn pijlen en verdreef de
anderen.
Ook naar Elis voerden hem zijn tochten. Daar woonde koning Augìas, die
zeer rijk was aan vee. In één dag moest hij nu den hof, waarin de
runderen verblijf plachten te houden, reinigen van allen mest. Hij
leidde de rivieren Alpheüs en Peneüs door den stal en volbracht zóó de
opdracht, die hem was verstrekt.
Nu richtte Heracles zich naar Zuid en Noord. Op Creta regeerde koning
Minos. Een stier, dien Poseidon uit zee had laten opkomen, had hij den
zeegod moeten offeren. Maar het dier was zoo mooi, dat Minos het had
behouden. Toen had Poseidon het beest dol gemaakt, zoodat het alles
verwoestend, het heele land onveilig maakte. Heracles bracht nu den
stier gebonden naar Mycene, waar Eurystheus, doodelijk verschrikt, hem
dadelijk weer liet loopen. Bij Marathon in Attica werd hij later door
Theseus gevangen en aan Apollo geofferd.
Ook de woeste paarden van den Thracischen koning Diomèdes, die met
menschenvleesch gevoed werden, bracht Heracles levend over naar Mycene.
Eurystheus liet ze weer vrij; toen werden ze in het gebergte door wilde
dieren verscheurd.
De volgende tocht voerde Heracles ver naar het Oosten. In Azië woonde
het dappere vrouwenvolk der Amazonen, die door koningin Hippolỳte
werden geregeerd. Deze droeg, als teeken van haar waardigheid, een
kostbaren gordel, welken Admete, de dochter van Eurystheus, wenschte te
bezitten. Hippolỳte wilde aanvankelijk den gordel vrijwillig geven;
maar Hera verspreidde onder de Amazonen het gerucht, dat de koningin
geroofd zou worden. Toen stormden de krijgshaftige vrouwen te paard op
Heracles los, die in een woedenden strijd met moeite overwon,
Hippolỳte, die hij van verraad verdacht, doodde en den gordel met zich
meê voerde.
Op den terugweg landde Heracles bij Troje. Daar heerschte groote rouw.
Apollo en Poseidon hadden, in menschelijke gedaante, koning Laòmedon
aangeboden om tegen een bepaalde belooning de vesting Pergamos te
ommuren. Toen het werk klaar was, werd het loon hun geweigerd. Apollo
zond nu een pest, Poseidon een zeemonster, dat mensch en dier doodde.
Pas als de koning zijn dochter aan het ondier offeren zou, zou de
bezoeking wijken. Daarom werd Hesìone aan een klip aan het strand der
zee geketend, opdat zij door het monster verslonden zou worden. Juist
toen landde Heracles. Hij bood aan het meisje te redden, als hem de
paarden werden gegeven, die Laòmedon als vergoeding voor zijn geroofden
zoon Ganymèdes van Zeus had gekregen. De overeenkomst werd aangegaan;
het ondier werd door Heracles gedood; maar ook hem werd de beloofde
belooning onthouden. Toen ging hij weg onder de bedreiging, dat hij
eens met een legermacht terug zou keeren om wraak te nemen.
Het terrein van de volgende daden van Heracles lag in het verre westen.
Hij moest de runderen van Gerỳones halen, die woonde op een eilandje in
den Oceaan; uit drie lichamen was het monster samengegroeid. Zijn
prachtige runderen werden bewaakt door een reus en een grimmigen hond.
Heracles trok om de Middellandsche Zee heen langs de noordkust van
Afrika en plaatste aan weerskanten van de straat van Gibraltar een
groote rots, als een zuil, die de herinnering aan zijn versten tocht
moest bewaren. Toen hij aan den oever van den Oceaan was aangekomen,
wist hij niet, hoe hij het eiland zou bereiken. Juist reed Helios met
zijn zonnewagen dicht over zijn hoofd heen, op het punt het zeevlak in
het westen te bereiken. Heracles had last van de felle stralen en boos
legde hij op den zonnegod aan. Deze had pleizier in den durf van den
sterveling en leende hem de gouden, bekervormige boot, waarmeê hij ’s
nachts naar het Oosten terug placht te varen. Zoo kwam Heracles op het
eiland, versloeg den reus en zijn hond, doodde ook Gerỳones, toen die
hem na wilde zetten, en dreef de runderen weg. Toen hij nu in Italië
was gekomen en rust nam in de grasrijke vlakte van den Tiber, ontstal
hem, terwijl hij sliep, de vuursnuivende reus Cacus enkele van zijn
mooiste beesten. Bij den staart trok hij ze naar zijn hol, opdat
Heracles het spoor zou bijster worden. Deze zocht ook vergeefs en
besloot ten slotte maar weg te trekken. Maar het geloei van de
opbrekende kudde werd uit de verte beantwoord; zóó ontdekte hij de
plaats waar de ontbrekende koeien verborgen waren. Van boven af sprong
hij neer in de grot, waarin Cacus zich verschanst had, en na een hevige
worsteling te midden van vuur en vlammen werd hij hem ten slotte
meester. De bevolking van de streek was hem dankbaar voor zijn daad,
een plechtig feest werd te zijner eere gevierd, en van dien tijd af
bestond in Latium een eeredienst voor Hercules.
Weer naar het westen voerde hem zijn volgende tocht. Aan den oever van
den Oceaan stond in de tuinen van Atlas een wonderboom met gouden
appelen, die de aarde eens als een huwelijksgeschenk voor Hera had
laten groeien; de dochters van Atlas, de Hesperiden, verzorgden den
boom en een nooit slapende draak bewaakte hem. Heracles moest drie van
die appelen halen. Na lang rondzwerven kwam hij bij Atlas, die het
hemelgewelf op zijn schouders droeg. Deze plukte voor hem de vruchten,
terwijl Heracles zoolang de ontzettende vracht van hem overnam. Toen
Atlas echter met de drie appels terugkwam, wilde hij den zwaren hemel
niet weer opnemen, maar zelf de vruchten naar Eurystheus brengen.
Heracles ging op het voorstel in, maar verzocht hem nog even den hemel
te houden, tot hij zich een kussen op den schouder zou hebben gelegd,
die wat zeer begon te doen. Atlas liet zich vangen; Heracles raapte
boog, pijlen en appels van den grond en maakte zich uit de voeten.
Eurystheus schonk hem de gouden vruchten en hij wijdde ze aan Athene,
die hem bij zijn werken zoo dikwijls had bijgestaan.
De laatste en zwaarste onderneming van Heracles was het halen van
Cèrberus, den vreeselijken hond, die de wacht hield voor de
onderwereld. Bij kaap Taenarum daalde Heracles naar de Hades af; Pluto
gaf hem verlof den hond met zich mee te voeren, als hij hem zonder
wapens meester kon worden. Dat lukte. Stevig bond hij toen het monster
vast en droeg het zoo naar de bovenwereld om het aan Eurystheus te
laten zien. Daarop bracht hij het naar zijn vroegere verblijfplaats
terug.
Na de volbrenging van deze twaalf daden, waarvan een bekende
voorstelling in beeldhouwwerk voorkwam op de metopen van den grooten
Zeustempel in Olympia, was Heracles uit den dienst van Eurystheus
ontslagen. Uit innerlijken drang ging hij echter toch op avontuur uit.
Hij begaf zich naar Oechalië op Euboea, waar de beroemde boogschutter
Eùrytos regeerde; die had zijn dochter Iole tot vrouw beloofd aan wie
hem in het schieten zou overtreffen. Heracles won het van hem: maar
Eùrytos gaf hem zijn dochter niet en joeg hem bovendien met smaad uit
zijn woning. Bij de herinnering aan dien hoon doodde Heracles niet lang
daarna in zijn eigen paleis Eùrytos’ zoon Iphitos, door hem, zijn gast,
in een vlaag van drift van den burchtmuur naar beneden te storten. Die
schending der gastvrijheid kon niet ongestraft blijven; Heracles werd
zwaar ziek en de ziekte zou pas wijken, als hij voor een jaar als slaaf
zou verkocht worden en de koopsom als zoengeld aan Eùrytos zou worden
gegeven. Zoo kwam hij, door bemiddeling van Hermes, in tijdelijken
slavendienst bij Òmphale, koningin van Lycië; de prijs werd Eùrytos als
weergeld aangeboden, maar deze weigerde hem aan te nemen en de oude
wrok bleef dus bestaan.
In den dienst van Omphale werd Heracles diep vernederd; de trotsche
koningin trok hem een vrouwenkleed en zachte sandalen aan en liet hem
wol spinnen, terwijl zij zelve er bij stond met zijn leeuwenhuid om de
schouders en spelend met zijn knods. Alleen af en toe vergunde zij hem
ook nu nog op avonturen uit te gaan.
Na afloop van den tijd dezer slavernij trok Heracles op zijn wraaktocht
tegen Troje uit; verschillende helden voerde hij met zich meê, Laòmedon
werd overwonnen en met al zijn zonen omgebracht; alleen de jongste,
Podàrkes of Prìamos, werd op Hesìone’s voorbede in het leven gelaten;
daarvoor trad het meisje met den Griekschen held Télamon in het
huwelijk.
Na nog verschillende avontuurlijke ondernemingen in allerlei deelen van
de Grieksche wereld, begaf Heracles zich naar Calydon in Aetolië, waar
de gastvrije koning Oineus troonde; diens dochter Deïaneira begeerde
hij tot vrouw. Velen dongen naar de hand van het mooie meisje, onder
hen de naburige stroomgod Achelòüs, die allerlei gestalten aan kon
nemen, en nu eens als een stier, dan weer als een slang of in de
gedaante van een mensch met een kop van een stier zich aan de beangste
Deïaneira vertoonde. In een ontzettend gevecht overwon Heracles zijn
medeminnaar. Als echtgenoot van Deïaneira bleef hij toen langen tijd in
het paleis van koning Oineus. Eindelijk trok hij weg met zijn jonge
vrouw en begaf zich naar Trachis aan het Oetagebergte, waar een vriend
van hem woonde. Onderweg kwam hij aan een breede rivier, waarover de
Centaur Nessos de reizigers op zijn rug placht over te dragen. Ook
Deïaneira zou hij overvoeren. Maar plotseling hoorde Heracles haar een
angstkreet slaken en hij zag, hoe de Centaur zich met haar uit de
voeten wilde maken. Toen greep hij zijn boog en doodde Nessos met een
pijlschot. Stervend ried deze Deïaneira aan, het bloed, dat aan den
pijl kleefde, als een toovermiddel te bewaren; het zou dienst kunnen
doen, als Heracles haar ooit ontrouw mocht worden.
Toen Heracles nu in Trachis woonde, besloot hij met Eùrytos af te
rekenen. Hij veroverde en verwoestte Oechalië, versloeg Eùrytos en zijn
zonen en nam Iole als krijgsgevangene mee. Aan den rand van Euboea
hield hij halt om er Zeus een dankoffer te brengen voor het slagen van
zijn onderneming; Iole zond hij naar Trachis vooruit. Toen Deïaneira
zag, hoe mooi deze was, werd zij bang dat Heracles haar om Eùrytos’
dochter verstooten zou. Zij dacht aan het toovermiddel, dat Nessos haar
verschaft had, bestreek met het zorgvuldig bewaarde bloed een prachtig
feestgewaad en zond dat Heracles om het te dragen, als hij Zeus het
bedoelde offer zou brengen. Verheugd sloeg de held zich het kleed om de
schouders, maar nauwelijks was het bloed aan zijn lichaam warm geworden
of het drong verterend in zijn ledematen door. Door razende pijnen werd
hij gefolterd. Toen de eerste aanval voorbij was, liet hij zich op een
schip naar Trachis overbrengen, waar Deïaneira zich zelve had gedood,
zoodra zij had vernomen welk onheil zij tegen wil en dank had
aangericht. Hier vernam Heracles, dat het gif van Nessos afkomstig was,
die zich zoo op afschuwelijke wijze aan hem had gewroken; nu wist hij
ook, dat zijn einde nabij was, want een orakel had hem voorspeld, dat
hij door een doode gedood zou worden. Hij liet zich naar den Oeta
dragen, richtte daar een brandstapel op, besteeg hem, en verzocht alle
voorbijgangers hem aan te steken. Niemand wilde. Maar eindelijk bewees
Philoctètes, die als koning heerschte op het Oetagebergte, hem dien
vriendendienst; als belooning kreeg hij daarvoor Heracles’ boog en zijn
nooit missende pijlen. Weldra laaiden de vlammen op, bliksemstralen
schoten neer, en onder het rollen van de donderslagen werd de held naar
den Olympus opgevoerd. Daar leefde hij voort onder de onsterfelijke
goden, met Hera nu verzoend, en gehuwd met Hebe.